-
Dutchbook huiswerk:✍️
Boek. Pagina 139. Opdracht 8.
Plaats jouw antwoorden hieronder:217 Comments-
1. Ik ga later jouw kaartje in het station kopen.
2. Ik zal vanavond de nieuwe bordspel thuis proberen.
3. Ik maak dit weekend pizza thuis.
4. Ik ga later mijn e-mails op kantoor antwoorden.
5. Ik ga tijdens de doordeweeks met de huisarts een afspraak maken. -
1. Ik ga om 21:00 naar het feest komen.
2. Wij zullen in Juni op vakantie gaan.
3. Zij gaat in dit weekend naar zwembad zwemmen.
4. Hij zal vanavond vroeg slapen.
5. Jij bereidt vanavond het avondeten voor.
6. Zij rijden morgen de auto naar Amsterdam. -
1. Jij zal morgen de planten water geven.
2. Ik ga om 10 uur naar de tandarts mijn tanden schoonmaken.
3. Jullie moeten vanavond met de pc thuis werken.
4. Wij zullen in één uur dit huis schoonmaken.
5. Gaan jullie volgende maand op vakantie naar Spanje?
6. Zullen wij vanavond thuis pasta maken?
7. Ik moet na carnaval mijn auto s…Read More -
1. Zij zal morgen het huiswerk maken.
2. Ik ga later een film kijken.
3. Hij moet volgende week zijn huis verkopen.
4. Je gaat morgenochtend sporten.
5. Wij zullen volgende maand op vakantie gaan. -
1. Wij gaan morgen in Antwerpen een stedentrip hebben.
2. Ik ga vanavond thuis een documentatie schrijven.
3. Hij gaat volgende week een auto in Amsterdam testen.
4. Zij gaat over 1 jaar een huis in Eindhoven kopen.
5. Jullie gaan later de film thuis kijken. -
1. Ik zal je vanavond met je huiswerk helpen.
2. Wij gaan in juni met de trein om Paris te bezoeken.
3. Ik koop de volgende maand een bed van IKEA.
4. Wij zullen je morgen met jouw verhuizen helpen.
5. Ik ga elke ochtend naar het park rennen. -
1. Ik zal morgen de groenten in de supermarkt kopen.
2. Jij gaat volgende week woonkamer in het huis schoon maken.
3. Wij wassen vanavaond de auto in de garage .
4. Wij spelen morgen in het park.
5. Wij gaan vanavond op de Dutch Academy Nederlands leren. -
-
1. Ik zal vanavond een taart in het café eten.
2. Je gaat vandaag je haar in een kapsalon knippen.
3. U gaat morgen de groenten thuis snijden.
4. Zij reist volgende maand naar Parijs.
5. Hij kijkt volgende week een voetbal match in het stadium.
6. Wij gaan in het weekend in onze tuin tuineieren. -
1. Hij zal zijn huiswerk thuis doen.
2. Ik ga vandaag mijn huis schoonmaken.
3. Wij zullen volgende week naar de dokter gaan.
4. Zij gaan volgende maand naar het concert in Utrecht.
5. Zij gaan straks in het restaurant eten. -
1. Ik ga de baby op vrijdag in jouw huis verzorgen.
2. Ik zal dit jaar vaker sporten.
3. We zullen deze keer die problemen voorkomen.
4. Hij gaat het resultaat vanavond achter zijn computer afwachten.
5. Zij gaat de vergadering op kantoor afzeggen. -
1. Ik zal vanavond nieuwe YouTube-video’s thuis kijken.
2. Wij gaan in het weekend een museum in Amsterdam bezoeken.
3. Zij maakt morgen de pizza thuis.
4. Jij kijkt nu naar de tv in de woonkamer.
5. Zij zullen volgend jaar hun huis in het dorp verkopen. -
1. Ik zal morgen mijn huiswerk thuis maken.
2. Jij gaat vanavond met mij in het centrum winkelen.
3. Zij gaat in het weekend met haar auto naar Amsterdam rijden.
4. Wij zullen in oktober een museum in Parijs bezoeken.
5. Jullie gaan morgen een telefoon in de winkel kopen. -
1.Ik ga na het werk pasta in het restaurant eten.
