-
Dutchbook huiswerk:✍️
Boek. Pagina 134
Opdracht 4
Plaats jouw antwoorden hieronder:233 Comments-
1. Ik ben bezig met duolingo oefenen.
2. Jij bent bezig met voetbal kijken.
3. Zij zijn bezig met feesten.
4. Hij is bezig met werken.
5. Zij is bezig met exerceren.
6. Wij zijn bezig met een beslissing nemen.
7. Jullie zijn bezig met taken uitvoeren.
8. Ik ben bezig met plannen maken.
9. Zij zijn bezig met ruzie maken.
10. Wij zijn bezig met de…Read More -
1. Ik ben bezig met werken.
2. Jij bent bezig met tennissen.
3. Hij is bezig met koken.
4. Zij is bezig met schilderen.
5. Wij zijn bezig met schoonmaken.
6. Jullie zijn bezig met schrijven.
7. Zij zijn bezig met gamen.
8. Ik ben bezig met koken.
9. Hij is bezig met wassen.
10. Wij zijn bezig met drinken. -
1. Ik ben bezig met de fiets.
2. Ik ben bezig met fietsen.
3. Jullie zijn bezig met de computer
4. Jij bent bezig met de machine.
5. Wij zijn bezit met de oefening.
6. ik ben bezit met het rapport.
