-
Dutchbook huiswerk:✍️
Boek. Pagina 130. Opdracht 6.
Plaats jouw antwoorden hieronder:207 Comments-
1. Ik stap morgen naar de bioscoop uit.
2. Waar goeie je oude spullen weg?
3. Ga je vanavond bij het carnaval mee?
4. Hoelaat staan jij tijdens het weekend op?
5. Hoe maakt Eduard deze frietjes klaar? -
1. Ik wil nu het woord opschrijven.
2. Wil jij neemt het boek mee?
3. Wij moeten elke dag het eten klaarmaken.
4. Moet de student maakt haar huiswerk af?
5. Jullie moeten het afval onmiddelijk weggooien.
6. Hoeveel geld wil hij uitgeven?
7. Kunt zij de trein instappen?
8. Ik wil vanavond de deur dichtdoen.
9. Ze kunnen ‘s avond het bord…Read More -
1. Wij moeten tot volgende week deze baan aanstellen.
2. Jij moet morgen over deze presentatie op de conventie praten.
3. Jij moet het morgen op de conventie over deze presentatie hebben.
4. Hoelang heb jij lief?
5. Waarom gaan jullie mee?
6. Wat schrijf jij in deze brief op? -
1. Mag ik jouw kamer binnenkomen?
2. Wij moeten tot vrijdag doorwerken.
3. Ze stapt de trein nu in.
4. Ik wil me voor een kunstcursus inschrijven.
5. Mijn buurvrouw gaat voor een kopje koffie langskomen. -
1. Hoeveel geld neem jij op?
2. Waar schrijf jij in?
3. Ik wil in het weekend thuis uitslapen.
4. Jij moet vanavond tot 10 uur opblijven.
5. Wie neemt jouw uren af? -
1. Wij willen morgen ons huiswerk in de bibliotheek afmaken.
2. Hij wil vanavond met zijn vriendin naar Eindhoven uitgaan.
3. Hoe laat komt de trein aan?
4. Neem jij de telefoon op?
5. Mag ik jouw kamer binnenkomen? -
1. Hij moet vandaag de deur van het klaslokaal dichtdoen.
2. Waarom maakt ze ruzie?
3. Wie keurt mijn aanvraag af?
4. Hoe kun jij dit probleem aan?
5. Hoe trek ik deze verpakking uit? -
1. Ik moet vandaag het woord op internet opzoeken.
2. Jij wilt vanavond de film in de bioscoop afkijken.
3. Hij kan morgen het pakket op het werk ophalen.
4. Zij mag nu het boek uit de bibliotheek opnemen.
5. Wij gaan vanmiddag het telefoonnummer thuis terugbellen.
6. Ze willen overmorgen het geld in het winkelcentrum uitgeven. -
1. Ik ga me vandaag voor de cursus op kantoor inschrijven.
2. We gaan morgen jouw werk op kantoor inhalen.
3. Zij moet volgende week een pakket bij de supermarkt ophalen.
4. Hij wil vanavond al zijn geld op het feest uitgeven.
5. Ik ga morgenochtend mijn spullen thuis opruimen.
6. Jullie moeten op dinsdag jullie opdrachten op de universiteit…Read More -
1. Ik wil vandaag het probleem op het kantoor uitpraten.
2. Neem je de telefoon op?
3. Waarom stap je in?
4. Hoe vaak maak je het avondeten af?
5. Wanneer maken jullie de kamer schoon? -
1. Wanneer doe jij jouw raam dicht?
2. Waar maak ik schoon?
3. Ik moet vandaag de boeken op het kantoor inpakken.
4. Ik wil vanavond mijn telefoon naar het restaurant meenemen .
5. Waar kleed ik me aan? -
1. Ik moet vandaag mijn huiswerk thuis afmaken.
2. Wat geef jij door?
