-
Dutchbook huiswerk:✍️
Boek. Pagina 162
Opdracht 2
Plaats jouw antwoorden hieronder:192 Comments-
1. Ik werk ‘s ochtends thuis op mijn laptop.
2. Jullie sporten elke week in de sportschool met de coach.
3. Ik lees altijd in de trein snel.
4. Wij eten middags in de kantine gezellig.
5. Jullie fietsen avonds naar huis langzaam. -
1. Ik ben op zondag naar de bioscoop met de trein gegaan.
2. Je gaat vanavond naar huis met de fiets.
3. We hebben vorige avond thuis met water gekookt.
4. Ik ben gisteravond op de bank met de tv aan in slaap gevallen.
5. Ik was op vrijdag dronken op het feest met vodka. -
1. Ik koop vandaag bij de supermarkt met mijn pinpas .
2. Wij gaan vanavond naar de bioscoop met onze auto .
3. Ik las gisteren in de bibliotheek met mijn bril.
4. Hij zwemt ‘s ochtends in de sportschool snel .
5. Zij schildert vandaag in de tuin voorzichting . -
1. Ik eet ‘s ochtends thuis met mijn familie.
2. Hij loopt ‘s nachts buiten met zijn hond.
3. Zij fietst ‘s middags naar het park met haar zus.
4. Jullie zwemmen in de zomer in het zwembad met jullie vrienden.
5. Wij fietsen ‘s middags naar het park met mijn broer. -
1. Ik ga elke maandag naar kantoor met de auto.
2. Ik maak een keer per maand mijn huis met de stofzuiger schoon.
3. Ik speel vanavond in het sportcentrum met een bal.
4. Ik zet nu de tv in de woonkamer met de afstandsbediening aan.
5. Ik ga morgen naar de winkel te voet. -
Ik ga morgen naar de les met de auto.
Ik werk morgen thuis met de computer.
Hij reed gisteren naar Amsterdam met de trein.
Zij kookt morgen thuis met de oven.
