-
Dutchbook huiswerk:✍️
Boek. Pagina 165
Opdracht 4
Plaats jouw antwoorden hieronder:171 Comments-
1. Ik kocht een auto, maar ik wilde een motor.
2. Wij zijn al hier, maar jij bent niet.
3. Jij deed jouw projecten, maar zij hebben het niet gedaan.
4. Ik kom met een auto, maar ik rijd hem niet.
5. Zij kookt eten, maar ik was de borden af. -
1. Hij staat bij het station, maar ik zie hem niet.
2. Hij wil naar het feest gaan, maar ik weet het niet zeker.
3. Jos heeft een paar auto’s, maar ik heb alleen een fiets.
4. Ik ben naar de kraam gefietst, maar jij was daar niet.
5. Wij willen naar Spanje gaan maar mijn moeder wil in Amsterdam blijven. -
1. Hij gaat naar de sportschool maar ik ga naar de tandarts.
2. Jullie hebben een feest maar jullie hebben geen gasten.
3. Ik wil een glas water maar ik wil geen citroen.
4. Ik koop een broek maar hij past niet.
5. Hij doet de afwas maar hij heeft geen zeep. -
1. Ik ga naar mijn werk, maar hij gaat naar de sportschool.
2. Zij doet haar huiswerk, maar zij leest een boek.
3. Hij kookt eten, maar jullie gaan uit eten.
4. Ik maak mijn taken af, maar hij luistert naar muziek.
5. Hij doet de boodschappen, maar zij kookt het avondeten. -
1. Ik wil naar buiten, maar het regent.
2. Zij spreekt goed Engels, maar geen Nederlands.
3. We wilden pizza eten, maar de pizzeria was dicht.
4. Ze is vriendelijk, maar soms een beetje stil.
5. Ik wilde zwemmen, maar het water was te koud. -
1. Ik wil winkelen, maar ik heb geen geld.
2. Ik moet werken, maar ik heb geen zin.
3. Ik vraag mijn vriend om koffie te kopen, maar hij vergeet het.
4. Zij helpen hun buurman, maar hij zegt geen dankjewel.
5. Je mag komen, maar breng je broer niet mee.
-
1. Ik wil naar het feest, maar ik ben moe.
2. Ik wil een film kijken, maar ik moet koken.
3. Ik wil naar school fietsen, maar het is zo koud.
4. Ze rijdt vandaag auto, maar ze is jonger dan 18.
5. We droegen kostuums voor het feest, maar niemand droeg ze. -
1. Ik ren ‘s ochtends maar ‘s avonds niet
2. Ik werk soms thuis maar niet altijd
3. Hij wil slapen maar hij kan niet
4. Wij hebben veel tijd maar we zijn moe
5. Wij onderzoeken de klacht maar we ondernemen geen actie
6. Wij begrijpen het probleem maar we hebben geen oplossing
7. Ik heb een afspraak maar ik moet dat verplaatsen -
1. Ik eet graag chocolade, maar het is niet goed voor mijn gezondheid.
2. Ik wil een auto kopen, maar ik heb geen geld.
3. Ik moet naar Amsterdam gaan, maar de trein rijdt niet.
4. Hij bestelt pizza, maar ik bestel pasta.
5. Zij bakt een taart, maar maakt nooit soep. -
1. Ik heb normaal fiets maar zij heeft elektrische fiets.
2. Ik drink een kop melk, maar zij drinkt een kop koffie.
3. Ik maak een kamer schoon, maar zij spelen in een kamer.
4. Ik wil een koekje, maar ze hebben een taart.
5. Ik leer Nederlands maar zij leert Engels. -
1. Zij leest een boek, maar ik kijk tv.
2. Ik wil naar buiten, maar de zon schijnt.
3. Hij praat veel, maar ik luister liever.
4. Wij eten salade, maar zij eet pizza.
5. Ik heb vakantie, maar jij moet werken. -
1. Ik kan autorijden, maar ik heb geen auto.
2. Ik ben architect, maar ik werk nu niet.