3. Wanneer stapt hij de trein uit?
4. Wij mogen volgende maand het schilderij aan de muur ophangen.
5. Wat pakken jullie aan? -
1. Ik wil vanavond mijn oma thuis opbellen.
2. Jij moet morgen jouw collega op kantoor aanspreken.
3. Zij gaat nu een nieuwe medewerker in het cafe voorstellen.
4. Wanneer lees jij uit?
5. Wanneer komt hij langs?
6. Waar drukken jullie de documenten af?
7. Waarom pakken zij het speelgoed af?
8. Hoe maak jij jouw maaltijd klaar?
9. Ik wil…Read More -
1. Ik moet morgenochtend het brood bij de bakker ophalen.
2. Wij zullen vanavond een lekkere taart thuis klaarmaken.
3. Ik moet morgen het project op kantoor uitleggen.
4. Wanneer komen jullie aan?
5. Waarom blijven jullie op?
6. Waar moet ik opschrijven?
7. Hoe laat maak je het avondeten klaar?
8. Hoe laat moet ik jou ophalen?
9. Op welk…Read More -
-D-
1. Je mag tot maandag onze nieuwe producten met korting in onze winkel aanschaffen.
2. De politie moet vandag het feest in de stad afbellen.
3. Ze wil morgen hun gedrag afkeuren.
-E-
4. Wat neem je mee?
5. Wat vul je in?
6. Met wie doe je mee?
-F-
7. Wanner kijken wij de film af?
8. Wanneer kijk je het huiswerk na?
9. Waar leg je de sleutel neer? -
1. Hoe vaak maak jij het huis schoon?
2. Zij moet morgen de taart in de winkel ophalen.
3. Wanneer bel je terug?
4. Ik moet in het weekend huiswerk afmaken.
5. Hoe laat sta je op?
6. Wanneer stap jij in? -
1. Waar rijd je paard?
2. Hoe vaak loopt hij hard?
3. Ik moet vandaag om 6 uur mijn winkel op Hoogstraat afsluiten.
4. Zij zal morgen zichzelf met de gemeente inschrijven.
5. Hoe vul jij het formulier in? -
D:
1. Hij wil morgen de boodschap op school doorgeven.
2. Ik moet deze week mijn huiswerk op de website afmaken.
3. Jullie mogen vanavond in de sportschool met sporten doorgaan.
E:
4. Wat maak je af?
5. Waar zoek je op?
6. Wie bel je op?
F:
7. Waarom schrijf je je in?
8. Wanneer houden jullie de deur vrij?
9. Hoe neem je jouw jas mee? -
D
1. Ik zal morgen haar bij het vliegveld ophalen.
2. Zij wil nu meer kattenfilmpjes thuis opnemen.
3. Ik moet elke dag mijn eten thuis klaarmaken.E
4. Wat gooi je terug?
5. Wat raadt u aan?
6. Hoe lang werken wij samen?F
7. Wie zet het koffiezetapparaat aan?
8. Wat schrijven jullie in de krant over?
9. Hoe maak je een heerlijke vissoep klaar? -
1. Ik moet vandaag de laptop naar kantoor meebrengen.
2. Waar stap jij uit?
3. Waarom raak jij de laptop aan?
4. Ik wil nu mijn vinger op school opsteken.
5. Waarom was jij af? -
1. Ik kan morgen een boek op kantoor meenemen.
2. Jullie zullen vanavond jullie werk thuis doorgaan.
3. Jij gaat om 3 uur de marathon in het stadion hardlopen.
4. Hij wil volgende week de inventaris van de winkel aanmelden.
5. Ik moet in een kort moment volgende halte in het centrum uitstappen. -
1-Wij moeten morgen de kinderen van school ophalen.
2-Waar stappen jullie uit?
3-Wanneer ga jij weg?
4-Hoe ruim jij het huis op?
