-
Dutchbook huiswerk:✍️
Boek. Pagina 134
Opdracht 6
Plaats jouw antwoorden hieronder:216 Comments-
1. Ben jij bezig met de taart bakken?
2. Zijn jullie aan het bidden?
3. Is zij aan het genieten?
4. Ben jij in een boom aan het klimmen?
5. Is hij over zijn leeftijd aan het liegen?
6. Zijn jullie de bloem aan het ruiken.
7. Zijn ze bezig met kranten lezen?
8. Is zij bezig met besteding rekenen?
9. Ben jij bezig met jouw kleding strijken?
10. Is…Read More -
1. Ik ben bezig met mijn werk.
2. Jij bent bezig met jouw auto.
3. Hij is bezig met een cliënt.
4. Jullie zijn bezig met John.
5. Wij zijn bezig met Nederlands.
6. Zij is bezig met de film.
7. U bent bezig met de telefoon.
8. Wij zijn bezig met het apparaat.
9. Ik ben bezig met het nieuwe spel.
10. Ze zijn bezig met het café. -
1. Ik ben bezig met het huiswerk.
2. Jij bent bezig met het avondeten.
3. U bent bezig met het bedrijf.
4. Hij is bezig met de fiets.
5. Zij is bezig met de laptop.
6. Wij zijn bezig met de kinderen.
7. Jullie zijn bezig met de les.
8. Zij zijn bezig met de krant.
9. Ik ben bezig met de foto’s.
10. Hij is bezig met de huisdieren. -
1. Ik sta tv te kijken.
2. Ik zit mijn huiswerk te maken.
3. Jij ligt in jou bed te slapen.
4. Jullie zitten in het restaurant te eten.
5. Wij zitten in het park te ontspannen.
6. Wij liggen op het strand om te bruinen.
7. Hij staat zijn haar te verven.
8. Wij zitten een bordspel te spelen.
9. Zij staat haar mijn vriend te praten.
10. Jij zit een…Read More -
1. Ik sta mijn oma te bellen.
2. Jij zit een film te kijken.
3. Zij ligt een boek te lezen.
4. Hij staat het avondeten te koken.
5. Wij liggen te mediteren.
6. Jullie zitten met jullie kinderen te spelen.
7. Ik sta water te drinken.
8. Ik zit Nederlands te oefenen.
9. Jij ligt te slapen.
10. Je zit jouw vriend te bellen. -
1. Ik sta om de trein te wachten.
2. Jij ligt een film te kijken.
3. Zij zit haar huiswerk te maken.
4. Hij zit bij de tandarts te wachten.
5. Wij liggen aan het park te zonnebaden.
6. Jullie zitten in het restaurant te eten.
7. Zij staat een taart te bakken.
8. Hij zit te fietsen.
9. Wij zitten te praten.
10. Ik zit met mijn kat te spelen. -
1. Ik lig op de bank en tv te kijken
2. Ik sta mijn oma te bellen
3. Wij lopen de beslissing te nemen
4. Ik zit een broodje te eten
5. Hij ligt het briefje te lezen
6. Zij zit op amazon te kopen
7. Hij loopt zijn baas te bellen
8. Ik zit met jou iets te pratten
9. Zij zit de krant te lezen
10. Jullie staat de uber te booken -
1. Ik zit tv te kijken.
2. Ik zit mijn huishoudelijk werk te maken.
3. Hij ligt op de bank te slaap.
4. Jullie zitten in het café om te drinken.
5. Wij liggen in het park om te ontspannen.
6. Julllie zitten op het strand om te spelen.
7. Hij staat zijn haar te kammen.
8. Wij zitten een bordspel te spelen.
9. Zij staat in het kantoor te…Read More -
-
1. Ik zit mijn oma te bellen.
2. Ik lig een boek te lezen.
3. Wij liggen een film te kijken.
4. Je staat te water drinken.
5. Hij ligt te slapen.
6. Is zij bezig met een vogel kijken?
7. Wij zitten te praten.
8. Hij zit bij het huiswerk te wachten.
9. Zij zitten een bordspel te spelen.
10. We zitten in de tuin de barbecue te maken. -
1. Ik sta de rij te wachten.
2. Ik zit tv te kijken.
3. Je zit het eten te eten.
4. Je staat het eten te koken.
5. Hij ligt het boek te lezen.
6. Zij ligt het verhaal te vertellen.
7. Wij lopen de winkels te kijken
8. Jullie zitten het huiswerk te maken.
9. Ze lopen de vogels te zoeken.
10. U zit het dagboek te schrijven. -
1. Ik zit een boek te lezen.
2. Jij ligt in het bed te slapen .