We eten elke middag in het restaurant met de lepal en vork. -
1. Ik werk maandag in het kantoor met mijn collega’s.
2. Wij bezoeken haar gisteren in haar huis met onze auto.
3. Ik koop de fiets vorige week bij Decathlon met mijn pinpas.
4. Hij heeft afgelopen zaterdag bij zijn thuis samen met Mark de muren geverfd.
5. hij las de toespraak voor op de conferentie snel. -
1. Ik ging elke dag naar mijn werk met de metro.
2. Ik kook altijd in de keuken met muziek.
3. We gaan wekelijks boodschappen doen op de fiets.
4. We spreken drie keer per week met onze gezinnen via WhatsApp.
5. Het kind speelt elke avond in de tuin met zijn bal. -
1. Ik kook ‘s avonds thuis met mijn gezin.
2. Zij drinkt in het weekend bij Stratumseind met haar vrienden.
3. Ik bepaal vandag bij AH met pinpas.
4. Ik fiets vannochtend naar mijn werk met veel plezier.
5. Jullie gaan donderdag naar Dynamo met veel motivatie. -
1. Ik waste gisteren thuis met een spons.
2. Ik sneed gisteravond op kantoor met een scherp mes.
3. Ik schreef vorige maand in de les met mijn favoriete potlood.
4. Ik sliep gisteravond in het hotel met heel veel kussens.
5. Ik lees elke avond in mijn bed met mijn bril. -
1. Ik ging vorige zomer naar Italië met mijn auto.
2. Hij was gisteren op kantoor met zijn collega’s.
3. Jullie kochten vorig jaar bij een autodealer met contant geld.
4. Jij kookt elke keer in je keuken met plezier.
5. Zij reed vorige week naar het ziekenhuis met haar dochter. -
1. Ik praat vanmiddag bij de gemeente met de ambtenaar.
2. Hij loopt elke weekend naar sportchool stappen tellend
3. Wij dronken na werk in bar tot we dronken zijn
4. Zij zingen de hele dag onder mijn raam heel slecht.
5. Zij zwemt elke dag in het zwembad tot zij erbij neervalt. -
1. Ik maak mijn huiswerk vandaag thuis met de computer.
2. Hij werd vanmorgen wakker in bed van de wekker.
3. Ik las jaren geleden op school met een bril.
4. Zij reed vorig jaar naar Nederland met de trein.
5. Ze gamen in het weekend thuis op de PS5. -
1. Ik ga morgen naar de markt met de fiets.
2. Ik betaal meestal mijn boodschappen met pin.
3. Jij reist in de zomer naar Italië met de auto.
4. Wij gaan in december naar Australië met het vliegtuig.
5. Zij komen morgen thuis met de bus. -
1. Ik ga morgen naar kantoor met de auto.
2. Ik heb vorig jaar in Thailand met mijn familie gewoond.
3. Zij moet op vrijdag naar Amsterdam met de trein om te werken.
4. Jullie zijn in het weekend naar de Efteling met de bus geweest.
5. Peter heeft gisteravond in zijn slaapkamer met zijn moeder geslapen. -
1. Ik ga vanavond naar huis met de bus.
2. Jij betaalt bij de supermarkt met jouw pinpas.
3. Zij gaat dit weekend naar Parijs met de trein.
4. Wij lopen vanavond in de buurt met jouw hond.
5. Jullie gaan elke dag naar kantoor met jullie auto. -
1. Ik ging in augustus naar Ierland met het vliegtuig.
2. Ik kwam vorig jaar naar Nederland met het vliegtuig.
3. Ik eet vanochtend thuis met mijn man.
4. Hij werkt vandaag op kantoor met zijn collega’s.
5. Zij wandelt elke ochtend in het park met haar vrienden. -
1. Ik reis in het weekend naar Amsterdam met een trein.
2. Ik ga morgen naar het werk met een auto.
3. Ik pool vanavond op kantoor met mijn collega’s.
4. Ik wandel morgenochtend in het park met mijn vriend.
5. Ik speel morgen bij mijn vrienden thuis met hun hond. -
1-Ik slaap vanavond in het huis van mijn familie met mijn knuffelbeer.
2-Jullie rennen morgen in de tuin met jullie nieuwe schoenen.
3-Wij studeren vanmiddag in de bibliotheek met onze vrienden.
4-Zij danst volgende zaterdag op de bruiloft met haar man.
