-
Dutchbook huiswerk:✍️
Boek. Pagina 138. Opdracht 4.
Plaats jouw antwoorden hieronder:246 Comments-
1. Ik ga herinneren.
2. Ik ga lopen.
3. Jij gaat slapen.
4. Wij gaan studeren.
5. Jullie gaan leren. -
1. Ik ga werken.
2. Jij gaat koken.
3. U gaat fietsen.
4. Hij gaat rekenen.
5. Zij gaat tekenen.
6. Wij gaan eten.
7. Jullie gaan spelen.
8. Zij gaan bellen. -
1. Ik ga rijden.
2. Jij gaat zwemmen.
3. Jullie gaan dansen.
4. Wij gaan praten.
5. Hij gaat werken. -
-
1. Ik ga snijden.
2. Ik ga knippen.
3. Jij gaat strijken.
4. Jij gaat verschijnen.
5. U gaat verdwijnen.
6. Hij gaat kiezen.
7. Zij gaat liegen.
8. Wij gaan ga schieten.
9. Jullie gaan verliezen.
10. Zij gaan fluiten. -
1. Ik ga dansen
2. Hij gaat spelen.
3. Jullie gaan beginnen.
4. Zij gaan tennissen.
5. Jij gaat rokken. -
1. Ik ga werken.
2. Zij gaat vieren.
3. We gaan hardlopen.
4. Hij gaat onderwijzen.
5. Jullie gaan bewegen. -
1. Ik ga eten.
2. Jij gaat drinken.
3. Hij gaat slapen.
4. Zij gaat kopen.
5. Wij gaan spelen.
6. Jullie gaan reserveren.
7. Zij gaan aantonen.
8. Je gaat zitten.
9. Ze gaan vragen.
10. Ik ga vertellen. -
1. Ik ga thuis werken.
2. Hij gaat in het park hardlopen.
3. Zij gaat slapen.
4. Wij gaan een paar biertjes drinken.
5. Zij gaan samen dansen. -
-
1. Hij gaat dweilen.
2. Jullie gaan verhuizen.
3. Ik ga stofzuigen.
4. Zij gaat autorijden.
5. Hij gaat douchen. -
1. Ik ga het ziekenhuis bellen.
2. Zij gaat de meubels bij Ikea bestellen.
3. Ik ga naar rechts draaien.
4. Je gaat vroeg opstaan.
5. Wij gaan heel laat aankomen.
6. Jullie gaan ons terugbellen. -
1. Ik ga morgen wandelen.
2. Zij gaat in het centrum winkelen.
3. Wij gaan de Nederlands cursus in november afronden.
4. Jullie gaan mijn huiswerk nakijken.
5. Hij gaat morgenochtend voetballen.
6. Zij gaat op Schiphol aankomen.
7. Hij gaat aankleding.-
-
-
Recept A is iets anders: FW + Gaan + WW.
3. I agree with Jing
7. I do not know why should be this way. Would you please elaborate Jing!
-
-
1. Ik ga de auto rijden.
2. Hij gaat studeren.
3. Wij gaan in het bos lopen.
4. Zij gaat zwemmen.
5. Zij gaan winkelen.
6. Hij gaat hardlopen.
7. Ik ga op het kantoor werken.
8. Zij gaat op vakantie gaan. -
-
Ik ga mijn maaltijd koken.
Ik ga in het sportscentrum trainen.
Ik ga in het bos wandelen.
Ik ga vanavond voetballen.
Ik ga met mijn vrouw lopen. -
-
1. Ik ga wandelen.
2. Hij gaat spelen.
3. Zij gaat parkeren.
4. Jij gaat zitten.
5. Jullie gaan kijken. -
-
1. Ik ga vanavond koken.
2. Wij gaan in Eindhoven met jullie winkelen.
3. Jullie gaan morgen in Amsterdam werken.
4. Hij gaat naar de AH lopen.
5. Wij gaan met het vliegtuig naar Mexico reizen. -
1. Ik ga slapen.
2. Hij gaat op kantoor werken.
3. Zij gaat studeren.
4. Wij gaan wandelen.
5. Zij gaan koken. -
-
1. Ik ga boodschappen doen.
2. Jij ga hardloopen.
3. Hij gaat zwemmen.
4. Wij gaan vrienden bezoeken.
5. Jullie gaan slapen. -
-
1. Jij gaat een nieuwe taal leren.
2. Wij gaan naar Spanje reizen.
3. Hij gaat een lied zingen.
4. Ik ga een taart maken.
5. Zij gaan in de bergen wandelen. -
1-Ik ga leren.
