-
Dutchbook huiswerk:✍️
Boek. Pagina 162
Opdracht 3
Plaats jouw antwoorden hieronder:178 Comments-
1. Ik rende gisteren met mijn collega in Eindhoven een marathon.
2. Wij bakten vorige week met verse aardbeien bij haar ouders een taart.
3. Hij kocht vandaag met zijn ouders in Amsterdam een auto.
4. Wij kijken op dinsdag met onze buren in de bioscoop een film.
5. Zij drinken nu met hun ouders in het restaurant bieren. -
1. Ik maak morgen met klei in de studio een sculptuur.
2. Ik kocht een paar uur geleden met mijn moeder in het warenhuis een nieuwe theepot.
3. Ik neem later even langzaam in het hotel een douche.
4. Ik breng vanavond snel naar jouw huis een paar broodjes.
5. Jij hebt elke keer met jouw familie in het restaurant een groot taartje. -
1. Ik lees elke ochtend op mijn tablet in de bus een boek.
2. Jullie drinken ‘s ochtends langzaam op het terras iets.
3. Ik koop ‘s ochtends snel in de winkel een brood.
4. Hij repareert in het weekend voorzichtig in de garage een fiets.
5. Wij eten elke middag gezellig aan tafel een appel. -
1. Ik bezocht vorige week met de bus in België een muziekfestival.
2. Jij werkte gisteren met de computer thuis over een brief.
3. Hij heeft morgen met zijn moeder na het ziekenhuis een afspraak.
4. Zij kocht gisteren met losgeld in het park een ijsje.
5. Ik ga vanavond met de auto naar het restaurant voor een gratis dessert.
6. Ik heb morgen…Read More -
1. Ik las gisteren met mijn bril in de bibliotheek een krant.
2. De kinderen doen ‘s ochtends met lego’s op school een creatieve activiteit.
3. Hij heeft vanmorgen met veel lawaai in de keuken een glas gebroken.
4. Didem studeerde elke dag op een deterministische manier in de bibliotheek medische wetenschap.
5. Ik koop vandaag voorzichtig in de…Read More -
1. De kinderen spelen elke dag met hun hond in het park een spel.
2. Jullie kopen in het weekend met jullie vrienden in de stad een jas.
3. Wij kijken ‘s nachts met onze familie in de woonkamer een film.
4. Ik eet een keer per week met mijn vriend in een restaurant een pizza.
5.Ik teken ‘s ochtends met mijn potloden in mijn kamer een schilderij. -
1. Ik koop morgen met cash in de winkel een cadeau.
2. Zij leest elke avond met een lamp in bed een boek.
3. Wij schrijven volgende week met een pen op kantoor een verslag.
4. Hij eet altijd met een lepel in het restaurant een soep.
5. Jullie sturen vanavond met de telefoon in de woonkamer een bericht. -
1. Ik betaal later contant in de winkel een tablet.
2. Ik kook vanavond met wortelen en tomaten in het keuken een soep.
3. Ik schrijf nu met een potlood op het bureau een verhaal.
4. Zij zingt morgen met een microfoon op het podium een liedje.
5. Ik lees vanochtend met de nachtlamp in mijn bed een boek. -
1. ik bekocht vorige week met mijn pinpas een jurk bij Zara
2. Ik las gisteren met mijn Kindle in mijn slaapkamer een boek
3. ik keek op zaterdag op Netflix thuis een film
4. ik deed op zaterdag met mijn man bij jumbo de boodschappen
5. ik schreef vorige week met mijn laptop in het kantoor een email -
1. Wij kijken elke week met onze nieuwe tv een documentaire.
2. Wij hadden vorige vrijdag met onze vrienden in het park een picknick.
3. Ik drink morgen met mijn vriend in het café koffie.
4. Hij sneed gisterenavond met het mes op de tafel een meloen.
5. Ik bestel overmorgen online vanaf mijn telefoon een broek. -
1. Ik at gisteren met een lepel in het café een taart.
2. Wij doen soms langzaam in het klaslokaal een spreekopdracht.
3. Je knipt ‘s ochtends met een schaar in het klaslokaal een papier.
4. Hij maakt vandaag met de app bij de huisarts een afspraak.
5. Zij werkt de hele dag met de laptop op kantoor, aan een project. -
1. Zij leerde tijdens die jaren bij de universiteit nieuwe vaardigheden.
