-
Dutchbook huiswerk:✍️
Boek. Pagina 130. Opdracht 5.
Plaats jouw antwoorden hieronder:210 Comments-
Ik kan het geld opnemen.Â
Ik wil het adres opschrijven.Â
Ik moet mijn moeder opbellen.Â
Hans moet zijn huiswerk afmaken.
Jullie moeten het activiteit uitzoeken. -
1. Ik wil het woord opschrijven.
2. Ik wil het boek meenemen.
3. Wij moeten het eten klaarmaken.
4. De student moet haar huiswerk afmaken.
5. Jullie moeten het afval weggooien.
6. Hij wil het geld uitgeven.
7. Zij kan de trein instappen.
8. Ik wil de deur dichtdoen.
9. Ze kunnen het bord afwassen.
10. Jij moet samenwerken met jouw collega’s. -
1. Ik moet dit jaar afstuderen.
2. Wij gaan de borden afwassen.
3. Zij moet haar schoolwerk bijhouden.
4. Wij zullen morgen bijpraten.
5. Zij willen het concert bijwonen. -
1. Ik moet mijn tas weggooien.
2. Ik wil dit woord opzoeken.
3. Wij moeten de bioscoop binnenkomen.
4. Jij kan de vis loslaten.
5. Hij moet dat probleem aankunnen. -
1. Ik moet mijn studieschuld afbetalen.
2. Zij willen voor deze project samenwerken.
3. Zij wil de oude spullen weggooien.
4. Hij moet de deur dichtdoen.
5. Ik moet een beetje geld opnemen. -
1. Hij moet het probleem uitzoeken
2. Hij moet het licht uitdoen.
3. Wij moeten het huiswerk afmaken.
4. Ik wil met jou uitgaan.
5. Jullie gaan het brief opschrijven. -
1. Ik wil rekening terugbetalen.
2. jij kan schermtijd afnemen.