3. Hij staat op de taxi te wachten.
4. Zij staat eieren te koken.
5. Wij zitten naar de radio te luisteren.
6. Jullie staan met elkaar te praten.
7. Zij liggen naar de sterren te kijken.
8. Ik sta op jou te wachten .
9. Jij ligt een film te kijken.
10. Hij zit in de auto te werken. -
1. Zij loopt naar iemand te bellen.
2. Ik sta op de bus te wachten.
3. Hij zit aan de tafel te studeren.
4. We lopen naar zijn huis om te vergaderen.
5. Jullie liggen op het gras naar de wolken te kijken.
6. We zitten in de klas op de les te wachten.
7. Hij staat aan de ingang op zijn vriendin te wachten.
8. We zitten aan het tafel om te eten.
9.…Read More -
1. Ik zit een boek te lezen.
2. Hij staat te roepen.
3. Zij staat te lachen.
4. Ik lig met mijn telefoon te spelen.
5. Zij staan te wachten.
6. Zij zit een horloge te repareren.
7. Jullie lopen met elkaar te praten.
8. Hij staat de afwas te doen.
9. Zij zit haar jas aan te trekken.
10. Ik zit de deur te openen. -
1. Jij staat de auto te checken.
2. Jij zit het biertje te drinken.
3. Zij staat borden af te wassen.
4. Hij zit een boek te lezen.
5. Jullie liggen yoga te doen.
6. Wij staan een bus te wachten.
7. Zij zitten pizza’s te eten.
8. Jij staat de bank te verleggen.
9. Hij staat een raam schoon te maken.
10. Zij zit haar huiswerk te maken. -
Hij staat de deur open te maken.
Zij staat haar fiets te repareren.
Jullie staan muziek te luisteren.
Zij zit thee te drinken.
Jullie zitten de krant te lezen.
Zij zitten op het balkon te roken.
Ik zit de computer te gebruiken.
Ik lig foto’s te bekijken.
Jij ligt een e-mail te typen.
Jij ligt een boek te schrijven. -
1. Ik zit huiswerk te maken.
2. Je loopt buiten te bellen.
3. U loopt in een park te praten.
4. Hij ligt kranten te lezen.
5. Zij zit in haar auto naar Amsterdam te rijden.
6. Wij zitten in een stadion voetbal te kijken.
7. Zij staat in haar keuken te afwassen.
8. Ik zit over mijn werk te denken.
9. Hij staat warme melk te drinken.
10. Zij zitten…Read More -
1. Ik zit naar muziek te luisteren.
2. Jij ligt een film te kijken.
3. Hij zit naar de docent te luisteren.
4. Zij staat op de bus wachten.
5. Wij staan water te drinken.
6. Jullie zitten op kantoor te werken.
7. Zij staan op de trein te wachten.
8. U zit uw boek te lezen.
9. Ik zit de les te studeren.
10. Jij zit het huiswerk te maken. -
1. Ik zit een film te kijken
2. Zij staat schilderij aan te kijken.
3. Hij zit de trui aan te doen.
4. Ik sta de auto aan te schaffen.
5. Wij zitten een opdracht af te maken.
6. Hij staat kleding af te wassen.
7. Ik zit over eten na te denken.
8. Zij zitten het huiswerk na te kijken.
9. Ik zit het avondeten op te eten.
10. Wij staan het geld op te nemen -
1. Ik zit een boek te lezen.
2. Zij staat dat geld uit te geven.
3. Zij zit haar opdrachten af te maken.
4. Hij staat zijn kleding te wassen.
5. Ik zit onderdelen na te kijken.
6. Ik sta naar muziek te luisteren.
7. Zij ligt spelletjes op haar telefoon te spelen.
8. Zij zitten kranten te lezen.
9. Ik zit een afspraak te maken.
10. Hij staat…Read More -
1. Hij staat tanden te poetsen.
2. Zij staat her jas aan te doen.
3. Ik zit mijn veters te strikken.
4. Hij staat zijn gezicht te wassen.
5. Hij staat met mij te praten.
6. Wij zitten het ijsje te eten.
7. Jij staat de kaarsjes uit te blazen.
8. Hij staat de auto te tanken.
9. Ik sta het raam te wassen.
10. Wij liggen op de bank te slapen. -
1. Hij zit een film te kijken.
2. Hij loopt met zijn hond te wandelen.
3. Jullie zitten het huiswerk te maken.
4. Wij zitten de pasta te eten.
5. Ik sta een kerrie te koken.
6, Hij ligt de krant te lezen.
