-
👉 Make 3-7 questions from Knipwoord game🎙️🔊
Please record your questions https://rebrand.ly/record-voice and post your link below.148 Comments-
-
1. Trek je van de berg terug?
– Nee, ik trek van de berg niet terug.
– Ja, ik trek van de berg nu terug.
2. Steek deze tak van de boom uit?
– Nee, deze tak steek van de boom niet uit.
– Ja, deze tak steek van de boom ook uit.
3. Ben je klaar met aflassen?
– Nee, ik ben met aflassen niet klaar.
– Ja, ik ben met aflassen zeker klaar. -
-
-
1. Kun jij deze lamp in de woonkamer ophangen?
– Ja, ik kan deze lamp zeker in de woonkamer ophangen.
– Nee, ik kan deze lamp niet in de woonkamer ophangen.
2. Wil jij het cadeautje voor mij inpakken?
– Ja, ik wil het cadeautje voor jou zeker inpakken.
– Nee, ik wil het cadeautje voor jou niet inpakken.
3. Kun jij deze …. oprijden?
– Ja,…Read More
-
-
1. Kun jij haar loslaten?
– Ja, ik kan haar zeker loslaten.
– Nee, ik kan haar niet loslaten.
2. Stellen jullie jouw ouders teleur ?
– Ja, wij stellen onze ouders soms teleur.
– Nee, wij stellen onze ouders niet teleur.
3. Waarom speel je ……..?
-
-
1. Nee, ik stap de trein niet uit.
– Ik stap de trein nu uit.
2. Nee, wij maken het eten niet op.
– We maken het eten zeker op.
3. Nee, ik maak mijn bed niet op.
– Ik maak mijn bed elke dag op. -
1. Nee, ik strap de trein niet uit. / Ja, ik strap de trein nu uit.
2. Nee, wij maken het eten niet op/ Ja, wij maken het eten ook op.
3. Nee, ik maak mijn bed niet op. / Ja, ik maak mijn bed altijd op. -
1. Nee, ik stap de trein niet uit./ Ja, ik stap de trein ook uit.
2. Nee, wij maken het eten niet op./ Ja, we maken het eten zeker op.
3. Nee, ik maak mijn bed niet op./ Ja, ik maak mijn bed natuurlijk op. -
1. Nee, ik stap de trein niet uit. / Ja, ik stap de trein zeker uit.
2. Nee, wij maken het eten niet op. / Ja, we maken het eten natuurlijk op.
3. Nee, ik maak mijn bed niet op. / Ja, ik maak mijn bed altijd op.
-
-
-
1.
– Nee, ik neem de telefoon niet op.
– Ik neem de telefoon nu op.
2.
– Nee, ze kan het bestand niet opslaan.
– Ze kan het bestand altijd opslaan.
3.
– Nee, ik zoek de definitie niet op op internet.
– Ik zoek de definitie ook op op internet. -
1. Nee, ik neem de telefoon niet op. / Ja, ik neem de telefoon soms op.
2. Nee, ze kan het bestand niet opslaan. / Ja, ze kan het bestand zeker opslaan.
3. Nee, ik zoek de definitie niet op op internet. / Ja, ik zoek de definitie altijd op op internet.
-
-
-
1.
– Nee, ik bel jij niet terug.
– Ik bel jij zeker terug.
2.
– Nee, ik zal vanavond niet tot 10 uur opblijven.
– Ik zal vanavond ook tot 10 uur opblijven.
3.
– De trein komt niet aan.
– De trein komt om 2 uur aan. -
1. Nee, ik bel jij niet terug. Ja, Ik bel jij ook terug.
2. Nee, ik zal vanavond niet tot 10 uur opblijven. Ja, Ik zal vanavond zeker tot 10 uur opblijven.
3. De trein komt niet aan. De trein komt om 6 uur aan.
-
-
-
1. (Raak je mijn taart aan?….begrijp ik het goed?)
Nee, ik raak jouw taart niet aan. / Ik raak jouw taart nooit aan.