2. Hij krijgt elke dag van zijn docent op school nieuw huiswerk
3. Ze horen soms samen met zijn vrienden thuis een vreemd geluid.
4. We leren ’s avonds met onze klasgenoten in de Dynamo Nederlands.
5. We bezochten in het weekend met mijn vriend een mooie tuin. -
1. Ik bakte gisteren snel in het huis van mijn vriend een brood.
2. Ik verloor vorige maand onverwacht in Malta een bril.
3. Ik trek elke dag meet een touw in de gym heel veel gewichten.
4. Ik kocht gisteren contant in Eindhoven wat rijst.
5. Ik eet ’s ochtends met een lepel thuis wat muesli. -
1. Mijn zoon leent morgen even snel in de bibliotheek een boek.
2. Ik kijk vanavond liggend op mijn bank een film.
3. Zij leest nu zittend op haar bed een boek.
4. Zij gaat volgend jaar met haar man naar het buitenland op vakantie.
5. Ik bestelde vanochtend via mijn mobiel op het internet een cadeautje. -
1. Ik kocht vorig jaar voor weinig op de markt een Glühwein.
2. Ik wil op mijn bruiloft deze zomer zonder kinderen op Ibiza geen bloemen.
3. Zij bracht gisteren, op mijn verjaardag, zonder schaamte naar mijn huis een koe.
4. Wij oogsten in de herfst zingend aardappelen op het veld.
5. Ze luisterde elke dag met plezier op het werk naar een liedje. -
1. Hij kocht afgelopen weekend even snel in Roermond een jas.
2. Wij doen dinsdag in een groep in Philipsfruittuin vrijwilligerswerk.
3. Zij kocht op Koningsdag tegen een lage prijs een boek.
4. Ik voltooi maandag met Excel op het werk een taak.
5. Hij vond gisteren per ongeluk in het park een portemonnee. -
1. Ik sneed gisteren met een mes thuis een paar wortelen.
2. Ik kocht afgelopen maandag met contant bij de bakkerij een taart.
3. Hij luistert elke dag met zijn telefoon (naar muziek) in het park naar muziek.
4. Ik eet tijdens lunchpauze snel (een broodje) in de kantine een broodje.
5. Zij spelen vanochtend samen op de speeltuin tikkertje. -
1. Ik teken in december met mijn tablet thuis ansichtkaarten.
2. Zij kocht gisteren met contant geld bij Ikea meubels in Best.
3. Wij bezochten vorig weekend met onze fietsen een nieuw cafe in Eindhoven.
4. Ik vond gisteren snel in de winkel een interessant boek.
5. Jij verkocht twee dagen geleden met pin in de garage een oude fiets. -
1. Ik repareer vandaag met mijn vader op straat een fiets.
2. Jij rende vorige week met jouw vriend in Eindhoven een marathon.
3. Hij bakte gisteren met zijn oma thuis een taart.
4. U dronk vorige maand met uw collega in een bar een biertje.
5. Wij snijden nu met een mes in de keuken een tomaat. -
1. Ik kocht gisteren met mijn creditcard een treinkaartje.
2. Wij hebben in het weekend samen met jullie een lekker restaurant gevonden.
3. Sabine kocht gisteravond bij AH een pastasalade.
4. Ik wil op zondag met mijn moeder naar AH een appel kopen.
5. Wij hebben in het weekend met jullie in de speeltuin een voetbal gespeeld. -
1. Ik zag gisteren met mijn vriendin in de bioscoop een film.
2. Ik eet vandaag even snel thuis een pizza.
3. Ik kookte gisteren met mijn man in de keuken een Pakistaans gerecht.
4. Hij kocht vorige maand met zijn vrouw in Breda een auto.
5. Zij schrijft nu met een potlood op papier een bericht. -
1. Ik koop in het weekend met mijn pinpas in Amsterdam een computer.
2. Ik eet morgen met een vork op kantoor een kaasbroodje.
3. Ik doe vanavond met mijn collega’s in een sportschool pilates.
4. Ik kijk morgenochtend met mijn vriend in het park een film.
5. Ik speel morgen met mijn vrienden bij hun thuis videogames. -
1-Ik koop vanavond snel bij de supermarkt groenten.
2-Zij veegt morgen met de dweil in huis tapijten.
3-Hij snijdt vandaag met een mes in de keuken vruchten.
4-Wij kochten gisteren met de creditcard in de winkel cadeaus.