3. Ik ben ambitieus, maar ik ben wel lui.
4. Ik vind deze kleding heel leuk, maar hij is wel duur.
5. Ik maak een taart, maar ik volgt een suikervrij dieet. -
1. Ik wil deze mooie bomen kopen, maar ik heb geen tuin.
2. Jij gaat op vakantie, maar jij moet jouw taak afmaken.
3. Wij willen een kat hebben, maar wij mogen niet.
4. Zij gaan een feestje organiseren, maar hebben geen plaats.
5. Hij wil melk drinken, maar hij heeft een allergie. -
1. Ik eet altijd een warm eten, maar ik kook niet altijd.
2. Zij sport elke dag, maar haar training duurt minder dan 30 minuten.
3. Hij eet veel kaas, maar eet geen pindakaas.
4. Hij gaat bij de volgende verkiezingen stemmen, maar weet nog niet op wie.
5. Zij gaan vanavond uit maar hebben niet veel energie. -
1. Ik kom hier met de trein, maar hij komt te voet.
2. Zij werkt altijd op kantoor, maar hij werkt soms thuis.
3. Ik dien mijn ontslag in, maar zij blijft daar werken.
4. Ik ontbijt altijd, maar hij ontbijt zelden.
5. Ze zijn op vakantie, maar wij op het werk. -
1. Ik drink thee maar jij drinkt koffie.
2. Ik slaap laat, maar hij slaapt vroeg.
3. Mijn Nederlands is niet perfect, maar niet zo slecht.
4. Ik wil fietsen, maar ik heb geen fiets.
5. Hij wil een nieuwe taal leren, maar hij heeft geen tijd. -
1. Hij gaat naar zijn werk, maar ik blijf thuis.
2. Ik ga slapen, maar hij gaat tv kijken.
3. Jullie gaan met de bus, maar wij gaan met de auto.
4. Ik ben moe, maar hij is vol energie.
5. Mijn vrienden gaan naar het park, maar ik moet naar de bibliotheek.
6. Jij woont in de stad, maar zij woont in het dorp.
7. Onze vrienden vieren Kerst in Polen,…Read More -
-
1. Wij eten pasta, maar zij eet pizza.
2. Ik drink veel koffie, maar geen thee.
3. Ik bestel een drankje, maar hij bestelt eten.
4. Wij spreken goed Nederlands, maar geen Spaans.
5. Ik koop geen broek, maar wel een trui. -
1. Ik eet stamppot, maar hij eet pizza.
2. Ik drink veel thee, maar geen koffie.
3. Jullie gingen naar Frankrijk op vakantie, maar wij gingen naar Indonesië.
4. Hij houdt van voetbal, maar ik houd van geld.
5. Ik wil vandaag op kantoor werken, maar ik ben ziek. -
1. Behrouz barbecuet, maar hij nodigt ons niet uit.
2. Zukhruf eet lekkere Pakistaans eten, maar zij eet zonder ons.
3. Palin reist naar Thailand, maar zij komt eerder terug.
4. Manuel eet pizza met ananas, maar Italiaanse mensen haten dat.
5. Piotr kocht een huis, maar het is in België. -
1.Ik mag de docent maar hij geeft te veel huiswerk.
2. Zij had geld maar zij kocht een huis.
3. Wij bezochten oma, maar zij was niet thuis.
4. Ik las een handleiding maar het was een tijdverspilling.
5. Zij ging naar de bioscoop, maar de film was een flop. -
1. Ik maak het huiswerk, maar zij maakt haar huiswerk niet.
2. Zij loopt in een park, maar ik blijf thuis.
3. Ik speel een videogame, maar zij speelt niet met mij.
4. Hij werkt op zijn nieuwe baan, maar hij vindt het niet leuk.
5. Ik hoor een vogel, maar zij hoort de vogel niet. -
1-Zij leest een boek, maar hij luistert naar muziek.
2-Ik werk thuis, maar mijn broer gaat naar kantoor.
3-Wij koken het eten, maar zij bestellen pizza.
4-Hij wil komen, maar hij heeft geen tijd.
