-
Dutchbook huiswerk:✍️
Boek. Pagina 138. Opdracht 5.
Plaats jouw antwoorden hieronder:244 Comments-
1. Ik zal vandaag naar de tandarts gaan.
2. Ik zal morgen mijn fiets repareren.
3. Wij zullen dit weekend ons huis schoonmaken.
4. Ik zal om 8 uur met mijn moeder bellen.
5. Ik zal in Mai het examen doen. -
1. Ik zal vandaag boodschappen doen.
2. Jij zal morgen op school lesgeven.
3. De studenten zullen hun huiswerk thuis maken.
4. Ik zal ‘s ochtends de bloemen water geven.
5. Zij zal vanavond haar schilderij tekenen.
6. Hij zal jouw boek meenemen. -
1. Ik zal mijn huiswerk maken.
2. Wij zullen Nederlands praten.
3. Ik zal wiskunde studeren.
4. Ik zal het boek lezen.
5. Wij zullen naar jouw huis gaan. -
1. Ik zal naar werk fietsen.
2. Jij zult de afwas doen.
3. Zij zal mijn auto repareren.
4. Wij zullen onze aantekeningen organiseren.
5. Ze zullen ons helpen met de tuin. -
1. Ik zal helpen.
2. Wij zullen eerder komen.
3. Ik zal jouw huiswerk maken.
4. Wij zullen jouw boek teruggeven
5. Ik zal mijn kamer opruimen. -
1. Ik zal morgen groenten kopen.
2. Hij zult de auto opruimen.
3. Zij zult de gerecht koeken.
4. Jullie zullen de winkelen.
5. Wij zullen in vliegtuig vlugten. -
1. Ik zal de groenten snijden.
2. Ik zal mijn haar knippen.
3. Je zult vandaag je kleding strijken.
4. Je zult voor het examen verschijnen.
5. U zult een tart kiezen.
6. Hij zal in de goochelshow verdwijnen.
7. Zij zal met haar ouders liegen.
8. Wij zullen in het spel schieten.
9. Jullie zullen in het spel verliezen.
10. Zij zullen na onze…Read More -
1. We zullen boodschappen doen.
2. Hij zal dit weekend zijn huiswerk maken.
3. Ik zal dat boek lezen.
4. We zullen vanavond een film kijken.
5. Hij zal om 5 uur zijn ouders terugbellen. -
1. We zullen morgen ons huiswerk afmaken.
2. Ik zal morgenavond dit onderwerp onderwijzen.
3. Ik zal het vergaderschema morgenochtend sturen.
4. We zullen volgende week in de zee zwemmen.
5. Ik zal het plan dinsdag op kantoor tekenen. -
1. Ik zal vroeg slapen.
2. Ik zal morgen mijn huis schoonmaken.
3. Ik zal op vrijdag een film kijken.
4. Ik zal overmorgen boodschappen doen.
5. Ik zal meer Nederlands oefenen. -
1. Ik zal morgen het festival bezoeken.
2. Jij zult vanavond een film kijken.
3. Zij zal op maandag een afspraak maken.
4. Hij zal volgende week deze taak afmaken.
5. Jullie zullen nu boeken lezen. -
-
1. Ik zal morgen mijn oma bellen.
2. Jij zult vanavond het eten koken.
3. Jullie zullen in het weekend naar school gaan.
4. Ik zal morgen werken.
5. Jij zult volgende week jouw huiswerk doen. -
1. Ik zal morgen de wand verven.
2. Hij zal over een paar minuten de afvalcontainer wegbrengen.
3. Zij zal op zaterdag de planten water geven.
4. Jij zult vanmiddag het boek naar de bibliotheek brengen.
5. Wij zullen volgende week een auto verhuren. -
1. Ze zal harder leren.
2. Ik zal met jou dansen.
3. Ik zal geld aan jou lenen.
4. Wij zullen naar oma luisteren.
5. Ze zal hem tot voorzitter maken. -
1. Ik zal morgen op het bericht reageren.
2. Ik zal mijn tijd vanaf nu aan Nederlands besteden.
3. Zij zal pizza bij Domino’s bestellen.
4. Wij zullen dit probleem oplossen.
5. Je zult niet passeren!
6. Zij zullen de auto repareren.
7. Hij zal haar ontmoeten. -
-
1. Ik zal met mijn collega’s Nederlands praten.
2. Wij zullen ons leven verbeteren.
3. Ik zal het huis versieren.
4. Ik zal mijn kamer opruimen.
5. Wij zullen vandaag in het park veel plezier maken.
6. Ik zal deze fout nadenken. -
Ik zal met mijn katten spelen.
