-
Dutchbook huiswerk:✍️
Maak 20 nieuwe zinnen/vragen.
Plaats jouw antwoorden hieronder:226 Comments-
1. Eet jij het vlees? Ja, ik eet het.
2. Kunnen jullie morgen ontbijt maken? Nee, Ik kan het niet.
3. Mag ik jouw pen lenen? Ja, jij kan hem lenen.
4. Wil jij in de kleine kamer slapen? Nee, ik wil het niet doen.
5. Mag jij hier wachten? Ja, het mag.
6. Kan jij nieuwe afspraak maken? Ja, het kan doen.
7. Moet jij de helm dragen? Ja, het moet
8.…Read More -
1. Mogen jullie bier drinken? Ja, dat mag.
2. Doe jij de toetsen? Ja, ik doe ze.
3. Eten jullie vlees? Nee, wij eten het niet.
4. Kent zij de antwoorden? Ja, zij kent ze.
5. Mogen jullie in de bus roken? Nee, wij mogen het niet.
6. Hoor jij het vliegtuig? Nee, ik hoor het niet.
7. Krijgt Henri een cadeau? Ja, hij krijgt het.
8. Mag ik na 21:00 uur…Read More -
1. Mogen wij in de bus roken? Het mag niet.
2. Kun je Frans verstaan? Ik kan het niet.
3. Moet je de helm dragen? Nee, ik drag hem niet.
4. Kunnen wij hier parkeren na 21:00 uur? Nee, wij kunnen het niet.
5. Heeft hij mijn geld? Hij heeft het niet.
6. Begrijp jij het probleem? Ik begrijp het niet.
7. Wil jij morgen ontbijt maken? Ik wil het…Read More -
1. Mag u hier roken? Het mag niet.
2. Wil jij jouw nieuwe afspraak maken? Ja, dat wil ik.
3. Kunt u de Franse taal verstaan? Ja, dat kan ik.
4. Moet jij jouw helm dragen? Ja, dat moet ik
5. Mag ik in de wachtkamer wachten? Ja, dat mag.
6. Mag jij op straat spelen? Ja, het mag.
7. Mogen wij na 21:00 uur hier parkeren? Ja, het mag.8. Kunnen…Read More
-
1. Mogen jullie in de bus roken? Nee, dat mag niet.
2. Wanneer wil Willem een nieuwe afspraak met ons maken? Willem wil dat nooit.
3. Kun jij de Franse taal verstaan? Nee, ik kun het niet.
4. Moet motorrijder de helm dragen? Ja, hij moet het.
5. Mag ik hier wachten? Nee, dat mag niet.
6. Mogen de kinderen op straat spelen? Ja, zij mogen het.
7.…Read More -
-
1. Kan jij mijn auto verkopen? Nee, het kan niet.
2. Heb jij mijn jas? Ik heb hem niet.
3. Mag je 120 km/u in Eindhoven rijden? Nee, het mag niet.
4. Kunnen jouw ouders werken? Nee, ze kunnen het niet.
5. Wil hij ontbijt voor ons maken? Ja, hij wil het maken.
6. Kennen jullie Karen de nieuwe medewerker? Wij kennen haar niet.
7. Kan zij de e-mail…Read More -
1. Mag u hier parkeren? Het mag niet.
2. Wilt u de documenten ondertekenen? Dat wil ik.
3. Kunt u goed Nederlands spreken? Dat kan ik niet.
4. Moet jij je jas uittrekken? Dat moet ik.
5. Mag ik deze stoel gebruiken? Dat mag.
6. Kun jij de deur sluiten? Dat kan ik.
7. Mag jij na 22:00 uur nog bellen? Dat mag niet.
8. Moet ik op tijd komen? Dat moet…Read More -
1. Mogen jullie binnen roken? Nee, dat mogen wij niet.
2. Kan jij mijn nieuwe afspraak maken? Ja, dat kan ik.
3. Kan hij Frans verstaan? Nee, hij jan het niet.
4. Mag ik hier wachten? Ja, jij mag.
5. Mag jij na 21:00 uur hier parkeren? Nee, ik mag het niet.
6. Willen jullie in juli op vakantie gaan? Ja, wij willen het.
7. Kan jij haar adres…Read More -
1. Zien jullie mijn huis? Ja, wij zien het.
2. Eten simon ons dierlijk product? Nee, hij eet het niet.
3. Mag jij in de bus roken ? Nee, ik mag het niet.
4. Wil willem nieuwe afspraak maken ? Ja, hij wil het.
5. kan jij frans verstaan? Nee, ik versta het niet.