5-Waar schrijven de studenten het woord op? -
1. Jij moet vandaag het huiswerk afmaken.
2. Hij moet om 8 uur het station uitstappen.
3. Wat maak jij aan?
4. Waar lig ik op?
5. Hoe bouw jij het huis op? -
1. Wanneer doe jij het raam dicht?
2. Ik wil morgen de film afkijken.
3. Hoe meld ik in het cursus aan?
4. Jullie kunnen de vergadering overmorgen uitstellen.
5. Hoe haalt hij met de les in? -
Recept D
1. Ik wil morgenochtend de opdracht thuis afmaken.
2. Jullien mogen vanmiddag de lessen opnemen.Recept E
3. Wat neem je in?
4. Waar klim hij op?Recept F.
5. Hoe neem jij de filmpje op? -
Recept D
1. Ik moet vanavond de kaartjes thuis opnemen.
2. Wij zullen tegen de avond de foto aan de muur afhangen.Recept E
3. Wanneer spreek jij af?
4. Hoelang zoekt zij het uit?Recept F
5. Hoe bied ik de les aan?
6. Hoe lopen jullie het strand af? -
1. Waar komt jij uit?
2. Hoe gaan wij met de les door?
3. Ik moet morgen de bal naar de park meenemen.
4. Jij wilt vanavond eten thuis klaarmaken.
5. Wat neem jij op? -
Recept D:
1. Ik moet vandaag pasta in de keuken aanmaken.
2. Wij willen overmorgen de garage schoonmaken.Recept E:
3. Wat zetten jullie aan?
4. Waar komen jij aan?Recept F:
5. Hoe schrijf ik een liedje aan?
6. Hoe hangt jij de foto af? -
Recept D:
1. Zij wil morgen op kantoor met het project doorgaan.
2. Wij willen vanavond bij mijn vrienden langskomen.
Recept E:
3. Waarom komt hij mee?
4. Wanneer komt zij terug?
Recept F:
5. Waar haalt hij het pakket op?
6. Wanneer ruim jij jouw kamer op? -
Recept-D
1. Ik moet vanmiddag mijn belastingen online uitbetalen
2. Wij willen morgen naar jouw thuis aankomen
3. Jullie zullen vanavond in mijn gastenverblijf opblijven
4. Zij wilt morgen naar de universiteit meegaanRecept-E
1. Hoe laat komt de trein aan?
2. Hoe veel betaal jij mee?
3. Waar zoekt hij af?Recept-F
1. Hoe laat stel jij de…Read More -
Recept D
1. Ik moet morgen mijn kamer opruimen.
2. Wij willen vanavond vroeg thuiskomen.
3. Jullie zullen volgende week de hond meenemen.
4. Zij wil morgen naar de markt meegaan.Recept E:
5. Hoe laat staat hij op?
6. Hoeveel doet zij mee?
7. Waar komt de bus aan?Recept F:
8. Hoe laat zet jij de televisie uit?
9. Waar ruimen wij de dozen op? -
1. Hij wil morgen in de klas over AI lesgeven.
2. Zij moet later haar huis voor een feest aankleden.
3. Hoe laat sta jij op?
4. Wanneer kom jij aan?
5. Wanneer maak jij je werk af?
6. Waarom doe jij het raam dicht? -
1. Waar schaffen wij spullen aan?
2. Hoe vullen we het formulier in?
3. Hoe laat ga je weg?
4. Waar mag ik de pen neerleggen?
5. Wanneer maak je het avondeten klaar?
6. Hoe kom ik binnen?
7. Waarom keur je het plan af?
8. Ik moet morgen de wasmachine thuis aanzetten.
9. We moeten volgende week de boeken naar de bibliotheek terugbrengen.
10. Ze…Read More -
-
Recept D
1. Ik wil vanavond mijn vrienden thuis uitnodigen.
Recept E
2. Wanneer ga je uit?
3. Wat maak je schoon?
Recept F
4. Hoe laat haal je je zoon op?
5. Waarom neem je jouw computer mee? -
1- Jullie kunnen morgen met jullie ouders thuis afspreken.
2- Zij willen volgende week de stoelen bij de markt weggeven.
3- Wanneer kijk jij af
4- Hoe laat haal ik de pakketjes op?
5- Waar geven zij les?
