-
Dutchbook huiswerk:✍️
Boek. Pagina 162
Opdracht 5
Plaats jouw antwoorden hieronder:169 Comments-
1. Ik moet elke ochtend snel naar het werk lopen.
2. Wij willen morgen gezellig in het park wandelen.
3. Jullie gaan elke vrijdagavond langzaam naar huis fietsen.
4. Zij moet iedere ochtend vroeg naar school gaan.
5. Wij kunnen elke keer hard in de sportschool trainen. -
1. Ik wil vrijdag met mijn collega vroeg van het werk vertrekken.
2. Hij moet vanavond met een tas de boodschappen brengen.
3. Ik ga morgen met de fiets naar het werk fietsen.
4. Jullie moeten morgen met de trein naar het werk gaan.
5. Zij willen op vakantie met de auto naar Italië gaan. -
1. Ik wil de krant gisteren met mijn bril in de bibliotheek lezen.
2. De kinderen kunnen ‘s ochtends met lego’s op school spelen.
3. Hij wil ‘s ochtends his thee langzaam in his tuin drinken.
4. Didem moet elke dag op een deterministische manier in de bibliotheek studeren.
5. Ik zal de groenten vandaag voorzichtig in de supermarkt kopen. -
1. Ik wil ‘s ochtends met mijn vriend in het park wandelen.
2. Zij moet in de middag met haar moeder op de markt gaan winkelen.
3. Wij willen ‘s avonds met onze buurman in de tuin werken.
4. Jullie moeten overdag met je collega’s op kantoor vergaderen.
5. De kinderen willen in de zomer met hun vrienden op het strand spelen. -
1. Ik wil vanaf nu sneller Nederlands leren.
2. Ik moet elke maandag met de auto naar kantoor gaan.
3. Ik wil een keer per maand met de stofzuiger mijn huis schoonmaken.
4. Ik wil nu met een potlood op het bureau schrijven.
5. Zij wil morgen met een microfoon op het podium zingen. -
1. ik ben in het weekend met mijn fiets naar Vught geweest
2. Ik moet elke zondag met mijn man thuis koken
3. ik wilde gisterenavond mijn moeder thuis bellen
4. ik wilde vorige week bij Amazon mijn schoenen bestellen
5. Ik moet in het weekend met mijn man de tuin schoonmaken -
1. Ik moet de koekjes met hazelnootjes dit weekend in de oven bakken.
2. Zij zal vandaag met haar vrienden in het café koffie drinken.
3. Hij moet morgenochtend met de fiets naar kantoor gaan.
4. Zij willen volgende maand met het vliegtuig naar Nederland gaan.
5. Ik wil elke weekend met de stofzuiger mijn huis schoonmaken. -
1. Ik wil morgen met mijn fiets naar een nieuw park gaan.
2. We gaan binnenkort met het vliegtuig naar Stockholm.
3. Ze zullen volgende week met hun vrienden thuis vieren
4. Hij moet wekelijks met de schoonmaakmiddelen van de Action thuis schoonmaken
5. We willen altijd met onze vrienden naar nieuwe plekken reizen. -
1. Ik wil vanavond met mijn vriend naar het restaurant gaan.
2. Ik moet morgen met mijn nieuwe hardloopschoenen in het bos wandelen.
3. Ik mag nooit met klompen in het huis lopen.
4. Ik kan in het weekend met jou naar het centrum gaan.
5. Ik moet morgen met mijn auto naar mijn werk gaan. -
