-
Dutchbook huiswerk:✍️
Boek. Pagina 162
Opdracht 4
Plaats jouw antwoorden hieronder:168 Comments-
1. Ik rende de ASML marathon gisteren met mijn collega in Eindhoven.
2. Wij bakten de taart vorige week met verse aardbeien bij haar ouders.
3. Hij kocht zijn auto vandaag met zijn ouders in Amsterdam.
4. Wij kijken de film Wicked op dinsdag met onze buren in de bioscoop.
5. Zij drinken Belgische bieren nu met hun ouders in het restaurant. -
1. Ik neem mijn tas elke week met de fiets naar de studio.
2. Ik neem de waterfles elke dag met mijn tas op werk.
3. Ik breng de oude blikjes op zondag met de auto bij de supermarkt.
4. Anna brengt haar stoelen voor mijn verjaardag met een Uber naar het restaurant.
5. Anna koop mijn favoriet taartje ’s ochtends met haar creditcard bij de supermarkt. -
1. Ik gebruik de computer elke ochtend snel op mijn bureau.
2. Wij eten de appels iedere middag gezellig aan tafel.
3. Hij leest het boek elke avond rustig in de woonkamer.
4. Wij luisteren de muziek elke zondagavond aandachtig in de auto.
5. Jij leest de digitale krant elke ochtend rustig aan de tafel. -
1. Ik werk bij dat restaurant sinds Maart met een nieuwe chef in the keuken.
2. Ik maak mijn huiswerk na werk op de telefoon thuis.
3. Hij gaf het nieuwe nummer voor de lunchtijd via e-mail op het werk door.
4. Jullie dansen hiphop volgende week met een grote groep in het park.
5. Ik kook de pasta om 6 uur met kokend water in het keuken. -
1. Ik las de krant gisteren met mijn bril in de bibliotheek .
2. De kinderen doen de creatieve activiteit ‘s ochtends met lego’s op school.
3. Hij heeft zijn glas vanmorgen met veel lawaai in de keuken gebroken.
4. Didem studeerde de stelling van Pythagoras elke dag op een deterministische manier in de bibliotheek.
5. Ik koop de groenten van…Read More -
1. Zij leest mijn favoriete boek ‘s avonds met een kop thee op de bank.
2. Wij maken zijn verjaardagstaart in het weekend met een recept in de keuken.
3. Jullie kijken de Honger Spelen film met de laptop in de woonkamer.
4. Zij bereidt haar maaltijd in het weekend met verse ingrediënten in de keuken.
5. Ik koop mijn boek morgen met mijn…Read More -
1. Ik drink de koffie elke ochtend met plezier in de keuken.
2. Zij leest het boek elke avond met veel interesse in de woonkamer.
3. Wij kijken de film vanavond met veel popcorn op de bank.
4. Hij maakt de wandeling elke middag met zijn hond in het park.
5. Jullie schrijven de e-mail morgen met de laptop op kantoor. -
1. Ik betaal deze tablet later contant in de winkel.
2. Ik kook de soep vanavond met wortelen en tomaten in de keuken.
3. Ik schrijf het verhaal nu met een potlood op het bureau .
4. Zij zingt haar liedje morgen met een microfoon op het podium.
5. Ik lees mijn boek vanochtend met de nachtlamp in mijn bed. -
1. Ik betaal de rekening elke maand met de Ideal-app thuis.
2. Ik drink de koffie op dinsdag met mijn mok op kantoor.
3. Ik speel de bal elke avond met mijn zoon thuis.
4. Ik oefen de opdracht elke donderdag met mijn collega op kantoor.
5. Wij krijgen de nieuwe game elke donderdag snel in de les. -
1. ik bekocht de jurk vorige week met mijn pinpas bij Zara
2. Ik las gisteren de Harrypotter boek met mijn Kindle in mijn slaapkamer.
3. ik keek de tv serie Squidgames in het weekend op Netflix thuis.
4. ik deed mijn boodschappen op zaterdag met mijn man bij jumbo.