5-Wij kijken vanavond met de tv samen thuis films. -
1. Ik koop morgen met de creditcard in de online store vliegtickets.
2. Ik corrigeer vanmorgen met een pen op het studentenblad een Nederlandse haiku.
3. Ik betaal straks met contant geld in de winkel een cadeautje.
4. Zij schrijft vanmiddag met haar laptop in de bibliotheek een verslag.
5. Wij bestellen vanavond met de app in het restaurant een pizza. -
1. Hij leest ‘s ochtends met de telefoon in de trein over het nieuws.
2. Wij kijken vanavond met onze vrienden in de bioscoop een film.
3. Ik kook vandaag met de airfryer thuis kip.
4. Jij vond gisteren met jouw hond in het park een sleutel.
5. Jullie kopen altijd met de pinpas online cadeaus. -
1. Ik eet nu snel in de keuken een appel.
2. Hij leest ’s avonds stil in bed een boek.
3. Wij drinken ’s ochtends samen aan tafel een kopje koffie.
4. Zij eet ’s avonds met een lepel in de keuken een yoghurt.
5. Zij bouwen vandaag met blokken op de vloer een toren. -
1. Ik schrijf in januari met mijn laptop thuis e-mails.
2. Hij betaalde vorige week met zijn bankpas in de supermarkt eten.
3. Wij ontdekten gisteren met de auto een mooi dorp in Limburg.
4. Zij koos vanmorgen rustig in de winkel een nieuwe jas.
5. Jij leende vorige maand met contant geld aan een vriend wat geld. -
1. Wij bouwen volgende mand met de bouwers in het huis een garage.
2. Ik werk morgen met mijn collega’s op het kantoor in het project.
3. Het kind eet elkedag met een lepel in de kinderopvang haar eten.
4. Ik reis elk jaar met het vliegtuig naar India om mijn familie te bezoeken.
5. Het huisdier gaat elke maand met zijn baasje naar de d…Read More -
1. Ik koop morgen snel in de winkel iets.
2. Wij maken vanavond rustig thuis eten.
3. Jullie lezen dit weekend aandachtig in de bibliotheek een boek.
4. Zij leert elke dag hard op school Nederlands.
5. Hij zoekt straks zorgvuldig op kantoor informatie. -
1. Ik betaal morgen met mijn betaalpas in de winkel een ijskoffie
2. Hij maakt vandaag laangzam thuis pasta
3. Zij kookt morgen met haar zus thuis maaltijd
4. Hij leest vanochtend met een kopje koffie thuis een krant
5. Hij brengt vanmiddag snel naar zijn werk een laptop -
1. Ik schrijf morgen op school met een pen een brief.
2. Wij eten vanavond in het restaurant met het gezin een pizza.
3. Hij koopt volgende week in de winkel met zijn kaart een fiets.
4. Zij drinkt straks in de keuken met een lepel een soep.
5. Ik huur dit weekend in Amsterdam met mijn vrienden een boot.
6. Wij zien morgenavond in het park met de…Read More -
1. Hij opent morgen lachend thuis kamersdeuren.
2. Zij bakte gisteren met plezier taarten.
3. Wij leren twee keer per week met de leraar in de cursus Nederlands.
4. Hij geeft elke keer met veel enthousiasme op kantoor veel kritiek.
5. Zij belde twee uur geleden met tegenzin op het werk naar een ziekenhuis. -
1. Ik koop vandaag met contant geld op de markt groente.
2. Wij bestellen vanavond met de app in het restaurant een pizza.
3. Hij zoekt nu met zijn laptop in de bibliotheek informatie.
4. Wij reserveren morgen met de telefoon in het hotel een kamer.
5. Zij betaalt vandaag met de pinpas in de winkel brood. -
1. Ik kijk vanavond met mijn vrienden in de bioscoop een film.
2. Hij maakte gisteren met het koffieapparaat op kantoor een kopje koffie.
3. Zij snijdt vanochtend met de mes in de keuken een mango.
4. Ik betaalde eergisteren met de pinpas bij MediaMarkt een telefoon.
5. Wij brengen vandaag snel naar jouw huis een chocoladetaart. -
1. Ik koop morgen snel in de winkel een jas.
2. Wij eten vanavond gezellig in een restaurant pizza.
3. Hij leest elke avond rustig in zijn kamer een boek.
4. Zij drinkt elke ochtend thuis een kop koffie.
5. Ik schrijf morgen met aandacht op kantoor een e-mail.
6. Wij maken dit weekend samen in de keuken een taart.
7. Hij koopt elke week met zijn…Read More -
1. Ik bespreek volgende week met de projectmanager in de vergaderruimte een voorstel
2. Wij ondertekenen morgen met de juridische afdeling in het hoofdkantoor een nieuw leverancierscontract.
3. Zij verwerkt vanmiddag met het softwaresysteem in het financiële kantoor een kostenanalyse.
4. Hij bespreekt straks met de klant in de conferentieruimte…Read More -
1- Jullie kochten twee dagen geleden in het winkelcentrum met de pinpas een cadeau.
2- Hij snoeide afgelopen weekend in de tuin met de mes een boom.
3- Zij zong drie maanden geleden practig in de hal een lied.
4- De baas sprak gisteren op professionele wijze in de vergaderzaal met een werknemer.
