-
Dutchbook huiswerk:✍️
Boek. Pagina 115
Plaats jouw antwoorden hieronder:263 Comments-
1. Lees jij het boek? Ja, ik lees het.
2. Gebruik jij het bord? Ja, ik gebruik het.
3. Geniet jij het weer? Nee, ik geniet het niet.
4. Ken jij het kind? Nee, ik ken hem niet.
5. Drink jij het water? Ja, ik drink het.
6. Oplos jij het probleem?Nee, ik oplos het niet.
7. Vervolledig jij het werk? Ja, ik Vervolledig het.
8. Spaar jij het geld? Nee,…Read More -
1. Zie jij dat huis? Ja, ik zie het.
2. Drink jij het bier? Ja, ik drink het.
3. Belt hij dat bedrijf? Nee, hij belt het niet.
4. Kan jij zwemmen? Nee, ik kan het niet.
5. Maakt hij het huiswerk? Ja, hij maakt het.
6. Koop jij het product? Ja. ik koop het.
7. Zal ik het diner eten? Ja, jij kan het eten.
8. Wil hij autorijden? Nee, hij wil het…Read More -
Recept A
1. Heb je mijn doek? Ja, ik heb het.
2. Kunnen jullie Nederlands leren? Wij kunnen het.
3. Kan jij fietsten? Ik kan het.
4. Heb jij het rijbewijs? Ik heb het.
5. Kan jij Engels spreken? Ik kan het.Recept B
1. Maai jij het gras? Ik maai het nog niet.
2. Kunnen de honden blaffen? Ze kunnen het niet.
3. Heb je het antwoord? Ik heb…Read More -
Recept A:
1. Wil je het ijs? Ik wil het.
2. Kennen jullie het kind? Wij kennen hem.
3. Zwemt hij in het meer? Hij zwemt in het.
4. Hebt u het meubel? Ik heb het.
5. Lees ik het menu? Jij leest het.
Recept B:
1. Zie jij mijn huis? Ik zie het niet.
2. Hoor jij het feest? Ik hoor het niet.
3. Woont zij in het dorp? Zij woont in het niet.
4. Eten wij…Read More -
1. Drink jij mijn sap? Nee, ik drink het niet.
2. Ziet hij de vogels? Ja, hij ziet ze.
3. Kennen jullie het meisje? Wij kennen haar niet.
4. Heb jij de auto? Ik heb hem niet.
5. Waar is mijn bril? Ik weet het niet.
6. Hebben jullie mijn pennen? Wij hebben ze niet.
7. Maak jij het huis schoon ? Ja, ik maak het schoon.
8. Kan je het boek geven? Ja,…Read More -
Recept A
1. Heb je het huis? Ja, ik heb het.
2. Kan jij zwemmen? Ja, ik kan het.
3. Eet jij het vlees? Ja, ik eet het.
4. Kan jij analyseren? Ja, ik kan het.
5. Kan jij lezen? Ja, ik kan het.
Recept B
1. Heb jij het boek? Nee, ik heb het niet.
2. Geef jij het feest? Nee, ik geef het niet.
3. Zie jij het gezicht? Nee, ik zie het niet.
4. Kan jij…Read More -
Recept A
1. Koop je het boek? Ja, ik koop het.
2. Zie je de man? Ja, ik zie hem.
3. Bezoeken jullie het dorp? Ja, wij bezoeken het.
4. Ken jij het antwoord? Ja, ik ken het.
5. Eet jij het ei? Ja, ik eet het.Recept B
1. Ken jij het idee? Nee, ik ken het niet.
2. Spreek je het Nederlands? Nee, ik ken het niet.
3. Drinken wij het bier? Nee, wij…Read More -
Recept A
1. Heb jij mijn water? Ik heb het.
2. Verkoop jij de blauwe auto? Ik verkoop hem.
3. Ziet hij mijn boek? Hij ziet het.
4. Hebben jullie onze hond? Wij hebben hem.
5. Ken jij haar telefoonnummer? Ik ken het.Recept B
6. Kennen jullie het meisje? Wij kennen haar niet.
7. Heb jij onze sleutels? Ik heb ze niet.
8. Kan zij zwemmen? Zij…Read More -
RECEPT A
1. Zie je dit gebouw? Ja, ik zie het.
2. Kan je zwemmen? Ja, ik kan het.
3. Heb je jouw diploma? Ja, ik heb het.
4. Bouw je dat monument? Ja, ik bouw dat.
5. Ken je het antwoord? Ja, ik ken het.
RECEPT B
6. Sluit je het raam? Nee, ik sluit het niet.
7. Schrijf je dit journaal? Nee, ik schrijf het niet.
8. Kan je skiΓ«n? Ik kan het…Read More -
Recept-A
1. Heb jij soms water ? Ja, Ik heb het.
2. Kan jouw vrouw goed koken ? Ja, zij kan het.
3. Verkoopt hij zijn huis ? Ja, hij verkoopt het.
4. Kent Zij het kind van de buren ? Ja, zij kent het.
5. Nemen vrienden van jou het vliegtuig naar Parijs? Ja, ze nemen het.
Recept -B
6. kun jji varen op zee? Nee, ik kan het niet.