6. Moet motorrijder jouw helm dragen ? Ja, hij moet hem.
7. Mogen kinderen op straat…Read More -
1. Kunnen wij een bordspel spelen? Ja, wij kunnen dat.
2. Kunt u mij met mijn werk helpen? Ja, ik kan het.
3. Kunnen wij elkaar morgen ontmoeten? Ja, dat kan.
4. Kan zij Nederlands spreken? Ja, zij kan het.
5. Kunnen wij naar het feest in het centrum gaan? Ja, dat kan.
6. Maken jullie deze koekjes voor het feest? Ja, wij maken ze.
7. Mag ik iets…Read More -
1. Ken jij Peter? Nee, Ik ken hem niet.
2. Kunnen jullie de boodschappen doen? Ja, wij kunnen dat.
3. Wil je zwemmen? Nee, ik wil het niet.
4. Levert Cornelis deze producten? Ja, hij levert ze.
5. Doen vrienden hun examens? Ja, hen doen ze.
6. Ken jij Peter? Nee, Ik ken hem niet.
7. Wie heeft jouw paspoort? De politie heeft het.
8. Werkt het…Read More -
1. Zie jij dat boek? Nee, Ik zie het niet.
2. Eet Simon het vlees elke dag? Hij eet het niet
3. Doen jullie boodschappen voor ons? Wij doen dat niet
4. Ken je Peter’s geheim? Ik ken het niet
5. Wil je met Theo zwemmen? Ik wil dat niet
6. Wil je de producten van Cornelius leveren? Nee, Ik wil het niet
7. Mag Rudolf hier fietsen? Ja, dat mag…Read More -
1. Zie jij het boek? Ja, ik zie het.
2. Eet jij vlees? Ja, ik eet het.
3. Wil jij boodschappen doen? Ja, ik wil het.
4. Ken jij het antwoord? Nee, ik ken het niet.
5. Kun je zwemmen? Ja, het kan.
6. Lever jij het bewijs? Ja, ik lever het.
7. Maak jij het huiswerk? Ja, ik maak het.
8. Mag ik fietsen? Ja, jij mag het.
9. Maak jij jouw toets? Ja, ik…Read More -
1. Zien jullie hun boek? Ja, we zien het.
2. Eet Simon dierlijke producten? Nee, hij eet ze niet.
3. Kunnen jullie boodschappen doen? Ja! Het kan.
4. Ken jij het antwoord? Nee, ik ken het niet.
5. Mogen wij hier zitten? Ja! Het mag.
6. Levert u het bewijs? Nee, ik lever het nog niet.
7. Mag ik binnen roken? Nee, dat mag niet.
8. Maken jullie de…Read More -
1. Zien jullie het huis? Nee, wij zien het niet.
2. Eet Simon dierlijke producten? Nee, hij eet ze niet.
3. Willen jullie boodschappen doen? Ja, wij willen het.
4. Ken jij het antwoord? Nee, ik ken het niet.
5. Mag wij zwemmen? Ja, het mag.
6. Lever jij het bewijs? Ja, ik lever het.
7. Mag ik fietsen? Ja, het mag.
8. Maken jullie het huiswerk?…Read More-
20. Willen jouw vrienden vanavond uitgaan? Nee, ze willen het niet. / Wil jouw vriend vanavond uitgaan? (Vrienden = meervoud / Vriend = enkelvoud)
De rest is goed!
-
-
1. Zie jij het boek? Nee, ik zie het niet.
2. Eet jij de appel? Nee, ik eet hem niet.
3. Willen jullie de boodschappen doen? Nee, wij willen het niet.
4. Ken jij de antwoorden? Nee, ik ken ze niet.
5. Wil jij zwemmen? Nee, ik wil het niet.
6. Lever jij het product? Nee, ik lever het niet.
7. Mag ik roken? Nee, het mag niet.
8. Maak jij het…Read More-
-
1. Zie jij het boek? Nee, ik zie het niet.
2. Eet jij de appel? Nee, ik eet hem niet.
3. Willen jullie de boodschappen doen? Nee, wij willen het niet.
4. Ken jij de antwoorden? Nee, ik ken ze niet.
5. Wil jij zwemmen? Nee, ik wil het niet.
6. Lever jij het product? Nee, ik lever het niet.
7. Mag ik roken? Nee, het mag niet.
8. Maak jij het…Read More
-
-
-
-
1. Zie je het boek? Nee, ik zie het niet.
2. Eet jij dit vlees? Ja, ik eet het.
3. Kunnen jullie boodschappen doen? Ja, wij kan dat doen.
4. Ken je de antwoorden? Nee, ik ken hem niet.
5. Wil je zwemmen? Nee, ik wil het niet.
6. Levert Cornelis mijn bewijs? Ja, hij levert het.
7. Mag ik roken? Nee, je mag het niet.
8. Maken jullie jullie soep?…Read More -
1.Mogen jullie in de bus roken? Dat mag niet.
