-
Dutchbook huiswerk:✍️
Boek. Pagina 179
Opdracht 4
Plaats jouw antwoorden hieronder:196 Comments-
1. Er ligt een boek op de tafel.
2. Er staan paarden in de boerderij.
3. Er zijn geen messen in de lade.
4. Er zijn bloemen in de tuin.
5. Er staat een Grieks standbeeld in de buurt. -
1. Er ligt een telefoon op de tafel.
2. Er zijn twee mensen in de kamer.
3. Er is geen suiker in de keuken.
4. Er zijn drie tafels in mijn kantoor.
5. Er zit een kat op de vloer. -
1. Er zijn drie kinderen op school.
2. Er is geen wasverzachter in het huis.
3. Er ligt een portemonnee op straat.
4. Er lopen eenden in het park.
5. Er is geen strand in Eindhoven. -
1. Er zijn twee citroenen in de koelkast.
2. Er zijn veel jurken in de kast.
3. Er zijn veel boeken in de bibliotheek.
4. Er is geen yoghurt in de koelkast.
5. Er is geen hoed in de kast. -
1. Er zit ijs in de vriezer.
2. Er zijn drie ramen in de kamer.
3. Er zit een telefoon in de jas.
4. Er ligt geen pen in de mand.
5. Er zit geen water in het glas. -
1. Er ligt een boek op de tafel.
2. Er zijn geen bergen in Nederland.
3. Er zijn veel tempels in mijn moederland.
4. Er is een haard in mijn huis.
5. Er zijn veel groenten op de markt. -
1. Er liggen vijf fruiten in de koelkast.
2. Er staan twee vogels voor het raam.
3. Er staan pannen in de kast.
4. Er staan geen kleding in de wasmachine.
5. Er is een kleine tuin in het restaurant. -
1. Er is geen boom in de tuin.
2. Er is een ei in de koelkast.
3. Er is een auto voor het huis.
4. Er is geen fiets op straat.
5. Er zijn veel boeken in de boekenkast. -
1. Er is een man in de receptie.
2. Er ligt een kat op mijn bed.
3. Er is een lange kustlijn langs Chili.
4. Er liggen veel munten verspreid in haar tas.
5. Er staat een mooie fiets buiten jouw huis. -
1. Er hangt een lamp aan het plafond.
2. Er ligt een telefoon op de tafel.
3. Er ligt een kat op het balkon.
4. Er loopt een vrouw op straat.
5. Er zit een kind op de stoel. -
1. Er ligt een iPad op de tafel.
2. Er staan boeken in de boekenkast.
3. Er staan biertjes in de koelkast.
4. Er staat een kaars op de salontafel.
5. Er staan kamerplanten in de woonkamer. -
1. Er speelt een kind in het park.
2. Er ligt een rood blad op de vloer.
3. Er staan boeken in de boekenkast.
4. Er zijn veel auto’s in de snelweg.
5. Er is melk op het balkon.
6. Er zijn veel deelnemers aan de race.
7. Er hangt een spin boven je hoofd. -
1. Er is geen biertje in de koelkast.
2. Er is een cocktail in de koelkast.
3. Er is een pizza in de oven.
4. Er is geen feest in Eindhoven.
5. Er ligt een appel op de tafel. -
1. Er zijn veel mensen in het café.
2. Er staat één glas op de tafel.
3. Er zit een vreemde vrouw op de stoel.
4. Er ligt geen boek in de kast.
5. Er staat één fiets op straat. -
1. Er is een boek in de kast.
2. Er is geen vlees in de koelkast.
3. Er staat een computer op de tafel.
4. Er zitten wat mensen in de kamer.
5. Er ligt een telefoon op de stoel. -
1. Er zijn klanten in de winkel.
2. Er staat een vaas op de kast.
3. Er staat een laptop op mijn tafel.
4. Er liggen groenten in de koelkast.
5. Er zijn veel mensen op straat. -
1. Er staat een auto op straat.
2. Er ligt een boek op het bed.
3. Er ligt een pen op mijn bureau.
4. Er staan glazen op het keukeneiland
5. Er zijn bloemen in mijn tuin. -
1. Er is een pompoen op de tafel.
2. Er zijn autos in de garage.
3. Er is een pizza in the oven.