7. Mogen wij…Read More -
1. Geef jij het antwoord? Ja, Ik geef het
2. Spreek je met jouw zus? Ja, ik spreek met haar
3. Zoek jij iets op het internet? Nee, Ik zoek op het niet
4. Maakt u een reservering in het restaurant? Nee, Ik maak het niet
5. Kun jij fietsen? Ja ik kan het
6. Kun jij foto’s van ons maken? Ja ik kan het
7. Maakt zij haar huiswerk? Nee, Zij maakt…Read More -
Recept A
1. Zie jij het kind? Ja, ik zie het.
2. Eet je het worteltje? Ja, ik eet het.
3. Hoor jij het liedje? Ja, ik hoor het.
4. Betaal je het cadeautje. Ja, ik betaal het.
5. Vind je het boek? Ja, ik vind het.
Recept B
1. Spreek jij het Frans? Nee, ik spreek het niet.
2. Kopen jullie het brood? Nee, wij kopen het niet.
3. Ziet hij het eiland…Read More -
1. Kun jij fietsen? Ja, ik kan het.
2. Mag hij gaan? Ja, hij mag het.
3. Kan zij zingen? Nee, zij kan het niet.
4. Kunnen wij spelen? Nee, jullie kunnen het niet.
5. Mag ik slapen? Ja, je mag het.
6. Heeft zij het potlood? Ja, zij heeft het.
7. Heb jij het adres? Ja, ik heb het.
8. Heeft hij het diploma? Nee, hij heeft het niet.
9. Koop jij het…Read More -
Recept A
1. Hoor je het geluid? Ja, ik hoor het.
2. Kijkt hij naar het journaal? Ja, hij kijkt naar het.
3. Ziet zij het verschil? Ja, zij ziet het.
4. Geniet je van het leven? Ja, ik geniet van het.
5. Hebben jullie het kaartje? Ja, we hebben het.
Recept B
1. Ontvang je het salaris? Nee, ik ontvang het niet.
2. Ziet hij het gevaar? Nee, hij ziet…Read More -
Recept A:
1. Ken jij het wachtwoord? Ja, ik ken het.
2. Heb jij het scherm? Ja, ik heb het.
3. Heb jij het diploma? Ja, ik heb het.
4. Zie jij het licht? Ja, ik zie het.
5. Heb jij het antwoord? Ja, ik heb het.
Recept B:
1. Heb jij het huis? Nee, Ik heb het niet.
2. Vind jij het boek? Nee, ik vind het niet.
3. Zie jij het dier? Nee, ik zie het…Read More-
-
Recept A:
1. Ken jij het wachtwoord? Ja, ik ken het.
2. Heb jij het scherm? Ja, ik heb het.
3. Heb jij het diploma? Ja, ik heb het.
4. Zie jij het licht? Ja, ik zie het.
5. Heb jij het antwoord? Ja, ik heb het.
Recept B:
1. Heb jij het huis? Nee, ik heb het niet.
2. Vind jij het boek? Nee, ik vind het niet.
3. Zie jij het dier? Nee, ik zie het…Read More
-
-
-
1. Kan ik mijn huiswerk doen? Ja, je kan het doen.
2. Mag ik een toets volgende week doen? Ja, je mag het doen.
3. Zie jij mijn zonnebril? Ja, ik zie hem.
4. Heb jij mijn tijdschrift? Ja, ik heb het.
5. Kunnen wij vanavond een film kijken? Ja, wij kunnen hem kijken.
6. Kan jij zwam? Nee, ik kan het niet.
7. Mag ik barbecueΓ«n gaan? Nee, je mag het…Read More-
2 (Let op: WW + FW + Tijd + Onbepaald + WW2)
> Ja, je mag het niet. (het = een toets doen)
> Ja, je mag hem doen. (hem = de toets) (Andere recept)3. Zin is goed, maar volgt niet het recept.