2-Wij gaan werken.
3-Ik ga sporten.
4-Wij gaan naar Turkije reizen.
5-Ik ga mijn man bellen. -
1. Ik ga wandelen.
2. Hij gaat voetballen.
3. Zij gaan shoppen.
4. Wij gaan dansen.
5. Zij gaat huilen. -
1. Ik ga hardlopen.
2. Jij gaat koken.
3. Hij gaat klimmen.
4. Zij gaat zwemmen.
5. Jullie gaan spelen. -
1. Ik ga lopen.
2. Jij gaat hardlopen.
3. U gaat boodschappen doen / U gaat iets kopen.
4. Hij gaat fietsen.
5. Wij gaan spreken. -
1. Ik ga lopen.
2. Zij gaat schilderen.
3. Wij gaan drinken.
4. Jij gaat zangen.
5. Jullie gaan reizen.
6. Ik ga dansen.
7. Hij gaat koken.
8. Zij gaat tennisen. -
1. Ik ga bouwen.
2. Jij gaat regelen.
3. Jullie gaan opruimen.
4. Hij gaat invullen.
5. Zij gaat ontspannen.
6. Ik ga plannen.
7. Jij gaat halen. -
1. Ik ga voorbereiden.
2. Jij gaat reizen.
3. U gaat lesgeven.
4. Hij gaat vechten.
5. Zij gaat schatsen.
6. We gaan investeren.
7. Ze gaan weigeren.
8. Jullie gaan geudkeuren.
9. Ze gaat klagen.
10. Hij gaat terugkomen. -
1. Ik ga bakken.
2. Zij gaat vissen.
3. Hij gaat tekenen.
4. Wij gaan ontspannen.
5. Jullie gaan reizen.
6. Zij gaan schilderen.
7. Wij gaan vergaderen.
8. Hij gaat verhuizen.
9. Ik ga hiken.
10. Hij gaat surfen. -
1. Ik ga wandelen.Â
2. Zij gaat eten.Â
3. Jij gaat schrijven.Â
4. Hij gaat werken.Â
5. Jullie gaan reizen.Â
6. Zij gaan koken.Â
7. Wij gaan sporten.Â
8. Ik ga bellen. -
1. Ik ga bellen.
2. Hij gaat betalen.
3. Zij gaat bestellen.
4. Jij gaat dansen.
5. Wij gaan spelen.
6. Zij gaan studeren. -
1. Ik ga werken.
2. Jij gaat studeren.
3. Hij gaat koken.
4. Zij gaat lezen.
5. Wij gaan reizen.
6. Jullie gaan sporten.
7. Zij gaan slapen. -
1. Ik ga koken.
2. Wij gaan dansen.
3. Ik ga tuinieren.
4. Hij gaat snoeien.
5. Hij gaat studeren.
6. Wij gaan wandelen.
7. Zij gaat spelen.
8. Ik ga slapen.
9. Hij gaat bellen. -
1. Ik ga bieden.
2. Jij gaat vallen.
3. Wij gaan winnen.
4. Dat gaat blijken.
5. Wij gaan bijhouden.
6. Ik ga indienen.
7. Jij gaat achterlaten.
8. Dit gaat drogen.
9. Jij gaat breken.
10. Ik ga missen. -
1- Ik ga rekenen.
2- Ik ga graven.
3- Hij gaat liggen.
4- Zij gaan genezen.
5- Zij gaat poetsen.
6- Jullie gaan schieten.
7- Wij gaan bieden.
8- Ik ga verzamelen.
9- Wij gaan ontdekken.
10- Zij gaat fluisteren. -
1. Ik ga lezen.
2. Jij gaat koken.
3. Hij gaat zwemmen.
4. Zij gaat schrijven.
5. Wij gaan bouwen.
6. Jullie gaan dansen.
7. Zij gaan werken.
8. Ik ga tekenen.
9. Wij gaan leren.
10. Hij gaat wachten. -
1.Ik ga leren.