7. Jullie staan Nederlands te praten.
8. Wij zitten een biertje te drinken.
9. Wij zitten de koffie te drinken.
10. Ik sta in de wachtrij…Read More -
1. Ik lig op het bed te slapen.
2. Zij zit achter de computer te werken.
3. Wij staan het huiswerk te maken.
4. Ik sta het huis schoon te maken.
5. Ik sta elke dag nieuwe woorden te leren.
6. Ik ga elke dag naar park te wandelen.
7. Hij staat auto te rijden.
8. Ik sta achter de tafel te eten.
9. Ik sta naar Jazz muziek te luisteren.
10. Wij staan…Read More-
6. I do not think the verb gaan aplies to this dutch recept.
7. Hij zit in een/de ..
De rest is goed
-
-
1. Ik zit Nederlands te leren.
2. Hij staat kip te koken.
3. Zij staat boodschappen te doen.
4. Ik lig op het bed te slapen.
5. Wij zitten naar het nieuws te kijken.
6. Zij zit haar vriend te bellen.
7. Hij zit een brief te schrijven.
8. Zij zitten spelletjes te spelen.
9. Jullie zitten een opdracht te maken.
10. Wij zitten naar muziek te luisteren. -
1-Hij staat foto’s te maken.
2-Hij staat iemand te bellen.
3-Wij zitten een bericht te typen.
4-Ik zit te studeren.
5-Jij ligt naar muziek te luisteren.
6-Zij liggen een film te kijken.
7- Zij zit soep te eten.
8-Zij staan naar buiten te kijken.
9-Ik zit een spel te spelen.