5. Zin is goed, maar volgt niet het recept. Ja, wij kunnen het (het = een film kijken)
7. Mag ik barbecueΓ«n?
8 Nee, Je mag het niet.De rest is goed.
-
-
Recept A
1. Heb je mijn glas? Ja, ik heb het.
2. Kopen jullie morgen het nieuwe huis? Ja, we kopen het.
3. Wil jij het andere biertje? Ja, ik wil het.
4. Kan jij schaatsen? Ja, ik kan het.
5. Wil jij het ijsje? Ja, ik wil het.Recept B
1. Kan jij het raam openen? Nee, ik kan het niet.
2. Wil jij het vlees proeven? Nee, ik wil het niet.
3. Maken…Read More -
Recept A
1. Hebben jullie haar krant? Wij hebben het.
2. Kan hij voetbalspellen? Hij kan het.
3. Kan zij zingen? Zij kan het.
4. Kan zij Nederlands spreken? Zij kan het.
5. Heeft hij haar jasje? Hij heeft het.Recept B
6. Kan hij fietsen? Nee, hij kan het niet.
7. Kan ik het probleem uitleggen? Nee, jij kan het niet.
8. Kan jij het apparaat…Read More -
-A-
1. Zie je mijn boek? Ik zie het
2.Wil Maria iets eten? Zij wil het
3. Ken jij dit bedrijf? Ik ken het.
4. Mag jij om 4 uur naar huis gaan? Ik mag het.
5. Heeft Gerard het beroep? Hij heeft het.
-B-
1.Krijgt Hendrik dit Cadeau? Hij krijgt het niet.
2. Kunt u het bericht sturen? Ik kan het niet.
3. Koken jullie het ei? Wij koken het niet.
4.…Read More -
-
Recept A
1. Horen jullie de vogel? Ja, wij horen hem.
2. Betaalt hij de boodschappen? Ja, hij betaalt ze.
3. Heeft hij de pen? Ja, hij heeft hem.
4. Hebben jullie de boeken? Ja, wij hebben ze.
5. Zien jullie de kinderen? Ja, wij zien ze/hen.Recept. B
1. Kunnen jullie naar huis lopen? Nee, wij kunnen het niet.
2. Bestel je de pizza? Nee, ik…Read More -
Recept A:
1. Hebben jullie het huis? Ja, wij hebben het.
2. Luister je naar de muziek? Ja, ik doe het.
3. Kom je samen? Ja, ik doe het.
4. Willen jullie iets eten? Ja, wij willen het.
5. Kan hij zwemmen? Ja, hij kan het.
Recept B:
6. Mogen wij hier roken? Nee, jullie mogen het niet.
7. Wil je vanavond eten met mij? Nee, ik wil het niet.
8. Heeft…Read More -
Recept A
1. Heb jij het konijn? Ja, ik heb het.
2. Kun jij dansen? Ja, ik kan het.
3. Zien jullie de kinderen? Ja, we zien ze.
4. Heb je mijn adres? Ja, ik heb het.
5. Heeft hij de tas? Ja, hij heeft hem.
Recept B
1. Lezen jullie het boek? Nee, we lezen het niet.
2. Zie je mijn huis? Nee, ik zie het niet.
3. Koop je de appels? Nee, ik koop ze…Read More-
-
Dank je!
