-
Dutchbook huiswerk:✍️
Boek. Pagina 161
Opdracht 1
Plaats jouw antwoorden hieronder:198 Comments-
1. Ik ga ochtends met de bus naar mijn kantoor.
2. Ik fiets elke dag snel in het centrum.
3. Wij lopen avonden met onze vrienden in het park.
4. Ik speel avonden met de PC thuis.
5. Hij wandelt soms langzaam in de stad. -
1. Wij werken morgen met het nieuwe systeem op het kantoor.
2. Je ontmoet hem morgen met mijn hulp na het werk.
3. Jullie hebben gisteren met mijn kaart in het museum betaald.
4. Hij ging vorige week lopend naar de sportschool.
5. Ik bezocht hem op zaterdag met de trein in zijn huis. -
1. Ik koop vandaag met mijn pinpas bij de supermarkt.
2. Wij gaan vanavond met onze auto naar de bioscoop.
3. Ik spreek morgen telefonisch af.
4. Hij zwemt ‘s ochtends snel in de sportschool.
5. Zij schildert vandaag voorzichting in de tuin. -
1. Ik eet ‘s avonds in het weekend met mijn vriend in een restaurant .
2. Ik lees ‘s avonds met mijn kindle op mijn bank.
3. Wij werken overdag met onze collega’s op kantoor.
4. Mijn broer en ik winkelen in het weekend met onze moeder in de stad.
5. Wij reizen in de zomer met onze vrienden naar Frankrijk. -
1. Ik ga elke maandag met de auto naar kantoor.
2. Ik maak een keer per maand met de stofzuiger mijn huis schoon.
3. Ik speel vanavond met een bal in het sportcentrum.
4. Ik zet nu de tv met de afstandsbediening in de woonkamer aan.
5. Ik ga morgen te voet naar de winkel. -
1. Ik ga maandag met de fiets naar Dynamo.
2. Hij speelde gisteren met de collage op de grond.
3. Ze winkelt elke zaterdag met een pinpas in het warenhuis.
4. Ik winkel elke zondag met mijn zon in de winkel.
5. Ik loop elke avond met mijn hond in het park. -
1. Ik werk maandag met mijn collega’s in het kantoor.
2. Wij bezoeken haar op zaterdag met onze auto in haar huis.
3. Ik koop de fiets vorige week met mijn pinpas bij Decathlon.
4. Hij heeft afgelopen zaterdag samen met zijn vriend de muren geverfd.
5. Hij zwom vorige week snel naar de kust. -
1. Hij gaat morgen naar Ikea nieuwe dingen kopen.
2. Ik lees elke avond met mijn bril in mijn tuin.
3. Zij gaan elke dag met de bus naar haar kantoor.
4. Ik eet elke avond muesli met melk in mijn keuken.
5. Hij loopt in het weekend met zijn hond naar het park. -
1. Ik ga vanavond met mijn fiets naar Dynamo.
2. Wij spreken altijd langzaam in het klaslokaal.
3. Je knipt ‘s ochtends met een schaar in de salon.
4. Hij belt vandaag met de app naar de huisarts.
5. Zij werkt de hele dag met de laptop op kantoor. -
1. Ik ga elke dag met mijn auto naar mijn werk.
2. Ik ren ‘s ochtends met mijn nieuwe hardlopenschoenen door het bos.
3. Ik betaal vandaag met contant bij Jumbo.
4. Ik schreef gisteren met een pootlood in de klas.
5. Ik voetbalde vorige week met vrienden op het sportveld. -
1. Ik eet ’s avonds met mijn vrouw thuis.
2. Wij voetballen woensdagavond met mijn vrienden in Eindhoven.
3. Jullie praten elke vrijdag via de telefoon op kantoor.
4. Ik ga op dinsdag met de auto naar Veghel.
5. Jij loopt na de les met jouw vrouw naar het station. -
1. Ik ga elke zaterdag te voet naar mijn vriend.
2. Hij gaat volgende week met het vliegtuig naar Spanje.
3. Jullie moeten morgen vroeger met jullie eigen vervoer naar school komen.
4. Hij maakt nu zijn huiswerk zittend in de bus af.
5. Ik maak straks mijn ramen met het glasreinigingsmiddel op de eerste verdieping schoon. -
1.Ik moet vandaag vroeger thuis.
