-
Dutchbook huiswerk:✍️
Boek. Pagina 152
Opdracht 4
Plaats jouw antwoorden hieronder:242 Comments-
1. Waarom luisterde zij niet?
2. Waar werkte hij?
3. Waarom antwoordde jij niet?
4. Waar praatten jullie over?
5. Waar speelden jullie?
6. Wie haalde jou op?
7. Waar zette jij de boodschappentas neer? -
1. Waarom luisterde zij niet?
2. Waar werkte hij?
3. Waarom antwoordde jij niet?
4. Waar praatten jullie over?
5. Waar speelden jullie?
6. Wie haalde jou op?
7. Waar zette jij de boodschappentas neer? -
1. Waarom luisterde zij niet?
2. Waar werkte hij?
3. Waarom antwoordde jij niet?
4. Waar praatten jullie over?
5. Waar speelden jullie?
6. Wie haalde jou op?
7. Waar zette jij de boodschappentas neer? -
1. Waarom luisterde zij niet?
2. Waar werkte hij?
3. Waarom antwoordde jij niet?
4. Waar praatten jullie over?
5. Waar speelden jullie?
6. Wie haalde jou op?
7. Waar zette jij de boodschappentas neer? -
1. Waarom luisterde zij niet?
2. Waar werkte hij?
3. Waarom antwoordde jij niet?
4. Waar praatten jullie over?
5. Waar speelden jullie?
6. Wie haalde jou op?
7. Waar zette jij de boodschappentas neer? -
1. Waarom luisterde zij niet?
2. Waar werkte hij?
3. Waarom antwoordde jij niet?
4. Waar praatten jullie over?
5. Waar speelden jullie?
6. Wie haalde jou op?
7. Waar zette jij de boodschappentas neer? -
1. Waarom luisterde zij niet?
2. Waar werkte hij?
3. Waarom antwoordde jij niet?
4. Waar praatten jullie over?
5. Waar speelden jullie?
6. Wie haalde jou op?
7. Waar zette jij de boodschappentas neer? -
1. Waarom luisterde zij niet?
2. Waar werkte hij?
3. Waarom antwoordde jij niet?
4. Waar praatten jullie over?
5. Waar speelden jullie?
6. Wie haalde jou op?
7. Waar zette jij de boodschappentas neer? -
1. Waarom luisterde zij niet?
2. Waar werkte hij?
3. Waarom antwoordde jij niet?
4. Waar praatten jullie over?
5. Waar speelden jullie?
6. Wie haalde jou op?
7. Waar zette jij de boodschappentas neer? -
1. Waarom luisterde zij niet?
2. Waar werkte hij?
3. Waarom antwoordde jij niet?
4. Waar praatten jullie over?
5. Waar speelden jullie?
6. Wie haalde jou op?
7. Waar zette jij de boodschappentas neer? -
1. Waarom luisterde zij niet?
2. Waar werkte hij?
3. Waarom antwoordde jij niet?
4. Waar praatten jullie over?
5. Waar speelden jullie?
6. Wie haalde jou op?
7. Waar zette jij de boodschappentas neer? -
1. Waarom luisterde zij niet?
2. Waar werkte hij?
3. Waarom antwoordde jij niet?
4. Waar praatten jullie over?
5. Waar speelden jullie?
6. Wie haalde jou op?
7. Waar zette jij de boodschappentas neer? -
1. Waarom luisterde zij niet?
2. Waar werkte hij?
3. Waarom antwoordde jij niet?
4. Waar praatten jullie over?
5. War speelden jullie?
6. Wie haalde jou op?
7. Waar zette jij de boodschappentas neer? -
1. Waarom luisterde zij niet?
2. Waar werkte hij?
3. Waarom antwoordde jij niet?
4. Waar praatten jullie over?
5. Waar speelden jullie?
6. Wie haalt jou op?
7. Waar zette jij de boodschappentas neer? -
1. Waarom luisterde zij niet?
2. Waar werkte hij?
3. Waarom antwoordde jij niet?
4. Waar praatten jullie over?
5. Waar speelden jullie?
6. Wie haalde jou op?
7. Waar zette jij de boodschappentas neer? -
1. Waarom luisterde zij niet?
2. Waar werkte hij?
3. Waarom antwoordde jij niet?
4. Waar praatten jullie over?
5. Waar speelden jullie?
6. Wie haalde jou op?
7. Waar zette jij de boodschappentas neer? -
1. Waarom luisterde zij niet?
2. Waar werkte hij?
3. Waarom antwoordde jij niet?
4. Waar praatten jullie over?
5. Waar speelden jullie?
6. Wie haalde je op?
7. Waar zette jij de boodschappentas neer? -
1. Waarom luisterde zij niet?
2. Waar werkte hij?
3. Waarom antwoordde jij niet?
4. Waar praatten jullie over?
5. Waar speelden jullie?
6. Wie haalde jou op?
7. Waar zette jij de boodschappentas neer? -
1. Waarom luisterde zij niet?
2. Waar werkte hij?
3. Waarom antwoordde jij niet?
4. Waar praatten jullie over?
5. Waar speelden jullie?
6. Wie haalde jou op?
7. Waar zette jij de boodschappentas neer? -
1. Waarom luisterde zij niet?
2. Waar werkte hij?
3. Waarom antwoordde jij niet?
4. Waar praatten jullie over?
5. Waar speelden jullie?
6. Wie haalde jou op?
7. Waar zette jij de boodschappentas neer? -
1. Waarom luisterde zij niet?
2. Waar werkte hij?
3. Waarom antwoordde jij niet?
4. Waar praatten jullie over?
5. Waar speelden jullie?
6. Wie haalde jou op?
7. Waar zette jij de boodschappentas neer? -
1.Waarom luisterde zij niet?
2.Waar werkte hij?
3.Waarom antwoordde jij niet?
4.Waar praatten jullie over?
5.Waar speelden jullie?
6.Wie haalde jou op?
7.Waar zette jij de boodschappentas neer? -
1. Waarom luisterde zij niet?
2. Waar werkte hij?
3. Waarom antwoordde jij niet?
4. Waar praatten jullie over?
5. Waar speelden jullie?
6. Wie haalde jou op?
7. Waar zette jij de boodschappentas neer? -
1. Waarom luisterde zij niet?
2. Waar werkte hij?
3. Waarom antwoordde jij niet?
4. Waar praatten jullie over?
5. Waar speelden jullie?
6. Wie haalde jou op?
7. Waar zette jij de boodschappentas neer? -
1. Waarom luisterde zij niet?
2. Waar werkte hij?
3. Waarom antwoordde jij niet?
4. Waar praatten jullie over?
5. War speelden jullie?
6. Wie haalde jou op?
7. Waar zette jij de boodschappentas neer? -
1. Waarom luisterde zij niet?
2. Waar werkte hij?
3. Waarom antwoordde jij niet?
4. Waar pratten Julie over?
5. Waar speelden jullie?
6. wie haalde jou op?
