-
Dutchbook huiswerk:✍️
Boek. Pagina 133
Opdracht 3
Plaats jouw antwoorden hieronder:237 Comments-
1. Ik ben aan het huiswerk maken.
2. Jij bent aan het koken.
3. Hij is aan het film kijken.
4. Zij is aan het lachen.
5. Zij zijn aan het roddelen.
6. Wij zijn aan het winkelen.
7. Jullie zijn aan het koffie drinken.
8. Ik ben aan het radio luisteren.
9. Hij is aan het dansen.
10. Wij zijn aan het picknicken. -
1. Ik ben aan het zitten.
2. Jij bent aan het reizen.
3. Hij is aan het winkelen.
4. Zij is aan het wandelen.
5. Jullie zijn aan het schoonmaken.
6. Wij zijn aan het wachten.
7. Ze zijn aan het schrijven.
8. Ik ben aan het lezen.
9. Jij bent aan het kijken.
10. Zij is aan het luisteren. -
1. Ik ben aan het koken.
2. Hij is aan het spelen.
3. Jij bent aan het tekenen.
4. Zij is aan het rennen.
5. Wij zijn aan het wandelen.
6. Jullie zijn aan het werken.
7. Oma is aan het breien.
8. De jongen is aan het fietsen.
9. Zij zijn aan het netflixen.
10. Zij zijn aan het tenissen. -
1. ik ben aan het dansen.