5-Ik drink koffie, maar zij kiest thee. -
1. Ik wilde geen kaas maar hij deed kaas in mijn brood.
2. Ik drink geen koffie maar ik drink groene thee.
3. Ik eet geen yoghurt maar ik eet yoghurtpannenkoeken.
4. Ik wil een nieuwe laptop maar ik heb geen genoeg geld.
5. Ik ben lui maar ik heb een taak. -
1. Jij koopt de ingrediënten, maar ik kook de maaltijd.
2. Hij woont in Parijs, maar zijn vriendin woont in Madrid.
3. Wij gaan naar feesten, maar drinken geen alcohol.
4. Jij reserveert voor het hotel, maar betaalt niet voor de vakantie.
5. Jullie praten met de vrouw, maar zij luistert niet naar jou. -
1. Ik maak een boterham, maar hij maakt een opdracht.
2. Hij werkt aan een project, maar zij luistert naar de radio.
3. Wij maken een opdracht, maar hij kijkt een film.
4. Jullie gaan naar de sporthal, maar wij gaan winkelen.
5. Ik lees een boek, maar ik ga fietsen. -
1. Ik zie een hond, maar hoor een kat.
2. Zij koopt een boek, maar leest een krant.
3. Hij maakt een tekening, maar schildert een muur.
4. Wij eten een appel, maar drinken een koffie.
5. Ze zoeken een huis, maar vinden een appartement. -
1 – Hij eet een appel, maar ik eet een stroopwafel.
2 – Hij fietst op een fiets, maar ik rijd in een auto.
3 – Wij kijken naar een opera, maar zij luisteren naar een concert.
4 – Zij surft op een surfplank, maar ik roei in een roeiboot.
5 – Ik schrijf een paper, maar hij neemt een liedje op. -
1. Zij werkt thuis, maar hij gaat naar kantoor.
2. De bus vertrekt, maar ik slaap (nog).
3. Jij kijkt (liever) naar het nieuws, maar ik naar films.
4. Wij wonen in de stad, maar zij op het platteland.
5. Het is winter, maar de zon schijnt. -
1. Ik ga vroeg slapen, maar hij gaat laat slapen.
2. De kinderen gaan naar school, maar het sneeuwt.
3. De boeken liggen in de kast, maar er is geen ruimte.
4. Mijn broer gaat op skivakantie, maar hij kan niet skiën.
5. De ouders koken voor de familie, maar de kinderen eten buiten. -
1. Hij heeft een auto en ik heb een fiets
2. Hij gaat trouwen, maar zij niet.
3. Zij steekt een kaars aan maar het is nog steeds donker
4. Hij drinkt heel water maar hij heeft nog steeds dorst
5. Hij is goed maar zijn vriendinen zijn slecht
6. Zij heeft een donker haar maar hij heeft een blonde haar
7. Wij hebben geen kind maar zij heeft er wel…Read More -
1. Deze makelaar maakt geen gebruik van reclame, maar toch kent iedereen hem.
2. Hij is erg zuinig, maar zijn vrouw geeft al hun geld uit.
3. Er zijn veel masterprogramma’s op de Erasmus Universiteit, maar ik heb er nog geen één gekozen.
4. Ik ben al wakker, maar zij gaan in ieder geval tot lunchtijd slapen.
5. Veel influencers denken dat ze b…Read More -
1.Het weer is koud, maar zonnig.