5-Hij blaast vanavond de kaarsen op de taart uit met zijn mond. -
1. Ik bouw vandaag op het plein een snelpop.
2. Je skate vandaag op het kanaal met schaatsen.
3. Je houdt altijd het hoofd veilig met een helm.
4. Je oefent vandaag op de mobiel met een app.
5. Jullie koken morgen in de keuken met vuur. -
1. Jij werkt vanavond op kantoor met jouw collega.
2. Zij eten op zondagavond in het restaurant met zijn familie.
3. Ik fiets altijd naar het centrum blijf.
4. Jullie bakken vandaag thuis met hulp.
5. Wij komen nu naar de huisarts snel. -
1. Ik schrijf tijdens de les mijn notities met een pen.
2. Hij eet altijd heel langzaam.
3. Zij reist volgende week naar Amsterdam met de trein.
4. Wij begrijpen meestal het Duits goed.
5. Zij begroeten ’s ochtends ons vrolijk. -
1. Ik sport elke ochtend in de sportschool actief.
2. Hij wacht nu bij de halte geduldig.
3. Zij leest vanmiddag in de tuin rustig.
4. Jullie werken volgende week op het project samen.
5. Ik leer morgen op school goed. -
1. Wij lopen vanavond in het park met de nieuwe schonen.
2. Hij rijdt ‘s ochtends naar de sportschool met de fiets.
3. Zij slaapt elke dag in de slaapkamer met haar kind.
4. Zij ga ’s ochtends naar werk met de trein.
5. Ze werken vandaag thuis met de boormachine. -
1. Ik breng morgen een pakket naar het postkantoor met de fiets.
2. Ik koop meestal mijn kleding met contant geld.
3. Jij bezoekt in de herfst familie in België met de trein.
4. Wij vliegen in juli naar Canada met het vliegtuig.
5. Zij vertrekken vanavond naar het centrum met de metro. -
1. Jij kunt morgenochtend in het park snel rennen.
2. Ik werk vandaag op mijn kantoor hard.
3. Wij kunnen ‘s avonds naar de restaurant een plaatz reserveren.
4. Jullie reizen elke maand naar jullie ouders met de trien.
5. Hij speelt elke vrijdag in de sportschool met zijn vrienden. -
1. Ik ga vanochted naar de oogarts met mijn man
2. Hij gaat vandaag naar het park met zijn hond aan het wandelen
3. Zij gaat vandaag naar haar werk met voet
4. Jullie gaan morgen naar het centrum met zijn kinderen
5. Ik ben nu in het park aan het ontspannen -
1. Ik zwem morgen in het zwembad met mijn vrienden.
2. Wij Netflixen vanavond in de woonkamer met popcorn.
3. Zij shopt volgende week in de stad met haar zus.
4. Ik slaap vannacht in mijn kamer met het raam open.
5. Wij wandelen dit weekend in het bos met de hond. -
1. Zij eet vanmiddag in de kantine met een lepel.
2. Wij wandelen elke ochtend in het park met de hond.
3. Ik reis volgende week naar Amsterdam met de trein.
4. Ik werk morgen op kantoor met mijn collega’s.
5. Hij slaapt ’s middags op de bank met een deken. -
1. Ik ging gisteren naar Amsterdam met de trein.
2. Jij rijdt in het weekend naar Parijs met jouw auto.
3. Hij werkt vannacht thuis met zijn computer.
4. Zij reist morgen naar Noorwegen met het vliegtuig.
5. Wij bestellen het boek vandaag op internet met mijn pinpas. -
1. Hij klom drie dagen geleden in de boom rustig.
2. Ze bleven vorige week daar heel kort.
3. Hij speelde vroeger in het park met zijn vriend.
4. Wij aten vorige vrijdag in een restaurant met plezier.
5. Zij kwamen eergisteren bij het huis van hun ouders kort langs. -
1. Ik werk elke ochtend op kantoor rustig.
2. Wij drinken vanavond thuis samen.
3. Hij studeert elke middag in de bibliotheek serieus.
4. Zij wandelt elke zondag in het bos ontspannen.
5. Ik eet vanmiddag op mijn werk snel. -
1- Zij gaat ‘s avonds naar sportschool met de fiets.
2- Hij zat gisteren buiten met een jas aan.
3- Zij renden vorige week naar het meer rustig.
4- Jullie kochten twee dagen geleden een cadeau in het winkelcentrum met de pinpas
5- Hij snoeide afgelopen weekend in de tuin met een mes -
1. Ik werk in het weekend in de tuin met mijn handschoenen.
2. Zij leest altijd in de woonkamer met haar bril.
3. Wij lunchen morgen op het terras met onze collega’s.
4. Hij studeert ’s ochtends aan de keukentafel met zijn laptop.
5. Ze zitten nu in het park met de kinderen. -
1. Ik ga morgen naar het centrum met de fiets.
2. Ik ga maandag naar het werk met de tram.
3. Hij liep gisteren naar het huis met de hond.
4. Ik bestel altijd mijn spullen met mijn telefoon.
5. Ik betaal meestal in de winkel met pinpas. -
1.Ik stuur morgen een brief naar mijn vriend met de post.
2.Jij koopt vanmiddag boodschappen in de supermarkt met een pinpas.