2. Zij is aan het praten.
3. Jullie zijn aan het eten.
4. Wij zijn aan het hardlopen.
5. Ik ben aan het schrijven.
6. Jij bent aan het drinken.
7. Zij is aan het slapen.
8. Hij is aan het studeren.
9. U bent aan het lezen.
10. Ik ben aan het leren. -
1. Ik ben aan het lezen.
2. Je bent aan het zitten.
3. Hij is aan het slapen.
4. Zij is aan het douchen.
5. Wij zijn aan het wandelen.
6. Jullie zijn aan het eten.
7. Zij zijn aan het koken.
8. U bent aan het lopen.
9. Ik ben aan het trainen.
10. Hij is aan het liggen. -
1. Ik ben aan het schrijven.
2. Jij bent aan het komen.
3. Zij is aan het beslissen.
4. Hij is aan het koken.
5. Wij zijn aan het slopen.
6. Jullie zijn aan het schoonmaken.
7. Zij zijn aan het spelen.
8. Jij bent aan het lopen.
9. Zij is aan het lachen.
10. Hij is aan het bellen. -
Ik ben aan het fietsen
Hij is aan het schaatsen
Zij is aan het hardlopen
Jullie zijn aan het roken
Wij zijn aan het zwemmen
De hond is aan het springen
De wind is aan het waaien
De buren zijn aan het bezoeken
Wij zijn aan het ontmoeten
Zij zijn aan het praten -
1. Ik ben aan het lezen.
2. Ik ben aan het schrijven.
3. Jij bent aan het eten.
4. Jij bent aan het drinken.
5. Hij is aan het denken.
6. Zij is aan het koken.
7. Wij zijn aan het lopen.
8. Jullie zijn aan het schoonmaken.
9. Zij zijn aan het fietsen.
10. U bent aan het leren. -
1. Ik ben mijn huiswerk aan het maken.
2. Wij zijn aan het ontmoeten.
3. Jullie zijn aan het wachten.
4. De kinderen zijn aan het spelen.
5. Mijn moeder is aan het koken.
6. Wij zijn aan het reizen.
7. Jullie zijn aan het sporten.
8. Hij is aan het zwemmen.
9. Jij bent aan het fietsen.
10. Zij is aan het dansen. -
1. Ik ben aan het lezen.
2. Jij bent aan het slapen.
3. Hij is aan het lopen.
4. Zij is aan het koken.
5. Wij zijn aan het hardlopen.
6. Jullie zijn aan het praten.
7. Zij zijn aan het wandelen.
8. Ik ben aan het wachten.
9. Jij bent aan het kijken.
10. Hij is aan het werken. -
1. Je bent aan het opruimen.
2. Hij is aan het werken.
3. Ik ben aan het komen.
4. Zij is aan het trainen.
5. We zijn aan het ontspannen.
6. Hij is aan het slapen.
7. Ik ben aan het afwassen
8. Ze zijn aan het denken.
9. Zij is aan het lachen.
10. Jullie zijn aan het organiseren. -
1. Ik ben aan het slapen.
2. Hij is aan het werken.
3. Zij zijn aan het koken.
4. Zij zijn aan het praten.
5. Wij zijn aan het vechten.
6. Jullie zijn aan het lopen.
7. Ik ben aan het wachten.
8. Zij is aan het zwemmen.
9. Hij is aan het schilderen.
10. Wij zijn aan het spelen. -
1. Ik ben aan het wandelen.
2. Zij is aan het studeren.
3. Wij zijn aan het schrijven.
4. Hij is aan het werken.
5. Zij is aan het praten.
6. Hij is aan het slapen.
7. Zij zijn aan het schreeuwen.
8. Ik ben aan het snoeien.
9. Ik ben aan het betalen.
10. Zij is aan het ontbijten. -
1. Ik ben aan het lezen.
2. Jij bent aan het reizen.
3. Jullie zijn aan het snijden.
4. Zij is aan het rennen.
5. Hij is aan het tekenen.
6. Jij bent aan het wachten.
7. Zij zijn aan het zingen.
8. Ik ben aan het zwemmen.
9. Jij bent aan het winkelen.
10. Jullie zijn aan het voetballen. -
1. Zij is aan het aankomen.
2. Ik ben aan het afwassen.
3. We zijn aan het terugkomen.
4. Ik ben aan het opschrijven.
5, Zij zijn aan het oversteken.
6, Je bent aan het uitleggen.
7. Wij zijn aan het overleggen.
8. Ik ben aan het opstaan.
9. Je bent aan het aankleden
10. Jullie zijn aan het schoonmaken. -
1. Ik ben aan het eten.
2. Jij bent aan het werken.
3. Zij zijn aan het praten.
4. Zij zijn aan het wandelen.
5. Hij is aan het trainen.
6. Hij is aan het winkelen.
7. Jullie zijn aan het zwemmen.
8. Zij is aan het dansen.
9. Jij bent aan het poetsen.
10. Hij is aan het tekenen. -
Ik ben aan het voetballen.
Jullie zijn aan het lezen.
Hij is aan het roken.
Zij is aan het luisteren.
Ik ben aan het praten.
Wij zijn aan het spelen.
Je bent aan het schrijven.
U bent aan het trainen.
Ik ben aan het koken.
Zij zijn aan het werken. -
1. Ik ben aan het studeren.
2. Je bent aan het wandelen.
3. U bent aan het fietsen.
4. Hij is aan het lezen.
5. Zij is aan het verhuizen.
6. Wij zijn aan het voetballen.
7. Zij zijn aan het zitten.
8. Ik ben aan het denken.
9. Hij is aan het drinken.
10. Zij is aan het eten. -
1. Ik ben aan het fietsen.
2. Jij bent aan het koken.
3. Hij is aan het leren.
4. Zij is aan het schoonmaken.
5. Wij zijn aan het spelen.
6. Jullie zijn aan het wachten.
7. Zij zijn aan het sporten.
8. U bent aan het reizen.
9. Ik ben aan het hardlopen.
10. Jij bent aan het werken. -
1. Ik ben aan het slapen.
2. Zij zijn aan het werken.
3. Zij is aan het koken.
4. Hij is aan het opbellen.
5. Wij zijn aan het winkelen.
6. Jullie zijn aan het studeren.
7. Ik ben aan het lezen.
8. Zij is aan het zwemmen.
9. Hij is aan het rennen.
10. Zij zijn aan het voetballen. -
1. Ik ben aan het typen.
2. Zij is aan het lezen.
3. Jullie zijn aan het spelen.
4. Zij is aan het koken.
5. Wij zijn aan het rijden.
6. Hij is aan het eten.
7. Je bent aan het fietsen.
8. Jullie zijn aan het schoonmaken.
9. Ik ben aan het werken.
10. Je bent aan het lopen. -
1. Ik ben aan het werken.
2. Wij zijn aan het leren.
3. Zij is aan het koken.
4. Zij is aan het zingen.
5. Hij is aan het verven.
6. Zij is aan het rennen.
7. Zij zijn aan het rusten.
8. Ik ben aan het luisteren.
9. Hij is aan het roken.
10. Ik ben aan het lachten. -
1-Ik ben aan het koken.