10-Hij ligt diep te denken. -
1. Jij zit een brief te schrijven.
2. Hij staat zijn verhaal te vertellen.
3. Wij liggen naar de radio te luisteren.
4. Ik zit het huiswerk te doen.
5. Jullie staan tickets te kopen.
6. Ik sta het raam te dichtdoen.
7. Hij ligt de hond te aaien.
8. Jij staat een biertje te drinken.
9. Wij zitten het ontbijt te eten.
10. Jij zit met de kinderen te spelen. -
1. Ik sta een kaartje te kopen.
2. Hij zit een project te werken.
3. Zij ligt de kamer schoon te maken.
4. Jullie staan een foto te maken.
5. Wij zitten een koffer te inpakken.
6. Ik lig een kerstboom te versieren.
7. Hij staat een verhaal te luisteren.
8. Zij zit met studenten te praten.
9. Jullie liggen yoga te doen.
10. Wij staan een bank te monteren. -
1. Hij ligt een film te kijken.
2. Ik zit mijn huiswerk te maken.
3. Zij staan naar boven te kijken.
4. Zij zit avondeten te eten.
5. Zij liggen naar muziek te luisteren.
6. Wij staan naar de wedstrijd te kijken.
7. Ik zit op haar te wachten.
8. Jullie staan op het verhaal te luisteren.
9. Zij ligt op het bed te slapen.
10. Hij zit een koffie te drinken. -
1. Zij zit een film te kijken
2. Zij staat de pasta te maken
3. Jullie liggen in de huis te blijven
4. Zij staan de boom te snoeien
5. Wij zitten naar de muziek te luisteren
6. Zij staan naar de muzikaal concert te luisteren
7. Wij zitten in het restaurant te eten
8. Hij zit een bier te drinken
9. Zij zit een pizza te eten
10. Zij staat op het…Read More -
1. Hij zit een boek te lezen.
2. Zij zit een brief te schrijven.
3. Jullie liggen op het strand te ontspannen.
4. Jullie staan om hulp te vragen.
5. Hij staat de auto te wassen.
6. Wij zitten koffie te drinken op het terras.
7. Hij staat zijn jas te zoeken.
8. Jullie staan met elkaar te praten.
9. Zij ligt op de bank te rusten
10. Zij staan in de…Read More -
1. Hij zit met zijn laptop te werken.
2. Zij zit met een boek te lezen.
3. Ik zit met een pen te schrijven.
4. Wij staan met borden te protesteren.
5. Jullie staan met camera’s te filmen.
6. Hij ligt met zijn telefoon te scrollen.
7. Zij ligt met een dekentje te slapen.
8. Ik sta met mijn kat te spelen.
9. Ze zitten met hun kaarten te…Read More -
1. Ik sta met mijn vriend te praten.
2. Jij zit met jouw koffie te genieten.
3. Hij zit zijn een pen te tekenen.
4. Zij zit met haar kat te knuffelen.
5. Jullie zitten met jullie agenda te planen.
6. Wij staan met koekjes te bakken.
7. Zij staan met de fietsen te vertrekken.
8. Ik zit met de piano te spelen.
9. Hij staat met de kwast te…Read More -
1. Ik zit met mijn collega te werken.
2. Jij staat op de line te registeren.
3. Hij zit met zijn laptop te plannen.
4. Wij zitten met ons drinken te praten.
5. Ik sta met mijn mening te spreken.
6. Zij ligt met haar boeken te lezen.
7. Hij ligt met zijn bot te likken.
8. Jij zit met de gitaar te spelen.
9. Jullie staan met de bezoekers te…Read More -
1. Ik zit een boek te lezen.
2. Hij staat in de keuken te koken.
3. Zij ligt op de bank te slapen.
4. Wij zitten op het terras koffie te drinken.
5. Jullie staan in de winkel te wachten.
6. Hij zit achter zijn laptop te werken.
7. Zij staat haar jas te strijken.
8. Ik lig op bed te ontspannen.
9. Ze zitten samen te praten.
10. Hij staat de auto te wassen. -
1. Ik zit een boom te tekenen.
2. Ik lig een boek te lezen.
3. Zij staat een roman te schrijven.
4. Hij staat de klanten te bedienen.
5. We staan het bed te verven.
6. Zij staan de buurt te verkennen.
7. We liggen Netflix te kijken.
8. Hij staat eieren te bakken.
9. Ik lig een bericht te sturen.
10. Ik zit paddenstoelen te wassen -
1. Ik zit een artikel te lezen.
2. Zij ligt muziek te luisteren.
3. Wij lopen Nederlands te oefenen.
4. Jullie zitten een brief te schrijven.
5. Hij staat een plan te bespreken.
6. Zij ligt een film te kijken.
7. Ik loop een probleem te onderzoeken.
8. Hij staat koffie te maken.
9. Ik zit een nieuw project te beginnen.
10. Jullie zitten de data te…Read More -
1- Hij zit de televisie te kijken.
2- Ik lig een boek te lezen.
3- Zij zit haar huiswerk te maken.
4- Jullie staan de schilderijn in het museum te bekijken.
5- Wij staan het ontbijt te maken.
6- Jullie zitten een boek te schrijven.
7- Ik zit een afspraak te maken.
8- Zij zit een trui te breien.
9- Hij lig naar muziek te luisteren.
10- Zij staat…Read More -
1. Ik sta koffie te maken.
2. Hij staat een foto te nemen.
3. Ik lig een video te kijken.
4. Zij ligt een idee te bedenken.
5. Ik sta het raam te schilderen.
6. Ik loop het nieuws te volgen.
7. Hij ligt de muziek te luisteren.
8. Ik sta een fout te herstellen.
9. Ik sta de kinderen te roepen.
10. Wij staan lunch te bestellen. -
1. Zij lopen tijdens de lunch naar muziek te luisteren.
2. Zij zit op haar stoel naar het bedrijf te bellen.
3. Ik lig op mijn bed het boek te lezen.
4. Hij staat te dansen.
5. Zij staan daar te horen.
6. Ze zitten op de vloer te spelen.
7. Wij liggen op het bed een verhaal te vertellen.
8. Hij staat buiten op haar te wachten.
9. Zij liggen te…Read More -
1. Ik sta in de rij te betalen.
2. Jij zit je huiswerk te maken.
3. Hij staat het avondeten te koken.
4. Wij zitten te mediteren.
5. Ik zit een glas water te drinken.
6. Ik lig een boek te lezen.
7. Jullie staan met jullie collega’s te praten.
8. We zitten op onze bank tv te kijken.
9. Zij staat op het balkon te wachten.
10. Ik zit puzzels…Read More -
1. Ik zit een brief te schrijven.
2. Jij staat op de bus te wachten.
3. Hij zit een krant te lezen.
4. Wij staan met de leraar te praten.
5. Jullie zitten een film te kijken.
6. Zij staat haar fiets te repareren.
7. Wij liggen in het park te ontspannen.
8. Hij zit koffie te drinken.
9. Zij zitten een spel te spelen.
10. Hij zit een bier te drinken. -
1. Zij zitten hun huiswerk te maken.
2. Jij ligt muziek te luisteren.
3. Wij staan foto’s te nemen.
4. Hij loopt met zijn hond te spelen.
5. Ik zit een e-mail te typen.
6. Jullie staan buiten te roken.
7. Zij liggen naar de sterren te kijken.
8. Hij hangt tegen de muur te bellen.
9. Wij zitten plannen te maken.
10. Jij staat iemand te helpen. -
1.Ik zit een boek te lezen.