3. Hij zal tijdens de toespraak uitbarsten.
4. Jullie moeten het huis schoonmaken.
5. Wij mogen tijdens de les uitkijken. -
1. Ik moet het woord opzoeken.
2. Jij wilt de film afkijken.
3. Hij kan het pakket ophalen.
4. Zij mag het boek openemen.
5. Wij gaan het telefoonnummer terugbellen.
6. Ze willen het geld uitgeven. -
1. Zij moet haar moeder terugbellen.
2. Zij zullen het aanzoek afwijzen.
3. We moeten met het huiswerk doorgaan.
4. Hij gaat een nieuw account aanmaken.
5. Je zult jouw hulp aanbieden.
6. Ik zal deze problemen voorkomen.
7. Ik wil jou terugzien.
8. Jullie zullen het kantoor schoonmaken.
9. Zij wilt aan het speel meedoen.
10. Ik moet mijn…Read More -
1. Ik wil het probleem uitpraten.
2. Je kunt de telefoon opnemen.
3. Zij moet de bus instappen.
4. Hij gaat het avondeten afmaken.
5. Wij zullen de kamer schoonmaken. -
1. Ik wil de borden afwassen.
2. Jij mag je voor de cursus aanmelden.
3. Ik wil het document teruggeven.
4. Jij mag het probleem uitleggen.
5. Ik wil het eten afhalen. -
1. Ik moet het geld doorgeven.
2. U zult de bus uitstappen.
3. Zij mag het pakket ophalen.
4. Wij moeten de kamer schoonmaken.
5. Jullie kunnen de boeken meenemen. -
1. Ik moet mijn jas aantrekken.
2. Hij wil dit antwoord opschrijven.
3. Zij moeten deze boeken meebrengen.
4. Jij gaat dit bord afwassen.
5. Zij kan informatie opzoeken.
6. Hij moet deze bus instappen.
7. Ik wil mijn huiswerk afmaken.
8. Jullie willen het huis opruimen.
9. Jij moet dat teruggeven.
10. Zij wil een nieuwe mascara opdoen. -
1. Ik moet mijn mening uitpraten.
2. Wij moeten het huis schoonmaken.
3. Je kan de laptop aanzetten.
4. Ik kan jou ophalen.
5. Jullie zullen hem wegbrengen.
6. Je moet de klanten terugbellen.
7. Jullie kunnen binnenkomen.
8. De kinderen moeten hier afblijven.
9. Hij moet de winkel opsluiten.
10. Zij moet een nieuwe jas uitzoeken. -
1. Ik will de documenten klaarmaken.
2. Je mag mijn spullen niet aanraken.
3. Je moet dit woord opzoeken.
4. Zij moet het avondeten opeten.
5. Jullie kunnen de taak afmaken.
6. Ik wil het pakket ophalen -
1. Ik moet het boek ophalen.
2. Zij moet de winkel binnengaan.
3. Hij moet de pen teruggeven.
4. Zij moet het avondeten klaarmaken.
5. Jij moet de tas meenemen. -
1. Ik moet het afval weggooien.
2. Hij moet zijn huiswerk afmaken.
3. Zij zal mij terugbellen.
4. Ik zal jouw boodschap doorgeven.
5. Je moet deze situatie aanpakken. -
1. Ik wil me aankleden.
2. Jullie moeten met elkaar samenwerken.
3. Hij wil zijn kinderen ophalen.
4. Wij mogen het eten opmaken.
5. Jij kan het probleem aanpakken.
6. Ik moet het afval weggooien. -
1. Hij wil vanochtend afwassen.
2. Ik ga me aankleden.
3. Ik moet een oplossing uitdenken.
4. Zij moeten de machine opzetten.
5. Wij kunnen op deze website aanmelden.
6. Ik ga mijn spullen inpakken. -
1. Hij wil het probleem aanpakken.
2. Ik moet de vergadering afbellen.
3. Jij kan het licht aandoen.
4. U gaat het abonnement afmelden.
5. Ik moet de laptop aansluiten. -
1. Ik zal je terugbellen.
2. Jij moet jouw werktijden afnemen.
3. Mag ik dit stoel meenemen?
4. Moeten wij bij u thuis aanbellen?
5. Kunnen jullie mijn boek ophalen? -
1-Wij kunnen de computer aanzetten.
2-Ik wil het formulier invullen.
3-Wij zullen het woord opschrijven.
4-Jij kunt het eten klaarmaken.
