-
👉Make 3-7 questions from Multi-HET game🎙️🔊
Please record your questions https://rebrand.ly/record-voice and post your link below.173 Comments-
-
Kun jij een afspraak maken? Nee, ik kan het niet. / ik kan het later.
Wil jij in juli op vakantie gaan? Nee, ik wil het niet. / Dat wil ook.
Kan ik jouw auto lenen? Jij kunt het niet. / Ja, het kan zeker.
-
-
-
-
-
1. Maken jullie jullie hiuswerk?
1.1 Nee,Wij maken het niet.
1.2 Wij maken het altijd.
2. Mag ik fiesten ?
2.1 Nee, Het mag neit.
2.2 Ja, Het mag soms.
3. Kan jij de boedschappen doen?
3.1 Nee, Ik kan het/dat niet.
3.2 Ja,Ik kan het/dat zeker. -
1.
Nee,Wij maken het niet.
Wij maken het altijd.
2.
Nee, Het mag neit.
Ja, Het mag soms.
3.
Nee, Ik kan het/dat niet.
Ja,Ik kan het/dat zeker.
-
-
-
1. Mogen jullie in de wachtkamer wachten?
-Nee, wij mogen het niet.
-Ja, wij mogen het zeker.
2. Wil jij morgen ontbijt maken?
-Nee, ik wil het niet.
-Ja, ik wil het ook.
3. Mag jij om 4 uur naar huis gaan?
-Nee, ik mag het niet.
-Ja, ik mag het zeker.
-
-
-
1. Nee, ik zie het boek niet.
Ja, ik zie het boek zeker.
2.
Nee, ik eet geen vlees.
Ja, ik eet soms vlees.
3.
Nee, ik wil geen boodschappen doen.
Ik wil soms boodschappen doen.
-
-
1.Kunnen jullie boodschappen doen?
-Nee, ik kan het niet.
-Ja, ik kan het zeker.
2.Zie jij mijn boek?
-Nee, ik zie het niet.
-Ja, ik zie het ook.
3.Ken jij het antwoord?
-Nee, ik ken het niet.
-Ja, ik ken het altijd. -
-
1. Nee, ik wil het niet doen. / Ja, ik wil het zeker doen.
2. Nee, wij mag het niet. / Ja, wij mag het misschien.
3. Nee, wij kunnen niet. / Ja, wij kunnen later.
-
-
-
-
1. Nee, zij hoort het niet. Ja, zij hoort het altijd.
2. Nee, wij koken ze niet. Nee, wij koken ze nooit.
3. Nee, ik kan dat niet doen. Ja, ik kan dat zeker doen. -
1.
– Nee, zij hoort het niet.
– Ja, zij hoor het ook.
2.
– Nee, we koken ze niet.
– Ja, we koken ze straks.
3.
– Nee, ik kan het niet.
– Ik kan het misschien.
-
-
-
1. Nee, wij begrijpen hem niet. Ja, wij begrijpen hem misschien.
2. Nee, mijn collega’s hebben ze niet. Nee, mijn collega’s hebben ze nooit.
3. Nee, wij kunnen het niet. Ja, wij kunnen het zeker.
-
-
-
1.
– Nee, ik koop hem niet.
– Ja, ik koop hem zeker.
2.
– Nee, ze horen het niet.
– Ja, ze horen het altijd.
3.
– Nee, we willen het niet.
– Ja, we willen het ook.
-
-
-
-
-
1. Nee, het mag niet. / Ja, het mag zeker.
2. Nee, ik wil het niet. / Ja, ik wil het soms.
3. Nee, dat kan niet. / Ja, het mag altijd.
-
-
-
-
-
-
(NOTE: instead of een, i am using the het/de for he answer)
Nee, jullie krijgen het niet. Ja, jullie krijgen het misschien.
Nee, ik heb het niet. Ja, ik heb het zeker.
Nee, dat mag niet. Ja, dat mag soms. -
Nee, wij krijgen dat niet
Ja, wij krijgen dat altijdNee, ik heb het niet
Nee, ik heb het nooit.Nee, dat mag niet
Ja, dat mag altijd.
-
-
-
Mag ik hier 9 uur parkeren?
Nee, je mag dat niet
Ja, je mag dat somsKop Jan het ticket?
Nee, hij kop het niet
Ja, hij kop het altijdMogen de kinderen op straat spellen?
Nee, ze mogen dat niet
Nee, ze mogen dat nooit -
1. Het mag niet. Ja, dat mag altijd.
2. Nee, hij koopt het niet. Hij koopt het zelden.
3. Nee, dat mogen ze niet. Zij mogen dat nooit. -
1. Ja, dat mag altijd. Nee, je mag dat niet.
2. Ja, hij koopt het vaak. Nee, hij koopt het niet.
3. Ja, ze mogen dat soms. Nee, ze mogen dat niet.
-
-
-
1. Wij begrijpen het niet. Wij begrijpen het zeker.
2. Nee, ik gebruik hem niet. Ik gebruik hem vaak.
3. Nee, ik zie haar niet. Ik zie haar soms. -
1. Ja, wij begrijpen het altijd. Nee, wij begrijpen het niet.
2. Nee, ik gebruik hem niet. Ja, ik gebruik him soms.
3. Ja, ik zie haar vaak. Nee, ik zie haar niet. -
1. Ja, wij begrijpen het soms. Nee, wij begrijpen het niet.
2. Ja, ik gebruik hem vaak. Nee, ik gebruik hem niet,
3. Ja, ik zie haar altijd. Nee, ik zie haar niet.
-
-
-
1. Ja, ik heb het zeker. Nee, ik heb het niet.
2. Ja, het is soms mooi. Nee, het is niet mooi.
3. Ja, ik drink het al. Nee, ik drink het niet.-
1. Nee, ik heb het niet.
Ja, ik heb het altijd.2. Nee, het is niet mooi.