7. Ik ben bezig met het boerderij.
8. Hij bent bezig met de activiteit.
9. Hij bent bezig met de afspraak.
10. Anna bent bezig met het aanbod. -
1. Ik ben bezig met documentatie schrijven.
2. Jij bent bezig met ontwerpen.
3. Hij is bezig met het probleem oplossen.
4. Zij is bezig met organiseren.
5. Jullie zijn bezig met presenteren.
6. Ik ben bezig met repareren.
7. Wij zijn bezig met schoonmaken.
8. Ze zijn bezig met trainen.
9. Wij zijn bezig met testen.
10. Ik ben bezig met boodschappen. -
1. Ik ben bezig met lezen.
2. Jij bent bezig met opschrijven.
3. Hij is bezig met evalueren.
4. U bent bezig met lesgeven.
5. Zij is bezig met bellen.
6. Wij zijn bezig met luisteren.
7. Jullie zijn bezig met schoonmaken.
8. Zij zijn bezig met repareren.
9. Hij is bezig met zwemmen.
10. Wij zijn bezig met lopen. -
1. Ik ben bezig met werken.
2. Ik ben bezig met koken.
3. Jullie zijn bezig met schoonmaken.
4. Zij zijn bezig met studeren.
5. Hij is bezig met leren.
6. Zij is bezig met opruimen.
7. Wij zijn bezig met afwassen.
8. Jij bent bezig met fietsen.
9. U bent bezig met gamen.
10. Ik ben bezig met rijden -
1. Ik ben bezig met werken.
2. Jij bent bezig met onderzoeken.
3. U bent bezig met lezen.
4. Hij is bezig met koken.
5. Zij is bezig met hardlopen.
6. Wij zijn bezig met praten.
7. Jullie zijn bezig met klaarmaken.
8. Zij zijn bezig met winkelen.
9. Zij is bezig met schrijven.
10. Ik ben bezig met schoonmaken. -
1. Ik ben bezig met wandelen.
2. Jij bent bezig met dragen.
3. U bent begig met winkelen.
4. Hij is bezig met springen.
5. Zij is bezig met dienen.
6. Jullie zijn bezig met ophangen.
7. Wij zin bezig met varen.
8. Ze zijn bezig met versieren.
9. Hij is bezig met verhuizen.
10. Zij is bezig met bellen. -
Ik ben bezig met klusjes
Jij bent bezig met werken
Ik ben bezig met opruimen
Jullie zijn bezig met roddelen
Hij is bezig met boeren
Zij is bezig met studeren
Wij zijn bezig met repareren
Hij is bezig met afwassen
Zij is bezig met tuinieren
Ik ben bezig met schilderen -
1. Ik ben bezig met zwemmen.
2. Ik ben bezig met ontwerpen.
3. Jij bent bezig met bouwen.
4. Jij bent bezig met vergaderen.
5. Zij is bezig met spelen.
6. Hij is bezig met trainen.
7. Wij zijn bezig met wandelen.
8. Jullie zijn bezig met wachten.
9. Zij zijn bezig met zeilen.
10. U bent bezig met parkeren. -
1. Zij is bezig met denken.
2. Zij is bezig met schoonmaken.
3. Hij is bezig met koken.
4. Ik ben bezig met schrijven.
5. Anna is bezig met schilderen.
6. Peter is bezig met tuinieren.
7. De studenten zijn bezig met leren.
8. Jullie zijn bezig met bewegen.
9. Zij is bezig met het raam dichtdoen.
10. Hij is bezig met een film analyseren. -
1. Ik ben bezig met lezen.
2. Jij bent bezig met slapen.
3. Hij is bezig met lopen.
4. Zij is bezig met koken.
5. Wij zijn bezig met hardlopen.
6. Jullie zijn bezig met praten.
7. Zij zijn bezig met wandelen.
8. Ik ben bezig met wachten.
9. Jij bent bezig met kijken.
10. Hij is bezig met werken. -
1. Ik ben bezig met douchen.
2. Zij is bezig met tandenpoetsen.
3. Zij zijn bezig met schaatsen.
4. Jullie zijn bezig met vechten.
5. Hij is bezig met rekenen.
6. Wij zijn bezig met vieren.
7. Hij is bezig met aankleden.
8. Zij is bezig met bespreken.
9. Je bent bezig met delen.
10. Ik ben bezig met vergaderen. -
1. Ik ben bezig met studeren.
2. Hij is bezig met schoonmaken.
3. Zij is bezig met werken.
4. Wij zijn bezig met oefenen.
5. Zij zijn bezig met bereiden.
6. Hij is bezig met uitzoeken.
7. Wij zijn bezig met versieren.
8. Zij is bezig met regelen.
9. Ik ben bezig met rijden.
10. Zij is bezig met controleren. -
1. Ik ben bezig met opruimen.
2. Zij is bezig met wassen.
3. Hij is bezig met winkelen.
4. Wij zijn bezig met oefenen.
5. Ik ben bezig met vergaderingen.
6. Wij zijn bezig met koken.
7. Hij is bezig met bouwen.
8. Ik ben bezig met onderzoeken.
9. Jij bent bezig met aanpakken.
10. Jullie zijn bezig met uitwerken. -
-bezig met-
1. Ik ben bezig met werken.
2. Zij is bezig met opruimen
3. We zijn bezig met inpakken.
4. Jullie zijn bezig met verhuizen.
5. Ik ben bezig met koken.
-zitten/staan/liggen +te-
6, Ik lig te lezen.
7, Zij staat terug te bellen.
8, Ik sta af te wassen
9, Je zit op te schrijven
10, Wij staan te roken. -
1. Ik ben bezig met koken.
2. Zij is bezig met dansen.
3. Hij is bezig met presenteren.
4. Jij bent bezig met knippen.
5. Jullie zijn bezig met onderzoeken.
6. Hij staat te strijken.
7. Jullie zitten te lezen.
8. Ik sta te telefoneren.
9. Jullie staan te praten.
10. Zij zit te mediteren. -
1. Ik ben bezig met schrijven.
2. Jij bent bezig met trainen.
3. Zij is bezig met afwassen.
4. Hij is bezig met verhuizen.
5. Jullie zijn bezig met fietsen.
6. Wij staan te praten.
7. Zij zitten te eten.
8. Jij staat uit te leggen.
9. Hij staat te bellen.
10. Zij zit te lezen. -
Ik ben bezig met leren.
Jullie zijn bezig met lezen.
Hij is bezig met wandelen.
Zij is bezig met lopen.
Ik ben bezig met rennen.
Wij zijn bezig met repareren.
Je bent bezig met verhuizen.
U bent bezig met eten.