5. ik schreef de email vorige week met mijn laptop in het kantoor. -
1. Ik kocht deze broodjes gisteren met pinpas in de Jumbo.
2. Ik breng mijn oude kleren vandaag met mijn fiets naar de kringloopwinkel.
3. Wij keken die film vorige maand met de 3D-bril in de bioscoop.
4. Ik schrijf de taken elke dag met de pen op het notitieboekje.
5. Hij luistert naar de muziek nu met de koptelefoon in de trein. -
1. Ik at de taart gisteren met een lepel in het café.
2. Wij doen een spreekopdracht soms langzaam in het klaslokaal.
3. Je knipt haar haar ‘s ochtends met een schaar in de salon.
4. Hij maakt de afspraak vandaag met de app bij de huisarts.
5. Zij werkt aan het project de hele dag met de laptop op kantoor. -
1. Zij overtreft haar tegenstanders elke keer met haar snelheid op de baan.
2. Hij geniet van het weer ’s avonds met een frisdrank in zijn tuin.
3. Hij woont de vergadering die avond bij samen met zijn baas op kantoor.
4. We controleren de antwoorden voor de les op onze computer thuis
5. Hij bestelt zijn avondeten elke v…Read More -
1. Zij overtreft haar tegenstanders elke keer met haar snelheid op de baan.
2. Hij geniet van het weer ’s avonds met een frisdrank in zijn tuin.
3. Hij woont de vergadering die avond bij samen met zijn baas op kantoor.
4. We controleren de antwoorden voor de les op onze computer thuis
5. Hij bestelt zijn avondeten elke v…Read More -
1. Ik verkoop mijn oude boeken morgen goedkoop in de marktplaats.
2. Ik bracht mijn laptop gisteren met de tas naar de les.
3. Ik maakte mijn huiswerk vanochtend met mijn favoriete pen thuis.
4. Ik dronk mijn favoriete cocktails vrijdagavond met mijn vrienden in het Black Cat Cocktail Bar.
5. Ik at die groente gisteravond met een vork thuis. -
1. Jullie wachten op jullie beurt nu met jullie vrienden voor het restaurant.
2. Wij luisteren naar het nieuws elke dag op onze mobiel.
3. Hij brengt zijn oude koelkast morgen met de auto naar een recyclingperron.
4. Zij kocht haar nieuwe laptop gisteren op het internet bij MediaMarkt.
5. Jij sorteert jouw afval altijd goed thuis. -
1. Zij neemt haar handwas elke dinsdag met de fiets naar het washuis.
2. Ik betaal mijn zorgverzekering aan het begin van de maand via automatische incasso met de bankapp.
3. Ik volg deze Nederlandse les dit jaar in een groep bij Dutch Academy Eindhoven.
4. Hij hing haar schilderij gisteren mooi aan de muur.
5. Ik kook deze gerechten morgen thuis. -
1. I zet het afval morgen zeker buiten.
2.Hij huurde dit appartement afgelopen vrijdag met zijn adviseur bij een makelaarskantoor.