1. Ik moet de hele dag heel hard op kantoor werken.
2. Zij probeerde vorig jaar niet te veel bij de kinderen te roken.
3. Ik wil volgende maand elke dag naar de sportschool gaan.
4. Wij mochten toen wij jong waren altijd buiten blijven.
5. Wij gaan morgen rustig in het café koffie drinken. -
1. Ik moet vandaag met mijn auto naar werp gaan.
2. Zij kan overdag met de fiets naar de bibliotheek gaan.
3. We kunnen in het weekend met jullie in het centrum afspreken.
4. Ik ga dit weekend even lekker in een café zitten.
5. Hij wil tijdens de wintervakantie met zijn vrouw naar Oostenrijk reizen. -
1. Ik wil in het weekend met de fiets naar verschillende locaties van de Dutch Design Week gaan.
2. Ik moet morgen met de trein en met de bus naar mijn werk rijden.
3. Hij moest vorige maand met de brief naar de gemeente komen.
4. Wij willen volgende week even snel naar Ikea gaan.
5. Zij gaan volgend jaar met een hypotheek in Nederland een…Read More -
1. Hij wil volgende week met de scooter naar werk gaan.
2. Ik zal in het weekend met mijn kinderen thuis schoonmaken.
3. Jullie kunnen met Kerst met jullie gezin naar ons komen.
4. Zij mocht gisteren met jullie bij jullie thuis blijven.
5. De auto’s moeten langzaam op de snelweg rijden. -
1. Ik wil morgen met de auto naar het werk gaan.
2. Jij moet elke week snel in het park lopen.
3. Hij kan vanavond langzaam naar het centrum fietsen.
4. Jullie willen in het weekend met jullie kinderen thuiskomen.
5. Zij kunnen vanavond samen naar de bioscoop gaan. -
1. Hij moet morgen veilig thuiskomen.
2. Ik wil nog eens met mijn vrienden op school studeren.
3. Wij moeten donderdag honderd procent op kantoor werken.
4. Ik wil morgen graag bij jou blijven.
5. De trein gaat over vijf minuutjes van hier vertrekken. -
1. Ik moet morgen met de trein naar Amsterdam gaan.
2. Wij zullen in het weekend met mijn moeder pizza bakken.
3. Jullie kunnen op zaterdag met jullie vrienden een biertje drinken.
4. Wij moeten op zaterdag onze Dutch friend in Tilburg ontmoeten.
5. Wij kunnen voor de les met klasgenoten in Eindhoven een pizza eten. -
1. Ik ga in het weekend met een trein naar Amsterdam reizen.
2. Ik ga morgen met een auto naar het werk rijden.
3. Ik ga vanavond met mijn collega’s op kantoor poolen.
4. Ik wil morgenochtend met mijn vriend in het park wandelen.
5. Ik ga morgen met de hond van mijn vrienden bij hun thuis spelen. -
1. Ik ga morgen met mijn vrienden in het centrum winkelen.
2. Hij gaat na de les even snel in de slaapkamer slapen.
3. Wij willen volgende maand met het vliegtuig naar ons moederland gaan.
4. Jij mag volgend jaar met de trein naar Frankrijk gaan.
5. Jij moet nu snel naar huis komen. -
1-Ik mag vandaag rustig thuis werken.
2-Ik kan vanavond alleen in de bibliotheek studeren.
3-Jullie zullen morgen rustig op het kantoor bellen.
4-Hij gaat volgende week met de auto naar de stad rijden.