Ik ben bezig met drinken.
Zij zijn bezig met zwemmen. -
1. Ik ben bezig met studeren.
2. Je bent bezig met hardlopen.
3. U bent bezig met fietsen.
4. Hij zit te lezen.
5. Zij is bezig met verhuizen.
6. Wij zijn bezig met voetballen.
7. Zij zijn bezig met afwassen.
8. Ik lig te denken.
9. Hij staat te drinken.
10. Zij is bezig met eten. -
1. Ik ben bezig met schrijven.
2. Jij bent bezig met sporten.
3. Hij is bezig met trainen.
4. Zij is bezig met werken.
5. Wij zijn bezig met spelen.
6. Jullie zijn bezig met reizen.
7. Zij zijn bezig met lezen.
8. U bent bezig met leren.
9. Ik ben bezig met schoonmaken.
10. Jij bent bezig met praten. -
1. Ik ben bezig met studeren.
2. Hij is bezig met werken.
3. Zij is bezig met koken.
4. Wij zijn bezig met praten.
5. Zij zijn bezig met schoonmaken.
6. Ik zit te lezen.
7. Zij ligt te slapen.
8. Hij zit te eten.
9. Zij zitten te drinken.
10. Hij staat te zingen.-
Goed! De zinnen zijn goed maar.
“bezig met ..” applies to tasks (zin 4)
6 t/m 10 .. I think this structure applies to assigment 4.
-
-
1. Ik ben bezig met werken.
2. Hij is bezig met bevestigen.
3. Zij zijn bezig met voetbal spelen.
4. Jullie zijn bezig met leren.
5. Ik ben bezig met opruimen.
6. Hij is bezig met schoonmaken.
7. Je bent bezig met koken.
8. Ik ben bezig met hardlopen.
9. Je bent bezig met schilderen.
10. Jullie zijn bezig met trainen. -
1. Ik ben bezig met werken.
2. Ik ben bezig met schrijven.
3. Zij is bezig met rijden.
4. Jullie zijn bezig met oefenen.
5. Wij zijn bezig met wandelen.
6. Je bent bezig met programmeren.
7. Ik ben bezig met ontwerpen.
8. Zij is bezig met studeren.
9. Hij is bezig met verstellen.
10. Ik ben bezig met plannen. -
1-Ik ben bezig met zwemmen
2-Jij bent bezig met slapen.
3-Hij is bezig met lezen.
4-Wij zijn bezig met dansen.
5-Zij zijn bezig met werken.
6-Jullie zijn bezig met praten.
7-Jij bent bezig met rennen.
8-Hij is bezig met bellen.
9-Wij zijn bezig met zingen.
10-Ik ben bezig met schrijven. -
1. Ik ben bezig met voorbereiden.
2. Jij bent bezig met snijden.
3. Hij is bezig met vergelijken.
4. Zij is bezig met bakken.
5. Wij zijn bezig met typen.
6. Jullie zijn bezig met reizen.
7. Zij zijn bezig met lezen.
8. U bent bezig met drukken.
9. Ik ben bezig met schoonmaken.
10. Jij bent bezig met schrijven. -
1. Ik ben bezig met werken.
2. Jij bent bezig met lopen.
3. Zij is bezig met spelen.
4. Hij is bezig met winkelen.
5. Jullie zijn bezig met reizen.
6. Wij zijn bezig met inpakken.
7. Ik ben bezig met antwoorden.
8. Jij bent bezig met baden.
9. Ze zijn bezig met verhuizen.
10. Zij is bezig met luisteren. -
1. Zij is bezig met fullen
2. Hij is bezig met sturen
3. Zij is bezig met spelen
4. Hij is bezig met lopen
5. Jullie zijn bezing met rijden
6. Hij is bezig met opbouwen
7. Wij zijn bezig met schrijven
8. Zij zijn bezig met leren
9. Ik ben bezig met koken
10. Hij is bezig met snijden -
1. Zij is bezig met kijken.
2. Hij is bezig met helpen.
3. Ik ben bezig met nadenken.
4. Jullie zijn bezig met spellen.
5. Ik ben bezig met bellen.
6. Hij is bezig met uitlaten.
7. Wij zijn bezig met winkelen.
8. Jullie zijn bezig met koken.
9. Wij zijn bezig met wassen.
10. Ik ben bezig met kleden. -
1. Hij is bezig met koken.
2. Zij is bezig met lezen.
3. Jullie zijn bezig met studeren.
4. Hij is bezig met uitleggen.
5. ik ben bezig met schilderen.