3. Ik kook mijn speciale gerecht vanavond live op mijn programma.
4. Ik lees dit boek de hele dag voortdurend overal.
5. Ik kijk de film om zeven uur ’s avonds met mijn vrienden in de bioscoop. -
1. Zij kochten die rode auto vorige week voor een lage prijs bij de nieuwe autobedrijf.
2. Zij bereiden onze lunch vandaag snel in de kantine.
3. Ik bestel ons eten vandaag met kortingsbonnen in de winkel.
4. Ze schreef deze brief eergisteren met veel enthousiasme in haar huidige baan.
5. Ik kijk naar de nieuwe films vanavond met…Read More -
1. Ik vond deze tas vorig jaar snel op internet.
2. Ik koop die glazen in het weekend met pin bij de Bijenkorf.
3. Jij draagt die jas altijd buiten met een sjaal.
4. Zij repareren dit huis in hun vrije tijd binnen met gereedschap.
5. Wij gebruiken deze tv al 5 jaar thuis zonder problemen. -
1. Ik schrijf mijn taken elke dag met een pen aan mijn bureau.
2. Jij leest de krant elke week rustig in de woonkamer.
3. Hij kocht het brood gisteren met een vriend bij de bakkerij.
4. Wij brengen het cadeau vanavond samen naar haar huis.
5. Zij maken hun huiswerk elke week snel thuis. -
1. Ik drink mijn koffie morgen met melk en suiker in het cafe.
2. Wij lezen dit boek in het weekend met Peter in de bibliotheek.
3. Jullie kochten deze pen op zaterdag met een creditcard op de markt.
4. Ik zet vanavond dit GFT-afval met mijn vriend op straat.
5. Zij zal dit lekkere taartje volgende zaterdag met mij bakken. -
1. Ik koop de computer in het weekend met mijn pinpas in Amsterdam.
2. Ik eet het kaasbroodje morgen met een vork op kantoor.
3. Ik maak vanavond de puzzel met mijn collega’s in een sportschool af.
4. Ik kijk de film morgenochtend met mijn vriend in het park.
5. Ik speel de videogame morgen met mijn vrienden bij hun thuis. -
1. Ik eet mijn ontbijt vanochtend even snel thuis.
2. Ik kocht mijn jas vorige maand met de pinpas in de winkel.
3. Ik lees mijn boek vandaag langzaam thuis.
4. Wij keken deze film in het weekend met onze vrienden in de bioscoop.
5. Hij gebruikt mijn computer elke dag heimelijk op kantoor. -
1-Zij opent de deur vandaag met haar sleutel thuis.
2-Wij schreven de rapporten afgelopen vrijdag met de pc op kantoor.
3-Zij verwijdert de ramen nu met een doek in de klas.
4-Jullie zoeken de tas vanmiddag voorzichtig in de auto.