2-Jij bent aan het kijken.
3-Hij is aan het lezen.
4-Wij zijn aan het opruimen.
5-Zij zijn aan het drinken.
6-Jullie zijn aan het wachten.
7-Jij bent aan het rennen.
8-Hij is aan het bellen.
9-Wij zijn aan het lachen.
10-Ik ben aan het schrijven. -
1. Ik ben aan het Nederlands leren.
2. Ik ben aan het e-mail schrijven.
3. Ik ben aan het Nederlands spreken oefenen.
4. Jullie zijn aan het schoonmaken.
5. Wij zijn aan het koken
6. Zij is aan het rijden.
7. Hij is aan het afwassen.
8. Jij bent aan het bootschapen kopen.
9. Wij zijn aan het lopen.
10. Ik ben aan het luisteren. -
1. Ik ben aan het dancen.
2. Jij bent aan het koken.
3. Zij is aan het schrijven.
4. Hij is aan het schoonmaken.
5. Jullie zijn aan het zingen.
6. Wij zijn vliegen.
7. Je bent aan het slapen.
8. Ze zijn aan het studeren.
9. Hij is aan het praten.
10. Zij is aan het eten. -
1. Wij zijn aan het antwoorden.
2. Ik ben aan het zingen.
3. Jij bent aan het begrijpen.
4. Jullie zijn aan het kiezen.
5. Hij is aan het rekenen.
6. Zij zijn aan het verkopen.
7. Jij bent aan het groeien.
8. Zij is aan het ontdekken.
9. Wij zijn aan het huilen.
10. Ik ben aan het opbouwen. -
1. Ik ben aan het drogen
2. Wij zijn aan het denken
3. Hij is aan het drinken
4. Zij is aan het betalen
5. Jullie zij aan het blijven
6. Wij zij aan het bezoeken
7. Zij zij aan het winnen
8. Wij zij aan het uitdrukken
9. Zij is aan het ontmoeten
10. Hij is aan het aankomen -
1. Ik ben aan het spreken.
2. Jij bent aan het kiezen.
3. Jullie zijn aan het zoeken.
4. Hij is aan het koken.
5. Zij is aan het zetten.
6. Ik ben aan het rijden.
7. Wij zijn aan het schrijven.
8. Ik ben aan het leren.
9. Hij is aan het praten.
10. Hij is aan het werken. -
1. Ik ben aan het eten.
2. Hij is aan het voetballen.
3. Jullie zijn aan het wandelen.
4. De kinderen zijn aan het spelen.
5. Wij zijn aan het shoppen.
6. Ik ben aan het leren.
7.Zij is aan het dansen.