Jullie zullen vandaag met ons team een voetbal wedstrijd regelen.
Ik zal jou morgen terugbellen.
Ik zal op vrijdag met mijn vrouw in het restaurant eten.
Wij zullen morgen de pizza maken. -
-
1. Ik zal wandelen.
2. Hij zal spelen.
3. Zij zal parkeren.
4. Jij zult zitten.
5. Jullie zullen kijken. -
1. Ik zal fietsen.
2. Hij zal voetballen.
3. Ze zullen slagen.
4. Jullie zullen dansen.
5. Jij zal lachten. -
1. Ik zal morgen op kantoor werken.
2. Hij zal met Jan naar het feest gaan.
3. Jullie zullen naar de sportschool fietsen.
4. Wij zullen Nederlands bij Dutch Academy Eindhoven leren.
5. Je zult vandaag een Aziatische maaltijd koken.
6. Jij zult met je vriendin dansen. -
1. Ik zal vanavond mijn huiswerk maken.
2. Ik zal morgen de boodschappen doen.
3. Ik zal nooit meer te laat slapen.
4. De kinderen zullen op school wiskunde leren.
5. Ik zal morgen avondeten koken. -
-
1. Ik zal werken.
2. Jij zult koken.
3. Jullie zullen fietsen.
4. Wij zullen leren.
5. Hij zal lesgeven. -
1. Ik zal meekomen.
2. Jij zult stofzuigen.
3. Hij zal bellen.
4. Wij zullen verhuizen.
5. Jullie zullen winkelen. -
1. Ik zal het ontbijt eten.
2. Hij zal de tickets kopen.
3. Jullie zullen elke dag lopen.
4. Jij zult de afspraak maken.
5. Wij zullen voor de kinderen zorgen. -
1-Ik zal leren.
2-Wij zullen werken.
3-Jij zult sporten.
4-Jullie zullen naar Turkije reizen.