5-Ik controleer mijn ticket elke dag met mijn telefoon op het station. -
1. Hij hoort de vogels elk weekend met een koffie in het park.
2. Jij bringt de taart vanavond voorzichtig in de tas.
3. Wij dragen de maskers morgen binnen in het feest.
4. Ik koop het huis volgende maand met mijn vriend in het centrum.
5. Zij maken de afspraak vandaag snel bij de huisarts. -
1. Ik breng deze brief morgen met de fiets naar het postkantoor.
2. Ik hoor met mijn computer altijd even langzaam naar de Nederlandse podcast.
3. Ik leer de Nederlandse taal vandaag met de app thuis.
4. Wij rijden deze auto ’s morgens met de auto over de straat naar het ziekenhuis.
5. Jullie koken de rijst nu met de rijstkoker in de keuken. -
1. Ik luister naar de muziek ‘s avonds zacht in de kamer.
2. Hij opent de doos ‘s morgens voorzichtig op tafel.
3. Grootmoeder wacht in het weekend geduldig op haar kleinkinderen op bezoek.
4. Zij zoekt de kat vandaag al een uur lang nerveus in de tuin.
5. Hij snijdt het brood ’s ochtends met een groot mes in de keuken. -
1. Hij bekijkt de film vanavond ontspannen thuis.
2. Zij schrijft dat verslag morgen netjes op het werk.
3. Jullie bespreken dit probleem volgende week samen in de klas.
4. Ik neem het document vandaag voorzichtig mee naar kantoor.
5. Hij opent zijn cadeau morgen blij op school. -
1. Ik maak mijn planning elke dag met mijn laptop aan de tafel.
2. Jij kijkt de film elke avond rustig op de bank.
3. Hij haalde de medicijnen gisteren met zijn moeder bij de apotheek.
4. Wij sturen het bericht vanmiddag samen naar de docent.
5. Zij leren hun lessen elke week hard thuis. -
1. Wij vieren pongal deze week met de familie in mijn huis.
2. Ik koop appel vandaag met contant in jumbo.
3. Hij speelt gitaar ‘s avonds met zijn vrienden op het feest.
4. Wij studeren voor het examen elke dag met de professor op de universiteit.
5. De man loopt de hond vandaag voorzichtig in de sneeuw. -
1. Jullie maken het project vandaag allemaal op kantoor.
2. Zij kijkt de film vanmiddag geconcentreerd in de woonkamer.
3. Hij schrijft de brief gisteren netjes op zijn bureau.
4. Ik teken het schilderij vanavond precies in de studio.
5. Wij kopen deze auto vorige jaar met contant in the stad. -
1. Ik betaal de ijskoffie vandaag met mijn betaalpas op de winkel
2. Ik kook de pasta vanavond snel thuis
3. Hij eet deze sinasaapels vandaag op een bord
4. Hij leest de krant vanochted met zijn koffie thuis
5. Zij leest het boek vanavond met zijn kinderen thuis -
1. Zij markeren de antwoorden tijdens het examen voorzichtig op school.
2. Hij neemt het medicijn op tijd thuis als hij ziek wordt.
3. De verslaggever heeft het nieuws vanavond vol zelfvertrouwen op het scherm gepresenteerd.
4. Ik wacht op jou elke keer lang buiten.
5. Zij slaagt voor haar examens elke keer met succes op school. -
1. Ik was de kleren morgen met de wasmachine in de kelder.
2. Wij bezoeken de familie dit weekend met de trein in Utrecht.
3. Hij leert de les vanavond met zijn boeken op zijn kamer.
4. Zij haalt de boodschappen straks met haar fiets in de supermarkt.
5. Ik stuur het pakket morgen met een bon op het postkantoor.
6. Wij spelen het spelletje…Read More -
1. Ik maak de foto nu met mijn telefoon in de tuin.
2. Hij wast de borden vanavond met warm water in de keuken.
3. Zij stuurt de brief vandaag met de post naar het gemeentehuis.
4. Ik leen dit boek morgen met mijn pas in de bibliotheek.
5. Wij eten de soep vanmiddag met een lepel thuis. -
1. Hij maakte zijn koffie met het koffieapparaat op kantoor.
2. Zij luistert naar de muziek nu met de koptelefoon in de bus.
3. Jullie drinken het sap morgen even snel thuis.
4. Ik las het boek gisteren met mijn bril in de bibliotheek.
5. Wij koken de pasta om 7 uur met kokend water in de keuken. -
1. Ik open deze deur vanmorgen voorzichtig op kantoor.
2. Wij bezoeken die stad volgende week samen met de trein.
3. Hij gebruikt zijn laptop elke dag efficiënt op het werk.
4. Zij draagt die jurk vanavond netjes op het feest.
5. Ik koop mijn boodschappen morgen snel bij de markt.
6. Wij bespreken dat plan vanmiddag rustig in de vergadering.
7.…Read More -
1. Ik schrijf het rapport morgen snel in het kantoor.
2. Zij zet de bloemen vanmiddag netjes in de woonkamer.
3. Hij analyseert de gegevens straks nauwkeurig in het laboratorium.
4. Hij maakt het avondeten straks rustig in de keuken.
5. Jullie controleren het document volgende week met de software in de vergaderingruimte. -
1- De buren organizeren de bijeenkomst vandaag vrolijk in het park.
2- De kinderen zorgen voor de hond elke dag heel verantwoordelijk thuis.
3- Hij studeerde voor het examen vorgie week heel hard in de school.
4- Zij rijdt de auto altijd heel voorzichtig op de weg.
5- Zij schreef de brief vorige keer met aandacht op de tafel. -
1. Ik breng mijn laptop morgen met de tas naar kantoor.
2. Ik draag mijn boodschappen vanavond met de tas naar de keuken.
3. Hij neemt zijn boeken vanmiddag met de rugzak naar school.
4. Ik stuur mijn brief vandaag met de post naar mijn familie.
5. Ik betaal mijn lunch vaak met mijn pinpas in de kantine. -
1.Ik schrijf mijn huiswerk elke avond met een pen aan mijn bureau.
2.Jij leest elke ochtend de krant rustig in de keuken.
3.Hij koopt gisteren brood met zijn vader bij de bakker.
4.Wij maken vanavond samen een opdracht voor de leraar.
