-
Dutchbook huiswerk:✍️
Boek. Pagina 166
Opdracht 7
Plaats jouw antwoorden hieronder:168 Comments-
1. Wil je klimmen of rennen?
2. Wil hij eten of drinken?
3. Moet jij studeren of werken?
4. Zullen wij slapen of koken?
5. Moet ik duwen of trekken? -
1. Moet jij afwassen of afdrogen?
2. Ben jij aan het kopen of verkopen?
3. Wil je lopen of rijden?
4. Willen jullie zwemmen of skiën?
5. Moet zij de groenten koken of snijden? -
1. Wil jij rijden of fietsen?
2. Moet jij koken of schoonmaken?
3. Gaan wij wandelen of zwemmen?
4. Willen jullie slapen of huiswerk maken?
5. Wil jij lezen of tv kijken? -
1. Wil je dansen of zingen op het feest?
2. Ga je hardlopen of zwemmen vanavond?
3. Ga je werken of studeren morgen?
4. Ga je boodschappen doen of bestel je online?
5. Wil je vandaag koken of uit eten gaan? -
1. Wil je in het zonnige weer fietsen of zwemmen?
2. Mogen we ons huiswerk in de bibliotheek of in een café maken?
3. Wil zij over het strand of in het bos wandelen?
4. Willen ze met de film een chocolade of een popcorn eten?
5. Moet jij voor winterseizoenen jas of een trui kopen? -
1. Wil je presenteren of observeren?
2. Wil je programmeren of ontwerpen?
3. Wil je starten of wachten?
4. Wil je analyseren of improviseren?
5. Mag ik pauzeren of doorgaan?
6. Kan hij hier parkeren of moet hij wachten?
7. Moet zij verhuizen of hier blijven? -
1. Wil je hier zitten of daar lopen?
2. Wil je Nederlandse spreken of Turks spreken?
3. Wil je zwemmen of hardlopen?
4. Willen jullie slapen of huiswerk maken?
5. Heb je gisteren gewerkt of was je vrij? -
1. Hou je van fietsen of wandelen?
2. Drink je water of koffie?
3. Wil je een boek of krant?
4. Kun je koken of bakken?
5. Kun je spreken of lezen? -
1. Zullen wij samen studeren of apart werken?
2. Zullen wij wandelen of fietsen?
3. Wil je werken of pauze nemen?
4. Zullen wij naar de stad gaan of thuisblijven?
5. Wil je blijven of weggaan? -
1. Wil je fietsen of lopen naar Dynamo?
2. Willen jullie dansen of zingen met carnaval?
3. Moet ik de ramen openen of sluiten?
4. Zullen wij de leraar bellen of bezoeken?
5. Wil je met je vriend praten of niet? -
1. Wil jij wandelen of thuisblijven?
2. Gaat zij werken of rusten?
3. Willen jullie verhuizen of hier blijven?
4. Moeten zij hardlopen of zwemmen?
5. Wil hij een nieuwe auto kopen of een oude repareren? -
1. Ga jij vandaag hardlopen of wandelen?
2. Moet jij winkelen of koken?
3. Willen jullie zingen of dansen?
4. Wil je een nieuw huis bouwen of kopen?
5. Wil je uitgaan of thuisblijven? -
1. Kunnen wij hier staan of zitten?
2. Moeten wij de deur trekken of drukken om binnen te gaan?
3. Zit of sta je tv te kijken?
4. Kook je vanavond thuis of eet je uit?
5. Heb je gisteren huiswerk gemaakt of een film gekeken? -
1. Wil je lezen of kijken?
2. Wil hij eten of drinken?
3. Gaat hij een huis huren of verkopen?
4. Wil zij dansen of zingen?
5. Zullen jullie lopen of rijden? -
-
1. Wil je wandelen of rennen?
2. Ga je spelen of kijken?
3. Willen jullie slagen of falen?
4. Wil hij kopen of verkopen?
5. Wil je leiden of volgen? -
1. Zullen we lopen of fietsen?
2. Wil je iets drinken of iets eten?
3. Willen jullie dansen of hier blijven wachten?
4. Houd je van hardlopen of zwemmen?
5. Ga je voetbal spelen of een biertje drinken? -
Wil je sporten of lopen?
Moeten we gaan of blijven?
Mogen we roken of drinken?
Kan ik praten of luisteren?
Wil je eten of drinken? -
1. Wil je wandelen of winkelen?
2. Wil je koken of schoonmaken?
3. Wil je lezen of luisteren?
4. Wil je slapen of tv kijken?
5. Wil je zingen of dansen? -
1. Kan hij zwemmen of fietsen?
2. Moet zij werken of studeren?
3. Mag ik blijven of gaan?
4. Wil je dansen of zitten?
5. Hoorde je schieten of niezen? -
1. Ga je vliegen of zwemmen?
2. Ga je spelen of lezen?
3. Wil je koken of lopen?
4. Ga je schaatsen of rolschaatsen?
5. Wil je zitten of staan? -
1-Wil hij zonnebaden of zwemmen?
2-Moeten jullie luisteren of lezen?
3-Zul je werken of wandelen?
4-Wil zij drinken of eten?