6. Zij is bezig met opruimen.
7. Zij zijn bezig met spelen.
8. Zij zijn bezig met wandelen.
9. Hij is bezig met typen.
10. Ik ben bezig met schrijven. -
1. Ik ben bezig met organisieren.
2. Jij bent bezig met naaien.
3. Zij is bezig met naaien.
4. Hij is bezig met tuinieren.
5. Jullie zijn bezig met afwassen.
6. Wij zijn bezig met knutselen.
7. Zij zijn bezig met ontbijten.
8. Ik ben bezig met bakken.
9. Jij bent bezig met douchen.
10. Hij is bezig met stofzuigen. -
1. Ik ben bezig met online zoeken.
2. Jij bent bezig met eten.
3. Hij is bezig met wassen.
4. Wij zijn bezig met verklaren.
5. Zij is bezig met plannen.
6. Jij bent bezig met regelen.
7. Ik ben bezig met dansen.
8. Jullie zijn bezig met spelen.
9. U bent bezig met meubel.
10. Wij zijn bezig met verhuizen. -
1. Ik ben bezig met gitaar spelen.
2. Jij bent bezig met fiets fietsen.
3. Hij is bezig met huiswerk maken.
4. Zij is bezig met de afwas doen.
5. Jullie zijn bezig met muziek luisteren.
6. Ik ben bezig met gitaar spelen.
7. Jij bent bezig met fietsen.
8. Hij is bezig met huiswerk maken.
9. Zij is bezig met de afwas.
10. Jullie zijn bezig met…Read More -
1. Ik ben bezig met koken.
2. Jij bent bezig met opstellen.
3. Ze is bezig met onderzoeken.
4. Hij is bezig met verven.
5. We zijn bezig met schoonmaken.
6. Ze is bezig met breien.
7. Jullie zijn bezig met bowen.
8. Ze zijn bezig met adverteren.
9. Ik ben bezig met uitleggen.
10. We zijn bezig met repareren. -
1. Wij zijn bezig met repareren.
2. Zij is bezig met oefenen.
3. Hij js bezig met onderzoeken.
4. Ik ben bezig met oplossen.
5. Jullie zijn bezig met beschrijven.
6. Je bent bezig met ontdekken.
7. Ik ben bezig met verbeteren.
8. Wij zijn bezig met plannen.
9. Hij is bezig met onderhandelen.
10. Jullie is bezig met reizen. -
1- Ik ben bezig met praten.
2- Hij is bezig met lezen.
3- Zij is bezig met beluisteren.
4- Jullie is bezig met wachten.
5- Zij zijn bezig met plannen.
6- Wij zijn bezig met wandelen.
7- Hij is bezig met schilderen.
8- Zij is bezig met dansen.
9- Jij bent bezig met schrijven.