2. Zij helpt morgenochtend met schoonmaken op school.
3. Hij verkoopt vanavond voor een hoge prijs op de markt
4. Wij aten gisteren heel pikant in het restaurant
5. Ik beslis later na overleg op het kantoor. -
1. Ik ga morgen met de fiets naar mijn werk.
2. Hij drinkt vrijdagavond met zijn vrienden in een kroeg.
3. Wij reden gisteren snel naar Schiphol Luchthaven.
4. Ik wacht ongeduldig in de rij.
5. Hij praat elke keer zo hard in het café. -
1. Ik rijd ‘s ochtends met de trein en met de bus naar mijn werk.
2. Ik werk elke dag met de computer op kantoor.
3. Ik stuur soms briefjes met PostNL naar mijn familie.
4. Jij voetbalt in het weekend met jouw vrienden buiten.
5. Wij gaan volgende week met de fiets naar de Dutch Design Week. -
1. Ik rijd vanavond met de fiets naar jullie.
2. Wij gingen gisteravond met jullie naar de bioscoop.
3. Maurice is in het weekend met zijn vriendin naar AH gegaan.
4. Ik ben in 2024 met mijn vriend naar Indonesië gereisd.
5. Ze kijken vanavond met de hond naar televisie. -
1. Ik liep gisteren snel naar buiten.
2. Jij gaat vanochtend boos naar huis.
3. Hij gaat vanmiddag met de auto naar het werk.
4. Wij lopen ‘s middags langzaam naar school.
5. Jullie studeren ‘s avonds met boeken in de bibliotheek. -
1. Ik ga morgen met de fiets naar school.
2. Ik koop vanochtend met de betaalpas in de winkel.
3. Ik wandel vanavond met mijn man in het park.
4. Ik kookte gisteren snel in mijn keuken.
5. Ik ging in het weekend met mijn auto naar Zweden. -
1. Ik reis in het weekend met een trein.
2. Ik ga morgen met een auto naar het werk.
3. Ik pool vanavond met mijn collega’s op kantoor.
4. Ik wandel morgenochtend met mijn vriend in het park.
5. Ik speel morgen met de hond van mijn vrienden bij hun thuis. -
1. Ik ga morgen met mijn auto naar werk.
2. Zij fietst ‘s ochtend snel naar huis.
3. Ik zwem morgen met mijn vriend in een pool.
4. Ik eet ‘s avond met mijn collega’s in een restaurant.
5. Wij leren ‘s avond over een nieuwe tijd in de les. -
1-Ik ga morgen met de auto naar België.
2-Wij spelen vanavond met een racket op de tennisbaan.
3-Zij betaalt ’s middags met de creditcard in het café.
4-Jij leest vandaag in een verhalenboek in de klas.