2, Kunt u de nieuwe afspraak maken? Ik kan hem niet doen.
3, Kunt u Frans verstaan? Ik kan het niet.
4,Moet jij de helm dragen? Het moet.
5, Mag ik hier wachten? Dat mag niet.
6, Mogen kinderen op straat spelen? Dat mag niet.
7, Mag ik hier na 21 uur parkeren? Nee, dat mag niet.
8, Kunnen jullie de…Read More -
1. Mag ik na 21:00 uur hier parkeren? Nee, dat mag niet.
2. Kan jij de rekening betalen? Ja, ik kan hem betalen.
3. Willen jullie het biertje drinken? Ja, wij willen het.
4. Kan Anna werken? Nee, zij kan het niet.
5. Mag ik buiten wachten? Ja, jij mag het.
6. Mag Nico blijven? Nee, hij mag het niet.
7. Kan Dirk het hotel in het weekend boeken? Ja,…Read More -
1. Mag u in de bus roken? Nee, dat kan niet.
2. Kan jij een nieuwe afspraak maken? Nee, Ik kan het niet.
3. Kan hij Frans verstaan? Nee, hij kan het niet.
4. Moet die motorrijder een helm dragen? Hij moet het niet (wel).
5. Mag ik in het wachtkamer wachten? Dat kan (niet).
6. Mogen kinderen op straat spelen? Dat kan niet.
7. Mogen wij na 21:00 uur…Read More -
1. Zien jullie de man? Nee, wij zien hem niet.
2. Eet Simon mijn appel? Nee, hij eet hem niet.
3. Kan jij boodschappen doen? Nee, ik kan het niet. / Dat kan ik doen.
4. Kennen jullie de antwoorden? Nee, wij kennen ze niet. / Ja, dat kennen wij.
5. Kunnen jullie zwemmen? Nee, wij kunnen niet. Ja, dat kunnen wij.
6. Mag ik fietsen? Nee, dat mag…Read More -
1. Zie jij ons boek? Nee, ik zie het niet.
2. Eet jij deze dierlijke producten? Nee, ik eet ze niet.
3. Willen jullie boodschappen doen? Nee, we willen het niet.
4. Kennen ze de antwoorden? Nee, ze kennen ze niet.
5. Mag Theo zwemmen? Nee, hij mag het niet.
6. Moet de motorrijder zijn helm dragen? Nee, hij moet het niet.
7. Kan hij de Franse…Read More -
1. Mag ik in de bus roken? Nee, het mag niet.
2. Willen jullie een nieuwe afspraak maken? Nee, wij willen hem niet.
3. Kan jij de Franse taal verstaan? Nee, ik kan het niet.
4. Moet een motorrijder een helm dragen? Ja, het moet zeker!
5. Mag ik hier wachten? Ja, het mag.
6. Mogen kinderen op straat spelen? Ja, het mag altijd.
7. Mag ik na 21:00…Read More -
1. Zie jij mijn huis? Nee, ik zie het niet.
2. Eet jij dierlijke producten? Nee, ik eet ze niet.
3. Kun jij boodschappen doen? Nee, ik kan het niet.
4. Ken jij het antwoord? Nee, ik ken het niet.
5. Heeft Gerard zijn brood? Nee, hij heeft het niet.
6. Kunt u de nieuwe afspraak maken? Nee, ik kan hem niet. / Nee, dat kan ik niet doen.
7. Koopt…Read More-
6. actie: de nieuwe afspraak maken -> het
13. Het kan niet. (Misschien zijn beide zinnen correct.)
15. Het mag niet. (Misschien zijn beide zinnen correct.)
17. Het mag niet. (Misschien zijn beide zinnen correct.)
18. Het mag niet. (Misschien zijn beide zinnen correct.)
19. Jij mag het niet. (Misschien zijn beide zinnen correct.)
20. hier contant…Read More
-
-
1. Mag ik jouw fiets kopen? Nee, je mag niet.
2. Mag jij deze e-mail sturen? Ja, ik mag het.
3. Kunnen jullie zingen? Nee, we kunnen het niet.
4. Mag ik binnen roken? Ja, dat mag jij.
5. Krijg jij het cadeau? Ja, ik krijg het.
