-
Dutchbook huiswerk:✍️
Boek. Pagina 165
Opdracht 5
Plaats jouw antwoorden hieronder:168 Comments-
1. Maria gaat naar de supermarkt of naar haar huis.
2. Ik maak een taartje of een brownie.
3. Wij studeren vandaag of morgen.
4. Wij eten de pasta of wij bestellen kip.
5. Hij blijft thuis of hij gaat naar jou. -
1. Ik blaas de ballonnen op of ik maak de tafel op.
2. Ik draag een broek of ik draag een rok.
3. Hij speelt een spel of hij kijkt een film.
4. Zij maken eten of zij bestellen eten.
5. Jiji plant een boom of jij maakt de tuin schoon. -
1. Jij kunt een brief schrijven of jij kunt een e-mail sturen.
2. Zij gaat een film kijken of zij gaat een boek lezen.
3. Hij studeert in Amsterdam of hij studeert in Leiden.
4. Wij gaan de bus nemen of wij gaan fietsen.
5. Jullie gaan op vakantie met de trein of jullie gaan op vakantie met de auto. -
1. Ik maak het rapport af of jij doet het morgen.
2. We gaan nu naar huis of we blijven nog een uurtje.
3. Jij kookt vanavond of we bestellen iets.
4. We kijken een film of we spelen een spelletje.
5. Ik bel je straks of je belt mij eerst. -
1. Zij eet haar salad of haar boterham.
2. Hij gaat naar de les met zijn auto of zijn fiets.
3. De studenten beantwoorden de vraag goed of fout.
4. Ik volg de les vandaag online of in persoon.
5. Zij draagt vanavond een jurk of een broek. -
1. Ik ga op vakantie of ik word depressief.
2. In het weekend gaan wij uit of blijven wij thuis.
3. Ik wil naar dit huis of dat huis verhuizen.
4. Jullie kunnen hier zitten of naar de tuin gaan.
5. Wij koken thuis of we bestellen eten.
-
1. Ik wil graag solliciteren bij een startup of een grote organisatie
2. Wij willen graag presenteren in het Nederlands of het Engels
3. Zij wil graag beter worden in schrijven of spreken
4. Ik wil graag ontspannen met een massage of met een biertje
5. Wij willen graag investeren in vastgoed of de aandelenmarkt
6. Ik wil deelnemen aan een…Read More -
1. De kat ligt op de tafel of hij zit op mijn stoel.
2. Ik baak een taartje of maak soep.
3. Jij plant een boom of jij maakt de tuin schoon.
4. Ik volg de les vandaag online of in persoon.
5. Wij gaan uit in het weekend of wij blijven thuis. -
1. Ik eet een brood of ik eet een cheeseburger.
2. Ik wandel in het park of ik speel in het park.
3. Ik drink een fles water of ik drink een fles sap.
4. Hij spreekt Nederlands of hij spreekt Engels.
5. Hij haalt een kind op of hij brengt het kind. -
1. Jij drinkt koffie of je neemt thee.
2. Zij maakt huiswerk of zij speelt een spel.
3. We gaan naar de bioscoop of we kijken thuis een film.
4. Ik schrijf een e-mail of ik bel je op.
5. Wij fietsen naar het park of wij lopen. -
1. Ik maak mijn huiswerk nu, of ik maak het later.
2. Ik moet groenten kopen of avondeten bestellen.
3. Wij kunnen zwemmen vandaag of morgen skaten.
4. In het weekend doe ik veel werk, of ik doe helemaal niets.
5. Ik kan de cursus thuis of bij Dynamo volgen. -
1. Jij creëert een video of een foto.
2. Ik kan boodschappen doen of afwassen.
3. Zij maakt soep of stamppot.
4. Wij gaan tv kijken of videogames spelen.
5. Zij verhuizen naar een huis of een appartement. -
1. Ik teken op papier of op het bord.
2. Zij betaalt de boodschappen met pinpas of met contant geld.
3. Hij speelt met zijn kinderen of met zijn neven en nichten.
4. Wij kunnen een film in de bioscoop of thuis bekijken.