Recept A
3. Geef jij het diploma? Ja, ik geef het.
5. Zie jij het bos? Ja, ik zie het.
Recept B
3. Heb je het contact? Nee, ik heb het niet.
4. Ziet hij het dorp? Nee, hij ziet het niet.
-
-
Recept A
1. Hebben zij het boek? Zij hebben het.
2. Kennen jullie het? Ja, wij kennen het.
3. Ziet hij het schilderij? Hij ziet het.
4. Geef jij het geld? Ja, ik geef het.
5. Krijg jij het cadeau? Ja, ik krijg het.
Recept B
1. Kunnen jullie zwemmen? Wij kunnen het niet.
2. Wil jij het water? Nee, ik wil het niet.
3. Tekent zij het huis niet? Zij…Read More -
1. Zie je het licht? Ja, ik zie het.
2. Mag ik het boek gebruiken? Ja, jij mag het.
3. Hoor jij het team? Ja, ik hoor het.
4. Begrijp jij het probleem? Ja, ik begrijp het.
5. Zeggen zij het antwoord? Ja, zij zeggen het.
—
6. Maak jij het eten? Nee, ik maak het niet.
7. Ken jij dat schilderij? Nee, ik ken het niet.
8. Speel jij het spel? Nee, ik…Read More -
RECEPT A
1. Lees je het boek? Ja, ik lees het.
2. Sluit je het raam? Ja, ik sluit het.
3. Gebruiken jullie het koffiezetapparaat? Ja, wij gebruiken het.
4. Heeft Maria het telefoonnummer? Ja, Maria heeft het.
5. Maken zij het huiswerk? Ja, zij maken het.
RECEPT B
1. Kan je zwemmen? Nee, ik kan het niet.
2. Kan Mark autorijden? Nee, hij kan het…Read More -
Recept A
1. Heeft hij het huis? Ja, hij heeft het.
2. Ridjt u het auto? Ja, ik ridj het.
3. Weet jij het address? Ja, ik weet het.
4. Heeft zij het formulier? Ja, zij heeft het.
5. Zie jij het monument? Ja, ik zie het.
Recept B
1. Mag ik hier zitten? Nee, jij mag het niet.
2. Begrijpen jullie dit programma? Nee, we begrijpen het niet.
3. Lees je…Read More -
Recept A
1. Hebben jullie honger? Ja, wij hebben het.
2. Kan hij met de kinderen spelen? Ja, hij kan het.
3. Heb jij dit feest? Ja, ik heb het.
4. Eten jullie het fruit? Ja, wij eten het.
5. Kunnen zij fietsen? Ja, zij kunnen het.
Recept B
6. Speel jij dat instrument? Nee, ik speel het niet.
7. Zien jullie het monument? Nee, wij zien het niet.
8.…Read More -
Recept A
1. Heb jij het fomulier? Ja, ik heb het.
2. Begrijp jij het probleem? Ja, ik begrijp het.
3. Heeft zij het telefoonnummer? Ja, zij heeft het
4. Maak jij de soep? Ja, ik maak het
5. Maken jullie het huiswerk? Ja, we maken het.Recept B:
6.Heb jij het fomulier? Nee, , ik heb het niet.
7. Begrijp jij het probleem? Nee, ik begrijp het…Read More -
Recept A
1-Kan zij gitaar spelen? – Ja,zij speelt het.
2- Draagt hij de tafel? -Ja,hij draagt het.
3-Openen jullie de tas? -Ja,wij openen het.
4-Maken zij de auto schoon? -Ja,zij maken het schoon.
5-Gebruikt jouw oma de telefoon? -Ja,mijn oma gebruikt het.
Recept B
1-Sluit zij de deur? -Nee,zij sluit het niet.
2-Zal jij het probleem…Read More -
Recept A:
1. Heb je het adres? Ik heb het.
2. Kan zij het besluit? Zij kan het.
3. Opent hij het handvat? Hij opent het.
4. Sluiten wij het raam? Wij sluiten het.
5. Heb je het diploma? Ik heb het.Recept B:
1. Heb je het cijfer? Ik heb het niet.
2. Gebruiken jullie het kompas? Wij gebruiken het niet
3. Luister je het nieuws? Ik luister het…Read More -
Recept A:
1. Heb je het paspoort? Ik heb het.
2. Weet hij het adres? Hij weet het.
3. Kun je het boek meenemen? Ik kan het.
4. Kopen jullie het brood? Wij kopen het.
5. Schrijft zij het bericht? Zij schrijft het.
Recept B:
1. Vergeet je het wachtwoord? Ik vergeet het niet.
2. Gelooft hij het verhaal? Hij gelooft het niet.
3. Print jij het…Read More -
Recept A:
1. Koop jij de blauwe tas? Ik koop hem.
2. Ken jij het nieuws? Ik ken het.
3. Lees jij de krant? Ik lees hem
4. Werk jij aan de machine? Ik doe het
5. Geopend jij het raam? Ik doe het.Recept B:
1. Bel jij het huis? Ik bet het niet.
2. Wil jij het paard? Ik will het niet.
3. Zoek jij het sleutel? Ik zoek het niet.
4. Hebben jullie…Read More -
Recept A:
1. Zie jij het gebouw? Ja, Ik zie het.
2. Eet hij het gebak? Ja, hij eet het.
3. Schrijven jullie het examen? Ja, wij schrijven het.
4. Koopt zij het horloge? Ja, zij koopt het.
5. Leg jij het tapijt? Ja, ik leg het.Recept B:
6. Draagt hij het T-Shirt? Nee, hij draagt het niet.
7. Drink jij het sap? Nee, ik drink het niet.
8. Ken je…Read More -
Recept A:
1. Zie jij het huis? Ja, ik zie het
2. Zien jullie haar jurk? Ja wij zien hem
3. Kan jij fietsen? Ja, ik kan het
4. kan hij het krijgen? Ja hij kan het
5. Willen jullie hier blijven? Ja, wij willen hetRecept B
1. Kunnen jullie boodchappen doen? Nee, wij kan het niet
2. ken jij het geheim? Nee, ik ken het niet
3. Mag Theo zwemmen? Nee,…Read More -
-
Recept A
1. Hebben jullie de boeken? Ja, we hebben ze.
2. Heeft u het formulier? Ja, ik heb het.
3. Heb jij de sleutels? Ja, ik heb ze.
4. Heb je mijn telefoon? Ja, ik heb hem.
5. Hebt u de documenten? Ja, ik heb ze.Recept B
6. Hebben jullie de kaartjes? Nee, we hebben ze niet.
7. Heeft u de tas? Nee, ik heb hem niet.
8. Heb jij het huiswerk?…Read More -
Recept A
1. Hebben jullie de lepels? Ja, wij hebben ze.
2. Zie jij mijn bril? Ja, ik zie hem.
3. Schrijf jij een journal? Ja, ik schrijf het.
4. Heeft u mijn boek? Ja, ik heb het.
5. Heb jij het mes? Ja, ik heb het.Recept B
1. Kun jij mijn auto repareren? Nee, ik kan het niet.
2. Wil jij met mijn hond lopen? Nee, het wil ik niet.
3. Wil jij…Read More -
Recept A
1. Zie je de hond? Ja, ik zie hem.
2. Begrijpen jullie het verhaal? Ja, we begrijpen het.
3. Bel jij de manager? Ja, ik bel haar.
4. Open je het raam? Ja, ik open het.
5. Koop je de bloemen? Ja, ik koop ze.Recept B
6. Lees je het boek? Nee, ik lees het niet.
7. Ken jij de buurman? Nee, ik ken hem niet.
8. Vind je het antwoord? Nee, ik…Read More -
Recept A:
1. Heb jij het potlood? Ja, ik heb het.
2. Zie jij de voetbalwedstrijd? Ja, ik zie hem.
3. Hebben jullie mijn step? Ja, wij hebben hem.
4. Neemt zij haar goud? Ja, zij neemt het.
5. Zien jullie deze olifanten? Ja, wij zien ze.
Recept B:
1. Kijk jij deze film? Nee, ik kijk hem niet.
2. Gebruiken jullie de vaatwasser? Nee, wij…Read More -
Recept A
1. Zoek je de sleutel? Ja,Ik zoek hem.
2. Brengt hij de boeken? Ja, Hij brengt ze.
3. Schrijft zij de brief? Ja, Zij schrijft hem.
4. Vullen jullie de formulieren? Ja, Wij vullen ze.
5. Geef jij antwoord? Ja, Ik geef het.
Recept B
6. Koopt hij het meubel? Nee, hij koopt het niet.
7. Kunnen jullie schaatsen? Nee, wij kunnen dat niet.
8.…Read More -
Recept A
1. Zie jij het huis? Ja, ik zie het.
2. Begrijpen jullie het probleem? Ja, wij begrijpen het.
3. Breng jij het boek? Ja. ik breng het
4. Heb jij geld? Ja, ik heb het.
5. Ken jij mijn broer? Ja, ik ken hem.
Recept B
1. Kan jij schilderen? Nee, ik kan dat niet.
2. Mag ik hier zitten? Nee, jij kan het niet.
3. Mogen wij binnen spelen? Nee.…Read More -
Recept A:
1. Heeft u de advocaat? Ja, ik heb hem.
2. Kun je surfen? Ja, ik kan het.
3. Verkoopt zij de gitaar? Ja, zij verkoopt hem.
4. Schrijft hij het artikel? Ja, hij schrift het.
5. Kan ze naaien? Ja, ze kan het.
Recept B:
6. Begrijp je het onderwerp? Nee, ik begrijp het niet.
7. Leidt hij het team? Nee, hij leidt het niet.
8. Kunnen ze je…Read More -
Recept A
1- Maken jullie het examen? Ja, wij maken het.
2- Kan hij dansen? Ja, hij kan het.
3- Zie jij het gezin? Ja, ik zie het.
4- Schrijf ja met mijn pen? Ja, ik schrijf met hem.
5- Houdt zij het geheim? Ja, zij houdt hetRecept B
1- Maakt hij zijn huiswerk? Hij maakt het niet.
2- Lees je het boek? Ik lees het niet.
3- Vind je fietsen leuk?…Read More -
Recept A
1. Wast hij het waterflesje? Ja, hij wast het.
2. Gelooft zij het verhaal? Ja, zij gelooft het.
3. Vul je de tank van de auto? Ja, ik vul hem.
4. Gebruiken ze het zilver voor hun laboratoriumtests? Ja, ze gebruiken het.
5. Spelen jullie het tennis? Ja, wij spelen het.Recept B
1. Wil je naar het noorden verhuizen? Nee, ik wil het…Read More -
Recept A
1. Maak je het gerecht met kip? Ja, ik maak het.
2. Koop je het cadeau? Ja, ik koop het.
3. Maak jij jouw huiswerk? Ja, ik maak het.
4. Kan jij het raam openen? Ja, ik kan het.
5. Kan jij het boek lezen? Ja, ik kan het.Recept B
1. Kan hij het probleem oplossen? Nee, hij kan het niet.
2. Kan jij zingen? Nee, ik kan het niet.
3. Kan…Read More -
Recept A
1. Zie je de auto? Ja, ik zie hem.
2. Eet jij het broodje? Ja, ik eet het.
3. Bel je de dokter? Ja, ik bel haar.
4. Gebruik jij het mes? Ja, ik gebruik het.
5. Koop je de appels? Ja, ik koop ze.
Recept B
1. Drink je het water? Nee, ik drink het niet.
2. Ken jij de leraar? Nee, ik ken hem niet.
3. Hoor je de muziek? Nee, ik hoor het…Read More-
Goed maar #3 maybe Ik hoor hem niet – de muziek = hem
-
Recept A:
1-Lees jij het boek? Ja, ik lees het.
2-Maak je de oefening? Ja, ik maak haar.
3-Drink jij de koffie? Ja, ik drink haar.
4-Heb je de sleutels? Ja, ik heb ze.
