-
👉 Maak 5-7 vragen met Tijd-Manier-Plaats.🎙️🔊
Please record your questions on https://rebrand.ly/record-voice and post your link below.99 Comments-
1. Nee, ik moet niet snel koffie opdrinken
1.1 Ja, ik moet soms snle koffir opdrinken.
2.1 Nee, Ik ga morgen niet thuis pasta maken.
2.2 Ja,ik ga morgen zeker thuis pasta maken
3.1 Nee,Ik Liep vanochtend afslappend niet naar de koffieautomat?
3.2 Ja,Ik Liep vanochtend afslappend misschien naar de koffieautomat? -
-
1. Ga je binnenkort met het vliegtuig op vakantie?
-Ja, ik ga misschien binnenkort met het vliegtuig op vakantie.
-Nee, ik ga niet binnenkort met het vliegtuig op vakantie.
2. Ontspan je elke dag met topscrolling op je telefoon?
Ja, ik ontspan zeker elke dag met scrollen op mijn telefoon.
Nee, ik ontspan niet elke dag met scrollen op mijn…Read More
-
-
-
1. Luister jij vaak naar de radio met een koptelefoon?
– Ja, ik luister zeker vaak naar de radio met een koptelefoon.
– Nee, ik luister niet vaak naar de radio met een koptelefoon.
2. Eet jij altijd rijst met een vork?
– Ja, ik eet ook altijd rijst met een vork.
– Nee, ik eet niet altijd rijst met een vork.
3. Ga jij zonder auto naar de winkel om…Read More
-
-
-
1.Doe jij in het weekend boodschappen met de auto?
Nee, ik doe in het weekend geen boodschappen met de auto.
Ik doe in het weekend altijd boodschappen met de auto.
2.Wil je morgen met mij naar het restaurant gaan?
Nee, ik wil morgen niet met jou naar het restaurant gaan.
Ik wil morgen zeker met jou naar het restaurant gaan.
3. Ga jij morgen naar…Read More -
1.
Nee, ik do niet in het weekend boodschappen met de auto.
Ja, ik do ook in het weekend boodschappen met de auto.
2.
Nee, ik wil niet morgen met jou naar het restaurant gaan.
Ja, ik wil zeker morgen met jou naar het restaurant gaan.
3.
Nee, ik ga morgen nooit met de trein naar het werk.
Ja, ik ga morgen misschien met de trein naar het werk.-
2. Nee, ik wil morgen niet met jou naar het restaurant gaan.
Ja, ik wil morgen zeker met jou naar het restaurant gaan.
3. Nee, ik ga nooit met de trein naar het werk.
De rest is goed!-
3. Ik heb het eens met je.
2. I was applying the rule that we can negate when the sentence is to big. Isn’t this allowed?
Nee/Ja, ik wil niet/zeker [morgen met jou naar het restaurant gaan].
-
-
-
1.
– Nee, ik doe in het weekend boodschappen niet met de auto.
– Ik doe in het weekend boodschappen soms met de auto.
2.
– Nee, ik wil morgen niet met jou naar het restaurant gaan.
– Ik wil morgen niet met jou naar het restaurant gaan.
3.
– Nee, ik ga morgen naar het werk niet met de trein.
– Ik ga morgen naar het werk ook met de trein. -
1. Nee, ik doe (niet) in het weekend boodschappen (niet) met de auto. / Ja, ik doe (altijd) in het weekend boodschappen (altijd) met de auto.
2. Nee, ik wil morgen (niet) met jou (niet) naar het restaurant gaan./ Ja, ik wil morgen (graag) met jou (graag) naar het restaurant gaan.
3. Nee, ik ga morgen (niet) naar het werk (niet) met de trein. /…Read More
-
-
-
1. Betaal jij jouw boodschappen vandaag met een pinpas bij Jumbo? (heel lange vraag
)
Nee, ik betaal mijn boodschappen vandaag met een pinpas niet bij Jumbo. / Ja, ik betaal mijn boodschappen vandaag met een pinpas zeker bij Jumbo.
2. Fiets jij gisteren snel naar jouw werk?
Nee, ik fietst gisteren niet snel naar mijn werk. / Ja, ik fietst gisteren…Read More
-
-
-
1. Nee, ik eet mijn maaltijd niet altijd snel. Ja, ik eet mijn maaltijd meestal snel.
2. Nee, ik rijd niet met mijn auto elke keer te snel op de weg. Nee, ik rijd nooit met mijn auto elke keer te snel op de weg.