10- Ik ben bezig met TV kijken. -
1. Hij is bezig met aanvallen.
2. Zij is bezig met klaarmaken.
3. Hij is bezig met afwassen.
4. Zij zijn bezig met samenwerken.
5. Hij is bezig met reageren.
6. Zij zijn bezig met ontwikkelen.
7. Hij is bezig met opruimen.
8. Zij is bezig met vergelijken.
9. Hij is bezig met indrukken.
10. Jij bent bezig met goedkeuren. -
1. Ik ben bezig met opruimen.
2. Hij is bezig met sporten.
3. Zij is bezig met poetsen.
4. Jij bent bezig met strijken.
5. Wij zijn bezig met verhuizen.
6. Zij zijn bezig met mailen.
7. Jullie zijn bezig met oefenen.
8. U bent bezig met tekenen.
9. Ik ben bezig met documenteren.
10. Hij is bezig met herhalen. -
1. Ik ben bezig met spelen.
2. Jij bent bezig met wandelen.
3. Zij is bezig met vergaderen.
4. Hij is bezig met hardlopen.
5. Jullie zijn bezig met praten.
6. Wij zijn bezig met inpakken.
7. Ze zijn bezig met schoonmaken.
8. Ik ben bezig met een tekening.
9. Zij is bezig met puzzels oplossen.
10. We zijn bezig met winkelen. -
1. Ik ben bezig met lezen.
2. Hij is bezig met bouwen.
3. Zij is bezig met schilderen.
4. Jij bent bezig met leren.
5. Wij zijn bezig met plannen.
6. Zij zijn bezig met trainen.
7. Jullie zijn bezig met organiseren.
8. U bent bezig met schrijven.
9. Ik ben bezig met repareren.
10. Hij is bezig met voorbereiden. -
1. Ik ben bezig met schilderen.
2. Wij zijn bezig met eten.
3. Zij is bezig met koken.
4. Wij zijn bezig met het huiswerk maken.
5. De leerlingen zijn bezig met schrijven.
6. Ik ben bezig met rijden.
7. De dames zijn bezig met boodschappen.
8. Hij is bezig met parkeren.
9. Wij zijn bezig met oefenen.
10. Ik ben bezig met tuinieren. -
1. Ik ben bezig met koken.
2. Jij bent bezig met lezen.
3. Hij is bezig met opruimen.
4. Wij zijn bezig met studeren.
5. Jullie zijn bezig met werken.
6. Zij zijn bezig met schilderen.
7. Ik ben bezig met schrijven.
8. Jij bent bezig met bellen.
9. Hij is bezig met leren.
10. Wij zijn bezig met wandelen. -
1.Ik ben bezig met lezen.
2.Wij zijn bezig met studeren.
3.Hij is bezig met werken.
4.Zij is bezig met bellen.
5.De kinderen zijn bezig met spelen.
6.Ik ben bezig met schoonmaken.
7.De man is bezig met koken.
8.Wij zijn bezig met leren.
9.Mijn moeder is bezig met wassen.