5. Wij kunnen vandaag of morgen bijeenkomen. -
1. Wij gaan naar een café of een restaurant.
2. Ik koop deze jas of die schoenen.
3. Jij doet het licht aan of uit.
4. Hij wil een speeltje of een reis voor zijn verjaardagcadeautje.
5. Hij verlaat haar of zij verlaat hem. -
1. Jullie gaan naar het theater of naar de bioscoop.
2. Wij slapen hier of daar.
3. Wij bakken patat of we bestellen een pizza.
4. Jij gaat naar de supermarkt of naar de markt.
5. Jij kunt een tablet of een computer kiezen. -
1. Ik ga naar mijn werk of ik blijf thuis.
2. We gaan met de auto of met de fiets.
3. Hij eet een appel of een tomaat.
4. Ik bel mijn broer of mijn moeder.
5. Ze schrijven e-mails of ze versturen brieven. -
1. Ik werk thuis of op kantoor.
2. Ik lees een boek of kijk naar televisie.
3. Ik kook het avondeten of ik bestel iets van een restaurant.
4. Jullie drinken koffie of spelen een kaartspel.
5. Zij belt haar moeder of haar broer. -
Jing drinkt een mocktail of [Jing drinkt] een cocktail.
Ik wil een nieuwe auto of [ik wil een nieuwe] fiets.
Ik ga naar Malta of [ik ga] naar Spanje.
Ik woon in Eindhoven of [ik woon] in Utrecht.
Ik sta om 8 uur op of [ik sta] om 7 uur op. -
1. Ik maak mijn huiswerk of kijk een film.
2. Hij doet boodschappen bij Jumbo of Albert Heijn.
3. Zij belt haar ouders of haar vriendin.
4. Wij gaan naar het centrum of naar de bioscoop.
5. Zij gaan met de bus of met de trein. -
1. Ik bak een appeltaart of ik koop een verse worteltaart.
2. Zij komt alleen naar mijn bruiloft, of zij nodigt haar collega uit.
3. Ik maak mijn oefening af, of ik slaap een uur langer.
4. Hij heeft een arts nodig of hij speelt ziek.
5. Jij maakt jouw kamer schoon of ik bel jouw vader. -
1. Ik maak huiswerk of ik kook avondeten.
2. Zij loopt in een park of zij blijft thuis.
3. Ik speel een videogame, of ik speel padel.
4. Hij luistert naar de radio of hij leest een krant.
5. Ik kijk een film of ik kijk naar youtube. -
1-Zij gaan met de auto of met de trein.
2-Ik kook het eten thuis of ik bestel bij Five Guys.
3-Zij schrijft een bericht of zij belt.
4-Wij doen mee aan een ontmoeting of wij werken thuis.
5-Jij werkt thuis of jij gaat naar kantoor. -
1. Ik koop een tas of (ik koop) een portemonnee.
2. Ik maak een zin of ik kijk een video.
3. Ik luister naar radio of (ik luister) naar een podcast.
4. Ik koop een bank of ik huur een stoel.
5. Ik gebruik een laptop of (ik gebruik) een desktopcomputer. -
1. Ik bestel het online of koop het in de winkel.
2. Jij parkeert de auto in een garage of wandelt naar het centrum.
3. Wij gaan naar het station of wachten op jou thuis.
4. Jullie verhuizen naar Amsterdam of Rotterdam.
5. Hij komt snel of zij loopt langzaam. -
1. Ik lees een boek of luister het naar de app.
2. Hij kookt een soup of een pizza.
3. Jullie ga naar sporthal of een film kijken.
4. Ik kijk een film of maak een opdract.
5. Hij fietsen naar de winkel of lopen naar de wink -
1. Ik neem een appel of pak een banaan.
2. Zij leest een boek of kijkt een film.
3. Hij koopt een jas of zoekt een trui.
4. We eten een pizza of maken een salade.
5. Ze tekenen een huis of bouwen een toren. -
1 – Hij kookt pasta of ik bak brood in de oven.
2 – Zij leest een roman of wij kijken een documentaire.
3 – De kinderen tekenen dieren of de ouders maken foto’s in het park.
4 – Mijn zus studeert biologie of ik oefen mijn Nederlands met die DutchFriends.