3. Nee, ik neem mijn boodschappentas niet altijd mee naar de supermarkt. Ja, ik neem mijn boodschappentas bijna altijd mee naar de supermarkt. -
1.
Nee, ik eet mijn warme maaltijd niet altijd snel thuis.
Ja, ik eet zeker mijn warme maaltijd altijd snel thuis.
2.
Nee, ik rijd met mijn auto elke keer niet snel op het werk.
Ja, rijd met mijn auto elke keer heel hard op het werk.
3.
Nee, ik neem mijn boodschappentas nooit mee naar de supermarkt. Ik vergeet hem altijd.
Ik neem mijn…Read More
-
-
-
1. Nee, ik zet mijn afval morgen niet buiten. Ja, ik zet mijn afval morgen zeker buiten.
2. Nee, ik ga vanmiddag niet met de auto naar het werk. Nee, ik ga nooit met de auto naar het werk.
3. Nee, jij hoeft vandaag niet vroeger thuis te zijn. Ja, jij moet vandaag een beetje vroeger thuis zijn. -
1. Nee, ik zet morgen het afval niet buiten. / Ja, ik zet morgen het afval ook buiten.
2. Nee, ik ga vanmiddag niet met de auto naar hun werk. / Ja, ik ga vanmiddag zeker met de auto naar hun werk.
3. Nee, je hoeft vandaag niet vroeger naar huis te gaan. / Ja, je moet vandaag heel vroeger naar huis gaan.
-
-
-
1.
– Nee, ik kom vanochtend niet met de auto naar mijn werk.
– Ik kom vanochtend zeker met de auto naar mijn werk.
2.
– Morgen ga ik thuis pasta met tomaten maken.
– Morgen maak ik thuis geen pasta.
3.
– Nee, ik ga in de winter niet met de fiets naar Parijs.
– Ik ga in de winter ook met de fiets naar Parijs.
-
-
-
1. Ja, ik ga nu zeker met mijn fiets naar huis. / Nee, ik ga nu niet met mijn fiets naar huis.
2. Ja, ik wil vandaag misschien met mijn collega’s op kantoor koffie drinken. / Nee, ik wil vandaag niet met mijn collega’s op kantoor koffie drinken.
3. Ja, ik betaal elke week in de supermarkt vaak met een pinpas. / Nee, ik betaal elke week in de…Read More -
1. Nee, ik ga nu niet met mijn fiets naar huis. / Ja, ik ga nu zeker met mijn fiets naar huis.
2. Nee, ik wil vandaag niet met mijn collega’s op kantoor koffie drinken. / Ja, ik wil vandaag graag met mijn collega’s op kantoor koffie drinken
3. Nee, ik betaal niet elke week in de supermarkt met de pinpas. / Ja, ik betaal ook elke week in de…Read More -
1. Ja, ik ga nu niet met mijn fiets naar huis. / Nee, ik ga nu zeker met mijn fiets naar huis.
2. Ja, ik wil vandaag niet met mijn collega’s op kantoor koffie drinken. / Nee, ik wil vandaag zeker met mijn collega’s op kantoor koffie drinken.
3.Ja, ik betaal elke week in de supermarkt niet met een pinpas. / Nee, ik betaal elke week in de sup…Read More
-
-
-
1.
Nee, ik ga morgen niet met de fiets naar het werk.
Ja, ik ga morgen met de fiets ook naar het werk.
2.
Ja, ik maak mijn huiswerk altijd thuis op de computer.
Nee, ik maak mijn huiswerk niet thuis op de computer.
3.
Nee, ik do de boodschappen niet goed in de tas.
Ja, ik do de boodschappen soms netjes in de tas. -
1. Nee, ik ga morgen niet met de fiets naar het werk.
Ja, ik ga morgen zoals altijd met de fiets naar het werk.
2. Nee, ik maak mijn huiswerk niet thuis op de computer.
Ja, ik maak mijn huiswerk zeker thuis op de computer.