10.De studenten zijn bezig met oefenen. -
1. Ik ben bezig met koken.
2. Jij bent bezig met lezen.
3. Hij is bezig met opruimen.
4. Wij zijn bezig met studeren.
5. Jullie zijn bezig met werken.
6. Zij zijn bezig met schilderen.
7. Ik ben bezig met schrijven.
8. Jij bent bezig met bellen.
9. Hij is bezig met leren.
10. Wij zijn bezig met wandelen. -
1. Ik ben bezig met afwassen.
2. Je bent bezig met schoonmaken.
3. Hij is bezig met studeren.
4. Ze is bezig met spelen.
5. Zij is bezig met lopen.
6. We zijn bezig met afspreken.
7. Wij zijn bezig met opruimen.
8. Jullie zijn bezig met opbellen.
9. Ze zijn bezig met repareren.
10. Zij zijn bezig met trainen. -
1. Ik ben bezig met spelen.
2. Je bent bezig met werken.
3. Hij is bezig met verkopen.
4. Zij is bezig met verhuizen.
5. Jullie zijn bezig met nadenken.
6. Wij zijn bezig met verbeteren.
7. Ik ben bezig met schrijven.
8. Hij is bezig met repareren.
9. Zij is bezig met praten.
10. Je bent bezig met bellen. -
1. Ik ben bezig met opruimen.
2. Zij is bezig met Nederlands leren.
3. Wij zijn bezig met het avondeten klaarmaken.
4. Hij is bezig met een e-mail schrijven.
5. Jullie zijn bezig met een feest organiseren.
6. Zij zijn bezig met een huis uitzoeken.
7. Jij bent bezig met fitnessen.
8. Mijn broer is bezig met een fiets repareren.
9. Mijn collega’s…Read More -
1. Ik ben bezig met studeren.
2. Ik ben bezig met in pakken.
3. Zij zijn bezig met schoonmaken.
4. Hij is bezig met programmeren.
5. Wij zijn bezig met plannen.
6. Zij is bezig met vertalen.
7. Jullie zijn bezig met bakken.
8. Ik ben bezig met repareren.
9. Hij is bezig met tuinieren.
10. Wij zijn bezig met schilderen. -
1. Wij zijn bezig met plannen.
2. U bent bezig met de was.
3. Hij is bezig met huiswerk maken.
4. De kinderen zijn bezig met spelen.
5. Ik ben bezig met schrijven.
6. Zij zijn bezig met leren.
7. Jullie zijn bezig met verhuizen.
8. Mijn moeder is bezig met tuinieren.
9. Zij is bezig met poetsen.
10. Je bent bezig met nadenken. -
1. Ik ben bezig met opvoeden.
2. Je bent bezig met verzorgen.
3. Jij bent bezig met naaien.
4. U bent bezig met verhuizen.
5. Hij is bezig met inpakken.
6. Zij is bezig met investeren.
7. We zijn bezig met solliciteren.
8. Wij zijn bezig met presenteren.
9. Jullie zijn bezig met testen.
10. Ze zijn bezig met ontwikkelen. -
1. Ik ben bezig met uitleggen
2. Je bent bezig met presenteren.
3. Wij zijn bezig met samenwerken.
4. U bent bezig met opruimen.
5. Hij is bezig met oefenen.
6. Zij is bezig met studeren.
7. Ik ben bezig met vergaderen.
8. Je bent bezig met onderhandelen.
9. Jullie zij bezig met plannen.
10. Zij zijn bezig met tekenen. -
1. Zij is bezig met winkelen.
2. Jullie zijn bezig met snoeien.
3. U bent bezig met planten.
4. Wij zijn bezig met plannen.
5. Ik ben bezig met zoeken.
6. Ze zijn bezig met zwemmen.
7. Hij is bezig met bouwen.
8. Jullie zijn bezig met repareren.
9. Zij is bezig met vissen.
10. Hij is bezig met sporten. -
1.Ik ben bezig met studeren
2.Ik ben bezig met verkleden
3.Jij bent bezig met shoppen
4.We zijn bezig met eten
5.Jullie zijn bezig met wandelen
6.We zijn bezig met hardlopen
7.Hij is bezig met zwemmen
8.Ik ben bezig met onderzoeken
9.Jij bent bezig met voorbereiden
10.Zij zijn bezig met koken -
1. Ik ben bezig met koken in de keuken.
2. Jij bent bezig met Nederlands lezen in de woonkamer.
3. Hij is bezig met schrijven.
4. Zij is bezig met werken op haar laptop.
5. Hij is bezig met studeren voor een toets.
6. Ik ben bezig met opruimen.
7. Ik ben bezig met het huis schoonmaken.
8. De cursisten zijn bezig met een opdracht (maken).
9.…Read More -
1. Ik ben bezig met werken.
2. Wij zijn bezig met koken.
3. Jij bent bezig met werk zoeken.
4. Jullie zijn bezig met repareren.
5. Hij is bezig met sporten.
6. Zij is bezig met leren.
7. Ik ben bezig met plannen.
8. Hij is bezig met studeren.
9. Jij bent bezig met racen.
10. Ik ben bezig met trainen. -
1. Ik ben bezig met winkelen.
2. Ik ben bezig met nadenken.
3. Hij is bezig met klagen.
4. Ze is bezig met wachten.
5. Jullie zijn bezig met zitten.
6. Hij is bezig met bestellen.
7. Hij is bezig met betalen.
8. Zij zijn bezig met draagen.
9. Jullie zijn bezig met spelen.
10. Ze is bezig met parkeren. -
1. Ik ben bezig met maaien.
2. Hij is bezig met corrigeren.
3. Zij is bezig met genesen.
4. Hij is bezig met schilderen.
5. Ze zijn bezig met poetsen.
6. Ze zijn bezig met beroven.
7. Ik ben bezig met serveren.
8. Ik ben bezig met onderhandelen.
9. Jij bent bezig met autorijden.
10. Jullie zijn bezig met trainen. -
1- Ik ben bezig met lezen.