8. Hij is aan het poepen.
9. Ik ben aan het trainen.
10. Jullie zijn aan het koken. -
1. Ik ben aan het winkelen.
2. Jij bent aan het fietsen.
3. Hij is aan het hardlopen.
4. Zij is aan het schilderen.
5. Jullie zijn aan het wachten.
6. Wij zijn aan het winnen.
7. Zij zijn aan het dromen.
8. Ik ben aan het bouwen.
9. Jij bent aan het eten.
10. Hij is aan het vertrekken. -
1. U bent aan het fietsen.
2. Zij is aan het bakken.
3. Ik ben aan het schoonmaken.
4. Wij zijn aan het reizen.
5. Jij bent aan het zwemmen.
6. Ik ben aan het slapen.
7. Hij is aan het drinken.
8. Jullie zijn aan het sporten.
9. Zij is aan het lezen.
10. Hij is aan het schilderen. -
1. Ik ben aan het bellen.
2. Jij bent aan het onderhandelen.
3. Hij is aan het beschermen.
4. Zij is aan het beslissen.
5. We zijn aan het bezoeken.
6. Jullie zijn aan het vechten.
7. Ze zijn aan het reizen.
8. Ik ben aan het optreden.
9. We zijn aan het schreeuwen.
10. Jullie zijn aan het schilderen. -
1. Ik ben aan het helpen.
2. Wij zijn aan het wandelen.
3. Hij is aan het voorbereiden.
4. Zij bent aan het uitleggen.
5. Jullie zijn aan het bespreken.
6. Zij is aan het verbeteren.
7. Wij zijn aan het beslissen.
8. Zij is aan het beschermen.
9. Ik ben aan het bewegen.
10. Zij is aan het bouwen. -
1- Hij is aan het afwassen.
2- Zij is aan het slapen.
3- Zij zijn aan het eten.
4- Jullie zijn aan het lesgeven.
5- Wij zijn aan het werken.
6- Ik ben aan het zoeken.
7- Ik ben aan het lopen.
8- Jij bent aan het blijven.
9- Jullie zijn aan het praten.
10- Hij is aan het gebruiken. -
1.Ik ben aan het vertalen.
2. Zij is aan het dromen.
3. Hij is aan het klagen.
4. Jij bent aan het vluchten.
5. Zij zijn aan het bedreigen.
6. Het is aan het branden.
7. Hij is aan het roepen.
8. Zij is aan het opzoeken.
9. Hij is aan het lesgeven.
10. Jij bent aan het afbellen. -
1. Ik ben aan het wachten.
2. Hij is aan het schoonmaken.
3. Zij is aan het dansen.
4. Jij bent aan het bellen.
5. Wij zijn aan het luisteren.
6. Zij zijn aan het bestellen.
7. Jullie zijn aan het praten.
8. Ik ben aan het spelen.
9. U bent aan het studeren.
10. Hij is aan het rijden. -
1. Ik ben aan het koken.
2. Jij bent aan het leren.
3. De kinderen zijn aan het spelen.
4. Zij is aan het fietsen.
5. Wij zijn aan het werken.
6. Jullie zijn aan het rennen.
7. Anna is aan het dansen.
8. Nico is aan het schrijven.
9. Ik ben aan het lezen.
10. Ze zijn aan het sporten. -
1. Ik ben aan het schrijven.
2. Zij is aan het koken.
3. Hij is aan het lachen.
4. Jij bent aan het wachten.
5. Zij zijn aan het vergaderen.
6. Het is aan het sneeuwen.
7. Hij is aan het rijden.
8. Zij is aan het opruimen.
9. Hij is aan het nadenken.
10. Jij bent aan het afwassen. -
1. Hij is aan het leren.
2. Wij zijn aan het eten.
3. Zij is aan het appels snijden.
4. Ik ben aan het sportsen.
5. De studenten zijn aan het schrijven.
6. Ik ben aan het rijden.
7. Ik ben aan het beginnen.
8. Wij zijn aan het praten.
9. Hij is aan het oefenen.
10. Ik ben aan het tuinieren. -
1. Jij bent aan het koken.
2. Hij is aan het lezen.
3. Wij zijn aan het wandelen.
4. Jullie zijn aan het studeren.
5. Zij zijn aan het zwemmen.
6. Ik ben aan het schrijven.
7. Hij is aan het opruimen.
8. Wij zijn aan het koken.
9. Jij bent aan het tekenen.
10. Zij zijn aan het sporten. -
1.Ik ben aan het eten.
2.Jij bent aan het bellen.
3.Hij is aan het lopen.
4.Wij zijn aan het praten.
5.Jullie zijn aan het lachen.
6.Zij is aan het zingen.
7.De man is aan het werken.
8.Het meisje is aan het tekenen.
9.Mijn moeder is aan het koken.