5-Zij zal mijn man bellen. -
1. Ik zal boodschappen doen.
2. Wij zullen gamen.
3. U zult lezen.
4. Hij zal zwemmen.
5. Jullie zullen vliegen. -
1. Ik zal Nederlands spreken.
2. Zij zal morgen vroeg opstaan.
3. Jij zult naar kantoor reizen.
4. Hij zal een maaltijd koken.
5. We zullen muziek leren. -
1. Ik zal spreken.
2. Jij zult fietsen.
3. Jullie zullen wandelen.
4. Hij zal koken.
5. U zult luisteren. -
1. Peter zal wassen.
2. Zij zal vallen.
3. Wij zullen morgen vroeg wakker worden.
4. Zal jij met haar trouwen?
5. Ik zal de e-mail verzenden. -
-
1. Ik zal opruimen.
2. Jij zal halen.
3. Hij zal afwassen.
4. Jullie zullen kijken.
5. Zij zal ontspannen.
6. Wij zullen bouwen. -
1. Ik zal morgenochtend het contract opstellen.
2. Hij zal de voorwaarden na de vergadering doornemen.
3. Hij zal de tekeningen volgende maand aanleveren.
4. Wij zullen het schip in 2027 bouwen.
5. Ze zullen het conflict na de vredesbesprekingen beëindigen.
6. Ik zal de eenden in de vijver voeren.
7. Zij zal vanavond de belastingclausules…Read More -
1. Ik zal morgen de data analyseren.
2. Hij zal deze week het probleem van de klant oplossen.
3. Zij zal in de volgende vergadering over de werkdag onderhandelen.
4. Wij zullen dit weekend de stad verkennen.
5. Ik zal morgenochtend over de vakantie beslissen. -
1. Ik zal morgen mijn rijbewijs brengen.
2. Jij zult doordeweeks werken.
3. Zij zal vanavond haar ouders bellen
4. Hij zal vandaag om 19:00 uur het avondeten maken.
5. Wij zullen dit weekend ons huis schoonmaken.
6. De kinderen zullen hun wiskunde leren.
7. Ik zal jouw pen meenemen.
8. Wij zullen dit weekend naar jouw huis komen. -
1. Ik zal vandaag de bomen planten.
2. Wij zullen in het weekend verhuizen.
3. Ik zal vanavond het avondeten koken.
4. Hij zal nu opletten.
5. Zij zal elke dag 6 kopjes koffie drinken.
6. Jij zult de muren morgen schilderen. -
1. Ik zal vanavond mijn huiswerk doen.
2. Ik zal morgen een boek lezen.
3. Jij zult vanmiddag de e-mail schrijven.
4. Hij zal morgen de auto wassen.
5. Zij zal vanavond het rapport maken.
6. Wij zullen morgen het project bespreken.
7. Jullie zullen vanavond een film kijken.
8. Ik zal volgende week een nieuwe fiets kopen.
9. Hij zal vanmiddag zijn…Read More -
1. Ik zal het verhaal vertellen.
2. Ik zal je met jouw huiswerk helpen.
3. Ik zal morgen met mijn werk beginnen.
4. Wij zullen morgen naar India vluchten.
5. Wij zullen elkaar in het weekend ontmoeten. -
1. Ik zal je morgen meenemen.
2. Zij zal dit weekend voor ons kind zorgen.
3. Hij zal over twee minuten de telefoon opnemen.
4. Ik zal vanavond het avondeten klaarmaken.
5. We zullen deze week bij onze ouders langskomen.
6. We zullen volgende week bijpraten.
7. Ik zal in de volgende vergadering opletten.
8. We zullen morgenochtend de spullen…Read More -
1- Ik zal vanaf nu zuiniger zijn.
2- Hij zal niet over het weer klagen.
3- Jullie zullen het aanbod weigeren.
4- Zij zullen gerechten dienen.
5- Wij zullen vervangen.
6- Zij zullen de opties beoordelen.
7- Zij zal met de cliënten vergaderen.
8- Hij gaat niet gokken.
9- Zij zullen mijn auto spelen.
10- Jullie zullen de examens nakijken. -
1. Ik zal je straks terugbellen.
2. Zij zal morgen de boodschappen doen.
3. Hij zal vanavond de tafel dekken.
4. Ik zal straks mijn kamer opruimen.
5. Wij zullen morgen samen studeren.
6. We zullen volgende maand op vakantie gaan.
7. Ik zal in de les goed luisteren.
8. Wij zullen morgen de documenten controleren.
9. Jij zult vanavond de deur…Read More -
1.Maria zal morgen werken.
2.Hij zal het boek lezen.
3.Wij zullen vanavond studeren.
4.Zal jij mij helpen?