2- Hij is bezig met spelen.
3- Zij is bezig met studeren.
4- Jullie zijn bezig met koken.
5- Wij zijn bezig met schoonmaken.
6- Hij is bezig met snoeien.
7- Ik ben bezig met repareren.
8- Ze is bezig met sporten.
9- Ik ben bezig met kijken.
10- Hij is bezig met bouwen. -
1. Ik ben bezig met koken.
2. Jij bent bezig met lezen.
3. Hij is bezig met werken.
4. Zij is bezig met leren.
5. Wij zijn bezig met eten.
6. Jullie zijn bezig met wachten.
7. Zij zijn bezig met sporten.
8. Ik ben bezig met schoonmaken.
9. Jij bent bezig met schrijven.
10. Hij is bezig met slapen. -
1. Ik ben bezig met kijken.
2. Jij bent bezig met koken.
3. Hij is bezig met schoonmaken.
4. Zij is bezig met fietsen.
5. Wij zijn bezig met leren.
6. Jullie zijn bezig met lezen.
7. Zij zijn bezig met rijden.
8. Ik ben bezig met bellen.
9. Jij bent bezig met schrijven.
10. Hij is bezig met luisteren. -
1. Zij is bezig met rijden.
2. Ik ben bezig met leren.
3. Hij is bezig met werken.
4. Jullie zijn bezig met zwemmen.
5. Jij bent bezig met luisteren.
6. Ik ben bezig met koken.
7. Zij zijn bezig met schoonmaken.
8. Jullie zijn bezig met spelen.
9. Hij is bezig met winkelen.
70. Wij zijn bezig met afwassen. -
1. Ik ben bezig met verhuizen.
2. Je bent bezig met voorbereiden.
3. Wij zijn bezig met opbouwen.
4. U bent bezig met bakken.
5. Hij is bezig met aankleden.
6. Zij is bezig met koken.
7. Ik ben bezig met leren.
8. Je bent bezig met oefenen.
9. Jullie zijn bezig met rijden.
10. Zij zijn bezig met opruimen. -
1. Ik ben bezig met schoonmaken.
2. Jij bent bezig met studeren.
3. Hij is bezig met koken.
4. Zij is bezig met schrijven.
5. Wij zijn bezig met winkelen.
6. Zij zijn bezig met schilderen.
7. Jullie zijn bezig met werken.
8. Hij is bezig met repareren.
9. Zij is bezig met tekenen.
10. Wij zijn bezig met tuinieren. -
• Jullie zijn bezig met drinken
• Ik ben bezig met werken
• Wij zijn bezig met spelen
• Jullie zijn bezig met dansen
• Hij is bezig met lopen
• Hij is bezig met luisteren
• Ik ben bezig met lopen
• Jullie zijn bezig met schrijven
• We zijn bezig met eten
Jij bent bezig met werken-
1. Ik ben bezig met koken.
2. Jij bent bezig met werk.
3. Hij is bezig met studeren.
4. Zij is bezig met bellen.
5. Wij zijn bezig met de opruiming.
6. Ik ben bezig met het eten.
7. Wij zijn bezig met onze plannen.
8. Jullie zijn bezig met de voorbereiding.
9. Hij is bezig met de administratie.
10. Ik ben bezig met de verhuizing.
- Load More Posts

1. Ik ben bezig met werken.
2. Jij bent bezig met koken.
3. Zij is bezig met wandelen.
4. Reinier is bezig met schilderen.
5. Anna is bezig met haar kinderen.
6. Wij zijn bezig met dansen.
7. Jullie zijn bezig met eten.
8. Lana is bezig met tuinieren.
9. Thomas is bezig met praten.
10. De kinderen zijn bezig met leren.