5-Ik betaal morgen contant op de luchthaven. -
1. Ik ga vandaag met de auto naar het werk.
2. Wij vliegen vrijdag met het vliegtuig naar Florida.
3. Ze fietsen vandaag met de fiets naar het bos.
4. Je loopt ’s ochtends met de nieuwe schoenen langs het meer.
5. Ik ga morgen met de trein naar Miami. -
1. Ik kook vandaag met mijn vrienden in mijn huis.
2. Zij gaat vanavond met de bus naar action.
3. Hij speelt morgen met zijn broer op de computer.
4. Ik praat ‘s nachts met mijn familie via de telefoon.
5. Jullie lezen morgen met de docent in de klas. -
1. Ik ga elke zaterdag met mijn fiets naar de markt.
2. Jij gaat op vrijdag met jouw vriendin naar het muziekgebouw.
3. Wij trainen morgen hard in de sportschool.
4. Zij loopt altijd snel naar het station.
5. Jullie kopen morgenochtend vroeger in de winkel. -
1. Jullie leren zorgvuldig elke dag Nederlands met een app.
2. Ik praat ’s avonds met mijn vriend via de telefoon.
3. Wij betalen meestal in de winkel met een pinpas.
4. Jij lees ’s avonds rustig een boek.
5. Zij vertrekt morgen later naar werk. -
1. Ik werk morgen rustig thuis.
2. Ik studeer vandaag hard op school.
3. Wij sporten vanavond actief in de sportschool.
4. Hij leert morgen goed voor het examen.
5. Jullie eten straks gezellig in het restaurant. -
1. Ik ga morgen met de bus naar school.
2. Wij reizen volgende week met de trein naar Parijs.
3. Hij rijdt vandaag met de fiets naar de winkel.
4. Zij loopt elke avond met haar hond door het park.
5. Jullie gaan zaterdag met het vliegtuig naar India. -
1. Wij lezen elke dag nieuws op de TV thuis.
2. Hij heeft morgen na zijn werk winkelen.
3. Ik denk dat het vanavond heel koud wordt in Eindhoven.
4. Jij gaat dit weekend alle boeken in de bibliotheek klaarmaken.
5. Zij vliegt volgende maand met KLM naar Zuid-Afrika. -
1. Ik ga morgen bij de fiets naar het centrum
2. Hij gaat vanmiddag bij zijn auto naar Parijs
3. Zij gaat volgende jaar met haar man naar Zwitzerland
4. Jullie gaan volgende maand naar de oogarts
5. Zij gaat vandaag verdrietig naar haar werk
6. Zij leest vannacht met haar zusje in haar bed
7. Hij loopt vandaag slaperig naar school
8. We spelen…Read More -
1. Ik werk ’s ochtends met mijn laptop op kantoor.
2. Zij reist morgen met de trein naar Amsterdam.
3. Wij studeren vanavond met onze vrienden in de bibliotheek.
4. Hij sport elke dag met veel energie in de sportschool.
5. Jullie koken vanmiddag met verse groenten in de keuken.
6. Ik lees ’s avonds rustig in mijn kamer.
7. Zij praat van…Read More
-
1. Wij reizen elke zomer met de trein naar Parijs.
2. Hij betaalt elke maand met zijn kaart in de supermarkt.
3. Wij spelen elk weekend met een bal in de tuin.
4. Hij komt elke dag met de bus naar het werk.
5. Ik slaap elke nacht goed in mijn bed.
6. Wij eten vanavond samen in de keuken.
7. Zij leest elke avond alleen op de bank.
8. Ik ga morgen…Read More -
1. Ik ga morgen met de trein naar kantoor.
2. Ik betaal nu met de pinpas op de markt.
3. Zij leest vandaag met haar nieuwe bril in de bibliotheek.
4. Jullie sporten elke ochtend met vrienden in de sportschool.
5. Ik studeer vanmiddag met mijn laptop in de woonkamer.
6. Zij schrijft morgen met een pen aan haar bureau. -
1. Ik ga vanavond met mijn fiets naar het park.
2. Jij speelt morgen met de bal in jouw achtertuin.
3. Hij werkt vannacht met de computer thuis.
4. Zij kwam gisteren met haar auto naar de bibliotheek.
5. Wij rijden vrijdag met de bus naar kantoor.
6. Ik betaalde gisteren met mijn pinpas in het restaurant.
7. Jullie gingen twee maanden…Read More -
1. Ik bracht twee dagen geleden met de auto naar school.
2. Hij kreeg gisteren snel in de kamer.
3. Zij kwam vanochtend zonder jas naar buiten.
4. Zij maakte gisteren met haar kind in de keuken klaar.
5. Jij reed vorige week met de bus naar jouw werk. -
1. Ik werk elke dag rustig op kantoor.
2. Wij wandelen elke avond samen in het park.
3. Hij studeert elke ochtend hard in de bibliotheek.
4. Zij rijdt elke week met de auto naar haar werk.
5. Ik kook vanavond snel in de keuken.
6. Wij spelen elke zondag gezellig in de tuin.
7. Hij leest elke nacht stil in zijn kamer.
8. Zij schrijft elke maand met…Read More -
1- Ik ging gisteren met de fiets naar de bioscoop.
2- Ik ga vanavond met de auto naar mijn vriendin.
3- Hij kookt morgen met de pan in de keuken.
4- Zij dragen volgende week met de tas in de tuin.
5- Jullie kopen volgende keer met contact in de winkel. -
1. Ik ga ‘s ochtends met de trein naar mijn werk.
2. Ik lees ‘s avonds met een e-reader in mijn bed.
3. Ik loop ‘s avaonds te voet naar de manege.
4. Hij schildert na school met olieverf in het atelier.
5. We zwemmen vandaag met de bril in de zee. -
1. Ik koop vandaag met de creditcard in de winkel.
2. Ik rijd vanavond met de auto naar Eindhoven.
3. Ik ga morgen met de fiets naar het centrum.
4. We slapen vannacht met een deken op de bank.
5. De kinderen springen met de hond in de tuin. -
1.Ik ga morgen met de trein naar mijn werk.