6. Begrijpen jullie het uitleg? Nee, we begrijpen het niet.
7. Mag jij thuis blijven? Ja, dat mag.
8. Koken jullie kip?…Read More -
1. Zien jullie het huis? Ja, wij zien het.
2. Eet Simon deze appel? Nee, Simon eet hem niet.
3. Kan jij boodschappen doen? Ja, ik kan het. / Ja, ik kan het doen. / Ja, dat kan ik.
4. Ken jij het antwoord? Nee, ik ken het niet.
5. Kan Theo zwemmen? Ja, hij kan het/dat.
6. Lever je de producten? Nee, ik lever ze niet.
7. Mag ik roken? Ja, je mag…Read More -
1. Mogen jullie bier drinken? Nee, het mag niet.
2. Kan Anna werken? Ja, zij kan het.
3. Mag jij om 4 uur naar huis gaan? Ja, ik kan het.
4. Bouwen de buren mijn huis? Nee, zij bouwen het niet.
5. Heeft Gerard dat brood? Nee, hij heeft het niet.
6. Kunt u die brief sturen? Ja, ik kan het.
7. Kan Dirk in het weekend dat hotel boeken? Nee, hij kan…Read More -
1. Zien jullie het boek op de tafel? Ja, wij zien het.
2. Schrijf zij het boek? Ja, zij schrijf het.
3. Maakt jij eten? Ja, ik maakt het.
4. Mogen we om 4uur naar huis gaan? Ja, het mag.
5. Doe jij huiswerk? Ja. ik doe het.
6. Kan jij muziek spelen? Ja, ik kan het.
7. Heb jij een gesprek met Anna? Ja , ik heb het.
8. Ken jij haar ouders? Ja, ik…Read More -
1. Zoek je het woord? Ik zoek het.
2. Koop jij het brood? Ik koop het.
3. Lezen zij het artikel? Zij lezen het.
4. Drink je het water? Ik drink het.
5. Brengen wij het pakket? Wij brengen het.
6. Vind jij het antwoord? Ik vind het niet.
7. Gebruikt hij het potlood? Hij gebruikt het niet.
8. Horen jullie het geluid? Wij horen het niet.
9. Pak jij…Read More -
1. Kan Lodewijk autorijden? β Ja, dat kan hij.
2. Willen jouw vrienden vanavond uitgaan? β Ja, zij willen het.
3. Moet jij om 4 uur naar huis gaan? Nee, dat hoef ik niet.
4. Bouwen jouw buren een schuur? β Ja, zij bouwen hem.
5. Heb jij een beroep? β Nee, dat heb ik niet.
6. Krijgen wij een cadeau? β Ja, wij krijgen het.
7. Kunt u de uitnodigi…Read More -
1-Zal jij morgen vroeg opstaan ? -Nee,ik zal het niet.
2-Heb je vandaag winkelen? -Ja, heb het.
3-Wil zij vandaag niet koken? -Nee, zij wil het niet.
4-Mag ik naar buiten? -Nee,je mag dat niet.
5-Moeten wij het boek afmaken? -Ja, we moeten het.
6-Kun jij mij de sleutels geven?-Ja,ik kan ze.
7-Wil hij vanavond met jou praten? -Nee,dat wil hij…Read More -
1. Lees jij het boek? Ja, ik lees het.
2. Wast Leo het vlees? Ja, hij wast het.
3. Kunnen jullie de afspraak maken? Ja, wij kunnen dat.
4. Horen jullie de muziek? Ja, wij horen dat.
5. Kan jij de Franse taal verstaan? Nee, ik kan dat niet.
6. Mag ik hier parkeren? Ja, dat mag.
7. Wil hij in juli op vakantie gaan? Nee, hij wil dat niet.
8. Kan Otto…Read More -
1. Maken studenten de examens? Nee, zij maken ze niet.
2. Betaal jij de rekening? Ja, ik betaal het.
3. Mogen wij zitten? Ja, dat mogen wij.
4. Eet Simon het vlees? Nee, hij eet het niet.
5. Kunnen jullie de boodschappen doen? Ja, wij kunnen het doen.
6. Ken jij de antwoorden? Nee, ik ken ze niet.
7. Mag Theo zwemmen? Ja, dat mag hij.
8. Levert u…Read More-
Goed, maar #5 “ze”.