5.Ik zal de deur sluiten. -
1. Hij zal zijn gegevens verstrekken.
2. Ik zal dit bedrag verdienen.
3. Wij zullen het apparaat aansluiten.
4. Zij zal morgen de boodschappen doen.
5. Je zult de vergadering bijwonen.
6. Ik zal in het weekend mijn familie ontmoeten. -
1. Ik zal vanavond avondeten maken.
2. Wij zullen volgende week naar Eindhoven rijden.
3. Jullie zullen op Vrijdag een vergadering deelnemen.
4. Zij zal dit weekend een huis bezichtigen.
5. Hij zal morgen een klant bezoeken. -
1. Ik zal de stilte bewaren.
2. Je zult geen rommel maken.
3. Jij zult mijn gerecht proeven.
4. U zult uw huurachterstand betalen.
5. Zij zal haar uitgaven beperken.
6. Hij zal voor zijn examen slagen.
7. We zullen voor oudere mensen zorgen.
8. Wij zullen jullie bestanden verwijderen.
9. Jullie zullen het nieuws volgen.
10. Ze zullen hun geld overmaken. -
1. Ik zal voor de les mijn huiswerk afmaken.
2. Je zal het project voorbereiden.
3. Wij zullen in het weekend niets doen.
4. U zal tot en met deze vrijdag de e-mail sturen.
5. Ze zal op het werk de ppt presenteren. -
1. Ik zal dit antwoord vergeten.
2. Je zal jouw thee drinken
3. U zal uw presentatie doen.
4. Zij zal de reis in Frankrijk boeken.
5. Je zal mijn sleutels teruggeven.
6. Hij zal de film missen. -
1. Ik zal in de volgende vergadering een presentatie geven.
2. Zij zal me een geheim doorgeven.
3. We zullen ons voor de wedstrijd aanmelden.
4. Jullie zullen jullie bij de cursus inschrijven.
5. We zullen een avondeten maken voor onze familie
6. Hij zal een verrassing voorbereiden voor ons jubileum
7. We zullen naar de spa gaan voor mijn…Read More -
1. Ik zal het ontbijt maken.
2. Jij zult de vuilnis weggooien.
3. Zij zal het huiswerk afmaken.
4. Jullie zullen naar de bibliotheek gaan.
5. Zij zullen de opdrachten oefenen. -
1. Ik zal morgen jouw geld teruggeven.
2. Hij zal zijn opdrachten nu maken.
3. Zij zal de kosten zo snel mogelijk betalen.
4. Wij zullen de producten tot het einde van de week leveren.
5. Ik zal een e-mail sturen. -
1. Mijn baas zal goedkeuren.
2. We zullen samenwerken.
3. De kinderen zullen zwijgen.
4. Ik zal opruimen.
5. Hij zal ontwerpen.
6. Zij zal vermoieien.
7. Ik zal delen.
8. We zullen opletten.
9. We zullen feesten.
10. De bloem zal bloeien. -
1- Ik zal zwemmen.
2- Ze zal snijden.
3- Jullie zullen wandelen.
4- De kinderen zullen kijken.
5- De kat zal eten. -
1. Ik zal morgen koken.
2. Hij zal een e-mail schrijven.
3. Zij zal hard werken.
4. Ik zal met mijn dochter spelen.
5. Ik zal naar de les gaan.
6. De hond zal slapen. -
1. Ik zal het bedrag investeren.
2. Zij zal een feest geven.
3. Hij zal een piano spelen.
4. Wij zullen Nederlands spreken.
5. Ik zal een taart bakken. -
1. Ik zal ontbijt maken.
2. Ik zal het cadeautje uitpakken.
3. Ik zal nu spelen.
4. Jij zult op kantoor werken.
5. Jij zult deze vis kopen.
6. Zij zullen naar de bioscoop gaan. -
1. Ik zal mijn auto schoonmaken.
2. Wij zullen die film kijken.
3. Hij zal deze koekjes verkopen.
4. Jullie zullen dit pakket ophalen.
5. Jij zal een boek schrijven. -
1. Ik zal een brief schrijven.
2. Jij zult het licht uitdoen.
3. Hij zal de hond uitlaten.
4. Wij zullen het probleem oplossen.
5. Zij zullen een hotel boeken. -
1. Ik zal nu mijn e-mail beantwoorden.
2. U zult dit pakket morgen ophalen.
3. Jij zult in het weekend je huiswerk maken.
4. Hij zal de bioscoopkaartjes kopen.
6. Zij zal een tafel in dit restaurant reserveren.
7. Wij zullen een cadeau in een winkel ophalen.
8. Jullie zullen morgen naar het treinstation rijden.
9. Zij zullen elke week Nederlandse…Read More -
1. Ik zal morgen een boek lezen.
2. Zij zal vanavond avondeten koken.
3. Wij zullen onze oma volgende week bezoeken.
4. Hij zal morgen een nieuwe fiets kopen.
5. Zij zullen vanavond het huis schoonmaken. -
1. Ik zal morgen koken.
2. Hij zal volgende week sporten.
3. Wij zullen rennen.
4. Zij zal fietsen.
5. Ik zal lopen. -
1. Ik zal de e-mail versturen.
2. Wij zullen vanavond bellen.
3. Zij zal morgen studeren.
4. Jullie zullen het boek lezen.
5. Hij zal zijn huiswerk maken.
- Load More Posts

Recept B: FW + Zullen + WW 
1. Ik zal vanavond mijn schoonouders bezoeken.
2. Ik zal mijn dochter ophalen.
3. Reinier zal morgen een film kijken.
4. We zullen ‘s avonds dansen.
5. Jullie zullen boodschappen doen.