2. Jullie gaan volgend jaar de druiven in Frankrijk plukken.
3. Ik zal morgen de spullen in mijn kamer opruimen.
4. Wij zullen over twee uur het pakket bij de post ophallen.
5. Zij wil in het weekend de brief naar haar moeder sturen.
6.Ik moet morgen het vuilnis in mijn appartement weggooien. -
1. Ik ga nu een film op de bank kijken.
2. Zij zal later met haar vriend naar het restaurant gaan.
3. Hij komt morgen de auto bij mij kijken.
4. Jullie zullen het volgend jaar een huis in Italië kopen.
5. Jij zult de volgende maand in Amsterdam aan een universiteit studeren.-
4. Jullie zullen volgend jaar een huis in Italië kopen. => zonder “het”
5. Jij zult volgende maand in Amsterdam aan een universiteit studeren. => zonder “de” -
-
-
1. Ik ga morgen naar een film in de bioscoop kijken.
2. Zij gaat woensdag haar kleding in de wasserette van de buurt wassen.
3. Zij zullen de volgende maand naar een mooi huis in België verplaatsen.
4. Hij zal straks Chinees eten op de Uber Eats bestelen.
5. Wij komen morgen het onderwerp “toekomst” thuis bestuderen.
6. Ik moet maandagochtend…Read More-
-
Dezelfde als Nikita,
2. Zij gaat woensdag haar kleding in de wasserette IN de buurt wassen.
3. Zij zullen (zonder lidwoord) volgende maand naar een mooi huis in België verhuizen.
De rest is goed!
-
-
1. Ik ga later mijn huis schoonmaken.
2. Wij zullen morgen naar het festival gaan.
3. Ik kan morgen bij jou thuis komen.
4. Jullie gaan in het weekend naar de film kijken.
5. Wij zullen de volgende keer met Maurice bij Vapiano afspreken. -
Ik ga vanmiddag mijn huiswerk thuis maken.
Ik zal op volgende woensdag met mijn vrouw in de dansschool dansen.
Ik voetbal op vrijdag met mijn collega’s in het centrum.
Ik zal volgende week een nieuw boek in bed lezen.
Ik ga op zondag met mijn katten thuis zitten. -
-
1. Hij zal volgende jaar zijn masterdiploma van de universiteit krijgen.
2. Zij zal volgende week terug naar Nederland gaan.
3. Wij zullen dit weekend naar het museum rijden.
4. Ik ga vanavond mijn huiswerk maken.
5. Ik ga morgen mijn collega’s ontmoeten.
6. Zij werken morgen thuis. -
1. Ik ga morgen in de park rennen.
2. Ik ga vanavond mijn huiswerk thuis maken.
3. Wij gaan om 10 uur de wedstrijd kijken.
4. Ik zal mijn collega’s morgen op het werk ontmoeten.
5. Jullie zullen morgen om 8 uur ‘s avond naar klaslokaal gaan.-
2. Ik ga mijn huiswerk vanavond thuis maken. (FW + WW + Bepaald + Tijd + Plaats + WW2) No totally sure if this structure is “rigid”
3. Wij gaan om 10 uur NAAR de wedstrijd kijken.
5 Jullie zullen morgen om 8 uur ‘s avondS naar klaslokaal gaan.
-
1. Ik ga in het weekend een film in de bioscoop kijken.
2. Zij gaat volgende maand een cursus in Eindhoven studeren/doen.
3. Hij gaat volgend jaar op vakantie naar Italië gaan.
4. Wij gaan om 18 uur een pizza in het eethuis eten.
5. Zij gaan vrijdagavond kleding in het centrum winkelen. -
1. Ik zal in het weekend in Maastricht de kerstmarkt bezoeken.
2. Jij zult volgende week naar Spanje vliegen.
3. Hij zal volgend jaar drie marathonen lopen.
4. Wij zullen straks op vakantie gaan.
5. Jullie zullen op zaterdag thuis een feest geven. -
1. Jij gaat morgenochtend de presentatie met jouw collega’s oefenen.
2. Zij zal de hotels voor de wintervakantie reserveren.
3. Wij hardlopen samen op zaterdag in het park.
4. Ik ga mijn spreekopdrachten volgende week doen.
5. Jullie zullen de ideeën met jullie ouders delen. -
1-Ik ga morgen naar mijn werk lopen.