5-Schrijf je de brief? Ja, ik schrijf hem.Recept B:
1-Lees je het bericht? Nee, ik lees het niet.
2-Zie jij de hond? Nee, ik zie hem niet.
3-Koop je de bloemen? Nee, ik koop ze…Read More -
-
Recipe A
1. Heb jij het boek? Ja, ik heb het.
2. Zie jij de film? Ja, ik zie hem.
3.Hebben jullie de sleutels? Ja, wij hebben ze.
4.Koopt hij de jas? Ja, hij koopt hem.
5.Lees jij het bericht?Ja, ik lees het.Recipe B
1. Ken jij de nieuwe leraar? Nee, ik ken hem niet.
2.Zie jij de kat? Nee, ik zie haar niet.
3.Hebben jullie de sleutels? Nee, wij…Read More -
Recept A
1. Heb jij het huis? Ja, ik heb het.
2. Heb jij de honden? Ja, ik heb ze.
3. Zien jullie de kat? Ja, wij zien hem.
4. Heeft u mijn portemonnee? Ja, ik heb hem.
5. Zoek jij de tas? Ja, ik zoek hem.Recept B
1. Kan je het boek lezen? Nee, ik kan het niet.
2. Ken je de mensen? Nee, ik ken ze niet
3. Wil je de brief schrijven? Nee, ik wil…Read More -
_A_
1. Kun je het woord herhalen? Ja, ik kan het.
2. Schrijven jullie jullie naam op? Ja, wij schrijven het op.
3. Lezen ze het boek? Ja, ze lezen het.
4. Begrijpen jullie het probleem? Ja, wij begrijpen het.
5. Wil zij het cadeau? Ja, zij wil het._B_
6. Gebruik je het nummer ? Nee, ik gebruik het niet.
7. Vinden ze het werk? Nee, ze vinden het…Read More -
A
Kan jij dansen? Ik kan het.
Ken jij dat liedje? Ik ken het.
Begrijp jij het plan? Ik begrijp het.
Kunnen jullie koken? Ja, wij kunnen het.
Wil jij dit glas water? Ja, ik wil het.B
Kun jij tennissen? Nee, Ik kan niet.
Heb jij de sleutel? Nee, ik heb hem niet.
Begrijp jij het huiswerk? Nee, Ik begrijp het niet.
Staat de auto in de garage? Nee,…Read More -
Recept A
1. Mag ik jouw haar borstelen? Je mag het (doen).
2. Ga je de deken vouwen? Ik ga het (doen).
3. Wil hij feiten verzamelen? Hij wil het (doen).
4. Moeten we de ladder brengen? Jullie moeten het (doen).
5. Kunnen ze hun draad verliezen? Ze kunnen het.
Recept B
6. Ken je het gebied? Ik ken het niet.
7. Kunt u het bot breken? Ik kan het…Read More-
A1. I think is “je” instead of jouw.
A4. de-woord -> Ja, we moeten hem brengen.
B10. plural -> Zij doet ze niet.-
Thank you, I think these recepts I will change:
“HET” is an “object” here and can replace only werkword? but NOT a “phrase with werkwoord”
and HET-dingwoord also.-
@lauraalarconlgmail-com @marikarch:
A1. jouw is also correct.
A4. Both is correct depends on what you want to replace action or ding.(But please ask in the class)
B.10 what Maria wrote is corrrcet. “de ramen open” IS ACTION =Het@marikarch You missed in all “Nee” of “Ja” woord
-
-
A
1. Mag ik in de zon langs het water lopen? Ja, je kunt het.
2. Mogen wij morgen op school voor het huiswerk afspraken? Ja, jullie kunnen het.
3. Zal ik het geld aan hem lenen? Ja, je zal het.
4. Moeten wij geld verdienen? Ja, jullie moeten het.
5. Hebt u het bed? Ja, ik heb het.
B
1. Mag ik jou een brief sturen? Je kunt het niet.
2. Wil ze in de…Read More-
A 1. je mag het?
A2 jullie mogen het?(If you use mag in the question, I think you should also use mag in the answer. I am not very sure)
-
5. Recept A
1. Heb jij het koekje? Ja, ik heb het.
2. Kent jouw zus jouw buurman? Ja, zij kent hem.
3. Kan zij de koelkast repareren? Ja, zij kan het.
4. Ziet Juan Ethel? Ja, hij ziet haar.
5. Koopt Antonio de tomaten? Ja, hij koopt ze.Recept B
6. Heb jij de mand? Nee, ik heb hem niet.
7. Kent hij Peter? Nee, hij kent hem niet.
8. Kunnen jullie…Read More -
A]