2. Nee, je mag later niet terugbellen. / Ja, je mag later zeker terugbellen.
3. Nee, ik wil aan deze spreekopdracht niet samenwerken. / Ja, ik wil aan deze spreekopdracht ook samenwerken.
-
-
-
1. Nee, ik bel Philips niet terug. Ja, ik bel Philips zeker terug.
2. Nee, ik maak geen pasta klaar. Ja, ik maak nu een pasta klaar.
3. Nee, wij trekken geen jas aan. Ja, wij trekken misschien een jas aan. -
1. Nee, ik bel Philips niet terug./ Ja, ik bel Philips zeker terug.
2. Nee, ik maak geen pasta klaar./ Ja, ik maak ook pasta klaar.
3. Nee, wij trekken geen jas aan./ Ja, wij trekken altijd een jas aan.
-
-
-
1. Nee, ik maak vanavond het eten niet klaar. / Ja, ik maak vanavond het eten altijd klaar.
2. Nee, ik breng jouw boek niet terug. / Ja, ik breng jouw boek zeker terug.
3. Nee, ik doe het licht niet aan. / Ja, ik doe het licht natuurlijk aan.
-
-
-
1. Nee, ik kan zwaar werk niet aankunnen. / Ik kan zwaar werk ook aankunnen.
2. Nee, ik betaal geen geld aan voor vakantie. / Ik betaal altijd geld aan voor de vakantie.
3. Nee, ik blijf niet op. / Ik blijf af en toe op.
-
-
-
-
1. Nee, wij kunnen niet met de bus doorrijden. Ja, wij kunnen misschien met de bus doorrijden.
2. Nee, ik betaal mijn rekening niet af. Ja, ik betaal altijd mijn rekening af.
3. Vandaag wil zij een rok aantrekken.
-
-
-
Trek jij de jas uit?
Nee, ik trek de jas niet uit.
Ik trek de jas altijd uit.
Maak jij de deur dicht doen?
Nee, ik maak de deur dicht niet doen.
Ik maak de deur dicht soms doen.
Staan jullie om zes uur op?
Nee, wij staan om zes uur niet op.
Wij staan om zes uur altijd op. -
1. Nee, ik trek de jas niet uit. Ik trek de jas zelden uit.
2. Nee, ik maak niet de deur dichtdoen. Ik maak zeker de deur dichtdoen.
3. Nee, wij staan niet om zes uur op. Wij staan soms om zes uur op.
-
-
-
1. Nee, ik ruim niet mijn kamer op. Ik ruim mijn kamer altijd op.
2. Nee, ik vul dit formulier niet in. Ik vul dit formulier zeker in.
3. Nee, ik sta morgen niet op. Ik sta morgen misschien op. -
1. Nee, ik ruim mijn kamer niet op. Ja, ik ruim mijn kamer vaak op.
2. Ja, ik vul dit formulier altijd in. Nee, ik vul de formulier niet in.
3. Ja, ik sta morgen zeker op. Nee, ik sta morgen niet op.
-
-
-
1. Nee, de buurvrouw belt niet teurg. Ja, de buurvrouw belt al terug.
2.Nee, ik neem de tickets niet mee. Ja, ik neem de tickets ook mee.
3. Nee, wij kunnen de vragen niet opschrijven. Ja, wij kunnen de vragen zeker opschrijven. -
1. Nee, de buurvrouw belt niet terug. Ja, de buurvrouw belt vaak terug.
2. Ja, ik neem de tickets zeker me. Nee, ik neem de tickets niet mee.
3. Ja, wij kunnen altijd de vragen opschrijven. Nee, wij kunnen de vragen niet opschrijven. -
1.Nee, de buurvrouw belt niet terug. Ja, de buurvrouw belt meestal terug.
2.Nee, ik neem de tickets niet mee. Ja, ik neem de tickets ook mee.