2-Wij zullen volgende maand een afspraak maken.
3-Jullie hebben vrijdag een feest.
4-Zij zullen dit weekend een nieuw project starten.
5-Hij zal vanavond langer werken. -
1. Ik zal morgen bloemen bij de bloemist bestellen.
2. Wij zullen morgen oliebollen in het centrum kopen.
3. Jullie gaan vanavond liedjes in de woonkamer zingen.
4. Hij maakt om 7 uur zijn huiswerk op school af.
5. Zij zal overmorgen een presentatie op kantoor voorbereiden. -
1. Wij gaan vanavond zijn verjaardag in het park vieren.
2. Jullie zullen volgende week een workshop in het kantoor bijwonen.
3. Ik zal tijdens de kerstvakantie een toets in het centrum afnemen.
4. Zij zal vanmiddag het speelgoed in de doos zetten.
5. Hij zal volgende week hemden in de winkel kopen. -
1. Ik zal morgen het huis in Amsterdam schoonmaken.
2. Hij gaat volgende week een presentatie op kantoor voorbereiden.
3. Jij zult later vandaag de maaltijd in de keuken klaarmaken.
4. Wij gaan straks een opdracht in de klas afmaken.
5. Zij zal binnenkort een brief thuis schrijven. -
1. Wij zullen overmorgen met onze hond naar de bergen reizen.
2. Ik ga later mijn kleding wassen.
3. Hij maakt dit weekend een vlaai.
4. Ik zal vanavond mijn financien rekenen.
5. Jij schrift hem morgen een e-mail. -
1. Ik zal morgen thuis pasta maken.
2. Hij zal vanavond glühwein maken.
3. Wij zullen om 9 uur naar school vertrekken.
4. Zij zal morgenochtend met sneeuw spelen.
5. Ik wil om 3 uur voetballen. -
1. Ik ga vanavond Thaise curry thuis maken.
2. Hij gaat morgen met zijn baas op kantoor over de taken praten.
3. Je zult in de zomer een auto in Frankrijk huren.
4. Ik zal dit jaar mijn onderhandelingsvaardigheden verbeteren.
5. Ik ga deze zomer wilde beren in Roemenië zien. -
1. Wij gaan volgende week in de bergen wandelen.
2. Ik zal vandaag het rapport op kantoor bespreken.
3. Ik zal morgen het probleem met mijn collega onderzoeken.
4. Wij gaan om 20:00 uur pizza in het restaurant eten.
5. Zij zal dit jaar tijdens de vakantie veel foto’s maken. -
1. Ik zal op vrijdag een aardappelen gerecht thuis maken.
2. Zij gaat doordeweeks op het Amsterdamse kantoor werken.
3. Wij zullen volgende week op vakantie gaan.
4. Jullie gaan morgenochtend sporten.
5. Hij bezoekt vanavond zijn vrienden in het park. -
1. Ik zal morgen in de keuken het ontbijt maken.
2. Jij gaat vanavond op het balkon huiswerk maken.
3. Jij gaat vanavond op het balkon huiswerk maken.
4. Wij zullen vanmiddag in de woonkamer een taart maken
5. Jullie gaan morgen in de klas een poster maken.
6. Zij zullen vanavond in de keuken avondeten maken.
7. Ik ga straks in mijn kamer een…Read More -
1. Ik ga morgen de documentatie op kantoor bijwerken.
2. Ik zal vanavond het avondeten thuis maken.
3. Hij gaat in het weekend bomen in zijn achtertuin planten.
4. Hij zal morgen het dak thuis repareren.
5. Ik zal morgen de lunch op school brengen. -
1. Ik zal morgen in de tuin koffie maken.
2. Jij gaat vanavond in de keuken soep maken.
3. Hij zal straks op kantoor een rapport schrijven.
5. Zij gaat morgen in haar kamer muziek maken.
6. Wij zullen vanavond in de woonkamer een film kijken. -
-
1- Ik zal morgen jou thuis bellen.