3. Nee, ik doe de boodschappen niet goed in de tas.
Ik doe de boodschappen meestal goed in de tas.-
1. Nee, ik ga morgen niet met de fiets naar het werk. / Ja, ik ga morgen ook met de fiets naar het werk.
2. Nee, ik maak mijn huiswerk niet thuis op de computer. / Ja, ik maak mijn huiswerk zeker thuis op de computer.
3. Nee, ik doe de boodschappen niet goed in de tas. / Ik doe de boodschappen ook goed in de tas.
-
-
-
-
-
1. Ja, ik ga soms in de winter op de fiets naar het werk. Nee, ik ga niet in de winter op de fiets naar het werk.
2. Ja, ik kocht zeker de kerstcadeaus online met mijn pinpas. Nee, ik kocht niet de kerstcadeaus online met mijn pinpas.
3. Ja, hij moet vaak het formulier morgen met een pen invullen. Nee, hij moet niet het formulier morgen met een…Read More -
1. Ja, ik ga altijd in de winter op de fiets naar het werk. Nee, ik ga niet in de winter op de fiets naar het werk.
2. Ja, ik koop altijd de kerst cadeaus online met mijn pinpas. Nee, ik koop niet de kerstcadeaus online met mijn pinpas.
3. Ja, hij moet zeker het formulier morgen met een pen invullen. Nee, hij moet niet het formulier morgen met een…Read More
-
-
-
1. Nee, ik loop vandaag niet met mijn man in het park
Ja, ik loop vandaag zeker met mijn man in het park2. Nee, ik eet vanmiddag niet in het restaurant met mijn collega’s
Ja, ik eet vanmiddag zeker in het restaurant met mijn collega’s3. Nee, ik krijg vandaag met mijn punten in Albert Heijn geen taart
Ja ik krijg vandaag met mijn punten in…Read More -
Nee, ik loop vandaag niet met mijn man in het park. Ja, ik loop vandaag misschien met mijn man in het park.
2. Nee, ik eet vanmiddag niet in het restaurant met mijn collega’s. Ja, ik eet vanmiddag zeker in het restaurant met mijn collega’s.
3. Nee, ik krijg vandaag niet met mijn punten een taart. Ja, ik krijg vandaag misschien met mijn punten een taart. -
1. Nee, ik loop vandaag niet met mijn man in het park. Ja, ik loop vandaag zeker met mijn man in het park.
2. Nee, ik eet vanmiddag niet in het restaurant met mijn collega’s. Ja, ik eet vanmiddag misschien in het restaurant met mijn collega’s.
3. Nee, ik krijg vandaag niet met mijn punten een taart. Ja, ik krijg vandaag zeker met mijn punten een taart. -
1. Nee, ik loop vandaag niet met mijn man in het park
Ja, ik loop vandaag soms met mijn man in het park2. Nee, ik eet vanmiddag niet in het restaurant met mijn collega’s
Ja, ik eet vanmiddag altijd in het restaurant met mijn collega’s3. Nee, ik krijg vandaag met mijn punten in Albert Heijn geen taart
Ja ik krijg morgen met mijn punten in Alb…Read More
-
-
-
1. Nee, ik zie niet mijn moeder komend weekend in de stad. Ja, ik zie misschien mijn moeder komend weekend in de stad.
2. Nee, zij moet morgen niet met de laptop haar presentatie geven. Ja, zij moet morgen zeker met de laptop haar presentatie geven.
3. Nee, ik moet morgen niet met mijn man naar de tandarts gaan. Ja, ik moet morgen met mijn man…Read More -
1. Ja, ik zie zeker mijn moeder komend weekend in de stad. Nee, ik zie niet mijn moeder komend weekend in de stad.
2. Ja, zij moet morgen misschien met de laptop haar presentatie geven. Nee, zij moet morgen niet met de laptop haar presentatie geven.
3. Ja, ik moet waarschijnlijk morgen met mijn man naar de tandarts gaan. Nee, ik moet morgen niet…Read More -
1. Nee, ik zie niet mijn moeder komend weekend in de stad. Ja, ik zie zeker mijn moeder komend weekend in de stad.
2. Nee, zij moet morgen niet met de laptop haar presentatie geven. Ja, zij moet morgen misschein met de laptop haar presentatie geven.
3. Nee, ik moet morgen niet met mijn man naar de tandarts gaan. Ja, ik moet vanavond met mijn man…Read More
-
-
-
1.Nee, ik ga niet elke dag naar supermarkt met de auto. Ja, ik ga elke dag naar supermarkt met de auto.