10.De studenten zijn aan het studeren. -
1. Ik ben aan het leren
2. Je bent aan het slepen.
3. U bent aan het nadenken.
4. Hij is aan het onderhandelen.
5. Ze is aan het schrijven.
6. Zij is aan het lachen.
7. We zijn aan het zwemmen.
8. Wij zijn aan het reizen.
9. Jullie zijn aan het pratten.
10. Zij zijn aan het lezen. -
1. Ik ben aan het opruimen.
2. Je bent aan het stofzuigen.
3. Hij is aan het reizen.
4. Zij is aan het studeren.
5. Wij zijn aan het koken.
6. Jullie zijn aan het winkelen.
7. Ik ben aan het wandelen.
8. Je bent aan het lopen.
9. Hij is aan het sporten.
10. Zij is aan het schoonmaken. -
1. Ik ben aan het studeren.
2. Zij is aan het koken.
3. Wij zijn een film aan het kijken.
4. Hij is aan het werken.
5. Jullie zijn aan het wachten.
6. Zij zijn aan het spelen.
7. Jij bent aan het lezen.
8. Mijn moeder is aan het schoonmaken.
9. Mijn buurman is aan het lopen.
10. De kinderen zijn aan het tekenen. -
1. Ik ben aan het opruimen.
2. Zij zijn aan het onderhandelen.
3. Hij is aan het stofzuigen.
4. U bent aan het bakken.
5. Jullie zijn aan het winkelen.
6. Wij zijn aan het spelen.
7. Ik ben aan het wandelen.
8. Zij is aan het schoonmaken.
9. Je bent aan het werken.
10. Zij zijn aan het schrijven. -
1. Ik ben aan het leren.
2. Jij bent aan het bellen.
3. Hij is aan het koken.
4. Zij is aan het lezen.
5. Wij zijn aan het eten.
6. Jullie zijn aan het praten.
7. Zij zijn aan het werken.
8. Hij is aan het slapen.
9. Zij zijn aan het reizen.
10. Hij is aan het douchen. -
1. Ik ben aan het tekenen.
2. Je bent aan het springen.
3. Jij bent aan het dansen.
4. U bent aan het dromen.
5. Hij is aan het vechten.
6. Zij is aan het huilen.
7. We zijn aan het vallen.
8. Wij zijn aan het tellen.
9. Jullie zijn aan het zwemmen.
10. Ze zijn aan het schreeuwen. -
1. Ik ben aan het werken.
2. Je bent aan het nadenken.
3. U bent aan het sporten.
4. Hij is aan het betalen.
5. Zij is aan het helpen.
6. Jullie zijn aan het bestellen.
7. Wij zijn aan het afwassen.
8. Zij zijn aan het vergaderen.
9. Ik ben aan het winkelen.
10. Wij zijn aan het schrijven. -
1. Zij zijn aan het lachen.
2. Wij zijn aan het leren.
3. Zij is aan het dansen.
4. Ik ben aan het rijden.
5. Hij is aan het praten.
6. Jullie zijn aan het spelen.
7. Ik ben aan het vissen.
8. U bent aan het zwemmen.
9. Ze zijn aan het bouwen.
10. Wij zijn aan het kijken. -
1. Ik ben aan het schoonmaken
2. Jullie zijn aan het reizen
3.We zijn aan het fietsen
4.We zijn aan het dansen
5.Jij bent aan het bijpraten
6.Ik ben aan het koken
7.Ik ben aan het eten
8. Hij is aan het rijden
9. Zij is aan het knippen
10. Zij zijn aan het roken -
1. Zij is aan het koken.
2. Hij is aan het studeren.
3. Wij zijn aan het sporten.
4. Ik ben aan het werken.
5. Jullie zijn aan het opruimen.
6. Zij zijn aan het winkelen.
7. Hij is aan het tekenen.
8. Wij zijn aan het zwemmen.
9. Ik ben aan het schrijven.
10. Ik ben aan het raften. -
1. Ik ben aan het werken.
2. Zij is aan het koken.
3. We zijn aan het lopen.
