-
Dutchbook huiswerk:✍️
Boek. Pagina 130. Opdracht 4.
Plaats jouw antwoorden hieronder:-
1. Ik bod het huis aan.
2. Rudolf raakt de tafel aan.
3. Wij praten over lunch aan.
4. Ik neem geld op.
5. ik neem de koffie mee. -
1. Ik schrijf het woord op.
2. Ik neem het boek mee.
3. Wij maken het eten klaar.
4. De student maak haar huiswerk af.
5. Jullie gooien het afval weg.
6. Hij geef het geld uit.
7. Zij stapt de trein in.
8. Ik doe de deur dicht.
9. Ze wassen het bord af.
10. Jij werkt samen met jouw collega’s. -
1. Ik bel de afspraak af.
2. Zij keurt het plan af.
3. Hij kikt de film af.
4. Je maakt het eten af.
5. We spreken vaak af. -
1. Ik maak het huiswerk af.
2. Jij schrijft een hoofdstuk uit.
3. Ik sta tegen jouw aan.
4. Jullie rijden de dierentuin in.
5. Ik bel je morgen terug. -
1. Hij kledt de kleren aan.
2. Jij komt het huis binnen.
3. Wij wassen de auto af.
4. Jullie laten de deur open.
5. Je zet de televisie aan. -
1. Hij maakt het kamer schoon.
2. Jullie komen thuis aan.
3. Ik doe de deur dicht.
4. Jij stapt de bus uit.
5. Ik trek mijn jas aan. -
1. Ik zoek het woord op.
2. Jij kijkt de film af.
3. Hij haalt het pakket op.
4. Zij neemt het boek op.
5. Wij bellen het telefoonnummer terug.
6. Ze geven het geld uit. -
1. Zij komen met ons mee.
2. Hij doet zijn broek aan.
3. We rekenen het bedrag af.
4. Ik gooi het afval weg.
5. Ik doe de oefening voor.
6. Je trekt jouw jas uit.
7. We zien elkaar maandag terug.
8. Jullie steken de straat over.
9. Zij letten tijdens de les op.
10. Ik zeg de afspraak af. -
1. Ik praat het probleem uit.
2. Je neemt de telefoon op.
3. Zij stapt de bus in.
4. Hij maakt het avondeten af.
5. Wij maken de kamer schoon. -
1. Ik neem mijn boeken mee.
2. Ik maak mijn kamer schoon.
3. Hij gooit het afwal weg.
4. Ik geef het geld terug.
5. Ik doe de deur dicht. -
1. Ik stap de trein uit.
2. Jij sluit de winkel af.
3. Hij rijdt in de bus zwart.
4. Wij maken jullie bed op.
5. Jullie maken het eten op. -
1. Zij maken geld over.
2. Wij nemen kleding mee.
3. Zij raken het schilderij aan.
4. Hij houdt adem in.
5. Zij zetten een app op.
6. Jij slaat rechts af.
7. Wij maken het huiswerk samen.
8. Zij hebben het probleem door.
9. Hij houdt de hond af.
10. Jij geeft het resultaat door. -
1. Wij nemen de telefoon op.
2. Hij maakt de WC schoon.
3. Jullie komen op kantoor aan.
4. Ik neem het brood mee.
5. Ik bel je terug.
6. Hij schrijft zijn naam op. -
1. Ik maak het huiswerk af
2. ZIj doet het licht aan
3. We nemen het geld mee
4. Ik geef het bericht door
5. Jullie vullen het formulier in.
6. Hij maakt het huis schoon. -
1. Ik sluit de computer af.
2. Hij doet de jas uit.
3. Zij stapt de trein in.
4. Wij halen de kinderen op.
5. Jij zoekt het probleem uit. -
1. Ik maak het eten klaar.
2. Zij maken het eten op.
3. Hij neemt dat boek mee.
4. Jij belt jouw moeder op.
5. Ik stap hier uit. -
1. Ik bel mijn moeder op.
2. Ze melden hen aan.
3. Ik kleed me aan.
4. Ik schrijf het op.
5. Ze raken het eten aan.
6. Hij neemt de borden weg. -
1. Ik raak de vlaai aan.
2. Zij gooit de bal terug.
3. Wij blijven ‘s nachts op.
4. Zij breekt de muur af.
5. Hij maakt de riem vast.
6. Zij pakt het cadeau uit. -
1. Hij pakt het probleem aan.
2. Ik bel de vergadering af.
3. Jij doet het licht aan.
4. U meldt het abonnement af.
5. Ik sluit de laptop aan. -
1. Ik schrijf jouw telefoonnummer op.
2. Jij maakt een kip af.
3. U geeft mijn bericht door.
4. We stappen in deze halte uit.
5. Ik bel jouw zus terug. -
1-Hij trekt de jas aan.