2- Hij zal vanavond pasta in het huis van zijn ouders make.
3- Wij zullen volgende week met vrienden naar disco gaan.
4- Zij zullen morgen de resultaten op kantoor bespreken.
5- Zij zal volgende maand een huis in haar nieuw kantoor tekenen. -
1.Ik zal morgen de kamer in het hotel opruimen.
2.Hij gaat vanavond een rapport op kantoor schrijven.
3.Jij zult morgen de tafel in de keuken dekken.
4.Wij gaan straks een project in de bibliotheek maken.
5.Zij zal volgende week een e-mail thuis sturen. -
1. Ik zal in het weekend in de bibliotheek een boek lezen.
2. We zullen vanavond thuis een film kijken.
3. Zij zal morgen in de keuken een nieuwe taart bakken.
4. Ik zal morgen op kantoor een belangrijk rapport schrijven.
5. Ik zal straks in de supermarkt wat eten kopen.
6. Ik zal straks mijn zoon op school ophalen.
7. Wij zullen volgende maand in…Read More -
1. Ik ga later mijn fiets repareren.
2. Ik ga later mijn eten koken.
3. Ik zal morgen mijn vriend bellen.
4. Wij zullen vanavond eten koken.
5. Ik zal straks koffie zetten.
6. Zij zullen morgen boodschappen doen. -
1. Ik zal morgen het huiswerk op school doen.
2. Hij zal volgende week een vergadering op kantoor deelnemen.
3. Wij zullen vanavond naar een feestje gaan.
4. Zij gaat om 7 uur naar Eindhoven rijden.
5. Jullie zullen morgenochtend op vakantie gaan. -
1. Ik zal nooit meer met hem ergens uitgaan.
2. Je zult van tevoren kaartjes voor het concert online kopen.
3. Jij gaat volgend jaar voor zakenreizen met een nieuwe luchtvaartmaatschappij vliegen.
4. U gaat binnenkort een transparant controlesysteem bij dit bedrijf implementeren.
5. Hij gaat morgenochtend minder hooi op zijn vork nemen.
6. Zij…Read More -
1. Ik ga volgende zondag boodschappen doen.
2. Hij geeft morgen de boodschap door.
3. Ik zal volgend jaar 10 kg afvallen.
4. Wij gaan voor de zomer de bomen snoeien.
5. Ik zal dit jaar meer boeken lezen. -
1. Ik zal volgende week mijn rapport op de universiteit afmaken.
2. Wij zullen morgen een pakket ontvangen.
3. Hij gaat volgend jaar een nieuwe auto in Nederland kopen.
4. Wij zullen zaterdag samen uitgaan.
5. Hij zal het volgende jaar meer geld verdienen.
6. Ik ga in het weekend mijn oma bezoeken.
7. Wij willen een nieuwe app ontwikkelen.
8. Ik…Read More -
1. Ik wil vanavond een ijsje in Veldhoven eten.
2. Wij gaan volgende maand onze ouders in Pakistan bezoeken.
3. Hij zal in het weekend de landschapschilderijen kopen.
4. Zij willen op zaterdag een film in de bioscoop kijken.
5. Ik ga morgen een vergadering op kantoor bijwonen. -
1. Ik ga naar het buitenland verhuizen na de universiteit.
2. Hij gaat volgende maand aan een nieuwe baan beginnen.
3. De Belastingdienst zal in Juni de terugbetaling doen.
4. We gaan in het weekend in het Vondelpark wandelen
5. Minister-president morgen ons bedrijf bezoeken.
6. Duitsland gaat onze grootste handelspartner worden -
1. Wij gaan zondag naar de WK-wedstrijd van Nederland thuis kijken.
2. Mijn vriend zal mij zaterdag met het schoonmaken van het huis helpen.
3. Wij gaan in september naar een bruiloft in Griekenland.
4. Ik ga in december mijn familie in Colombia bezoeken.
5. Ik ga in april de documenten voor de Nederlandse nationaliteit aanvragen. -
1. Ik zal morgen op kantoor werken.