5-Wij willen dit weekend samen in de stad eten. -
1. Wij willen op zondag samen naar de wedstrijd gaan.
2. Jij gaat vanmorgen met de tas naar de supermarkt fietsen.
3. Zij moest vorige week met zijn collega’s een presentatie op kantoor doen.
4. Jullie kunnen vandaag met de bus naar Utrecht komen.
5. Ik moet altijd gezond thuis eten. -
1. Ik zal ’s morgens met de auto naar het ziekenhuis rijden.
2. Wij willen elke keer zonder jas buiten met de voetbal spelen.
3. Ze kan ’s middags met een recyclebare en herbruikbare tas naar de supermarkt gaan.
4. Wij gaan elke week met een quad naar het strand rijden.
5. Ik wil altijd met taalpartners op het internet spreken. -
1. Ik heb gisteren rustig thuis gewerkt.
2. Jullie gaan morgen met de trein naar Amsterdam reizen.
3. Wij hebben vanochtend snel op kantoor gegeten.
4. Zij wilt volgende week samen in de stad winkelen.
5. Ik ben gisteren alleen naar school gefietst. -
1. Ik kan in de zomer met de auto naar verschillende stranden in Spanje rijden.
2. Ik zal morgen met de fiets en met de metro naar school reizen.
3. Hij moest vorige week met de documenten naar het kantoor gaan.
4. Wij plannen volgende maand even kort naar Duitsland te gaan.
5. Zij willen volgend jaar met spaargeld in Frankrijk een appartement huren. -
1. Ik wil ‘s avonds rustig in mijn kamer lezen.
2. Wij kunnen in het weekend samen thuis blijven.
3. Ik moet vanavond snel naar de winkel lopen.
4. Jullie mogen met op zaterdag met een camera tijdens het concert filmen.
5. Wij willen dit jaar goed Nederlands spreken leren. -
1. De baby probeert vandaag zonder steun in de stoel te zitten.
2. Het kind maakt vandaag met kleurpotloden op school het kleuren af.
3. De chef moet vanavond alleen in het restaurant koken.
4. Ik wil morgen op de trein naar het kantoor reizen.
5. Wij kunnen ’s ochtends snel in het park lopen. -
1. Jullie lopen morgen snel door het bos joggen.
2. Ik ga vanavond rustig in de tuin lezen.
3. Wij gaan morgen snel naar school fietsen.
4. Zij gaat vanmiddag vrolijk op het plein tekenen.
5. Hij rijdt volgende week enthousiast door de stad boodschappen doen. -
1. Ik wil morgen met mijn maan naar de tandrats gaan
2. Hij kan vandaag met zij vreindin in het restaurant eten
3. Wij kunnen morgen met jullie in het park wandelen
4. Zij mag vanavond met haar moeder thuis huiswerk maken
5. Wij zullen maandag bij de auto naar Amsterdam rijden -
1. Ik wil morgen met mijn vriend in het park wandelen.
2. De student moet morgen alleen op school een presentatie geven.
3. Ik kan dit weekend met vrienden in de stad winkelen.
4. De dokter moet straks snel in het ziekenhuis opereren.
5. Wij willen volgende week met de trein naar Brussel reizen.
6. De man kan vanavond alleen in de garage de auto…Read More -
1. Ik wil elke dag met de fiets naar de winkel gaan.
2. Hij moet snel te voet naar huis komen.
3. Zij wil vanavond met haar echtgenoot in het park wandelen.
4. Wij kunnen morgen met jullie op kantoor een presentatie maken.
5. Jullie willen volgende maand met jullie ouders in een restaurant eten.
6. Jij moet vandaag met de bus naar jouw werk…Read More -
1. Ik kan morgen met de auto naar het werk rijden..
2. Ik probeer vanavond met een nieuw recept in de keuken te koken.
3. Ik wil vandaag met mijn telefoon in de supermarkt betalen.
4. Zij zal vanavond met haar piano in de woonkamer oefenen.
5. Zij mag vandaag met haar boek in de bibliotheek studeren. -
1. Ik ga morgen met de telefoon op school contact leggen.
2. Ik ging vanochtend alleen naar mijn werk.
3. Hij wil morgen met mij in het restaurant afspreken.
4. We gaan overmorgen in de tas op kantoor meenemen.
5. Je moet twee keer per dag met een tandenborstel in de badkamer poetsen. -
1. Ik kan morgen met de fiets naar de universiteit gaan.
2. Wij willen vanavond samen in een restaurant eten.
3. Hij moet elke dag hard op zijn werk werken.
4. Zij kan vanmiddag rustig in het park wandelen.
5. Ik wil volgende week met het vliegtuig naar Spanje reizen.
6. Wij moeten morgen vroeg thuis vertrekken.
7. Hij wil vanavond alleen in zijn…Read More -
1. Ik moet morgen met mijn team in het kantoor samenwerken.
2. Zij gaat vanavond met veel enthousiasme in de studio zingen.
3. Wij willen volgende week met de nieuwe software in het lab werken.
4. Hij mag straks met zijn hond in het park spelen.
5. Jullie mogen binnenkort voorzichtig in de manege rijden. -
1- Zij moet ‘s avonds met de fiets naar sportschool gaan.
2- Hij wilde gisteren buiten met een jas dragen.
3- Zij kan ‘s ochtend met de auto naar het meer rijden.
4- Jullie willen nu met de pinpas in de winkel betalen.