5.Zij oefenen hun Nederlands elke dag thuis. -
1. Ik koop deze broek vandaag met mijn pinpas in de winkel.
2. Ik lees dit boek vanmiddag met mijn bril in de trein.
3. Zij schrijft het rapport vandaag met haar laptop op kantoor.
4. Wij drinken de koffie vanmorgen met onze collega op kantoor.
5. Wij bestellen het ontbijt morgen met onze telefoon online. -
1. Ik bestelde de bloempot gisteren online met mijn creditcard.
2. Wij kochten de hond afgelopen maand contant in de winkel.
3. Ik haal de medicijnen vandaag even snel op bij de apotheek.
4. Ik return de package gisteravond met succes bij de PostNL punt.
5. Ik speel het speelgoed vanochtend met de regels op school. -
1. Ik deed de boodschappen gisteren met mijn card bij AH.
2. Je poetste het raam eergisteren met een handdoek in de badkamer.
3. Hij waste zijn gezicht gisteren met de gezichtslotion thuis.
4. Ze installeerde de lamp met hulpmiddelen thuis.
5. Wij zochten onze hond met de reclame in de stad. -
1 Ik koop die computer morgen met mijn creditcard in de winkel.
2 Mijn zus leest dit boek vanavond met haar bril in de woonkamer.
3 Wij brengen deze bloemen op zondag met de auto naar het huis van onze oma.
4 Mijn vader opent dat raam vanochtend voorzichtig in de keuken.
5 Zij schrijven die e-mail vandaag met de computer op kantoor.
6 Jij zoekt…Read More -
1. Een jongen koopt de bananen ‘s ochtends snel in de supermarkt.
2. Een kok kookt het beroemde gastronomisch eten ‘s avonds zorgvuldig in het restaurant.
3. Mijn vriend drinkt zijn favoriete drankje zaterdag gezellig op een terras.
4. Een man eet zijn ontbijt ‘s ochtends snel in een bakkerij.
5. Kinderen spelen de Catan aan het einde van de da…Read More -
1. Ik heb de kleine e-mail vorige week met Outlook in het bedrijf gestuurd.
2. Hij modelleerde de houten trap voor de eerste keer met deze software op kantoor.
3. Zij bestelden het nieuwe menu afgelopen weekend met de app in het restaurant.
4. Wij kochten ons eerste huis afgelopen maand met een hypotheek in Eindhoven.
5. Je gebruikte de moderne…Read More -
1. Ik leerde deze regels gisteravond met moeite in de klas.
2. Ze beginnen hun relatie tijdens de vakantie zonder aarzeling overal.
3. Ik dronk mijn koffie vanochtend in de haast in de keuken.
4. Hij eet de gerechten elk weekend met smaak in het restaurant.
5. Wij gaven onze cadeautjes op Sinterklaasdag met een warm hart op school.
6. Je giet het…Read More -
1. Mijn moeder heeft de afspraak gisteren telefonisch thuis geregeld.
2. Ik verzorg je planten volgende maand met tevredenheid op je plek.
3. Ik zal mijn Nederlands dit jaar geleidelijk verbeteren.
4. Ik ging vijf jaar geleden alleen op zakenreis naar de Verenigde Staten.
5. De onderzoekers hebben de temperatuur gisteren met aandacht gemeten.
6.…Read More -
1. Ik bespreek het project volgende week met de collega op kantoor.
2. Wij maken de opdracht morgen met de docent in de klas.
3. Hij leest de krant vanavond met zijn broer in de woonkamer.
4. Zij oefent de technieken elke maandag met de trainer in de sportschool.
5. Ik kook het avondeten zondagmiddag met mijn moeder in de keuken. -
- Load More Posts


1. Ik schrijf de taken elke dag met de pen op het notitieboekje.
2. Hij luistert naar de muziek nu met de koptelefoon in de trein.
3. Zij drinkt de sap elke dag met de rietje op het kantoor.
4. Wij delen de informatie elke dag met email op ons kantoor.
5. Zij kijkt naar de maan vanavond met de telescoop op het terras.