2. Hij is moe, maar hij werkt nog steeds.
3. Hij wil soms koffie drinken, maar nooit thee drinken.
4. Zij gaat naar België, maar niet met haar eigen auto.
5. Zij wil met hem praten, maar morgen niet. -
1. Hij leest een boek, maar ik kijk een film.
2. De dochter houdt van roze, maar de zoon houdt van blauw.
3. Ik drink thee, maar hij drinkt koffie.
4. Ik ga naar school, maar hij blijft thuis.
5. Wij spelen buiten, maar zij kijken televisie. -
1. Ik wil wel een fles water, maar geen koude.
2. De baas opperde een idee, maar niemand stemde ermee in.
3. Wij staan bij het centrum, maar wij zien hen niet.
4. Ik koop geen boek, maar wel een pen.
5. Zij gaat naar haar werk, maar ik ga naar de sportschool.
6. Ik wil een voetbalwedstrijd kijken, maar ik moet studeren.
7. Ik wil in de…Read More -
1. Ik ga wandelen, maar hij blijft thuis.
2. Ik fiets naar werk maar hij neemt de bus.
3. Zij wil bloemen planten, maar hij wil tuinieren.
4. Hij gaat naar de film, maar zij gaat naar een concert.
5. Zij begint met haar werk, maar haar collega is te laat. -
1. Ik bestel een kopje koffie maar zij bestelt een glas sap.
2. Ik hou van katten maar zij houdt van honden.
3. Ik betaal met de pinpas maar zij betaalt met de creditcard.
4. Ik ben een avondmens maar zij is een ochtendmens.
5. Ik neem een paraplu maar zij neemt een regenjas. -
1. Hij eet brood, maar ik eet rijst.
2. De moeder werkt veel, maar de vader werkt weinig.
3. Ik luister naar muziek, maar hij leest een boek.
4. Ik ga naar de winkel, maar hij gaat naar huis.
5. Wij wandelen in het park, maar zij blijven binnen. -
1- Ik heb een auto maar geen fiets.
2- Ik wil lopen maar hij wil fietsen.
3- Ik wil die schoenen kopen maar ze zijn heel duur.
4- Ik wil lopen buiten maar het regent.
5- Zij eet spruitjes maar zij eet liever pasta. -
-
1. Hij werkt 50 uur per week, maar hij verdient nog niet genoeg geld.
2. Hij is heel sterk, maar niet slim.
3. Zij is een Nederlandse, maar zij spreekt nog steeds slecht Nederlands.
4. Ze zijn al tien jaar getrouwd, maar ze slapen nooit samen.
5. Hij besteedt veel tijd aan het zoeken naar een baan, maar hij kan hem nog steeds niet vinden. -
1. Zij bewijzen de waarheid, maar niemand gelooft hen.
2. Mijn zoontje lijkt op mijn man, maar hij heeft wel mijn gewoonten.
3. We bieden hulp aan de slachtoffers, maar we zijn echt met heel weinigen.
4. De aardbeving beschadigde de muur, maar het gebouw heeft het overleefd.
5. Hij verzint een oplossing, maar dat probleem bestaat wel nog…Read More -
1. Ik koop een auto, maar mijn zus koopt een fiets.
2. Hij schrijft een e-mail, maar zij leest een boek.
3. Wij maken het avondeten, maar zij bestellen een pizza.
4. Jij neemt een paraplu, maar ik neem een zonnebril.
5. Mijn moeder maakt een taart, maar mijn vader maakt een salade. -
1. Ik kom met je mee, maar ik zal niet drinken.
2. Hij is wel aardig hoor, maar hij heeft geen vrienden gemaakt.
3. Ik heb wel echt gestudeerd, maar ik kon mijn examen niet halen.
4. Hij sliep vroeg, maar hij versliep zich.
5. Ik heb een laptop nodig, maar ik kan me die niet veroorloven. -
1. Ik wilde naar het strand gaan, maar het begon te regenen.
2. Ze reserveert een tafel voor twee, maar zij is ziek.
3. Wij zijn bezig met ons huiswerk, maar wij moeten jouw verjaardag vieren.
4. Hij bestelde een pizza, maar hij had geen honger meer.
5. Wij vertrokken op tijd, maar wij misten de trein. -
1.Ik wilde vroeg gaan slapen, maar mijn buurman maakte veel lawaai.
2.Zij had alles goed voorbereid, maar de computer werkte niet mee.
3.Hij wilde met de auto komen, maar hij vond geen parkeerplaats.
4.We hadden genoeg tijd, maar we vergaten de afspraak.
5.Ik dacht dat het makkelijk zou zijn, maar het was juist heel moeilijk.
- Load More Posts



1. Mijn man kijkt voetbal, maar ik maak mijn huiswerk.
2. Hij eet pizza, maar ik eet de salade.
3. Zij gaan naar de winkel, maar wij blijven thuis.
4. Mijn collega maakt een presentatie, maar ik beantwoord e-mails.
5. Onze buren werken in de tuin, maar wij zitten op het balkon.