6- Hoe schaf jij deze machine aan? -
Recept D:Â
1. Ik wil vanmiddag de sleutel thuis meenemen.
2. We kunnen morgen jouw sollicitatiegesprek op kantoor inplannen.
Recept E:Â
3. Waarom gaan jullie uit?
4. Waar schrijf jij op?
5. Wanneer komen jullie terug?
Recept F:Â
6. Hoe zoek jij een nieuwe film op?
7. Hoe laat kan ik opbellen?
8. Hoe zetten wij de computer aan? -
1. Ik wil vanavond thuis de deur opendoen.
2. Ik kan morgen op school het licht aandoen.
3. Ik moet vandaag in de keuken mijn tas meenemen.4. Wanneer sta jij op?
5. Waar ga jij heen?
6. Hoe kom jij terug?7. Waar leg jij het boek neer?
8. Wanneer doe jij het licht aan?
9. Waarom neem jij je tas mee? -
Recept D
1. Wij kunnen vandaag onze afspraak op kantoor verzetten.
2. Ik wil later mijn koffie in het koffiezetapparaat aanzetten.
Recept E
1. Waar kom je uit?
2. Wanneer ga je weg?
Recept F
1. Hoe trek je deze kleding aan?
2. Waarom gooi je deze brief weg? -
Recept D:
1.Hij wil morgen met zijn collega samenwerken.
2.Wij willen vanmiddag bij onze buren langsgaan.Recept E:
3. Waarom gaat zij mee?
4. Wanneer komt hij aan?Recept F:
5. Waar brengt hij zijn vriend heen?
6. Wanneer zet jij de televisie aan? -
Recept D:
1. Ik moet vanmiddag het bedrag overmaken.
2. Ik moet vanavond de woonkamer schoonmaken.Recept E:
1. Wat sla jij op?
2. Wanneer sta jij op?Recept F:
1. Wanneer werk jij met de collega samen?
2. Waar loop jij met jouw kinderen rond? -
Recept D:
1. Ik moet vanavond mijn huiswerk thuis afmaken.
2. Zij kan morgen de tv in de woonkamer aanzetten.
3. Wij willen vanmiddag de borden in de keuken afwassen.
Recept E:
1. Wanneer sta jij op?
2. Waar stap jij uit?
3. Waarom doe jij mee?
Recept F:
1. Wanneer ruim jij de borden af?
2. Waar zoek jij informatie op?
3. Waarom zet jij de tv aan? -
D
1. Ik moet morgen aan de les Nederlands deelnemen.
2. Je wilt vanavond een lekkere maaltijd klaarmaken.
E
1. Waar kan ik uitstappen?
2. Wanneer sta je op?
F
1. Hoe doe je het licht aan?
2. Hoe maakt hij die vrouw kennis? -
D.