5- Hij ging vanavond moe in het park wandelen. -
1. Ik wil morgen met de fiets naar het centrum gaan.
2. Wij kunnen zondag met onze familie in de tuin een barbecue maken.
3. Hij kan vanmiddag met zijn team in de sportschool een training volgen.
4. Ik moet vanavond met mijn zus thuis een taart bakken.
5. Hij wil morgen met zijn collega’s op kantoor een project afronden. -
1.Ik wil vanmiddag met mijn zus in het park fietsen.
2.De leerling moet morgen vroeg op school een toets maken.
3.Wij kunnen dit weekend samen thuis een film kijken.
4.De leraar moet straks in de klas een uitleg geven.
5.Zij wil volgende maand met haar familie naar Italië reizen -
1. Hij moet morgen met zijn team op het werk vergaderen.
2. Wij willen vanmorgen met de bus naar school gaan.
3. Ik kan vandaag met mijn telefoon online bestellen.
4. Zij kan vandaag met haar laptop op kantoor werken.
5. Ik wil deze maand met mijn man in de bergen wandelen. -
1. Wij willen morgen met de auto naar Eindhoven reizen.
2. Je gaat morgen met de fiets boodschappen in de supermarkt doen.
3. Hij kan volgende week aan een vergadering met collega op kantoor meedoen.
4. Ik wil vanavond met de nieuw recept in de keuken proberen.
5. ZIj kan dit weekend met de hond in het park uitlaten. -
1. Ik ging gisteren met mijn voet langs het meer lopen.
2. Je wilde gisteren met jouw vriend naar de bioscoop gaan.
3. Hij moest vorig jaar met zijn vriendin naar een nieuwe stad verhuizen.
4. Ze kon afgelopen week vanwege het weer thuis werken.
5. Wij mochten eergisteren met onze studentenkaarten het museum bezoeken. -
1 Ik wil morgen met de bus naar mijn werk gaan.
2 Mijn zus kan nu snel naar de supermarkt lopen.
3 We gaan volgende maand met het vliegtuig naar Portugal reizen.
4 Mijn vader wil vanavond thuis een film kijken.
5 Zij kunnen morgen met de fiets naar het park gaan.
6 Jij wilt op zaterdag met de auto naar het strand rijden. -
1. Een vriend gaat vandaag met de fiets naar het park hardlopen.
2. De tandarts gaat morgen met de auto naar de praktijk werken.
3. De leraressen gaan ‘s middags te voet naar de stad winkelen.
4. Wij gaan in het weekend met de trein naar Amsterdam wandelen.
5. Een astronoom gaat ‘s avonds met de telescoop naar het observatorium kijken. -
1. Ik moest gisteren met mijn collega naar het gemeentehuis gaan.
2. Wij konden vorige week met de trein naar Amsterdam reizen.
3. Hij wilde morgen met zijn ouders een nieuwe auto kopen.
4. Zij mocht gisteren met haar studentenkaart gratis naar het concert gaan.
5. Ik kon eergisteren met mijn laptop thuis werken.
6. Mijn vrienden wilden volgend…Read More -
1. We moeten morgen met tegenzin naar het feestje gaan.
2. Ik zal dit jaar mijn Nederlands stap voor stap verbeteren.
3. Zij gaat morgenochtend haar laptop op school aansluiten.
4. Wij gaan vanavond de dozen voorzichtig in de garage neerzetten.
5. Hij wil binnen twee jaar zijn doelen zelfstandig bereiken.
6. Ik ga vanavond zelf het antwoord thu…Read More -
1. Hij zal de volgende keer op tijd voor het sollicitatiegesprek aankomen.
2. Ik wil iedere dag op de hoogte van het wereldnieuws blijven.
3. Zij mag over twee weken met een busje uit Kyiv vertrekken.
4. Je kunt vanavond niet met lege handen naar huis terugkomen.
5. Ze konden gisteren met plezier bij ons kletsen.
6. Je wilde die dag niet in paniek…Read More
- Load More Posts

1. Ik wil elke weekend met de stofzuiger mijn huis schoomaaken.
2. Wij zijn elke doordeweekse dagen met de laptop in het kantoor werken.
3. Hij wil elke maandag met zijn collega’s op het kantoor vergaderen.
4. Jij moet elke donderdag met de trein naar jouw werk gaan.
5. Zij is vanavond met de auto naar het stad winkelen.