1. Zie jij het grote gebouw? Ja, ik zie het.
2. Ken jij dit restaurant? Ja, ik ken het.
3. Eet jij het koekje? Ja, ik eet het.
4. Heeft zij dat boek? Ja, zij heeft het.
5. Kan ik hier fietsen? Ja, jij kan het.B]
1. Mag ik iets tijdens de les eten? Nee, jij mag het niet.
2. Kan jij pilates doen? Nee, ik kan het niet.
3. Kun jij zwemmen? Nee,…Read More -
Recept A:
1. Gebruikt u het product? Ja, ik gebruik het.
2. Begrijpen jullie dit probleem? Ja, we begrijpen het.
3. Kunnen zij fietsen? Ja, zij kunnen het.
4. Houd je van films kijken? Ja, ik hou van het.
5. Zie je het kind? Ja, ik zie hem/haar.
Recept B:
1. Koopt hij deze schoenen? Nee, hij koopt ze niet.
2. Maakt zij haar huiswerk? Nee, zij…Read More -
A:
Weten jullie hoe ik naar de bibliotheek ga? Ja, wij weten het.
Kan je Nederlands spreken? Ja, ik kan het.
Mag zij het brood eten? Ja, zij mag het.
Heb je het rijbewijs? Ja, ik heb het.
Wil je het hemd bestellen? Ja, ik wil het.B:
Kan de hond zijn poot wassen? Nee, hij kan het niet.Β
Heeft hij zijn eigen bedrijf? Nee, hij heeft het…Read More -
Kan jij salsa dancen? Ja, ik kan het
Ziet hij de trein? Ja, hij ziet hem
Houd jij van sporten? Ja, ik houd van het
Kan jouw vader de auto repareren? Ja, hij kent het
Vindt zij fietsen leuk? Ja, zij vindt het leukKunnen we slapen? Nee, we kunnen het niet
Vind jij pasta koken leuk? Nee, ik vind het niet leuk
Mag ik iets vragen? Nee, jij mag niet…Read More-
goedzo, een paar opmerken
1.dansen
2. Houd jij van sporten? Ja, ik houd van het –> HOU JE VAN SPORTEN ? JA IK HOU VAN HET
4.Hij KAN
-
A:
1. Moeten jullie volgende maand jullie vakantie opnieuw plannen? Ja, we moeten het?
2. Hebben jullie vismarkt op zaterdag in Eindhoven ? Ja ,we hebben hem
3. Ik moet me in Nederland aanpassen aan het weer toch ? Ja , je moet het
4. Wil je je CV bijwerken voordat je sollicitatie ? Ja , Ik moet het eigenlijk
5. Moet je boodschappen doen wekelijk…Read More-
#A.2 β I believe you are missing an article for “vismarkt” π
#A.3 β The verb should go first since it’s a question! Also, I think you should put “in Nederland” after “het weer”.
#A.4 β I think you need to use the verb form instead of the noun for “sollicitatie” π
#B.3 β Little mistake, I think you meant “vliegtuig” π
#B.4 β Since you are r…Read More
-
-
Recept A:
1) Heb jij geduld? Ja, ik heb het.
2) Kun jij een kopje koffie voor mij schenken? Ja, ik kan het.
3) Mag ik de volgende les overslaan? Ja, jij mag het.
4) Kun jij haar herkennen als je haar ziet? Ja, ik kan het.
5) Kunnen jullie om 6 uur aankomen? Ka, wij kunnen het.
Recept B:
1) Kun jij jouw hoofd naar de muur draaien? Nee, ik kan het…Read More -
1. Maak je het huiswerk voor Nederlands? – Ja, ik maak het.
2. Begrijp je het probleem met de computer? – Ja, ik begrijp het.
3. Lees jij het boek voor Ioanna? – Ja, ik lees het.
4. Ruimt zij het speelgoed op? – Ja, zij ruimt het op.
5. Zoeken jullie het papier voor de printer? – Ja, wji zoeken het.6. Maakt hij het raam open? – Nee, hij maakt…Read More
-
Recept A
1. Kan hij de Nederlandse taal spreken? – Ja, hij kan het.
2. Wil jij in het bos rennen? – Ja, ik wil het.
3. Zullen wij het mooie huis kopen? – Ja, wij zullen het.
4. Maken jullie vanavond het eten? – Ja, wij maken het.
5. Wil jij morgen met mij dansen? Ja, ik wil het.Recept B
1. Luisteren jullie naar iets met MP4? – Nee, wij…Read More -
1. Kun je de hondenpoep opruimen?
Ja, ik kan het.
2. Kun je de boodschappen doen?
Ja, ik kan het.
3. Koop je het huis?
Ja, ik koop het.
4. Zien jullie het boek bij de winkel?
Ja, wij zien het.
5. Kun je mij van mijn werk ophalen?
Ja, ik kan het.
6. Kun je goed Nederlands spreken?
Nee, ik kan het niet.
7. Kun je de kraan…Read More-
Recept A
1. Heb jij het tasje? Ja, ik heb het.
2. Ziet jouw zus het huis? Ja, zij ziet het.
3. Kan hij skiΓ«n? Ja, hij kan het.
4. Mag hij rennen? Ja, hij mag het.
5. Horen jullie het lawaai? Ja, wij horen het.Recept B
1. Mag zij de film kijken? Nee, zij mag het niet.
2. Kan hij het boek lezen? Nee, hij kan het niet.
3. Neem ik het kookje?…Read More
-
Recept A
1- Heb jij dit boek? Ja, Ik heb het.