3. Nee, we kunnen de vragen niet opschrijven. Ja, we kunnen de vragen vaak opschrijven.
-
-
-
-
-
1. Stellen wij de vergadering uit? Wij stellen de vergadering niet uit./ Wij stellen de vergadering ook uit.
2. Mag ze het rapport goedkeuren? Ze mag het rapport niet goedkeuren./ Ze mag het rapport zeker goedkeuren.
3. Wil jij vandaag deze serie afkijken? Ik wil vandaag deze serie niet afkijken./ Ik wil vandaag deze serie ook afkijken.
-
-
-
1. Zal jij jouw kinderen ophalen? Ik zal mijn kinderen niet ophalen. Ik zal mijn kinderen straks ophalen.
2. Zetten jullie de wasmachine aan? Wij zetten de wasmachine niet aan. Wij zetten de wasmachine ook aan.
3. Spreek jij voor het huiswerk af? Ik spreek voor het huiswerk niet af or Ik spreek niet voor het huiswerk af. Ik spreek voor het…Read More -
1. Zal jij jouw kinderen ophalen? Ik zal mijn kinderen niet ophalen. Ik zal mijn kinderen zeker ophalen.
2. Zetten jullie de wasmachine aan? Wij zetten de wasmachine niet aan. Wij zetten de wasmachine zeker aan.
3. Spreek jij voor het huiswerk af? Ik spreek voor het huiswerk niet af./ Ik spreek voor het huiswerk ook af.
-
-
-
1. Raken jullie de dieren aan? Nee, we raken de dieren niet aan. We raken de dieren voorzichtig aan.
2. Kun jij de auto inhalen? Nee, ik kan de auto niet inhalen. Ik kan nu meteen de auto inhalen.
3. Sta je vroeger in het weekend op? Nee, ik sta in het weekend niet vroeger op. Ik sta in het weekend liever later op. -
1. Raken jullie de dieren aan? Ja, we raken de dieren altijd aan. Nee, we raken de dieren niet aan.
2. Kun jij de auto inhalen? Ja, ik kan de auto zeker inhalen. Nee, ik kan de auto niet inhalen.
3. Sta je vroeger in het weekend op? Ja, ik sta in het weekend soms vroeger op. Nee, ik sta in het weekend niet vroeger op.
-
-
-
1. Bel jij jouw vriend terug? Nee, ik bel mijn vriend niet terug. Ik bel mijn vriend morgen terug.
2. Mag jij de hond aanraken? Nee, ik mag de hond niet aanraken. Ik mag de hond ook aanraken.
3. Maak jij het werk af? Nee, ik maak het werk niet af. Ik maak het werk helemaal af.
4. Moet jij de borden afwassen? Nee, ik hoef de borden niet af te…Read More -
1. Bel jij jouw vriend terug?
Ja, ik bel mijn vriend zeker terug.
Nee, ik bel mijn vriend niet terug.2. Mag jij de hond aanraken?
Ja, ik mag de hond aanraken.
Nee, ik mag de hond niet aanraken.3. Maak je het werk af?
Ja, ik maak het werk af.
Nee, ik maak het werk niet af.4. Moet jij de borden afwassen?
Ja, ik moet de borden afwassen.
Nee,…Read More
-
-
-
Spreek jij hem vaak tegen? Nee, ik spreek hem niet vaak tegen.
Stelt het slechte nieuws je teleur? Nee, het slechte nieuws stelt me niet teleur.
Ga je voor jouw sleutels terug? Nee, ik ga niet voor mijn sleutels terug.
Laten jullie de fietsen bij ons achter? Nee, wij laten de fietsen niet bij jullie achter.
Staat hij altijd voor ons klaar? Nee,…Read More -
1. Spreek jij hem vaak tegen?
Ja, ik spreek hem vaak tegen.
Nee, ik spreek hem niet vaak tegen.2. Stelt het slechte nieuws je teleur?
Ja, het slechte nieuws stelt me teleur.
Nee, het slechte nieuws stelt me niet teleur.3. Ga je voor jouw sleutels terug?
Ja, ik ga voor mijn sleutels terug.