4. Er is een Turks collega op mijn kantoor.
5. Er is geen tuin thuis. -
1. Er staan bloemen in de vaas.
2. Er liggen boeken op de tafel.
3. Er staan vier stoelen in mijn woonkamer.
4. Er staat een bank in de woonkamer.
5. Er staat een auto in de garage. -
1. Er staat een kind op het speelplein.
2. Er is geen melk in de winkel.
3. Er ligt een bord in de gootsteen.
4. Er hangt een jas in de ingang.
5. Er zit een lippenstift in de tas -
1. Er zijn honderd fietsen op de parkeerplaats.
2. Er ligt een portemonnee op de tafel.
3. Er staat een rij om te betalen.
4. Er zit een tas op de grond.
5. Er is een kat in de kamer. -
1. Er is geen eten in het restaurant.
2. Er liggen zeven speeltjes in de kamer.
3. Er staan tien bomen op de straat.
4. Er zitten veel potloden in de doos.
5. Er zijn veel vuil in het huis. -
1-Er is een glas op de tafel.
2-Er is geen water in de koelkast.
3-Er hangt een foto aan de muur.
4-Er liggen boeken in de kast.
5-Er zit parfum in het flesje. -
1. Er zijn bloemen in de vaas.
2. Er ligt een kat op de bank.
3. Er zit geen geld in de portemonnee.
4. Er zijn geen mensen op straat.
5. Er zitten veel kinderen in de kleuterschool. -
1. Er zijn twee katten in de tuin.
2. Er ligt een brief op de mat.
3. Er staat een oude man bij de deur.
4. Er hangt geen schilderij aan de muur.
5. Er rijden veel auto’s op de weg. -
1 – Er zijn geen makkelijke vragen in het huiswerk.
2 – Er staat een grote boom in de tuin.
3 – Er helpen vaak medecursisten met oefenen.
4 – Er ligt wat geld op straat.
5 – Er is geen koffie in de koffiemachine. -
1. Er is een boek in de boekenkast
2. Er is een stoel in de kamer
3. Er is een pen op de tafel
4. Er is een hond in het park
5. Er is een kussen op de bank -
1. Er is geen eten in de oven.
2. Er ligt een boek op de tafel.
3. Er staat geen auto voor het huis.
4. Er zijn mensen in de winkel.
5. Er ligt geen geld in de tas. -
1. Er staat een boom in de straat.
2. Er ligt een boek op tafel.
3. Er is een hond in de tuin.
4. Er is een vliegtuig in de lucht.
5. Er zit een pakje snoepjes in de kast. -
1. Er is een cola in de koelkast.
2. Er ligt een kussen op de bank.
3. Er staat een bloempot op de tafel.
4. Er staat een lamp in de hoek.
5. Er is een vijver in de tuin. -
1. Er is geen suiker in de suikerdoos.
2. Er zijn zes eieren in de doos.
3. Er is een pakje melk in de koelkast.
4. Er zijn vijf boeken op de tafel.
5. Er zijn geen bladeren in de boom. -
1. Er zijn veel interessante boeken in de bibliotheek.
2. Er zijn veel buitenlanders in Rotterdam.
3. Er is een geweldige bar in de buurt.
4. Er zijn geen stroopwafels in andere landen.
5. Er is een getalenteerde ingenieur in ons team. -
1. Er zijn tien eieren in de keukenkast.
2. Er ligt een boek op de tafel.
3. Er staat een computer op het bureau.
4. Er zitten veel koekjes in de bakjes.
5. Er staat een fontein in de achtertuin. -
1. Er is een appel in de koelkast.
2. Er is geen melk in de koelkast.
3. Er ligt een pen op de tafel.
4. Er is geen internet op het kantoor.
5. Er staat een auto op straat.
6. Er speelt een hond in het park.
7. Er zijn kinderen in het centrum.
8. Er is geen frisse lucht in de kamer. -
1. Er is een stille ruimte in het gebouw.
2. Er staan heerlijke gerechten op het menu.
3. Er zitten een aantal erg leuke souvenirs in de doos.
4. Er is een nieuw lid bij ons team gekomen.
5.Er liggen geen bordspellen op tafel. -
1- Er liggen twee deken op de bank.