2-Ik vul het formulier in.
3-Wij schrijven het woord op.
4-Jij maakt het eten klaar.
5-Zij ruimt de kamer op. -
1. Ik maak het eten klaar.
2. Wij spelen voetbal op.
3. Hij betaalt het diner voor.
4. Zij trekt de vuile kleren uit.
5. Jij maakt het huiswerk af. -
1. Jullie pakken de wiskundige formule aan.
2. Hij gaat met de wedstrijd door.
3. Jij stelt het gesprek uit.
4. Wij staan om 8 uur op.
5. Ik maak de koffie klaar. -
1. Ik maak het huiswerk af.
2. Hij rijdt de hond aan.
3. Jullie klimmen de berg op.
4. Ik neem de film op.
5. Ik leg de opdracht uit. -
1. Ik neem de kaartjes op.
2. Wij hangen de foto af.
3. Zij maken de afspraak af.
4. Jullie bieden de les aan.
5. Zij lopen het strand af. -
1. Ik gooi de boeken weg.
2. Wij nemen het geld op.
3. Hij staat me wel aan.
4. Zij stapt van de fiets af.
5. Jij kijkt de kamer rond. -
1. Ik betaal de hypotheek uit.
2. Je haalt het pakket op.
3. Ik keur het verzoek af.
4. Zij meldt het huiswerk aan.
5. Jullie kijken de factuur af. -
1. Ik doe mijn schoenen af.
2. Wij denken aan jullie.
3. Hij heeft zijn hond lief.
4. Zij keurt het plan aan.
5. Ik schrijf de tekst over. -
1. Ik betaal voor de taart op
2. Wij bliven hier af
3. Jullie bellen haar af
4. Wij maken de pasta op
5. Wij werken in de kantoor samen -
1. Ik trek mijn jas aan.
2. Wij bellen onze vrienden op.
3. Hij zet de televisie aan.
4. Zij schrijft de afspraak op.
5. Ik ruim mijn kamer op. -
1. Hij geeft het boek terug.
2. Zij vraagt de informatie na.
3. Hij studeert dit jaar af.
4. Zij praat met een vriend bij.
5. Hij denkt over het werk na. -
1. We slaan alles op die computer op.
2. Zij geven die spullen weg.
3. Ze stapt de bus in.
4. Hij neemt de prijs toe.
5. De docent kijkt het huiswerk na.
6. Ik zet mijn kopje neer op de tafel.
7. Ze geeft geld uit aan kleding.
8. Jij gooit de afval weg.
9. Ik doe het raam dicht.
10. Ik kijk de film aan. -
Opdracht 4
1. De Manager keurt mijn contract goed.
2. Ik kijk de film af.
3. Mijn broer haalt het pakje op.
4. Hij zet het koffiezetapparaat aan.
5. Wij praten het probleem uit.
6. Zij stelt haar afspraak uit.
7. Zij maaken hun veiligheidsgordel vast. -
1. Ik bied de cocktail aan.
2. Ze trekt de trouwjurk aan.
3. Hij zet de luidspreker aan.
4. Hij maakt de rat af.
5. We pakken onze koffer in.
6. Ik schrijf mijn gedachten op.
7. Ik haal mijn zoon van school op.
8. Ik leg de algemene voorwaarden uit.
9. Ik gooi het afval weg.
10. Ze steken de brug over. -
1- Hij doet de deur dicht.
2- Zij maken de brandstof op.
3- Ik zoek een woord in het woordenboek op.
4- Ik meld de cursus aan.
5- Wij keuren het aanbod goed. -
1. Ik maak de opdracht af.
2. Zij stapt de bus in.
3. Ik neem het boek mee.
4. We wassen vaak af.
5. Hij maakt de kamer schoon. -
1. Ik blijf thuis op.
2. Ik maak mijn project af.
3. Ik stap de bus uit.
4. Ik zoek mijn oorbeltje op.
5. Ik trek mijn jas aan. -
1. Ik sta elke dag op.
2. Ik maak het licht aan.
3. Ik ruim mijn kamer op.
4. Ik schrijf het adres op.
5. Ik doe mijn jas uit.
6. Ik neem mijn brood mee. -
1.Ik zet de televisie aan.
2.Ik maak de deur open.
3.Ik trek mijn schoenen uit.
4.Ik breng mijn vriend mee.
