-
Dutchbook huiswerk:✍️
Boek. Pagina 166
Opdracht 6
Plaats jouw antwoorden hieronder:165 Comments-
1. Wil Maria een kopje koffie of thee?
2. Maak je een broodje of een toetje?
3. Wil je mijn tas of haar tas?
4. Heb je jouw kaartje of mijn kaartje?
5. Wil je een glas of een kop? -
1. Heb jij een xbox of een nintendo?
2. Speel jij kaartjes of domino’s?
3. Wil je koffie of thee?
4. Ben je extrovert of introvert?
5. Speel jij basketbal of voetbal? -
1. Heb jij water of thee?
2. Wil jij een koekje of een snoepje?
3. Kijk jij een film of een aflevering van een serie?
4. Lees jij een boek of een krant?
5. Luister jij naar rock of popmuziek? -
Kijk je liever een film of lees je een boek?
Ga je op vakantie naar Frankrijk of Spanje?
Wil je binnen zitten of buiten op het terras?
Spreek je Nederlands of Engels op je werk?
Werk je graag in een team of liever alleen? -
1. Kijk je een komediefilm of een enge film?
2. Eet hij voor het avondeten een pasta of een biefstuk?
3. Drink je een kopje thee of een kopje koffie?
4. Hebben jullie een kat of een hond?
5. Studeer je op je laptop of in je boek? -
1. Moet ik rechts of links gaan?
2. Vind jij enge films interessant of grappige films?
3. Heb jij minder of heel veel werk?
4. Werk jij meestal alleen of samen met andere mensen?
5. Vind jij Nederlands leren makkelijk of moeilijk?
6. Praat jij met jouw buren of niet?
7. Ga jij vaak buiten rennen of in de gym sporten? -
1. Koop je een broek of een rok?
2. Nemen wij een chocolade of een tas dropjes?
3. Kies je een ijsje of een koekje?
4. Gebruik jij een bril of lenzen?
5. Zoeken jullie een appartement of een huis? -
1. Ga je met de fiets of te voet?
2. Drink je sap of soep?
3. Luister je naar de radio of muziek?
4. Lees je een boek of een e-book?
5. Ontvangt u een brief of een e-mail? -
1. Kom jij met de fiets of te voet?
2. Wil je kaas of ham op je brood?
3. Slaap jij vroeg of laat?
4. Wil je binnen blijven of buiten spelen?
5. Drink jij water of melk? -
1. Drink jij koffie of thee?
2. Ben jij grappig of niet?
3. Zit jij in A1 of A2 cursus?
4. Houd je van honden of katten?
5. Eet jij een broodje met kaas of zonder kaas? -
1. Ga jij met jouw vrienden of jouw gezin op vakantie?
2. Rijd jij met de auto of met de fiets?
3. Woon jij in Eindhoven of in Den Bosch?
4. Gebruikt hij een iPhone of een Android?
5. Kijken jullie een film of een video? -
1. Lees je boeken of kranten?
2. Verkocht hij zijn woning of zijn vakantie huis?
3. Wilt u liever een biertje of een glaasje wijn?
4. Wonen jullie in een huis of appartement?
5. Vier je liever vakantie in de zomer of in de winter? -
1. Bel je met jouw vriend of jouw moeder?
2. Praten je in het Engels of Nederlands met jouw collega’s?
3. Werk je vandaag thuis of op kantoor?
4. Wil je voor het ontbijt muesli of een boterham eten?
5. Logeer jij bij haar of ga je naar thuis? -
1. Koop je een broek of een muts?
2. Kiest hij een lamp of een tafel?
3. Drink je een biertje of een cocktail?
4. Maak je een tosti of een salade?
5. Wil je een tomaat of een komkommer? -
1. Reis je naar Duitsland of Oostenrijk?
2. Spreek je Nederlands of Engels?
3. Neem je een jas of een trui mee?
4. Zit je binnen of buiten?
5. Kijk je een film of een documentaire? -
1. Wil je een koffie of een thee?
2. Gingen jullie op vakantie naar Thailand of Indonesië?
3. Spreekt hij Nederlands of Engels?
4. Neemt hij zijn jas of mijn jas?
5. Maken jullie een pasta of een pizza? -
Gaan jullie naar het werk of [gaan jullie] naar huis?
Kijk je een film of [kijk je] een serie?
Lopen we in het bos of [lopen we] in het park?
Liggen de boeken op de stoel of [liggen de boeken] op de tafel?
Wil je een pizza of [wil je] een hamburger? -
1. Wil je dit boek of dat boek?
2. Besluiten jullie een komedie of een horror?
3. Heb je een dochter of een zoon?
4. Ga je naar het werk of op een feest?
5. Drinkt zij een Aperol of een Martini? -
1. Ik kook pasta of sushi.
2. Zij wandelt of loopt hard.
3. Ik speel een videogame of een tafelspel.
4. Hij luistert naar de radio of naar muziek van de mp3-speler.
5. Ik kijk een film of een animatie. -
1-Ga jij met de auto of met de trein?
2-Wil je thuis eten of in een restaurant?
3-Wil je een orchidee of een margriet?
4-Koopt zij een computer of een telefoon?