-
-
1. Zal jij morgen vroeg opstaan? β Nee, ik zal dat niet.
2. Ga jij vandaag winkelen? β Ja, ik ga dat.
3. Wil zij vandaag koken? β Nee, zij wil dat niet.
4. Mag ik naar buiten? β Nee, jij mag dat niet.
5. Moeten wij het boek afmaken? β Ja, wij moeten dat.
6. Kun jij mij de sleutels geven? β Ja, ik kan ze.
7. Wil hij vanavond met jou praten? β N…Read More -
1. Kunnen wij in het weekend het hotel boeken? Nee, wij kunnen het niet.
2. Wil jij morgen ontbijt maken? Nee, ik wil het niet
3. Kun Ferdinand rekening betalen? Ja, dat kan hij
4. Kun zij haar contant betalen? Nee, zij kan hem niet
5. Wil Gerard zijn adres opschrijven? Nee, hij kan het niet
6. Hebben jullie jouw geld? Nee, wij hebben het niet
7.…Read More -
1. Moet jij je huiswerk maken? Ja, ik moet het maken.
2. Rijdt zij haar auto? Ja, ze rijdt hem.
3. Blijf jij vandaag thuis? Ja, ik blijf het.
4. Rijd jij vandaag de auto? Ja, ik rijd het.
5. Kunnen wij morgen lopen? Ja, het kan.
6. Roken jullie in mijn appartement? Nee, we doen het niet.
7. Kan ik hem een cadeau geven? Ja, ik kan het geven.
8. Mag…Read More -
1. Mogen jullie in de bus roken? Nee, dat mag niet.
2. Kan Willem de nieuwe afspraak maken? Nee, dat kan niet.
3. Kan jij de Franse taal verstaan? Ja, dat kan ik.
4. Moeten motorrijders deze helm dragen? Ja, dat moet ze.
5. Mag ik in de wachtkamer wachten? Ja, dat mag.
6. Mogen de kinderen op straat spelen? Nee, dat mag niet
7. Wil jij hier een…Read More -
1. Mag jij hier roken? Nee, ik mag het niet.
2. Wil jij een nieuwe afspraak maken? Ja, ik wil het.
3. Willen jullie de helm dragen? Ja, wij willen het.
4. Mag ik buiten wachten? β Ja, ik mag het.
5. Mogen kinderen op straat spelen? Ja, zij mogen het.
6. Wil jij in juli op vakantie gaan? Ja, ik wil het.
7. Wil hij deze week de fiets repareren? J…Read More -
1. Mag ik binnenkomen? Het mag niet.
2. Ken je de lerar? Ja, ik ken hem.
3. Kijken jullie een olifant? Ja, wij kijken hem.
4. Gebruik je mijn pen? ja. ik gebruik hem.
5. Poets je jouw tanden? Ja, ik poets ze.
6. Ligt de pen daar? ja. hij ligt daar.
7. Poets je de ramen? Ja, ik poets ze.
8. Ligt de tas op tafel? Ja, hij ligt daar.
9. Wil jij morgen…Read More -
1. Gaan jullie naar het feest? Nee, wij gaan niet.
2. Wil jij morgen voetbal spelen? Ja, dat kan ik.
3. Kent hij Anna’s geheim? Nee, hij kent het niet.
4. Mag je hier fietsen? Ja, dat mag ik.
5. Zie je het vliegtuig? Ja, ik zie het.
6. Wil zij morgen ontbijt maken? Nee, zij wil het niet.
7. Mag jij hier na 21:00 uur parkeren? Ja, ik mag het.…Read More -
-
1. Zien jullie haar huis? Wij zien het.
2. Eten jullie de appel? Wij eten hem.
3. Kunnen jullie boodschappen doen? Wij kunnen het.
4. Ken jij het antwoord? Ik ken het.
5. Willen wij zitten? Wij willen het zeker.
6. Levert u de producten? Ik lever ze niet.
7. Mag ik roken? Het mag niet.
8. Maken jullie de opdrachten? Wij maken ze ook.
9. Maakt…Read More -
1. Zien jullie deze mensen? Nee, we zien hen niet.
2. Eet jij de appel? Ja, ik eet hem.
3. Ken je het geheim? Nee, ik ken het niet.
4. Levert u de producten? Ja, ik lever ze.
5. Doe jij de toetsen? Ja, ik doe ze.
6. Heeft u het geluk? Ja, ik heb het.
7. Mogen kinderen op straat spelen? Nee, het mag niet.
8. Kunnen jullie de auto lenen? Ja, dat…Read More -
1. Zie jij een boek? Ja, ik zie het.
2. Eten jullie dierlijke producten? Nee, wij eten ze niet.
3. Willen wij boodschappen doen? Ja, dat willen wij.
4. Ken jij Peter? Ja, ik ken hem.
5. Mag jij zwemmen? Nee, dat mag ik niet.
6. Mag Rudolf roken? Nee, dat mag hij niet.
7. Maken jullie het huiswerk? Ja, wij maken het.
8. Doet jouw vriend examens?…Read More -
1. Eet jij het brood? Ja, ik eet het.
2. Koopt Marie de bloemen? Ja, zij koopt ze.
3. Kunnen jullie de tafel verplaatsen? Ja, we kunnen dat.
4. Bel jij de dokter? Ja, ik bel hem.
5. Kan hij de computer gebruiken? Ja, hij kan het.
6. Zien jullie ons huis? Ja, wij zien het.
7. Kan hij een gerecht met kip koken? Ja, hij kan het.
8. Neemt hij de…Read More -
1-Zie jij de kat? Ja, ik zie hem.