Nee, ik ga niet voor mijn sleutels terug.4. Laten…Read More
-
-
-
1. Raken jullie die deken aan? Ja, ik raak die deken soms aan. Nee, ik raak die deken niet aan.
2. Wil je jouw huiswerk afmaken? Ja, ik wil mijn huiswerk meteen afmaken. Nee, ik wil mijn huiswerk niet afmaken.
3. Staat zij altijd om 8uur op? Ja, zij staat altijd om 8 uur op. Nee, zij staat niet altijd om 8 uur op.
4. Werken zij voor dat…Read More
-
1. (Willen?) jullie die deken aanraken? Nee, wij willen die deken niet aanraken. Wij willen die deken heel graag aanraken.
2. Wil je jouw huiswerk afmaken? Nee, ik wil mijn huiswerk niet afmaken. Ik wil mijn huiswerk zo snel mogelijk afmaken.
3. Staat zij altijd om acht uur op? Nee, zij staat niet altijd om acht uur op. Zij staat altijd veel later…Read More
-
-
-
1. a. Nee, ik maak niet vanavond het eten klaar.
b. Ja, ik maak misschien vanavond het eten klaar.2. a. Nee, ik maak niet mijn kamer schoon.
b. ja, ik maak ook mijn kamer schoon.3. a. Nee, ik werk niet met mijn collega samen.
b. ja, ik werk zeker met mijn collega samen. -
1. Maak jij vanavond het eten klaar?
a- Nee, ik maak vanavond het eten niet klaar.
b- Ik maak vanavond het eten zeker klaar.
2. Maak jij jouw kamerschoen?
a- Nee, ik maak niet mijn kamerschoen.
b- Ik maak soms mijn kamerschoen.
3. Werk jij met jouw collega’s samen?
a- Nee, ik werk niet met mijn collega’s samen.
b- Ik werk ook met mijn collega’s samen. -
1. Ja, ik maak vanavond het eten zeker klaar. / Nee, ik kan vanavond het eten niet klaar.
2. Ja, ik maak mijn kamer soms schoon. / Nee, ik kan mijn kamer niet schoon.
3. Ja, ik werk met mijn collega soms samen. / Nee, ik werk met mijn collega niet samen.
-
-
-
1- Gooi jij de afwas weg?
a- Nee, ik gooi de afwas niet weg.
b- Ik gooi de afwas nooit weg.
2- Kunnen jullie samenwerken?
a- Nee, we kunnen niet samenwerken.
b- We kunnen zelden samenwerken.
3- Kan jij op zaterdag mij terugbellen? –> Kan jij zaterdag mij terugbellen?
a- Nee, ik zaterdag je niet terugbellen.
b- Ik zaterdag je misschien terugbellen. -
1. Ja, ik gooi de afwas altijd weg. / Nee, ik gooi de afwas niet weg.
2. Ja, wij kunnen soms samenwerken. / Nee, wij kunnen niet samenwerken.
3. Ja, ik kan je zaterdag zeker terugbellen. / Nee, ik kan je zaterdag niet terugbellen.
-
-
1. a. Nee, ik wil niet bij de volgende halte uitstappen.
1. b. Jaa, ik wil misschien bij de volgende halte uitstappen.2. a. Nee, ik kan morgenochtend niet thuis schoonmaken.
2. b. Ja, ik kan zeker morgenochtend thuis schoonmaken.3. a. Nee, ik kan niet een spin aanraken.
3. b. Ja, ik kan altijd een spin aanraken. -
-
– Neem je mijn tas mee?
Jazeker, ik kan jouw tas meenemen.
Nee, ik kan jouw tas niet meenemen.– Wil jij thuis komen binnen?
Ja, ik wil zeker thuis komen binnen.
Nee, ik wil niet thuis komen binnen.– Kan jij de radio aanzetten?
Ja, ik kan de radio aanzetten.
Nee, ik kan de radio niet aanzetten.
-
-
- Load More Posts


1. Waar kan ik uitstappen?
2. Mag ik dit weggooien?
3. Hoe laat komt de trein aan?