7. Waar zette jij de boodschapptas neer? -
1. Waarom luisterde zij niet?
2. Waar werkte hij?
3. Waarom antwoordde jij niet?
4. Waar praatten jullie over?
5. Waar speelden jullie?
6. Wie haalde jou op?
7. Waar zette jij de boodschappentas neer? -
1. Waarom luisterde zij niet?
2. Waar werkte hij?
3. Waarom antwoordde jij niet?
4. Waar praatten jullie over?
5. Waar speelden jullie?
6. Wie haalde jou op?
7. Waar zette jij de boodschappentas neer? -
1. Waarom luisterde zij niet?
2. Waar werkte hij?
3. Waarom antwoordde jij niet?
4. Waar praatten jullie over?
5. Waar speelden jullie?
6. Wie haalde jou op?
7. Waar zette jij de boodschappentas neer? -
1. Waarom luisterde zij niet?
2. Waar werkte hij?
3. Waarom antwoordde jij niet?
4. Waar praatten jullie over?
5. Waar speelden jullie?
6. Wie haalde jou op?
7. Waar zette jij de boodschappentas neer? -
1. Waarom luisterde zij niet?
2. Waar werkte hij?
3. Waarom antwoordde jij niet?
4. Waar praatten jullie over?
5. Waar speelden jullie?
6. Wie haalde jou op?
7. Waar zette jij de boodschappentas neer? -
1. Waarom luisterde zij niet?
2. Waar werkte hij?
3. Waarom antwoordde jij niet?
4. Waar praatten jullie over?
5. Waar speelden jullie?
6. Wie haalde jou op?
7. Waar zette jij de boodschappentas neer? -
1. Waarom luisterde zij niet?
2. Waar werkte hij?
3. Waarom antwoordde jij niet?
4. Waar praatten jullie over?
5. Waar speelden jullie?
6. Wie haalde jou op?
7. Waar zette jij de boodschappentas neer? -
1. Waarom luisterde zij niet?
2. Waar werkte hij?
3. Waarom antwoordde jij niet?
4. Waar praatten jullie over?
5. Waar speelden jullie?
6. Wie haalde jou op?
7. Waar zette jij de boodschappentas neer? -
1. Waarom luisterde zij niet?
2. Waar werkte hij?
3. Waarom antwoordde jij niet?
4. Waar praatten jullie over?
5. Waar speelden jullie?
6. Wie haalde jou op?
7. Waar zette jij de boodschappentas neer? -
1. Waarom luisterde zij niet?
2. Waar werkte hij?
3. Waarom antwoordde jij niet?
4. Waar praatten jullie over?
5. Waar speelden jullie?
6. Wie haalde jou op?
7. Waar zette jij de boodschappentas neer? -
1. Waarom luisterde zij niet?
2. Waar werkte hij?
3. Waarom antwoordde jij niet?
4. Waar praatten jullie over?
5. Waar speelden jullie?
6. Wie haalde jou op?
7. Waar zette jij de boodschappentas neer? -
1. Waarom luisterde zij niet?
2. Waar werkte hij?
3. Waarom antwoordde jij niet?
4. Waar praatten jullie over?
5. Waar speelden jullie?
6. Wie haalde jou op?
7. Waar zette jij de boodschappentas neer? -
1. Waarom luisterde zij niet?
2. Waar werkte hij?
3. Waarom antwoordde jij niet?
4. Waar praatten jullie over?
5. Waar speelden jullie?
6. Wie haalde jou op?
7. Waar zette jij de boodschappentas neer? -
1. Waarom luisterde zij niet?
2. Waar werkte hij?
3. Waarom antwoordde jij niet?
4. Waar praatten jullie over?
5. Waar speelden jullie?
6. Wie haalde jou op?
7. Waar zette jij de boodschappentas neer? -
1. Waarom luisterde zij niet?
