-
Dutchbook huiswerk:✍️
Boek. Pagina 129. Opdracht 3.
Plaats jouw antwoorden hieronder:216 Comments-
-
1. Ik haal in.
2. Jij rijdt weg.
3. Hij komt binnen.
4. Zij raakt aan.
5. Wij gaan uit.
6. Jullie bellen aan.
7. Zij werken samen.
8. Ik heb lief.
9. Jij sluit af.
10. U maakt schoon. -
-
-
-
1. Ik bel terug.
2. Jij schrijft op.
3. Hij geeft uit.
4. Zij wast af.
5. Wij stappen in.
6. Jullie spreken af. -
1. Zij belt terug.
2. We werken samen.
3. Hij gaat vooruit.
4. Jullie komen aan.
5. Zij zegt af.
6. Je ruimt op.
7. Ik schrijf op.
8. Zij staan op.
9. We gaan uit.
10. Zij nodigt uit. -
-
-
-
-
1. Ik bel terug.
2. Jullie komen aan.
3. Hij neemt mee.
4. Zij komt binnen.
5. Wij nemen op.
6. Jullie werken samen.
7. Ik stap uit.
8. Ze stapt in. -
1. Ik doe mee.
2. Zij raakt aan.
3. Wij werken samen.
4. Jullie maken kennis.
5. Jij komt binnen.
6. Hij zet door.
7. Zij valt af.
8. Jij zegt af.
9. Wij nemen mee.
10. Zij nemen toe. -
1. Ik ga door.
2. Ze belt op
3. We gaan samen.
4. Jij komt binnen.
5. Ik meld aan.
6. Jullie kijken af
7. Hij pakt aan.
8. Ze trekken aan.
9. Ik raak aan.
10. Wij geven door. -
1. Ik schrijf op.
2. Jullie werken samen.
3. Zij zoekt uit.
4. Wij komen langs.
5. Hij doet open.
6. Jij belt terug.
7. Zij haalt op. -
-
1. Je kijkt uit.
2. Zij geeft uit.
3. Hij gaat weg.
4. Ze gaan door.
5. Ik kom uit.
6. Zij sluit af. -
1. Ik bel aan.
2. Zij gaat door.
3. Hij stapt uit.
4. Wij wassen af.
5. Wij werken samen.
6. Ik schrijf op.
7. Wij staan stil. -
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
1. Wij werken samen.
2. Ik kijk terug.
3. Ik sta op.
4. Dit komt voor.
5. Ik studeer af.
6. Hij zet aan.
7. Zij schrijft in.
8. Hij kijkt na.
9. Ik doe open.
10. Zij keurt af. -
Opdracht 3
1. Ik stap in.
2. Hij stapt uit.
3. Zij zoekt op.
4. Wij maken schoon.
5. Jij wast af.
6. Zij werken samen. -
-
1- Ik kom binnen.
2- Hij praat uit.
3- Zij geef aan.
4- Jullie geven les.
5- Wij keuren goed.
6- Zij melden aan. -
-
-
-
-
-
-
1. Ik val om.
2. Jij vraagt terug.
3. Hij haalt over.
4. Zij steekt af.
5. Wij stappen in.
6. Jullie spreken tegen.
7. Ze rijden langs. -
1.Ik stel voor
2.Hij slaat over
3.Jullie gaan meeÂ
4.We staan toeÂ
5.Je geeft doorÂ
6.Ik doe aan
7.Ik trek aan
8.Je spreekt af
9.Ik geef op
10.Je haalt in -
1. Ik neem aan.
2. Je neemt over.
3. Hij valt af.
5. Zij komt binnen.
6. We gaan mee.
7. Jullie bellen aan.
8. Ze zoeken op. -
1. Ik kijk na.
2. Je legt neer.
3. Jij zet neer.
4. Hij doet open.
5. Zij eet op.
6. We nemen op.
7. Wij slaan op.
8. Jullie maken over.
9. Ze steken over.
10. Zij zitten stil. -
-
1. Jullie lossen op.
2. Jullie bellen op.
3. Zij drukken in.
4. Wij komen binnen.
5. Zij komt aan.
6. U geeft les.
7. Ik ga mee.
8. Hij maakt schoon.
9. Ik maak af.
10. Ik stap over. -
-
-
-
1. Wij maken schoon.
2. Jij gaat terug.
3. Ze komen binnen.
4. Ze werken samen.
5. Hij pakt uit.
6. Zij keurt goed. -
1. Ik sta op
2. Hij kijkt op
3. Wij schrijven op
4. Jullie bellen op
5. Zij nemen op
6. Jij vult in
7. Wij zetten door
8. Zij gaan mee -
-
-
-
1. Zij belt terug.
2. Jullie betalen vooruit.
3. Ik denk aan.
4. Zij gaan binnen.
5. Hij geeft door. -
-
-
-
- Load More Posts

1. Ik kom na.
2. jij komt binnen.
3. Wij maken schoon.
4. Hij belt aan.
5. Jullie geven door.