3.Wij gaan in de winter naar Oostenrijk met de auto.
4.Hij reist elke dag naar zijn werk met de bus.
5.Zij komen vanavond naar het feest met de taxi. -
1. Hij werkt vandaag op kantoor met zijn collega.
2. Wij rijden morgen naar kantoor met de auto.
3. Ik eet vanavond in het restaurant met mijn vrienden.
4. Hij kookt vanavond thuis met verse groenten.
5. Ik lees vanmiddag in de trein met mijn boek. -
1. Ik ga elke dag naar supermarket met de auto.
2. Wij slapen vanavond bij mijn ouders met de airco open.
3. Wij keken gisteravond Netflix in de woonkamer met een drankje.
4. Hij sport elke week in de sportschool met een handdoek.
5. Wij aten afgelopen week in een restaurant met onze ouders. -
1. Ik schreef gisteren aan de tafel met mijn pen.
2. Je rende vanochtend naar het busstation zonder geld.
3. Hij sliep gisteren op de vloer met zijn kat.
4. Ze ging eergisteren naar huis met een ijsje.
5. Wij reisden vorig jaar in Frankrijk met onze auto. -
1. Ik ga elke dag naar het werk met de elektrische fiets.
2. Ik ga vanavond naar het centrum met de bus.
3. Hij tekent de hele dag op kantoor met deze software.
4. Zij belde gisteren in het park met haar telefoon.
5. Wij zijn nu in de tuin met Airpods naar muziek aan het luisteren.
6. Zij bestelden voor de les eten in het restaurant met de app.
7.…Read More -
1 Ik studeer vanavond thuis met mijn computer.
2 We gaan morgen naar Amsterdam met de trein.
3 Mijn vriend werkt elke dag op kantoor met zijn collega’s.
4 Jullie gaan op zaterdag naar de markt met de auto.
5 Zij reist volgend jaar naar Italië met het vliegtuig.
6 De kinderen spelen vanmiddag in de tuin vrolijk. -
1. Mijn zus gaat ‘s ochtends naar school met de bus.
2. Zij reizen in de winter naar de Alpen met de trein.
3. De arts gaat ‘s avonds naar het ziekenhuis met de auto.
4. Mijn opa kijkt ‘s middags naar de vogels met de verrekijker.
5. Mijn vader ging gisteren naar de tuin met de paraplu.
6. Jouw buurman ging in het weekend naar de garage met de…Read More -
1. De buren praten ‘s avonds in hun slaapkamer zonder schroom.
2. Zij zingt op dit moment in de badkamer met tranen in haar ogen.
3. De vrienden lachten gisteravond op het feestje elkaar uit.
4. Mijn sleutels liggen zoals altijd op het nachtkastje zonder sleutelhanger.
5. Wij ontbeten vanochtend in het café met plezier.
6. Kinderen roken tijdens…Read More -
1. Zij heeft gisteren het kantoor eerder verlaten.
2. Ik ging gisteren naar de bibliotheek met tegenzin.
3. We brengen onze tijd in Italië samen door .
4. Het weer koelt komende week in Eindhoven geleideijk.
5. De kinderen keken naar de cartoon in de woonkamer nieuwsgierig. -
1. Ik werk ‘s ochtends op kantoor met de computer.
2. Wij spelen ‘s middags op het schoolplein met een bal.
3. Hij eet ‘s avonds aan tafel met een lepel.
4. Zij studeert elke avond in de bibliotheek met haar laptop.
5. Ik wandelt elke zondag door het bos met mijn hond. -
- Load More Posts


1. Ik schildeer avond op de muur met de borstel .
2. Hij stond gisteravond in de wachtrij met de groenten.
3. Hij strijkt elke dag op strijkplan met de strijkijzer.
4. Zij spraken vorige maandag in de vergadering met de microfoon.
5. Wij genoten vorig weekend thuis met de familie.