2.Jij gaat werken.
3.Wij gaan reizen.
4.Dat gaat veranderen.
5.Wij gaan oefenen.
6.Ik ga koken.
7Jij gaat vertellen.
8.Dit gaat groeien.
9.Jij gaat bouwen.
10.Ik ga vergeten. -
1. Wij gaan organiseren.
2. Hij gaat bestellen.
3. Jullie gaan blijven.
4. Ik ga kiezen.
5. Je gaat verkopen.
6. Zij gaan spelen. -
1. Ik ga snijden.
2. Hij gaat planten.
3. Zij gaat rijden.
4. Jullie gaan kopen.
5. Zij gaan verkopen. -
1. Ik ga vliegen.
2. Je gaat kamperen.
3. Jij gaat ontbijten.
4. Hij gaat zinken.
5. Zij gaat winnen.
6. Het gaat groeien.
7. We gaan trouwen.
8. Wij gaan veranderen.
9. Jullie gaan liggen.
10. Ze gaan schieten. -
1. Ik ga plannen.
2. Je gaat opruimen.
3. Hij gaat beleggen.
4. Wij gaan rijden.
5. Jullie gaan bezoeken. -
1 Ik ga rijden.
2 Jij gaat zwemmen.
3 U gaat helpen.
4 Hij gaat slapen.
5 Zij gaat eten.
6 Wij gaan drinken.
7 Jullie gaan reserveren.
8 Zij gaan komen.
9 Het gaat gebeuren.
10 Je gaat winkelen. -
1. Jullie gaan aannemen.
2. Ik ga aankondigen.
3. Jij gaat reizen.
4. Ik ga raspen.
5. We gaan vissen.
6. We gaan tuinieren.
7. Je gaat breien.
8. Ik ga uitzoeken.
9. Hij gaat uitstellen.
10. Ik ga slapen. -
1. Ik ga eten.
2. Jij gaat praten.
3. Hij gaat studeren.
4. Wij gaan wandelen.
5. Jullie gaan dansen. -
1. Wij gaan wandelen.
2. Ik ga reizen.
3. Hij gaat werken.
4. Zij gaat plannen.
5. U gaat schrijven.
6. Jullie gaan sporten.
7. Ik ga winkelen.
8. Wij gaan elkaar bezoeken.
9. Ik ga snoeien.
10. Hij gaat onderhandelen. -
1. Ik ga ontspannen.
2. Hij gaat sterven.
3. We gaan onderhandelen.
4. Zij gaat meedoen.
5. De crimineel gaat toegeven.
6. Mijn bedrijf gaat aanschaffen.
7. Hij gaat aanraken.
8. Zij gaan afwassen.
9. Het toiletpapier gaat verdwijnen.
10. Zij gaat afkeuren. -
-
1. Ik ga graag shoppen.
2. Ik ga vroeg slapen.
3. Wij gaan morgen winkelen.
4. Ze gaat haar oma opzoeken.
5. Ik ga met de kinderen snowboarden.
6. Hij gaat in het restaurant eten. -
1. Ik ga een nieuw jas aanschaffen.
2. Hij gaat overmaken.
3. Zij gaat thuisblijven.
4. Jullie gaan werken.
5. Ik ga organiseren. -
-
1. Wij gaan spelen.
2. Hij gaat schoonmaken.
3. Jullie gaan rennen.
4. Ik ga slapen.
5. Zij gaat werken. -
1. Ik ga verhuizen.
2. Jij gaat deelnemen.
3. Hij gaat vertrekken.
4. Wij gaan besparen.
5. Zij gaan stemmen. -
1. Ik ga kopen.
2. U gaat betalen.
3. Jij gaat wandelen.
4. Hij gaat boodschappen doen.
5. Zij gaat dansen.
6. Wij gaan luisteren.
7. Jullie gaan spelen.
8. Zij gaan tuineren. -
1. Ik ga leren.
2. Zij gaat kopen.
3. Wij gaan bezoeken.
4. Hij gaat schoonmaken.
5. Zij gaan kijken. -
-
- Load More Posts

1. Jij gaat drinken.
2. Wij gaan spelen.
3. Anna gaat schilderen.
4. Zij gaat zitten.
5. Ik ga lopen.