2.Wij reizen volgende maand met de auto naar Duitsland.
3.Hij rijdt elke ochtend met de scooter naar school.
4.Zij loopt vanmiddag met haar vriendin naar de stad.
5.Jullie gaan volgende week met de boot naar het eiland. -
1. Ik bestel vanavond online met mijn telefoon.
2. Ik reis vandaag met de trein naar Utrecht.
3. Zij fietst morgen met mijn fiets naar het park.
4. Hij maakt vanavond thuis pasta met pesto.
5. Wij rijden morgen met de auto naar kantoor. -
1. We gaan volgend jaar met de auto naar Noorwegen.
2. Hij kookt ‘s avonds met de nieuwe kookpan thuis.
3. Ik speel vandaag met de hond buiten.
4. Hij praat vanmiddag met zijn collega op kantoor.
5. Ik wandel elke dag met mijn vriend in het park.
6. Ik werk soms op mijn computer vanuit thuis. -
1. Ik loop soms met mijn horloge langs het water.
2. Ik mediteer vaak op de yogamat in de kamer.
3. Ik kook vanavond met de wok enkele gerechten.
4. Hij werkt elke dag met de laptop op het kantoor.
5. Ze luistert voor het slapen naar ASMR op haar bed. -
1. Ik ga elke dag met de elektrische fiets naar het werk.
2. Ik ga vanavond lopend naar het centrum.
3. Hij tekent de hele dag met deze software op kantoor.
4. Zij belde gisteren met haar telefoon in het park.
5. Wij zijn nu op Spotify in de tuin naar muziek aan het luisteren.
6. Zij bestelden voor de les eten met de app in het restaurant.
7. Jij…Read More -
1 Ik ga morgen met de bus naar mijn werk.
2 Mijn zus loopt elke ochtend snel in het park.
3 We reizen komende maand met het vliegtuig naar Spanje.
4 Zij gaan vanavond met de fiets naar de supermarkt.
5 Jij loopt elke dag snel naar het station.
6 Mijn ouders gaan komende zondag met de auto naar het strand. -
1. Ik werk ‘s ochtends geconcentreerd op kantoor.
2. Jij eet ‘s avonds snel in de keuken.
3. Hij leest ‘s avonds in stilte op het balkon.
4. Ik reis in de zomer met het vliegtuig naar het buitenland.
5. Zij gaat ‘s ochtends met de bus naar school.
6. Wij wandelen in het weekend rustig in het park. -
1. Je rijdt momenteel met spoed naar de kraamkliniek.
2. Het waaide gisteren met stevige windvlagen uit het westen.
3. Zij verscheen die dag stralend op het feest.
4. Ik ga vandaag met plezier naar de bioscoop.
5. Ze bewogen twee weken geleden met moeite in de sportschool.
6. Wij blijven morgen in stilte thuis.
7. Mensen bogen vanochtend met…Read More -
1. Wij bezoeken maandelijks regelmatig het geboorteland van mijn vriend.
2. Zij gaat morgen met tegenzin naar het gemeentehuis
3. Ik heb mijn vakgebied in het verleden met liefde aan de universiteit gestudeerd.
4. Hij gaat elke dag met de trein naar zijn werk
5. Ik heb vorig jaar meer Nederlandse gewoonten in Nederland overgenomen. -
1. Ik werk ‘s ochtends met de computer op kantoor.
2. Wij spelen ‘s middags met een bal op het schoolplein.
3. Hij eet ‘s avonds met een lepel aan tafel.
4. Zij studeert elke avond met haar laptop in de bibliotheek.
5. Ik wandel elke zondag met mijn hond door het bos. -
1. Wij gaan vandaag met de bus naar het centrum.
2.Ik werk ‘s middags met mijn vriend in de bibliotheek.
3.Hij betaalt ‘s avonds met zijn telefoon in de winkel.
4. Zij gaat elke dag met de trein naar kantoor.
5. Wij spelen in het weekend met onze kinderen in de speeltuin.
- Load More Posts

1. Wij gingen vorige maand met de vliegtuig naar vakantie.
2. Ik maak elke dag met het doekje mijn tafel schoon.
3. Hij kijkt morgen met de 3D bril op de bioscoop.
4. Zij kookt gisteren met de pan in haar keuken.
5. Ik wandel met mijn wandelstok de heuvel op.