5-Ga je met de bus of met de auto? -
1. Moeten jullie een huis kopen of huren?
2. Wil jij naar de winkel wandelen of fietsen?
3. Houd jij van sporten doen of kijken?
4. Zullen wij schriven een brief of praten met haar?
5. Kunnen wij hier staan of zitten? -
1. Wil je rijst of aardappel?
2. Zullen wij luisteren of praten?
3. Kunnen wij dansen of zingen?
4. Moeten wij zitten of staan?
5. Mogen wij blijven of gaan? -
1. Wil jij koffie of warme chocolademelk?
2. Willen jullie een kaassoufflé of bitterballen?
3. Maakt u een schriftelijke opdracht of een luisteropdracht?
4. Reist u met de bus of met het vliegtuig?
5. Koop jij een rode jas of een blauwe jas? -
1 – Wil jij fietsen of lopen naar de winkel?
2 – Ga jij koken of bakken vanavond?
3 – Moet jij Nederlands leren of werken dit weekend?
4 – Kun jij zwemmen of rennen in de ochtend?
5 – Wil jij lezen of schrijven in de bibliotheek? -
1. Kan hij zingen of piano spelen?
2. Mag ik Engels of Duits speken?
3. Kunt u vandaag of morgen komen?
4. Kom je binnen of wacht je buiten?
5. Wil je zitten of sta je liever? -
1. Wil je wachten of vertrekken?
2. Ga je studeren of werken?
3. Moet ik bellen of mailen?
4. Gaan jullie een huis kopen of huren?
5. Zal hij fietsen of lopen? -
1. Wil je eten of drinken?
2. Ga je werken of studeren?
3. Moet hij komen of blijven?
4. Zal zij bellen of mailen?
5. Kun jij lopen of fietsen? -
1. Moet ik hier blijven of weggaan?
2. Wil jij reizen met de auto of lopen?
3. Kunnen wij schrijven of lezen?
4. Kan ik kook of gewoon blijven zitten?
5. Zullen jullie lopen of gewoon blijven staan? -
1. Wil je in het park spelen of thuis blijven?
2. Wil je naar de sterren kijken of in de zee zwemmen?
3. Wilt u de kaart lezen of zal ik de weg zoeken?
4. Wil je het verhaal zelf verzinnen of zal ik het einde vertellen?
5. Wil ze haar liedje repeteren of meteen uitvoeren? -
1. Zou je liever met ons meegaan of thuisblijven?
2. Wil je vandaag of morgen langskomen?
3. Dans je liever of zing je liever?
4. Wil je fietsen of lopen naar jouw school?
5. Moeten jullie een huis kopen of huren? -
1. Wil je sporten of slapen?
2. Wil je lopen of rennen?
3. Wil je zingen of dansen?
4. Wil je eten of drinken?
5. Wil je werken of ontspannen? -
1. Wil je lopen of rijden?
2. Moeten jullie studeren of spelen?
3. Zullen wij naar het centrum gaan of thuisblijven?
4. Gaan wij zwemmen of joggen?
5. Bel je nu jouw moeder of mijn moeder? -
1. Ga jij werken of studeren?
2. Ga jij zitten of staan?
3. Zullen wij koken of bestellen?
4. Kun jij zingen of dansen?
5. Wil jij iets tekenen of iets ontwerpen? -
1. Ga jij reizen of thuisblijven?
2. Ga jij lezen of schrijven?
3. Zullen wij wandelen of fietsen?
4. Kun jij zwemmen of hardlopen?
5. Wil jij een film kijken of muziek luisteren? -
1- Wil je graag lopen of wandelen?
2- Zullen wij avondeten koken of bestellen?
3- Willen jullie thuis blijven of buiten gaan?
4- Zullen zij naar het park of het bos gaan?
5- Willen jullie morgen of overmorgen vertrekken? -
1. Wil je werken of thuisblijven?
2. Wil je huren of kopen?
3. Zal ik fietsen of lopen?
4. Ga je appen of bellen?
5. Zullen wij spreken of schrijven? -
1. Is de kat weggelopen of gebleven?
2. Moet ik nu hier oversteken of wachten?
3. Is de stad veel veranderd of bij het oude gebleven?
4. Lig je te lezen of in slaap te vallen?
5. Is de les begonnen of afgelopen?
6. Is je ijsje bevroren of gesmolten?
7. Bent u uw geld vergeten of kwijtgeraakt? -
1. Wil je koken of bestellen?
2. Ga je studeren of ontspannen?
3. Wil je zwemmen of hardlopen?
4. Ga je werken of studeren?
5. Willen jullie reizen of thuisblijven? -
1. Kan je lezen of schrijven?
2. Wil je wandelen of rijden?
3. Mag ik drinken of eten?
4. Kan je zwemmen of fietsen?
5. Wil je koken of bestellen?
6. Mag ik zitten of staan? -
1. Wil je beginnen of wachten?
2. Kan je helpen of uitleggen?
3. Mag ik binnenkomen of buiten wachten?
4. Wil je verhuizen of hier blijven?
5. Kan je luisteren of praten?
- Load More Posts

1. Kan jij dansen of zingen?
2. Wil jij eten of drinken?
3. Zullen wij fietsen of wandelen?
4. Moet jij studeren of werken?
5. Kunnen jullie koken of bakken?