2. Wij gaan elkaar na het werk in een restaurant ontmoeten.
3. Wij geven haar op haar verjaardag een cadeau.
4. Hij gaat in het weekend zijn schoenen schoonmaken.
5. Wij zullen vandaag de spullen voor de reis klaarmaken. -
1. We gaan in het weekend in het park onstpannen.
2. We zullen morgen over de laatste details onderhandelen.
3. Ze gaan tegen de regen schuilen.
4. Ze gaan morgen een bank beroven.
5. Na de opleiding zal jij stressbestendig worden.
6. Zij gaat volgende week een antwoord geven.
7. Mijn medewerker gaat morgen een tikkie sturen.
8. Het kind zal…Read More -
1- Ik zal vanavond de kip thuis koken.
2- Hij gaat morgen in het stadion voetballen.
3- Je zal volgend weekend thuis schoonmaken.
4- Ik zal deze zomer op vakantie in griekenland maken.
5- Ze rijdt morgenavond met de auto naar ons huis. -
1. Dat zal ze morgen doen.
2. Hij zal het leuk vinden.
3. Ik zal morgenavond spaghetti carbonara koken voor mijn familie.
4. Ze gaat morgenmiddag met de bus naar haar werk.
5. Hij gaat volgende week in Amsterdam werken.
6. In de zomer gaan we in de zee zwemmen. -
1. Wij gaan in het weekend naar een festival in Amsterdam
2. Zij zal vrijdag thuis een koffer inpakken.
3. Hij gaat volgende week de reparaties in huis doen.
4. Ik ga morgen op mijn werk een presentatie geven.
5. Hij gaat volgende maand op school een toets maken. -
1. Ik zal vanavond een verhaal in het restaurent vertellen.
2. Ik ga morgen met mijn vriend naar het bos fietsen.
3. Ik moet vanavond mijn huiswerk in de trein maken.
4. Jij zult vanochtend naar de sportschool in het centrum gaan.
5. Hij gaat vanmiddag met me naar het zwembad zwemmen. -
1. Wij zullen volgende dinsdag een afspraak in het park maken.
2. Ik zal vanavond twee pizza’s bij Dominos bestellen.
3. Hij gaat morgen met hem vriend in Eindhoven winkelen.
4. Jullie zullen morgenmiddag een film thuis kijken.
5. Ik ga volgende week mijn oma bezoeken.-
Goed maar #3zijn in place of hem,
-
-
1. Wij gaan morgen een barbecue in de achtertuin organiseren.
2. Hij zal volgende week een rapport op kantoor schrijven.
3. Ik ga vanavond een boek in de woonkamer lezen.
4. Zij gaat morgen een afspraak bij de tandarts maken.
5. De student zal volgende maand een examen op school afleggen. -
1. Ik ga vanavond naar Dynamo voor een Nederlandse les leren.
2. Jij gaat om 19:00 uur een afspraak bij de GP maken.
3. U bakt in het weekend een taart in ons huis.
4. Hij rijdt morgen in zijn auto naar Amsterdam.
5. Zij zal s’ avonds haar kapote radio thuis repareren. -
1. Ik zal morgen een boek in de bibliotheek lezen.
2. Zij gaat vanmiddag kleren bij het winkelcentrum kopen.
3. Wij zullen vanavond avondeten in het restaurant eten.
4. Hij gaat zaterdag voetballen in het park.
5. Zij zullen volgende week thuis een film kijken. -
1. Ik zal vanavond het huiswerk thuis maken.
2. Wij zullen morgenochtend in het park lopen.
3. Hij zal om 10 uur een pakket ophalen.
4. Ik ga na 6 uur boodschappen in de winkel doen.
5. Wij lopen vanavond op straat.
- Load More Posts


1. Ik zal in het weekend met jou een film thuis kijken
2. Jij gaat vanmorgen het ontbijt thuis maken.
3. Hij gaat vanavond de les in Eindhoven leren.
4. Wij willen op vrijdag een afspraak in het ziekenhuis maken.
5. Zij zal op maandag vakantie naar Parijs gaan.