2.Jij staat koffie te drinken.
3.Hij loopt in het park te wandelen.
4.Wij zitten een film te kijken.
5.Zij ligt op de bank te slapen.
6.Jullie staan met elkaar te praten.
7.Ik loop met mijn vriend te lachen.
8.Hij zit een bericht te schrijven.
9.Wij liggen naar muziek te luisteren.
10.Jij staat op de bus te wachten. -
1. Hij zit zijn ontbijt te eten.
2. De kat ligt te slapen.
3. De kinderen lopen te lachen.
4. Hij loopt te zingen.
5. Zij staat te praten.
6. Wij zitten t.v te kijken.
7. Hij staat te roken.
8. De dames zitten te breien.
9. De leerlingen zitten te tekenen.
10. Ik zit koffie te drinken. -
1. Ik zit TV te kijken.
2. Hij liegt op de bank te slapen.
3. Zij staat te roken.
4. Je loopt te lachen.
5. Jullie zitten onbijt te eten.
6. Wij zitten naar de muziek te luisteren.
7. Ik zit instructies te lezen.
8. Hij zit een koffie te drinken.
9. Zij liegt in bed te nadenken.
10. Zij zit een brief te schrijven. -
1. Ik zit een boek te lezen.
2. Zij ligt naar de televisie te kijken.
3. Wij staan op de bus te wachten.
4. Hij loopt een ijsje te eten.
5. De kinderen zitten te tekenen.
6. Mijn kat ligt te slapen.
7. Jij staat bij het raam te kijken.
8. Zij lopen te praten.
9. Mijn zus zit een brief te schrijven.
10. Mijn opa staat naar de tuin te kijken. -
1. Ik zit een e-mail te typen.
2. Hij zit televisie te kijken.
3. Zij zit wiskunde te studeren.
4. Ik sta op de bus te wachten.
5. Hij staat het eten te koken.
6. Ik lig een serie te kijken.
7. Hij ligt te slapen.
8. Wij lopen in het park te praten.
9. Ik zit een appel te eten.
10. Zij staat naar de vogels te kijken. -
1. Ik loop ijs te eten.
2. Je ligt een boek te lezen.
3. Ze staat yoga te beoefenen.
4. Hij zit te mediteren.
5. U lacht haar te omhelzen.
6. Zij huilt naar huis te gaan.
7. Jullie staan mijn naam te roepen.
8. Wij zitten over het project te spreken
9. We rennen voetbal te spelen.
10. Ze liggen stern te telen. -
1. Mijn broer ligt een film te kijken.
2. Ik zit aantekeningen te schrijven.
3. Wij zitten naar de muziek te luisteren.
4. Jullie zitten achter de laptop te werken.
5. Hij staat op de bus te wachten.
6. Ik sta koffie te maken.
7. Ik sta de boodschappen te doen.
8. Zij staat met vrienden te praten.
9. Wij liggen in bed te slapen.
10. Zij zitten de…Read More -
1. Ik sta de gootsteen schoon te maken.
2. Je zit bankbiljetten te tellen.
3. U zit over een groot feest te dromen.
4. Hij staat zijn kind in de gaten te houden.
5. Zij loopt water naar de zee te dragen.
6. We zitten gebakjes te eten.
7. Jullie liggen met dit snikhete weer te zweten.
8. Ze lopen over nieuwe ideeën na te denken.
9. Jij staat hem h…Read More -
1. U staat een brief te schrijven.
2. Ik lig over mijn onderzoek na te denken.
3. Zij staat de les uit te leggen.
4. Hij zit de resultaten te analyseren.
5. Wij liggen op het strand te zonnen.
6. Ik lig in bed series te kijken.
7. Je zit het huiswerk af te maken.
8. Jullie zitten televisie te kijken.
9. Wij staan naar het uitzicht op het balkon te…Read More -
1. Ik sta (naar) dieren te kijken.
2. Jullie zitten te eten.
3. Hij staat hier voor de trein te wachten.
4. Ik zit te lezen.
5. Ik lig hier te rusten. -
1. Ik loop in de bergen te wandelen.
2. Ik sta te roken.
3. Zij zit een boek te lezen.
4. Hij staat met de buurman te praten.
5. Zij ligt te slapen.
6. Ik sta bij de bushalte te wachten.
7. Peter zit een brief te schrijven.