4. Jullie zijn aan het wielrennen.
5. Ik ben aan het schrijven.
6. Hij is aan het repareren.
7. Wij zijn aan het snoeien.
8. Ik ben aan het winkelen.
9. Jij bent aan het onderhandelen.
10. Jij bent aan het trainen. -
1. Ik ben aan het luisteren.
2. Hij is aan het slapen.
3. Ze is aan het koken.
4. Zij zijn aan het praten.
5. Jullie zijn aan het runnen.
7. Ik ben aan het opruimen.
8. Ze is aan het proberen.
9. Jij bent aan het schoonmaken.
10. Hij is aan het meenemen. -
1. Ik ben aan het binnenkomen.
2. Ik ben aan het lezen.
3. Zij is aan het zwemmen.
4. Ze zijn aan het beklimmen.
5. Ze zijn aan het feesten.
6. De baby is aan het schreeuwen.
7. Hij is aan het trekken.
8. Zij is aan het kniken.
9. Hij is aan het bellen.
10. Zij is aan het zwaaien. -
1- Ik ben aan het koken.
2- Ik ben aan het rijden.
3- Hij is aan het rennen.
4- Zij is aan het spelen.
5- We zijn aan het lezen.
6- Jullie zijn aan het komen.
7- Hij is aan het slapen.
8- Zij is aan het gaan.
9-Jij bent aan het zitten.
10- Ze is aan het zwemmen. -
1 – Ik ben aan het eten
2 – Jij bent aan het lopen
3 – Hij is aan het slapen
4 – Jullie zijn aan het wandelen
5 – Wij zijn aan het werken
6 – Ik ben aan het zwemmen
7 – Jij bent aan het lezen
8 – Zij is aan het koeken
9 – Zij is aan het studieren
10 – Ik ben aan het rijden -
1. Ik ben aan het rijden.
2. Jij bent aan het koken.
3. Hij is aan het kopen.
4. Zij is aan het fietsen.
5. Wij zijn aan het komen.
6. Jullie zijn aan het slapen.
7. Zij zijn aan het kijken.
8. Ik ben aan het studeren.
9. Jij bent aan het eten.
10. Hij is aan het luisteren. -
1. Wij zijn aan het drinken.
2. Ik ben aan het werken.
3. Hij is aan het fietsen.
4. Jullie zijn aan het koken.
5. Zij is aan het wandelen.
6. Jij bent aan het winkelen.
7. Ik ben aan het schilderen.
8. Wij zijn aan het kijken.
9. Zij zijn aan het spelen.
10. Je bent aan het rennen. -
1. Ik ben aan het luisteren.
2. Jij bent aan het opnemen.
3. U bent aan het denken.
4. Hij is aan het zitten.
5. Zij is aan het spelen.
6. Jullie zijn aan het antwoorden.
7. Wij zijn aan het optreden.
8. Zij zijn aan het betalen.
9. U bent aan het zoeken.
10. Ik ben aan het bidden. -
1. Hij is aan het slapen.
2. Zij is aan het koken.
3. Zij zijn aan het praten.
4. Hij is aan het rennen.
5. Zij is aan het zwemmen.
6. Zij zijn aan het dansen.
7. Hij is aan het zingen.
8. Zij is aan het lachen.
9. Zij zijn aan het wandelen.
10. Hij is aan het werken. -
Jullie zijn aan het drinken
Jij bent aan het eten
Ik ben aan het werken .
Wij zijn aan het spelen.
Jullie zijn aan het dansen.
Hij is aan het lopen.
Hij is aan het luisteren
Ik ben aan het lopen
We zijn aan het eten
Jullie zijn aan het schrijven
- Load More Posts

1. Zij is aan het lezen.
2. De kok is aan het koken.
3. Wij zijn aan het eten.
4. Jullie zijn aan het slapen.
5. Ik ben aan het lopen.
6. Wij zijn aan het rijden.
7. Mama is aan het werken.
8. Hij is aan het schilderen.
9. Jij bent aan het luisteren.
10. Ik ben aan het kijken.