2- Er spelen twee katten op de straat.
3- Er tjilpen veel mussen op het hek.
4- Er is een zwempad in de tuin.
5- Er staan tien autos op de weg. -
1. Er ligt een boek op de tafel.
2. Er staat een fles water in de koelkast.
3. Er hangt een jas aan de kapstok.
4. Er zit een kat onder de stoel.
5. Er loopt een hond in het park.
6. Er groeit een boom in de tuin.
7. Er blijft geen koffie in de pot. -
1. Er staat een auto voor het huis.
2. Er staat een lamp naast het bed.
3. Er ligt een sleutel op de grond.
4. Er zit een vogel op het dak.
5. Er hangt een schilderij aan de muur.
6. Er ligt een telefoon op het bureau. -
1.Er is een boek op de tafel.
2.Er is geen water in de fles.
3.Er staat een fiets voor het huis.
4.Er ligt een kat op de stoel.
5.Er zijn mensen in de winkel. -
1. Er staat een boom.
2. Er ligt een boek.
3. Er is geen zout in de kast.
4. Er zijn heel veel mieren in de tuin.
5. Er liggen sommige baby’s op de vloer.
6. Er staan veel gebouwen. -
1. Er liggen brieven in de brievenbus.
2. Er lopen mensen in de winkel.
3. Er hing kleding in de kast.
4. Er komt geen water uit de kraan.
5. Er gaan gedachten door mijn hoofd.
6. Er zitten borden in de vaatwasser.
7. Er staan pantoffels op de vloer.
8. Er was nieuws op tv.
9. Er bleven koekjes over in de doos.
10. Er staan geen fietsen in de stalling. -
1. Er is een fout in jouw berekening.
2. Er staat een groot gebouw in het centrum.
3. Er ligt een winkelcentrum in het noorden van Eindhoven.
4. Er klinkt muziek uit het cafe.
5. Er zitten mensen en vrouwen in deze groep.
6. Er is niets groens op jouw bord.
7. Ergens in haar kamer ligt een jurk.
8. Nergens in de stad zijn goede restaurants.
9. Er…Read More -
1. Er zijn veel fietsen bij het station.
2. Er is een supermarkt in mijn buurt.
3. Er zijn drie mensen in de bus.
4. Er is een hond in de tuin.
5. Er zijn veel bloemen in het park. -
1. Er liggen pennen op de tafel.
2. Er staat een fiets in de tuin.
3. Er zit geen melk in de fles.
4. Er is hier een auto geparkeerd.
5. Er hangt een schilderij aan de muur. -
1. Er zijn honden in het park.
2. Er staat een boom in de tuin.
3. Er liggen appels op de tafel.
4. Er zitten veel studenten in het klaslokaal.
5. Er staan auto’s op de straat. -
1. Er hangt een broek in mijn kledingkast.
2. Er ligt een handdoek in de badkamer.
3. Er is geen koekje in de doos.
4. Er zit een cafe in de stad.
5. Ergens op de tafel ligt een telefoon.
6. Nergens in de koelkast liggen groenten. -
1. Er staat een waterfles op de tafel.
2. Er spelen veel kinderen in het park.
3. Er kijken mensen een film in de bioscoop.
4. Er wonen collega’s een vergadering bij op kantoor.
5. Er wacht een vrouw op de trein.
6. Nergens in het huis staat een schoenrek.
- Load More Posts

1. Er is een leeuw in de dierentuin.
2. Er is geen thee in het café.
3. Er is geen balkon in dat appartement.
4. Er staat een bank voor de tv.
5. Er ligt een krant op de tafel.