5 – De hond zoekt zijn bal of de kat speelt met een touwtje. -
1. Ik neem de bus of ik ga te voet.
2. Wij koken zelf of bestellen eten.
3. De kat komt naar binnen of de hond gaat naar buiten.
4. Wilt u koffie of drinkt u thee?
5. Jullie brengen bloemen of we geven chocolade als cadeautje. -
1. Komt hij vanavond of morgen aan?
2. Wij zijn vergeten wanneer we gaan: naar Italië of naar Zwitserland.
3. Maak jij vanavond het avondeten of maak ik het?
4. Ga ik eerst naar de sportschool of naar de winkel?
5. Ga jij in het weekend zwemmen of blijf je binnen? -
1. Hij wil graag een kopje koffie of thee
2. Zij krijgt een jas of een jurk
3. Hebben wij een ticket naar Amsterdam of niet?
4. Hebben jullie de les of niet?
5. Hij drinkt een glas Coca-Cola of bier
6. Heb jij honger of niet?
7. Krijg jij een roze of blauwe auto ?
8. Ik eet in het restaurant of ik ga naar thuis
9. Mij broer heeft honger of hij…Read More -
1. Ik ga deze zomer naar Roemenië of Frankrijk.
2. Als ik uitga, bestel ik een glas champagne of een alcoholvrije gin-tonic.
3. Je hebt twee keuzes: je kunt vertrekken of je kunt blijven en proberen te winnen.
4. Als ontbijt eet ik yoghurt met walnoten,e bosbessen of een omelet met avocado en zalm.
5. We spelen bordspellen of lezen boeken. -
1. Hij kijkt naar de tv of hij gaat naar zijn vriend.
2. Ik twijfel tussen de rode of de blauwe jurk.
3. Wij gaan naar Amsterdam met de auto of met de trein.
4. Er zijn vis-, vlees- en vegetarische menu’s.
5. Hij vindt iets om te doen of hij verveelt zich. -
1. Ik lees een krant of ik luister naar de radio.
2. Ik kook thuis of ik eet in een restaurant.
3. Ik ga wandelen of ik blijf thuis.
4. Hij speelt voetbal of hij kijkt een film.
5. Wij eten pasta of wij maken soep. -
1. Ik maak een boterham of pasta.
2. Ik rijd in mijn auto of ik fiets.
3. Wij studeren vandaag of morgen.
4. Jij wilt koffie of thee.
5. In het weekend gaan wij naar de bioscoop of blijven wij thuis.
6. Ik ga met de taxi of ik ga met de bus.
7. Zij doet haar werk of zij kijkt naar tv.
8. Jullie kopen appels of mango’s. -
1. Ik bak een taart of koekjes.
2. Hij leest een krant of roman.
3. Zij neemt een taxi of bus.
4. Hij zoekt een baan of stage.
5. Zij huurt een auto of fiets. -
1. Hij komt met de bus of met de trein.
2. Wij eten thuis of in een restaurant.
3. Jij belt hem later of ik bel hem.
4. Ik ga vandaag studeren of morgen.
5. Jij gaat vanavond uit of je blijft thuis. -
1. Wil je graag thee of koffie?
2- Hij maakt pasta of pizza.
3- Ik ga naar werk met auto of fiets.
4- Zij koopt een jurk of een rok.
5- Jullie willen vertrekken vandaag of morgen. -
1. Hij heeft een hond of een kat.
2. Ik maak pasta of rijst.
3. We gaan naar Noorwegen of Taiwan op vakantie.
4. Zij gaat naar Korea of Japan op zakenreis.
5. Je koopt groenten of vlees. -
-
1. Jullie zijn een eenheid of het is ieder voor zich.
2. Wij spreken elkaar of wij doen het niet.
3. Je bent nogal wat van plan of gewoon vol van dromen.
4. Wij voorkomen ziektes of wij genezen ze.
5. Hij ligt goed bij de groep of die groep past best bij hem.
6. Hij maakte een goede eerste indruk of hij verborg iets.
7. Het eten was op of de…Read More -
1. Ik drink een kop koffie of ik drink een kop thee.
2. Hij koopt een computer of hij koopt een tablet.
3. Wij kijken een film of wij spelen een spel.
4. Jij kookt een soep of jij maakt een salade.
5. Zij lezen de krant of zij luisteren naar de radio. -
1. Ik eet brood of ik eet rijst.
2. Ik ga met de bus of ik ga met de trein.
3. Ik kijk een film of ik lees een boek.
4. Ik kook thuis of ik eet in een restaurant.
5. Ik blijf thuis of ik ga naar buiten. -
1. Zij koopt een nieuwe jurk of ze draagt haar oude jurk.
2. We spreken in het café af of we ontmoeten op het station.
3. Ik ga deze zomer naar Spanje of ik bezoek mijn familie.
4. Wil je buiten eten of zullen we binnen zitten?
5. We reizen met de auto of we nemen het vliegtuig.
- Load More Posts


1. Ik kook het avondeten of bestel een pizza.
2. Wij bezoeken onze vrienden of blijven thuis.
3. Ik bel de klant of stuur een e-mail.
4. Wij gaan naar de bioscoop of kijken Netflix.
5. Ik speel een spel of maak mijn huiswerk.