2. Waar werkte hij?
3. Waarom antwoordde jij niet?
4. Waar praatten jullie over?
5. Waar speelden jullie?
6. Wie haalde jou op?
7. Waar zette jij de boodschappentas neer? -
1. Waarom luisterde zij niet?
2. Waar werkte hij?
3. Waarom antwoordde jij niet?
4. Waar praatten jullie over?
5. Waar speelden jullie?
6. Wie haalde jou op?
7. Waar zette jij de boodschappentas neer? -
1. Waarom luisterde zij niet?
2. Waar werkte hij?
3. Waarom antwoordde jij niet?
4. Waar praatten jullie over?
5. Waar speelden jullie?
6. Wie haalde jou op?
7. Waar zette jij de boodschappentas neer? -
#1 — Waarom luistert zij niet? ⮕ Waarom luisterde zij niet als kind?
#2 — Waar werkt hij? ⮕ Waar werkte hij na zijn studie?
#3 — Waarom antwoord jij niet? ⮕ Waarom antwoordde jij niet tijdens de vorige les?
#4 — Waar praten jullie over? ⮕ Waar praatten jullie gisteren over?
‎
#5 — Waar spelen jullie? ⮕ Waar speelden jullie afgelopen zome…Read More -
1. Waarom luisterde zij niet?
2. Waar werkte hij?
3. Waarom antwoordde jij niet?
4. Waar praatten jullie over?
5. Waar speelden jullie?
6. Wit haalde jou op?
7. Waar zette jij de boodschappentas neer? -
1. Waarom luisterde zij niet?
2. Waar werkte hij?
3. Waarom antwoordde jij niet?
4. Waar praatten jullie over?
5. Waar speelden jullie?
6. Wie haalde jou op?
7. Waar zette jij de boodschappentas neer? -
1- Waarom luisterde zij niet?
2- Waar werkte hij?
3- Waarom antwoordde jij niet?
4- Waar praatten jullie over?
5- Waar speelden jullie?
6- Wie haalde jou op?
7- Waar zette jij de boodschappentas neer? -
1. Waarom luisterde zij niet?
2. Waar werkte hij?
3. Waarom antwoordde jij niet?
4. Waar praatten jullie over?
5. Waar speelden jullie?
6. Wie haalde jou op?
7. Waar zette jij de boodschappentas neer? -
1. Waarom luisterde zij niet?
2. Waar werkt hij?
3. Waarom antwoordde jij niet?
4. Waar praatten jullie over?
5. Waar speelden jullie?
6. Wie haalde jou op?
7. Waar zette jij de boodschappentas neer? -
1. Waarom luisterde zij niet?
2. Waar werkte hij?
3. Waarom antwoordde jij niet?
4. Waar praatten jullie over?
5. Waar speelden jullie?
6. Wie haalde jou op?
7. Waar zette jij de boodschappentas neer? -
1. Waarom luisterde zij niet?
2. Waar werkte hij?
3. Waarom antwoordde jij niet?
4. Waar praatten jullie over?
5. Waar speelden jullie?
6. Wie haalde jou op?
7. Waar zette jij de boodschappentas neer? -
1. Waarom luistert zij niet? → Waarom luisterde zij niet?
2. Waar werkt hij? → Waar werkte hij?
3. Waarom antwoord jij niet? → Waarom antwoordde jij niet?
4. Waar praten jullie over? → Waar praatten jullie over?
5. Waar spelen jullie? → Waar speelden jullie?
6. Wie haalt jou op? → Wie haalde jou op?
7. Waar zet jij de boodschappe…Read More
- Load More Posts

1. Waarom luisterde zij niet?
2. Waar werkte hij?
3. Waarom antwoordde jij niet?
4. Waar praatten jullie over?
5. Waar speelden jullie?
6. Wie haalde jou op?
7. Waar zette jij de boodschappentas neer?