2-Drink jij de thee? Ja, ik drink het.
3-Mogen wij de hond uitlaten? Ja, dat mogen wij.
4-Helpt jij je broer? Ja, ik help hem.
5-Wil jij het boek lezen? Ja, dat wil ik.
6-Mag Lisa naar de film? Nee, dat mag zij niet.
7-Doen jullie de boodschappen? Ja, wij doen ze.
8-Ken jij Anna? Ja, ik ken haar.
9-Mag hij de…Read More -
1- Mag je in Eindhoven 120km/u rijden? Nee, dat mag niet.
2- Kunnen jullie ouders werken ? Ja, zij kunnen het.
3- Mag ik morgenochtend koffie zetten? Ja, het mag.
4- Willen jullie in juli op vakantie gaan? Ja, wij willen het
5- Mag jij hier na 21:00 uur parkeren? Ja, het mag.
6- Kan hij Frans verstaan? Nee, hij kan het niet.
7- Wilt u een nieuwe…Read More -
1. Heb jij het formulier? Ja, ik heb het.
2.Begrijpen jullie het probleem? Nee, wij begrijpen het niet.
3. Kun jij fietsen? Ja, dat kan.
4, Werkt de wasmachine? Nee, hij werkt niet.
5.Kan ik morgen thuiswerken? Ja, dat kan.
6. Moet zij vandaag naar school? Nee, dat moet niet.
7.Kan hij later komen? Ja, dat kan.