Ja, het dorp is altijd mooi.3.Nee, ik drink het niet.
Ja, ik drink het soms.
-
-
-
-
1. Nee, ik betaal het niet
Ja, ik ik betaal het altijd.2. Nee, Simon eet het vlees niet.
Ja, Simon eet soms vlees.3.Nee, hij mag het niet.
Ja, hij mag het zeker.4. Nee, wij maken het niet.
Ja, wij maken het soms.
-
-
-
Ja, wij hebben ze soms. Nee, wij hebben ze niet.
Ja, wij maken het altijd. Nee, wij maken het niet.
Ja, ik heb hem soms. Nee, ik heb hem niet.
-
-
-
-
-
1. Kun jij daar pinnen? Nee, dat kan ik niet. Ja, dat kan ik.
2. Willen zij in een kleine kamer slapen? Nee, dat willen zij niet. Ja, dat willen zij soms.
3. Mogen jullie binnen roken? Nee, wij mogen het niet. Ja, dat mogen wij. -
1. Kun jij daar pinnen? Nee, dat kan ik niet. Ja, dat kan ik zeker.
2. Willen zij in een kleine kamer slapen? Nee, dat willen wij niet. Ja, dat willen wij soms.
3. Mogen jullie binnen roken? Nee, dat mogen wij niet. Nee, dat mogen wij nooit.
-
-
-
-
-
-
1. Maak je de koffie? – Nee, ik maak hem niet. Ik maak hem altijd.
2. Gebruik je de wasmachine? – Nee, ik gebruik hem niet. Ik gebruik hem regelmatig.
3. Kunnen wij het huis kopen? – Nee, dat kunnen wij niet. Dat kunnen wij later. -
1. Maak je de koffie? – Nee, ik maak hem niet. Ja, Ik maak hem zeker.
2. Gebruik je de wasmachine? – Nee, ik gebruik hem niet. Ja, Ik gebruik hem soms.
3. Kunnen wij het huis kopen? – Nee, wij kunnen het niet. Ja, wij kunnen het al.
-
-
-
1. Hebben zij een bezwaar tegen jullie? – Nee, zij hebben dat niet. Ja, zij hebben dat zeker.
2. Krijg je de zelfde de schijfer? – Nee, ik krijg hem niet. Ja, ik krijg hem.
3. Kunt u mijn brief sturen? – Nee, ik kan hem niet sturen. Ja, ik kan hem sturen.
4. kookt Izzak de eieren? – Nee, hij kookt ze niet. Ja, zij kookt ze.
5. Hoort zij deze…Read More-
1. Hebben zij een bezwaar tegen jullie? – Nee, zij hebben het niet. Ja, zij hebben dat altijd.
2. Krijg je hetzelfde cijfer? – Nee, ik krijg het niet. Ja, ik krijg het ook.
3. Kunt u mijn brief sturen? – Nee, ik kan hem niet. Ja, ik kan hem zeker.
4. kookt Izaak de eieren? – Nee, hij kookt ze niet. Ja, hij kookt ze soms.
5. Hoort zij deze muziek?…Read More
-
-
-
-
1. Mogen jullie binnen roken? Dat/Het mag. / Dat/Het mag niet
2. Wil hij een nieuwe afspraak maken? Hij wil het. / Nee, hij wil het niet.
3. Moet jij een helm dragen? Ik moet het. / Ik hoef het niet.
4. Mag ik buiten wachten? Dat mag. Het mag. / Het mag niet
-
-
-
1. Willen jullie het bier drinken? Nee, wij willen het niet. Wij willen het soms.
2. Krijgen wij het feest? Nee, jullie krijgen het niet. Jullie krijgen het ongetwijfeld.
3. Heb jij het gesprek? Nee, ik heb het niet. Ik heb het ook.
4. Ken jij dit gezicht? Nee, ik ken het niet. Ik ken het nauwelijks.-
1. Willen jullie het bier drinken?
Nee, wij willen het niet. Wij willen het vaak.
2. Krijgen wij het feest?
Nee, jullie krijgen het niet. Jullie krijgen het zelden.
3. Heb jij het gesprek?
Nee, ik heb het niet. Ik heb het meestal.
4. Ken jij dit gezicht?
Nee, ik ken het niet. Ik ken het nooit.
-
-
-
-
1- Wil jij morgen ontbijt maken?
Nee, Ik wil het niet. Ik wil het mischien.
2- Kun je hier contant betalen?
Nee, Ik kan het niet. Ik kan het meestal.
3- Mag Otto jouw auto lenen?
Nee, dat mag niet. Dat mag ooit. -
Nee, ik wil het niet.
Ja, ik wil het zeker.Nee, ik kan het niet.
Ja, ik kan het zeker.Nee, hij mag het niet.
Ja, hij mag het mischien.
-
-
-
Nee, ik eet het niet.
Ja, ik eet het zeker.Nee, ik mag het niet.
Ja, ik mag het altijd.Nee, jij mag het niet.
Ja, jij mag het zeker.-
1) Ja, ik eet het misschien. / Nee, ik wil het niet.
2) Ja, ik mag soms bier drinken. / Nee, ik mag geen bier drinken.
3) Ja, jij mag het. / Nee, jij mag het niet.
-
-
-
-
-
- Load More Posts

https://record.reverb.chat/s/1w1cFsxbI66oiqQ0JywH