8. Anna zit haar vriend te bellen.
9. Jullie zitten in de klas te luisteren naar de leraar.
10. Ik zit op de bank te tekenen. -
1. Ik zit in de bibliotheek een boek te lezen.
2. Hij staat in de keuken eten te koken.
3. Wij lopen in het park te praten.
4. Hij zit om acht uur op de bank te ontspannen.
5. Zij staan bij het koffiezetapparaat te roken. -
1. Ik zit met mijn man over vakantie te praten.
2. Hij ligt op het bed te rusten.
3. Ik sta in Eindhoven met mijn vriend te wachten.
4. Hij zit op de bank naar tv te kijken.
5. Ik sta op kantoor een presentatie te geven.
6. Hij zit op de fiets naar de sportschool te fietsen.
7. Ze loopt in het park te ontspannen.
8. Hij staat in de tuin een…Read More -
1. Ik zit op de bank want eten bestellen.
2. Ik lig op het bed over mijn toekomst te dromen.
3. Ze wandelen in het park over een film praten.
4. De patiënt zit op de bank haar klachten te vertellen.
5. Ik zit op de stoel te werken.
6. Ze zitten op de stoel naar een lezing te luisteren.
7. Ze staat op bezwaar maken. -
1- Ik ben het boek aan het lezen.
2- Ik ben bezig met de maaltijd eten.
3- Hij is bezig met zijn jas verkopen.
4- Ze is de afwas aan het doen.
5- Hij is de boom aan het snoeien.
6- Jullie zijn op vakantie aan het gaan.
7- Zij is bezig met koffie maken.
8- Hij is met zijn vriend aan het leren.
9- Jij bent bezig met het huiswerk maken.
10- Ik ben…Read More -
1. Ik zit bij de kapper op mijn beurt te wachten.
2. Hij staat in de supermarkt groente uit te kiezen.
3. Zij ligt in bed een podcast te luisteren.
4. Wij zitten in het restaurant het menu te bekijken.
5. Jullie staan bij de ingang kaartjes te controleren.
6. Hij zit bij de dokter zijn klachten uit te leggen.
7. Zij loopt langs het…Read More -
1. Ik zit op de bank te lezen.
2. Jij staat in de keuken te koken.
3. Hij zit aan tafel te eten.
4. Zij ligt in bed te slapen.
5. Wij staan bij de deur te wachten.
6. Jullie zitten in de klas te praten.
7. Zij lopen in het park te wandelen.
8. Ik lig op de bank te rusten.
9. Hij staat aan de telefoon te bellen.
10. Jij loopt door de kamer te zingen. -
1. Wij staan op straat te praten.
2. Ik loop in het park te denken.
3. Hij staat dichtbij de winkel te bellen.
4. Jullie liggen op de bank te kijken.
5. Jij zit op de stoel te eten. -
1. Wij staan bij het koffiezetapparaat te praten.
2. Hij zit op de bank een ijsje te eten.
3. Zij loopt op de straat naar muziek te luisteren.
4. Jullie zitten in het stadium naar voetbal match te kijken.
5. Zij zit op de vloer haar radio te repareren.
6. Wij ligt op het bed een film te kijken.
7. Ik sta bij de winkel op mijn vriendin te…Read More -
1. Ik zit in de tuin een boek te lezen.
2. Zij ligt op het bed naar muziek te luisteren.
3. Hij staat in de keuken af te wassen.
4. Zij lopen in het park met elkaar te praten.
5. Wij zitten aan tafel kaarten te spelen.
6. Ik lig op de bank een documentaire te kijken.
7. Zij staat voor de spiegel haar haar te borstelen.
8. Hij loopt naar school aan…Read More -
• Ik zit op de bank op mijn broer te wachten
• Ik lig in bed een serie aan te kijken
• Jullie zitten naar radio te luisteren
• Ik zit op de bank mijn moeder te bellen
• Hij zit op de stoel water te drinken
• Hij ligt op de bank kinderenverhaal te vertalen
• Jullie staan op kantoor te luisteren naar de collega
Hij zit op de stoel water te drinken
- Load More Posts

goed