5- Ze kiest nu geduldig in de winkel goede appels. -
1. Ik koop morgen met de pinpas in de winkel een jas.
2. Jij schrijft vanmiddag netjes op school een brief.
3. Wij koken morgen samen in de keuken een maaltijd.
4. Hij leest elke avond rustig thuis een boek.
5. Ik eet nu heerlijk thuis een appel. -
1.Wij maken volgende week met de buren in de tuin een schuur.
2.Ik werk elke dag met mijn collega’s op kantoor aan een project.
3.Het kind drinkt elke ochtend met een beker melk op school.
4.Ik ga elke zomer met mijn familie naar Spanje om vakantie te vieren.
5.Het huisdier gaat elk jaar met zijn baasje naar de dierenarts voor een controle. -
1. Ik koop vandaag met mijn pinpas in de winkel een jas.
2. Ik lees vanmiddag met mijn bril in de trein een boek.
3. Zij schrijft vandaag met haar laptop op kantoor een rapport.
4. Wij drinken vanmorgen met onze collega op kantoor koffie.
5. Wij bestellen morgen met onze telefoon online eten. -
1. Wij kochten gisteren met de gezamenlijke rekening in Eindhoven een huis.
2. Hij verkocht vanoctend even snel in de farmermarket arbeids.
3. Wij maken morgen met de docent in een workshop een schilderij.
4. Zij kookt vanavond langzaam met de kokenpan een gerecht.
5. Hij zoekt nu thuis op de computer naar nieuwe informatie. -
1. Ik deed gisteren met de nieuw gekochte shampoo in de badkamer een douche.
2. Je zag vorig jaar met jouw telescoop in het buitenland een ufo.
3. Hij sneed doormidden afgelopen week met een mes in de keuken een watermeloen.
4. Ze bestelde afgelopen dag met haar contante geld in een restaurant een gerecht.
5. Wij volgden gisteren online thuis een les. -
1. Ik heb vorige week met Outlook in het bedrijf een e-mail gestuurd.
2. Hij modelleerde voor de eerste keer met deze software op kantoor een gebouw.
3. Zij bestelden afgelopen weekend met de app tien biertjes in het restaurant.
4. Wij kochten afgelopen maand met een hypotheek in Eindhoven een huis.
5. Je klaagde gisteren huilend in de winkel…Read More -
1 Ik koop morgen met mijn creditcard in de supermarkt fruit.
2 Mijn moeder leest vanavond met haar bril in de woonkamer een boek.
3 Wij brengen komende maandag met de auto naar de school cadeautjes.
4 Mijn broer bestelt vandaag via internet thuis een pizza.
5 Zij schrijven vanmiddag met een pen op kantoor documenten.
6 Jij zoekt morgen met jouw…Read More -
1. Een jongen koopt ‘s ochtends snel in een supermarkt rijst.
2. Een kok kookt ‘s avonds zorgvuldig in de keuken gastronomisch eten.
3. Mijn vrienden drinken zaterdag gezellig op een terras en koffie.
4. Een man eet ‘s ochtends snel in een bakkerij een gebakje.
5. Kinderen spelen aan het einde van de dag gezellig in een park voetbal. -
1. Ik leerde gisteravond met moeite in de klas regels.
2. Ze beginnen tijdens de vakantie zonder twijfel overal relaties.
3. Ik dronk vanochtend in de haast in de keuken koffie.
4. Hij eet elk weekend met smaak in het restaurant gerechten.
5. Wij gaven op Sinterklaasdag met een warm hart op school cadeautjes.
6. Je giet meteen per ongeluk op de…Read More -
1. Zij drinkt elke ochtend met plezier in de keuken een kopje koffie.
2. We kijken elke zaterdagavond rustig thuis naar een film.
3. Ik corrigeer elke zondag zorgvuldig thuis huiswerk.
4. We bestellen elke maand van de boerderij kaas en melk.
5. We hebben gisteren van onze buren een uitnodiging gekregen. -
1. Ik bespreek volgende week met collega op kantoor een project.
2. Wij maken morgen met docent in de klas opdracht.
3. Hij leest vanavond met broer in de woonkamer een krant.
4. Zij oefent elke maandag met trainer in de sportschool technieken.
5. Ik kook zondagmiddag met moeder in de keuken avondeten. -
- Load More Posts


1. Hij sneed gisteravond met de mes op de bank een mango.
2. Zij drinkt de sap elke dag met de rietje op het kantoor.
3. Zij brengt elke morgen met haar haand op haar gezicht crème aan.
4. Wij maakten twee week geleden met elektrische vliegenmepper thuis huisvliegen af.
5. Zij neemen gisteren met de camera in Maastricht veel foto’s.