5.Ik bel mijn moeder op. -
1. Ik denk over het plan na.
2. Ik eet de pasta op.
3. Ik maak het huiswerk af.
4. Ik zoek nieuwe woorden op.
5. Ik steek de weg over. -
1. Ik maak mijn huiswerk af.
2. Zij zet de tv aan.
3. Wij ruimen de borden af.
4. Hij zoekt een woord op.
5. Jullie nemen het vuil weg.
6. Zij maakt de keuken schoon -
1. Ik meld de les aan.
2. Je stelt het boek voor.
3. U wast de borden af.
4. Hij zet de computer aan.
5. Zij slaat de data op.
6. Wij raken die statue aan.
7. Ze laten de dieren vrij. -
1. Ik spreek die man tegen.
2. Je stelt jouw ouders teleur.
3. Jij nodigt gasten uit.
4. Hij laat het afval achter.
5. Zij legt alles uit.
6. We maken geld over.
7. Wij zetten flessen neer.
8. Jullie leggen dekens neer.
9. Ze maken de lunch klaar.
10. Zij raden het restaurant aan. -
1. Ik sta om 6 uur âs ochtends op.
2. Jij belt jouw moeder op.
3. Wij praten met mijn opa bij.
4. Zij maakt de keuken schoon.
5. Ik drink het water op. -
1.Ik zet de tv uit
2.We gooien de bal terugÂ
3.Je blijft van mijn computer af
4.Ik raak de afwasmachine aanÂ
5.Ik trek mijn kleding aan
6.Mijn vriend stelt mij teleur
7.Ik lach mijn vriendin uit Â
8.Ik laat mijn dromen losÂ
9.Ik stel mezelf voor
10.Ik maak zijn leven kapot -
1. Jullie lossen het probleem op.
2. Zij komt om acht uur aan.
3. U geeft les op school.
4. Hij maakt de tuin schoon.
5. Ik maak mijn werk af.
6. Jullie vullen jullie naam in.
7. Hij zoekt een woord op.
8. Wij geven veel geld uit aan kleding.
9. Zij stapt de bus in.
10. Ik stap over in Utrecht. -
1. Wij sluiten de winkel af.
2. Jullie gooien die kranten weg.
3. Ik stap de bus in.
4. Zij schrijven die brief uit.
5. Hij zoekt het huis af. -
1. Ik bel mijn werk terug.
2. Jij gooit het afval weg.
3. Wij komen het huis binnen.
4. Ik was het bord af.
5. Ik neem het eten mee. -
1. Ik ga naar mijn huis terug.
2. Ik zoek de website op.
3. Ik raak de kat aan.
4. Ik pak mijn cadeautje uit.
5. Ik keur de PR goed. -
1. Hij raakt haar haar aan.
2. Zij neemt altijd haar telefoon mee.
3. Ze komen de kamer binnen.
4. Hij zoekt nieuwe woorden op.
5. Hij keurt de aanbod af.
6. Hij maakt de murr kapot. -
-
1. Ik schrijf het woord op.
2. Wij nemen de telefoon op.
3. Zij maken de deur open.
4. Ik maak de lamp aan.
5. Jij doet de jas uit.
6. Wij zetten de muziek aan. -
1- Ze maken het af.
2- Hij stapt de bus uit.
3- Hij maakt het raam aan.
4- Zij belt de deur aan.
5- Ik schrijf de cursus in.-
#3 i think for aanmaken, it wont work with ‘het ram’, you should us somethig like ‘de radio’ : Hij maakt de radio aan.
-
-
1. Zij neemt de koffie mee.
2. Hij belt zijn dienst af.
3. Hij maakt de package over.
4. Jij geeft het cadeautje weg.
5. Zij zoekt het boek af. -
1. Ik vul het formulier in.
2. Jij zet de televisie aan.
3. Hij haalt zijn zus op.
4. Wij nodigen onze buren uit.
5. Zij brengt het boek terug. -
1. Zij zoekt haar kamer af.
2. De docent zet de computer aan.
3. Ik trek mijn favoriete jurk aan.
4. Hij kijkt naar de auto vooruit.
5. Het kind maakt de bloempot kapot. -
1. Wij maken de woonkamer schoon.
2. Hij stapt de bus in.
3. Ik neem de krant mee.
4. Zij maakt het eten klaar.
5. Je doet het raam dicht. -
Hij betaalt huur mee.
Ik bel het bedrijf op.
Ik kom thuis aan.
Wij maken het werk af.
Ik maak het huiswerk af. -
1. Ik bel mijn broer op.
2. Wij komen op school aan.
3. Hij staat om 8 uur op.
4. Wij gaan vanavond uit.
5. Zij doen hun jas aan. -
1. Ik neem de telefoon op.
2. Ik zet het glas neer.
3. Ik kom op tijd aan.
4. Ik ga naar school mee.
5. Ik zoek het antwoord uit.
- Load More Posts


1. Ik neem het diner mee.
2. Hij komt thuis aan.
3. Wij maken het huis schoon.
4. Jij belt mijn ouders op.
5. Jullie zetten jullie potloden neer.