1. Ik moet morgen de keuken thuis opruimen.
2. Jij kunt vanavond een jas naar de stad meenemen.E.
1. Waarom bel je op?
2. Wanneer ga je mee?F.
1. Hoe start je de computer op?
2. Hoe maak je de doos open? -
Recept D
1. Ik kan altijd met mensen om me heen opschieten.
2. Je mag voorlopig zonder twijfel overal weggaan.
3. Zij moet vanaf vandaag met nieuwe collega’s op het kantoor omgaan.
Recept E
4. Hoeveel geef je uit?
5. Met wie werken jullie samen?
6. Wat slaat hij op?
7. Tot hoe laat blijven ze op?
Recept F
8. Sinds welk jaar houden ze dat geheim v…Read More -
_D_
1. Wij kunnen vanavond het cadeau in de woonkamer opendoen.
2. Hij wil nu de telefoon in het park opnemen.
3. U kan elke dag uw laptop in de klas meenemen.
4. Jij zal vanmiddag jouw afval uit jouw kamer weggooien.
_E_
5. Wanneer kom ik binnen?
6. Hoe werken wij samen?
7. Wanneer slaap ik uit?
_F_
8. Wanneer was je de beker af?
9. Hoe vaak…Read More -
D
1. We moeten volgend jaar onze lening in Eindhoven afbetalen
2. We zullen vanavond de film in de woonkamer afkijken.
3. Ik wil meteen mijn afspraak in het ziekenhuis afbellen
4. Mijn bedrijf gaat volgende maand 3 mensen voor ons kantoor aannemen
5. We gaan ons in november voor de marathon aanmeldenE
1. Wat neem je mee?
2. Wat gooi je weg?
3.…Read More -
Recept D
1. Ik wil vanavond mijn huiswerk thuis afmaken.
2. Jij kunt morgenavond het schilderij bij het kunstatelier afgeven.Recept E
1. Hoelang sta jij stil?
2. Wat neem jij aan?Recept F
1. Hoe was jij de borden af? -
1. Waar kom jij binnen?
2. Hoe vaak maak jij jouw kamer schoon?
3. Hoe vaak werkt hij met zijn collega’s samen?
4. Hoe laat blijf jij elke dag op?
5. Ik moet vandaag de huisarts terugbellen. -
Recept D
1. Ik moet vanavond de cadeautjes thuis uitpakken.
Recept E
2. Wanneer ga jij terug?
3. Wat kijk jij uit?
Recept F
4. Waarom keur jij het aanbod af?
5. Wanneer komt de trein op het station aan? -
D. 1. Ik moet vanmiddag de telefoon thuis opnemen.
2. Jij wil morgen de kinderen op school ophalen.
3. Zij moet vanavond het eten thuis klaarmaken
4. Wij willen straks de tekst hier overschrijven
5. Zij kan morgen de tas buiten meenemen
E. 1. Doe jij de jas uit?
2. Maak jij de deur open?
3. Zet jij de muziek aan?…Read More -
Recept D
1- Ik moet morgenochtend thuis schoonmaken.
Recept E
1- Hoe laat kom je aan?
2- Welk boek geef je weg?
Recept F
1- Wanneer maak jij het huiswerk af?
2- Bij welke halte stap je de bus uit? -
Recept D
1. Ik moet morgen het plan op kantoor afbellen.
Recept E
2. Wanneer schoon jij maken?
3. Wat was je af?
Recept F
4. Hoe doe ik de deur in het café dicht?
5. Wanneer verwijzen jullie het restaurant door? -
1. Waarom zet jij de televisie uit?
2. Wanneer haal je je kinderen van school op?
3. Wij kijken uit naar de zomervakantie.
4. Doe jij morgen aan de vergadering mee?
5. Mijn buurman brengt de boeken vanavond terug. -
1. Zij moeten morgen met sollicitaties op kantoor aankomen.
2. De kinderen zullen vanavond het speelgoed uit de winkel ophalen.
3. Wanneer ga jij binnen?
4. Waarom bel jij terug?
5. Hoe houd ik de wasmachine op?
6. Hoe laat komt de docent in de klas aan? -
D
1. Zij kunnen morgenochtend hun lunch in de canteen klaarmaken.E
2. Wanneer kom jij binnen?
3. Wat gaat hij mee?F
4. Hoe laat komt u in de bioscoop aan?
5. Hoe vaak was je de kookpan af? -
1- Ik moet morgen mijn broer op het station ophalen.
2- Zij wil vanavond haar jas thuis aandoen.
3- Wij kunnen morgen onze tassen naar school meenemen.
4- Hij zal vanmiddag zijn kamer thuis schoonmaken.
5- Zij mogen vanavond de lichten in de woonkamer uitdoen. -
1. Ik moet morgen de telefoon op kantoor opnemen.
2. Waar kom jij aan?
3. Wanneer sta jij op?
4. Hoe maak jij de kamer schoon?
5. Hoe bel jij de dokter op?
- Load More Posts

1. Waar stap ik uit?
2. Ik moet vanavond de gerechten in mijn huis afwassen.
3. Waar zetten jullie jullie potloden neer?
4. Hoe laat kan ik opbellen?
5. Waarom slaap jij uit?