8.Moeten wij nu vertrekken?…Read More -
1. Mag ik hier na 8:00 parkeren? Nee, het mag niet.
2. Maak je de koffie? Nee, ik maak hem niet.
3. Gebruik je de wasmachine? Nee, ik gebruik hem niet.
4. Kunnen wij het huis kopen? Nee, wij kunnen het niet kopen.
5. Maak je het cadeautje? Nee, ik maak het niet.
6. Willen jullie het huis bouwen? Nee, wij willen het niet gebouwen.
7. Neem je de…Read More -
1. Mogen jullie in de bus roken? Nee, het mag niet.
2. Kunnen wij een nieuwe afspraak maken? Ja, het kan.
3. Moet jij de helm dragen? Nee, ik hoef hem niet te dragen.
4. Mogen wij hier wachten? Ja, het mag.
5. Mag je na 21:00 daar parkeren? Nee, het mag niet.
6. Wil jij in een kleine kamer slapen? Ja, dat wil ik.
7. Willen jullie in juli op…Read More -
1. Waar koopt Jan planten? Hij koopt ze op de markt.
2. Kun je het hotel in het weekend zonder ons boeken? Dat kan ik.
3. Wil hij morgen het ontbijt voor mij maken? Hij wil het niet doen.
4. Kan Ferdinand mijn rekening betalen? Dat kan hij.
5. Kunnen zij pinnen of contant betalen hier? Zij kunnen het allebei.
6. Kan Gerard zijn adres opschrijven?…Read More -
1. Wanneer koopt hij een nieuwe wasmachine? Hij zal hem morgen kopen.
2. Helpt het medicijn tegen zijn oorpijn? Nee, het helpt niet.
3. Weten jullie hoe laat het winkeltje sluit? Wij weten dat niet.
4. Mag ik hier roken? Het mag niet.
5. Kan jij vanavond mijn spullen brengen? Dat kan zeker.
6. Wil jij volgende zaterdag met ons een film kijken? Ja,…Read More -
1. Heb je het hemd? Ik heb het/dat.
2. Wil je het boek? Ik wil het/dat niet.
3. Kan ik vliegen? Ik kan dat/het niet.
4. Mag ik hard rijden langs de school? Het/Dat mag niet.
5. Kunnen jullie een beslissing nemen? Dat kunnen wij.
6. Moeten jullie elke dag vroeg opstaan? Dat hoeven wij niet.
7. Moet ik van werken leven? Ik hoef het/dat niet.
8. Zal…Read More -
1. Kan Anna met jou werken? Nee, Anna kan het niet.
2. Mag jij om 4 uur naar huis? Nee, ik mag het niet.
3. Wil haar collega vanavond uitgaan? Ja, zij wil het.
4. Bouwt Ferdinand de garage? Nee, hij bouwt hem niet.
5. Krijgen jullie het cadeau? Nee, wij krijgen het niet.
6. Begrijpen zij het probleem? Nee, zij begrijpen niet
7. Kan jij mijn…Read More -
1. Mogen jullie binnen roken? Nee, het mag niet.
2. Wil Willem een nieuwe afspraak maken? Ja, hij wil het.
3. Kan hij Frans verstaan? Nee, hij kan het niet.
4. Moet jij een helm dragen? Ja, ik moet het.
5. Mag ik buiten wachten? Nee, het mag niet.
6. Mogen de kinderen op straat spelen? Ja, ze mogen het.
7. Mag ik hier na 21:00 uur parkeren? Nee,…Read More-
Goed

7. … Nee, het/dat mag niet.
20. Ja, ik hoor het. – “de muziek” is not a concrete object, so I am not sure about βhemβ, but teacher knows the right answer.
-
-
1. Mogen we in de bus roken ? Nee , dat mag niet
2. Verwachten jullie uitnodiging bij ons ? Ja , we verwachten hem bij jullie
3. Kunt U de rekening betalen ? Ja , dat kan
4.Willen jullie vanavond met jullie collega’s uitgaan ? Nee , we willen het niet
5.Maakt hij morgen ontbijt maken ? Ja , dat kan
6. Mogen we op kantoor bier drinken ? Nee , dat…Read More-
In all sentences there are extra spaces and sometimes no “, ” that needs to be edited. You can always check your grammer and spellling here:
https://languagetool.org/nl2. een uitnodiging
3. not capital U, u
5. no need maken at the end: Maakt hij morgen ontbijt?
13. Franse
15. Wil
16. Kan ik….
20. leuk. Ik zwem liever in de zee.
-
-
1. Heeft Bernard gelijk? Ja, dat heeft hij./ Ja, hij heeft het./ Nee, hij heeft geen gelijk.
2. Kan hij Frans verstaan? Nee, hij kan het niet. / Nee, dat kan hij niet.
3. Moeten motorrijders een helm dragen? Ja, dat moet./Het moet.
4. Wil je in juli op vakantie gaan? Nee, dan wil ik het/dat niet (doen).
5. Kunt u hun een brief sturen? Ja, dat kan…Read More -
-
1. Stuur je de foto’s naar de groep? – Ja, die stuur ik./ Nee, die stuur ik niet.
2. Mogen kinderen in de bibliotheek spelen? – Ja, dat mogen zij doen. / Nee, het mag niet.
3. Maakt hij de lunch voor ons? – Ja, die maakt hij. / Nee, die maakt hij niet.
4. Wil hij het document naar de administratie sturen? – Ja, dat wil hij sturen. / Nee, dat…Read More -
1. Zie jij jouw man? Ja, ik zie hem. / Nee, ik zie hem niet.
2. Eten jullie het vlees? Ja, ik eet het. / Nee, ik eet het niet.
3. Wast zij zijn haar? Ja, hij wast het. / Nee, hij wast het niet.
4. Willen jullie bier drinken? Ja, wij willen het. Nee, wij willen het niet.
5. Mag jij in Eindhoven 120 km/u rijden? Ja, dat mag. / Nee, dat mag niet.
6.…Read More-
2. Eten jullie het vlees? Ja, wij eten het. / Nee, wij eten het niet.
3. Wast zij zijn haar? Ja, zij wast het. / Nee, zij wast het niet.
16. Kunnen jullie een afspraken maken? Ja, wij kunnen het. / Nee, wij kunnen het niet
Rust is goed.
-
1- Zie jij de man? Ja, Ik zie hem. / Nee, Ik zie hem niet.
2- Eet jij vanavond het vlees? Ja, Ik eet het. / Nee, Ik eet het niet.
3- Kun jij boodschappen doen? Ja, Ik kan hem. / Nee, Ik kan hem niet.
4- Kennen zij Peter? Ja, zij kennen hem. / Nee, zij kennen hem niet.
5- Mag je bier drinken? Ja, dat mag. / Nee, het mag niet.
6- Bouw jij een…Read More -
1. Mogen jullie in de bus roken? Nee, het mag niet.
2. Wilt u een nieuwe afspraak maken? Ja, ik wil het.
3. Kun jij de Franse taal verstaan? Ja, dat kan ik.
4. Moeten jullie een helm dragen? Ja, dat moet.
5. Mag ik hier wachten? Nee, het mag niet.
6. Mag Rudolf op straat spelen? Ja, het mag.
7. Mogen wij na 21:00 uur hier parkeren? Nee, het mag…Read More -
1. Zie jij het boek?
Ja, ik zie het.