2- Kun jij het potlood krijgen? Ja, Ik kan het krijgen.
3- Zie jij dat vogeltje? Ja, Ik zie het.
4- Kun jij jouw fietsje aan me lenen? Ja, Ik kan het aan je lenen.
5- Vind je het park leuk. Jaa, Ik vind het park zeker leuk.
Recept B
1- Heb jij het fruit? Nee, Ik heb het niet.
2- Zie jij het gebouw?…Read More-
Ik ben het eens met Busra π
Also, be careful with the little typo in #A.5: it’s “ja” not “jaa” π
-
1. Begrijp jij het systeem? Ja, ik begrijp het.
2. Gebruik jij het koffieapparaat? Ja, ik gebruik het.
3. Maak jij het huiswerk? Ja, ik maak het.
4. Kun jij de muziek horen? Ja, ik kan het.
5. Zien jullie het boek? Ja, wij zien het.6. Heb je geld? Nee, ik heb het niet.
7. Zien jullie het paard? Nee, wij zien het niet.
8. Wil jij het huis? Nee,…Read More -
# Recept A
Koop jij het cadeau? β Ja, ik koop het.
Horen jullie die aankondiging? β Ja, wij horen het.
Doe je aan marathonrennen? β Ja, ik doe het.
Bekijk je het filmpje? β Ja, ik bekijk het.
Begin je met het huiswerk? β Ja, ik begin het.# Recept B
Wilt u het ijs? β Nee, ik wil het niet.
Draag jij het horloge? β Nee, ik draag het niet.
Vind ji…Read More -
1. Heb jij een fiets?
Ja, ik heb het.
2. Drink je koffie?
Ja, ik doe het.
3. Ga jij vandaag naar de supermarkt?
Ja, ik doe het.
4. Heb jij een auto?
Nee, ik heb het niet.
5. Doe je je huiswerk?
Nee, ik doe het niet.
6. Kijkt hij tv?
Nee, hij doet het niet.
7. Wil je dat boek kopen?
Ja, ik wil het.
8. Willen wij morgen onze…Read More -
β―β―β― Recept A β―β―β―
β
#1 β Ontvangt JoΓ£o het cadeautje?
β Ja, hij ontvangt het.
β
#2 β Begrijpen jullie de vraag?
β Ja, wij begrijpen hem.
β
#3 β Kan Shuhei zwemmen?
β Ja, hij kan het een beetje.
β
#4 β Vind jij koken leuk?
β Ja, ik vind het leuk.
β
#5 β Heeft Pelagia/Ellie een kind?
β Ja, zij heeft het.
β β
β―β―β― Rece…Read More -
1. Begrijp je de uitleg? Ja, ik begrijp het.
2. Gebruik je vaak het koffieapparaat? Ja, ik gebruik het.
3. Maak je vanavond het eten? Ja, ik maak het.
4. Kun je de muziek goed horen? Ja, ik kan het.
5. Zien jullie het station vanaf hier? Ja, wij zien het.
6. Heb je het adres bij je? Nee, ik heb het niet.
7. Zien jullie het bord aan de overkant?…Read More-
#1 β I believe it should be “ik begrijp *hem*”, since you are replacing “de uitleg” π
β
Otherwise, heel goed!
-
1. Speel jij voetbal?
Ja, ik speel het.2. Kijk jij de film?
Ja, ik kijk hem.3. Doe jij de sport?
Ja, ik doe hem.4. Zie jij het huis?
Ja, ik zie het.5. Koop jij de auto?
Ja, ik koop hem.
————————————————————–
1. Kook jij de pasta?
Nee, ik kook hem niet.2. Lees jij het boek?
Nee, ik lees het…Read More -
– Recept A
heb ja het boek
-ja! ik heb het
Zie jij dat huis?
– Ja, ik zie het.
Drink jij het bier?
-Ja, ik drink het.
Belt hij het bedrijf?
– ja, hij belt het .
Kan jij zwemmen?
-Ja, ik kan het .
Maak je het huiswerk?
-Ja, ik maak het.
eet jij de pasta?
-Ja, ik eet hem.– Recept B
heb ja het boek…Read More
- Load More Posts

1. Heeft zij de taart gebakken? Ja, zij heeft het gebakken.
2. Zien jullie de film vanavond? Ja, wij zien het.
3. Kunnen ze de deur sluiten? Ja, ze kunnen dat doen.
4. Betalen jullie de rekening? Ja, wij betalen het.
5. Willen jullie naar het concert gaan? Ja, dat willen we.
6. Mag ik de pen lenen? Ja, je mag het.
7. Bak je koekjes voor het…Read More