5-Zij zullen de kamer opruimen. -
1. Ik wil het eten aanmaken.
2. Wij moeten voetbal opspelen.
3. Hij kunt het diner doorbetalen.
4. Zij kunnen de vuile kleren uittrekken.
5. Jij moet het huiswerk afmaken. -
1. Wij willen de opdracht afmaken.
2. Ik kan de bus uitstappen.
3. Jij moet het spelen doorgaan.
4. Hij kan mijn auto doorrijden.
5. Jullie zullen de oude schoenen weggooien. -
1. Ik wil het huiswerk afmaken.
2. Hij zal de hond aanrijden.
3. Jullie mogen de berg opklimmen.
4. Ik wil de film opnemen.
5. Ik zal de opdracht uitleggen. -
1. Ik moet de kaartjes opnemen.
2. Wij zullen de foto afhangen.
3. Zij kunnen het afspreken.
4. Jullie willen de les aanbieden.
5. Zij zullen het strand aflopen. -
1. Ik moet met de auto meegaan.
2. Jij wilt je tand uittrekken.
3. Hij mag zijn documenten uitzoeken.
4. Ik wil met mijn collega’s samenwerken.
5. Ik sla het in mijn jas op. -
-
1. Ik moet het kind aankleden.
2. Hij wil over het verhaal aandenken.
3. Ze zullen de voortgang bijhouden.
4. Zij moet de auto loslaten.
5. Jij wil de vogel aanraken. -
1. Ik wil de muziek aanzetten.
2. Je mag de lamp aandoen.
3. Hij wil niet meedoen.
4. Zij mogen de hond uitlaten.
5. Ik wil de woonkamer opruimen. -
1. Ik wil mijn bed opmaken.
2. Je mag de televisie aanzetten.
3. Hij wil vroeg opstaan.
4. Zij mogen de deur opendoen.
5. Ik moet de fiets meenemen.
6. Jij mag de muziek uitzetten.
7. Zij wil de boodschappen ophalen.
8. Hij mag de auto aanzetten.
9. Ik wil mijn jas aantrekken.
10. Jij wil de hond uitlaten. -
1. Hij zal de informatie nakijken.
2. Wij moeten onze vakantie uitstellen.
3. Ik wil een film afkijken.
4. Hij kan het bestand overmaken.
5. Zij mag het rapport goedkeuren. -
1. We moeten het geld naar hen overmaken.
2. Ik moet vanavond laat opblijven.
3. Ik wil morgen met jou meegaan.
4. Ze moet nu aan hen lesgeven.
5. Hij kan zijn kamer opruimen.
6. Ze willen de prijs afnemen.
7. Ik wil deze film afkijken.
8. Hij wil deze boeken meenemen op vakantie.
9. Je mag mijn jas aantrekken.
10. We moeten de afspraak afbellen. -
1. Ik moet haar betere voorwaarden aanbieden.
2. Ze moet op het station aankomen.
3. Je gaat jouw mooiste kleren aantrekken.
4. Jullie kunnen mijn bericht doorgeven.
5. We willen onze collega’s uitnodigen. -
1- Ik moet het huis schoonmaken.
2- Hij wil een nieuw product aanschaffen.
3- Zij gaan de vergadering afbellen.
4- Wij moet het budget afkeuren
5- Kun jij dit afmaken? -
1. Ik moet de opdracht afmaken.
2. Zij zal het huis schoonmaken.
3. Ik wil het adres opschrijven.
4. Hij kan het bord afwassen.
5. Jullie moeten het project afmaken. -
Opdracht 5
1. Zij kan het formulier invullen.
2. Ik moet het kopje neerzetten.
3. Wij moeten het woord opschrijven.
4. Jij mag de documenten inleveren.
5. Hij moet het afval weggooien.
6. Wij moeten het plan goedkeuren.
7. Zij zal je later terugbellen. -
1. Wij kunnen ons afspraak verzetten.
2. Ik moet mijn project afmaken.
3. Ik wil de bus uitstappen.
4. Zij moeten de telefoon opnemen.
5. Ik wil mijn jas aantrekken. -
1. Ik wil de deur opendoen.
2. Ik kan het licht aandoen.
3. Ik moet mijn tas meenemen.
4. Ik zal de laptop aandoen.
5. Ik mag de hond uitlaten.
6. Ik ga de kast opruimen. -
-
1.Ik wil mijn kamer opruimen.
2.Ik kan de televisie uitdoen.
3.Ik moet mijn jas aantrekken.
4.Ik mag mijn vriend meenemen.