2. Eet Simon vlees?
Nee, hij eet het niet.
3. Kunnen jullie boodschappen doen?
Ja, we kunnen het.
4. Kent zij het antwoord?
Nee, zij kent het niet.
5. Kunnen wij zwemmen?
Ja, het kan.
6. Kan Cornelis het product leveren?
Nee, hij kan het niet.
7. Mogen wij hier fietsen?
Ja, het mag.
8. Maak jij je huiswerk?…Read More -
1. Zien jullie het boek op de tafel? – Nee, wij zien het niet.
2. Eet Simon het vlees? – Ja, hij eet het.
3. Mogen jullie morgen zwemmen? – Ja, dat mag.
4. Mag ik binnen roken? – Nee, dat mag niet.
5. Krijg jij op zaterdag het feest? – Ja, ik krijg het.
6. Kent u dit gezicht? Ja, ik ken het.
7. Mogen wij na 9 uur hier parkeren? – Nee, dat mag…Read More -
1. Mogen jullie in de bus roken? —– Nee, dat mag niet.
2. Wilt Willem onze nieuwe afspraak maken? —– Ja, hij wil het.
3. Kunt u de franse taal verstaal? —– Nee, ik kan het niet.
4. Moet motoorijder een helm dragen? —– Ja, dat moet.
5. Mag ik hier wachten? —– Ja, dat mag.
6. Mogen kinderen op straat spellen? —– Nee, zij mogen het…Read More -
1. Heeft je broer het treinkaartje? β Ja, hij heeft het.
2. Werkt het navigatiesysteem in de auto? β Ja, het werkt.
3. Kent je collega het nieuwe programma? β Ja, zij kent het.
4. Past het schilderij boven de bank? β Ja, het past.
5. Leest je vader het nieuws elke ochtend? β Nee, hij leest het niet.
6. Begint het instappen op tijd? β Nee, het be…Read More -
1. Kunnen jullie met haar werken?
Ja, wij kunnen het.
2. Wil je op de bank zitten?
Nee, ik wil het niet.
3. Kun jij in het weekend het hotel boeken?
Ja, ik kan het boeken.
4. Mag Rudolf op straat spelen?
Ja, het mag.
5. Kun jij de boodschappen doen?
Ja, ik kan het.
6. Mag Theo zwemmen?
Ja, het mag.
7. Maak jij het huiswerk?…Read More -
1. Rijden jullie in Eindhoven 120 km/u?Β Nee, dat kan niet.
2. Kan Anna werken? Ja, zij kan het.
3. Heeft Gerard het brood? Ja, Gerard heeft het.
4. Willen jullie bier drinken? Ja, jullie willen het.
5. Wil hij morgen ontbijt maken? Nee, hij wil het niet.
6. Begrijpt zij het probleem? Ja, zij begrijpt het.
7. Kun jij een e-mail sturen? Ja, ik kan…Read More -
#1 β Wanneer hoor jij dit geluid?
β Ik hoor het βs nachts.
β
#2 β Koopt Jan het ticket?
β Nee, Jan koopt het niet.
β
#3 β Met wie kan Dirk dit hotel in het weekend boeken?
β Dirk kan het met jou.
β
#4 β Mag hij ons ontbijt morgen maken?
β Ja, hij mag het.
β
#5 β Hoe vaak kan Ferdinand de rekening betalen?
β Hij kan het nooit!
β
Read More -
1.mag je bier drinken? Ja, dat mag.
2.Mag Hicham an khawla zitten? Ja, dat mag.
3.Kan jij werken vandag ? Ja, ik kan het.
4.Make je het huiswerk? Nee, ik make het niet.
5. Heb jij geld? Nee, ik heb het niet.
6.Mag ik het boek ? Ja, Jij mag het.
7.Werkt de pen? Hij werkt niet.
8.Begrijp jij het probleem? Ik begrijp het niet.
9.Kan jost morgen…Read More
- Load More Posts



1. Horen jullie de muziek? Nee, wij horen het niet.
2. Gaat zij de tuin verzorgen? Ja, dat kan zij.
3. Ken jij Reinier? Nee, ik ken haar niet.
4. Wil hij daar gaan zitten? Nee, hij wil het niet.
5. Schrijf jij de brief? Ja, dat schrijf ik.
6. Wil jij de ijsje eten? Ja, ik wil het.
7. Kun jij piano spelen? Ja, ik kan het.
8. Wil jij morgen sporten?…Read More