5-Werken wij thuis of gaan wij naar kantoor? -
1. Eet jij een appel of een oranje?
2. Koopt hij een fiets of een auto?
3. Gebruik jij een airconditioner of een verwarming?
4. Parkeert u in het centrum of buiten de ring?
5. Heb jij een wandlamp of een plafondlamp? -
1. Eten jullie gezond of niet zo gevarieerd?
2. Moet ik een auto of een elektrische fiets kopen?
3. Reserveren wij voor het hotel of voor het vliegtuig?
4. Deel jij de auto met jouw moeder of met jouw broer?
5. Heb jij de afspraak met de huisarts of met de tandarts? -
1. Wilt u een jas of een tas?
2. Wilt u ‘s ochtends of ‘s avonds werken?
3. Wilt hij een pizza of een hamburger eten?
4. Wilt u de bus of de trein nemen?
5. Wilt u met pinpas of contant betalen? -
1 – Kies jij een koffie of een thee in de ochtend?
2 – Wil jij vandaag een wandeling of een fietstocht maken?
3 – Neem jij de bus of de trein naar de school?
4 – Eet jij liever een rijst of een pasta bij het avondeten?
5 – Koop jij dit weekend een brood of een fruit op de markt? -
1. Drink je melk of vruchtensap?
2. Gaan jullie mee of blijven jullie thuis?
3. Werk je in de stad of studeer je thuis?
4. Eet je thuis of ga je uit eten?
5. Lees je een boek of kijk je een film? -
1. Kijk je een film of lees je een boek?
2. Eet je liever pasta of rijst?
3. Ga je met vrienden of met familie op vakantie?
4. Sta je vroeg op of slaap je uit?
5. Luister je naar muziek of naar een podcast? -
1. Wil je een appel of een peer?
2. Heb jij een fiets of een auto?
3. Koopt hij een boek of een tijdschrift?
4. Neemt zij een thee of een koffie?
5. Eet u een broodje of een salade? -
1. Drink jij koffie of thee?
2. Hebben jullie honger of dorst?
3. Hebben we een steeksleutel of schroevendraaier?
4. Ga jij naar Amsterdam of Utrecht?
5. Hebben wij een ladder of niet? -
1. Wil je thee of koffie?
2. Wil je een appel of een banaan?
3. Wil je water of sap?
4. Wil je brood of rijst?
5. Wil je een film of een serie? -
1. Is het een gewone reis of een avontuur dat mijn leven verandert?
2. Gaan we het pad door het bos nemen of het pad langs de rivier?
3. Is het een geheim of algemeen bekend?
4. Geeft u de voorkeur aan de Franse of Japanse keuken?
5. Wie vertrouw je meer, jouw zus of jouw man? -
1. Wil je beginnen met de afwas of de was doen?
2. Kook je soep of pasta?
3. Zwemmen jullie in het zwembad of in de zee?
4. Hebben jullie honger of dorst?
5. Reserveren wij voor het hotel of voor het vliegtuig? -
1. Wil je koffie of sap?
2. Wil je fietsen of lopen?
3. Wil je een jas of een broek?
4. Wil je een stoel of een bank?
5. Wil je een pen of een potlood? -
1. Wil jij een chocolade of een ijs?
2. Heb jij een Mercedes of een BMW?
3. Gaan wij in het weekend naar de bioscoop of blijven wij thuis?
4. Koopt hij een broek of een trui?
5. Gaat hij naar zijn kantoor of niet? -
1. Ga jij naar het park of de stad?
2. Krijg jij een tas of een doos?
3. Eet jij met je handen of een lepel?
4. Bel jij een vriend of een collega?
5. Kijk jij een film of een serie? -
1. Pak je een koekje of een stuk taart?
2. Drink je melk of water?
3. Neem je de bus of de fiets?
4. Eet je thuis of in de kantine?
5. Koop je brood of fruit? -
1- Wil je graag pasta of pizza?
2- Zullen wij ga naar het part met fiets of te voet?
3- Neemt hij zij laptop of zij tablet mee?
4- Gaat zij vandaag of morgen boodschappen?
5- Zal ik je ‘s ochtends of ‘s middags een berichtje sturen? -
1. Drink je koffie of thee?
2. Ga je naar Korea of Japan?
3. Neem je de bus of de fiets?
4. Koop je groenten of vlees?
5. Eet je pasta of rijst? -
1. Maakt hij een cursus of toetsen?
2. Was alles gedaan op afstand of ter plaatse?
3. Heb je de sleutels of aansluitdraden ingepakt?
4. Ben ik mijn ID of mijn geheugen volledig kwijt?
5. Hebben jullie die app of dat spel geĂŻnstalleerd?
6. Heb ik per ongeluk zijn koffie of jouw koffie opgedronken?
7. Doet u dat voor de kost of als hobby? -
-
1. Wil je een appel of een sinaasappel?
2. Koop jij een boek of een tijdschrift?
3. Bestel je een koffie of een thee?
4. Zoek jij een shirt of een trui?
5. Gebruik je een pen of een potlood? -
1. Zie je bergen of een rivier?
2. Ga je met de bus of met de auto?
3. Eet je brood of rijst?
4. Kijk je liever naar horrorfilms of romantische films?
5. Betaal je met pin of contactloos? -
1. Koop je de jurk of de jas?
2. Eet je de appel of de ananas?
3. Los je de puzzel of het probleem op?
4. Drink je liever wijn of bier?
5. Reis je liever in het strand of de heuvel?
- Load More Posts

1. Wil jij een auto of een fiets?
2. Heb jij een hond of een kat?
3. Eet jij een ijs of een stroopwafel?
4. Ga jij naar het strand of naar het park?
5. Luister jij naar muziek of een podcast?