5.Ik ga het raam opendoen. -
1. Ik moet de woonkamer binnenkomen.
2. Ik moet de medicijnen innemen.
3. Ik moet het plan bijhouden.
4. Ik moet de taart meenemen.
5. Ik moet naar het feestje meegaan. -
1. Ik moet mijn werk afmaken.
2. Zij kan de computer aanzetten.
3. Wij willen het speelgoed opruimen.
4. Hij moet het adres opzoeken.
5. Jullie kunnen de dozen weggooien.
6. Zij willen het avondeten klaarmaken. -
1. U wilt de oude kledingen weggooien.
2. Ze willen over dat onderwerp navragen.
3. Hij moet zijn huiswerk afmaken.
4. Zij wil dit mooie schilderij ophangen.
5. Wij willen ons werkstuk inleveren. -
1. Ik ga bloed afstaan.
2. Je wil deze situatie meemaken.
3. Jij kunt de vaatwasser aanzetten.
4. Zij wil bij iemand afkijken.
5. Hij zal zijn koffers inpakken.
6. We willen hun aandacht vasthouden.
7. Wij mogen ons ontbijt overslaan.
8. Jullie moeten de taken uitvoeren.
9. Ze zullen het met elkaar goedmaken.
10. Zij gaan Nederlandse tradities overnemen. -
1. Ik moet de kamer opruimen.
2. Wij gaan de keuken schoonmaken.
3. Zij moeten het werk afmaken.
4. Ik mag het sap opdrinken.
5. Zij moeten de sleutels meenemen. -
1. Ik wil de hele avond thuisblijven.
2. Jij moet jouw fiets neerzetten.
3. Zij moet over jouw toekomst nadenken.
4. Wij kunnen het cadeau opendoen.
5. Jullie kunnen de zaal binnenkomen.
6. Zij wil het aanbod goedkeuren.
7. Hij wil de telefoon opnemen.
8. U kan uw laptop meenemen.
9. Jij zal jouw afval weggooien.
10. Ik moet de beker afwassen. -
1.Ik moet de uitnodiging voor de vergadering afwijzenÂ
2.Ik moet mijn adres aanpassen bij de gemeenteÂ
3.Wij zullen de tafel droogmaken
4.We moeten ons voorstellen
5.Je moet de vaatwasser leegmaken
6.Ik ga mijn mening opschrijven
7.We mogen de vergadering opnemen
8.Ik ga jouw voorstel afkeuren
9.Mijn manager gaat het budget voor het aankomende k…Read More -
1. Ik moet het adres opzoeken.
2. Wij mogen dit project voortzetten.
3. Ik zal de fles uitwassen.
4. Hij wil dit rapport afwerken.
5. Jullie moeten de prijs navragen. -
1. Ik kan mijn werk terugbellen.
2. Jij mag het afval weggooien.
3. Wij willen het huis binnenkomen.
4. Jij moet het bord afwassen.
5. Ik wil het eten meenemen. -
1. Ik moet deze boeken weggooien.
2. Ik mag haar niet teleurstellen.
3. Jij moet jouw vakantie vooruitdenken.
4. Hij zal de tandarts terugbellen.
5. Hij mag niet mijn auto kapotmaken. -
1. Ik wil mijn oudste kleren gooideweg.
2. Hij kan zijn ouders teleurstellen.
3. Ik moet een mes meenemen.
4. Jij moet met jouw collega samenwerken.
5. Ik moet de deur dichtdoen.
6. Ik wil de auto instappen. -
1. Ik moet de telefoon opnemen.
2. Jij wil de deur openmaken.
3. Wij moeten de kinderen ophalen.
4. Zij kan de jas aandoen.
5. Ik wil de afspraak afzeggen.
6. Jij moet de kamer opruimen. -
1- Je moet je huiswerk afmaken.
2- Ik moet de zending ophalen.
3- Ze kan de jas neerleggen.
4- We moeten thuis schoonmaken.
5- Je kunt in de woonkamer uitslapen. -
1. Zij moet de paraplu meenemen.
2. Hij zal het bedrag overmaken.
3. Ik wil het plan goedkeuren.
4. Jij moet de jas weggooien.
5. Zij moet de organisatie nadenken. -
1. Wij moeten de afspraak verzetten.
2. Zij wil haar oma opzoeken.
3. Hij kan de televisie aanzetten.
4. Ik moet de rekening betalen.
5. Jullie willen het formulier invullen. -
1. Hij moet het abonnement aanmelden.
2. Wij willen onze warmtepomp instellen.
3. Ze zullen mijn sollicitatie goedkeuren.
4. Ik wil mijn pakket terughalen.
5. Ik moet mijn bankrekening opvragen. -
1. Ik moet deze borden afwassen.
2. Jullie kunnen haar pakket ophalen.
3. Zij mag de volgende curces inschrijven.
4. Hij wil mijn laptop meenemen.
5. Je moet je oma opbellen. -
Hij moet huur meebetalen
Ik moet het bedrijf opbellen .
Ik moet thuis aankomen .
Wij moeten werk afmaken .
Wij moeten werk afmaken. -
1. Ik moet de telefoon opnemen.
2. Ik kan het glas neerzetten.
3. Ik wil op tijd aankomen.
4. Ik moet naar school meegaan.
5. Ik kan het antwoord uitzoeken.
- Load More Posts

1. Ik moet het diner meenemen.
2. Hij mag thuis aankomen.
3. Wij zullen het huis schoonmaken.
4. Jij mag mijn ouders opbellen.
5. Jullie moeten jullie potloden neerzetten.