2. Nee, ik ga morgen niet met de trein naar Eindhoven. Ja, ik ga morgen zeker met de trein naar Eindhoven.
3. Nee, ik werk vandaag niet met de computer op kantoor. Je, ik werk altijd met de computer op kantoor.
4. Nee, ik wandel niet elke dag…Read More -
1. Ik ga niet elke dag met de auto naar de supermarkt. Ik ga alleen in het weekend met de auto naar de supermarkt.
2. Ik reis morgen niet met de trein naar Eindhoven. Ik reis morgen met de trein rechtstreeks naar Emmen.
3. Ik werk vandaag niet met de computer op kantoor. Ik werk vandaag zeker met de computer op kantoor.
4. Ik wandel niet elke dag…Read More -
1.Nee, ik ga niet elke dag naar supermarkt met de auto. Ja, ik ga elke dag naar supermarkt met de auto.
2. Nee, ik reis morgen niet met de trein naar Eindhoven. Ja, ik reis morgen graag met de trein naar Eindhoven.
3. Nee, ik werk vandaag niet met de computer op kantoor. Je, ik werk altijd met de computer op kantoor.
4. Nee, ik wandel niet elke…Read More
-
-
-
1. Ga je met de fiets naar het werk? Nee, ik ga niet met de fiets naar het werk. / Ja, ik ga met de fiets naar het werk.
2. Wil je vanavond met me naar het park lopen? Nee, ik wil vanavond niet met je naar het park lopen. / Ja, ik wil vanavond met je naar het park lopen.
3. Kijk je de nieuwe film morgen met jouw vriend in de bioscoop? Nee, ik kijk…Read More -
1. Nee, ik ga morgen niet met de fiets naar het werk. Ja, ik ga altijd met de fiets naar het werk.
2. Nee, ik wil vanavond niet met jou naar het park lopen. Ja, ik wil vanavond zeker met jou naar het park lopen.
3. Nee, ik kijk de nieuwe film morgen niet met mijn vriend in de bioscoop. Ja, ik kijk de nieuwe film morgen met mijn vriend in de bioscoop. -
1. Ga jij morgen met de fiets naar je werk?
Nee, ik ga morgen niet met de fiets naar mijn werk.
Ja, ik ga morgen zeker met de fiets naar mijn werk.2. Wil je vanavond met mij naar het park lopen?
Nee, ik wil vanavond niet met je naar het park lopen.
Ja, ik wil vanavond gelukkig met je naar het park lopen.3. Kijk je de nieuwe film morgen met…Read More
-
1. Ik ga morgen niet met de fiets naar mijn werk. Ik ga morgen vast wel met de fiets naar mijn werk.
2. Ik wil vanavond niet met jou naar het park lopen. Ik wil vanavond graag met jou naar het park lopen.
3. Ik kijk de nieuwe film morgen niet met mijn vriend in de bioscoop. Ik kijk de nieuwe film morgen mogelijk met mijn vriend in de bioscoop.
-
-
-
1. Moet jij jouw koffie snel drinken? Nee, ik hoef mijn koffie niet snel drinken.
2. Hoe kom jij naar Nederland? Ik kom met het vliegtuig.
3. Hoe ging jij gisteren naar huis? Ik ging gisteren met mijn auto naar huis.
4. Hoe ga jij morgen de pasta thuis maken? Ik ga morgen de pasta thuis met warm water maken. -
1. Moet je jouw koffie snel drinken?
Nee, ik hoef mijn koffie niet snel drinken.
Ja, ik hoef mijn koffie snel drinken.2. How kom je naar Nederland?
Ik kom met trein.3. Hoe ging je gisteren naar huis?
Ik ging gisteren naar huis met de bus.4. Hoe ga je morgen de pasta thuis maken?
Ik ga morgen de pasta thuis met mijn nieuwe kookpan. -
1. Ik moet mijn koffie niet snel drinken. Ik moet mijn koffie blijkbaar snel drinken.
2. Ik kom niet naar Nederland. Ik kom met haast en hoop naar Nederland.
3. Ik ging gisteren niet naar huis. Ik ging gisteren met lege handen naar huis.
4. Ik ga morgen de pasta niet thuis maken. Ik ga morgen de pasta op het gevoel thuis maken. -
Nee, ik hoef mijn koffie niet snel drinken. Ja, ik hoef altijd mijn koffie snel drinken.
Ik kom niet naar Nederland. Ik kom met het vliegtuig.
Ik ging gisteren niet naar huis. Ik ging gisteren met de fiets naar huis.
Ik ga morgen de pasta niet thuis maken. Ik ga morgen de pasta thuis maken.
-
-
- Load More Posts

https://record.reverb.chat/s/Q5Pqe92MzoBO444Lhxcx