-
Dutchbook huiswerk:✍️
Boek. Pagina 165
Opdracht 3
Plaats jouw antwoorden hieronder:173 Comments-
1. Hij krijgt het kopje en ik maak zijn koffie.
2. Anna kiest het restaurant en ik kies het café.
3. De buurman klopt op onze deur en ik snel naar buiten.
4. Mijn katten klimmen in die boom en mijn hond blaft.
5. Ik open de kist en jij krijgt de munten. -
1. Ik heb een fiets en hij heeft een auto.
2. Zij speelt met een klei en hij speelt op de pc.
3. Ik draag een jas en jullie dragen alleen een trui.
4. Jullie maken het eten en ik kijk tv.
5. Ik lees een boek en hij luistert naar de radio.
6. Jullie gaan naar de markt en ik blijf thuis. -
1. Zij leest een boek en hij kijkt een film.
2. Zij drinken water en ik drink koffie.
3. De hond ziet een kat en de kat ziet een vogel.
4. Hij koopt een brood en ik koop kaas.
5. Ik bak een taart en jij bakt koekjes. -
1. Zij maakt haar huiswerk en ik bak een taart.
2. Ze werken bij Philips en wij werken bij ASML.
3. Zij rijdt de auto en ik slaap.
4. Hij leest een boek en zij kijkt naar de film.
5. Zij studeert in de bibliotheek en haar vriend leert thuis. -
1. Anna bracht chocolade en ik at.
2. Gisteren zette Anna koffie voor mij, en ik dronk het.
3. Anna dronk water en ik maakte mijn huiswerk.
4. Ik ga thuis en ik kook het avondeten.
5. Ik vergat mijn sleutels en Anna opende de deur. -
1. Ze maakt haar huiswerk en kijkt op haar telefoon.
2. Ze kookt pasta voor het avondeten en luistert naar een luisterboek.
3. We praten over wiskunde en bereiden een les voor.
4. Ik geef de bloemen water en hij maakt ons huis schoon.
5. Ik wacht op ze en drink een kop koffie. -
1. Ik loop met de hond en ik ga naar mijn werk
2. Ik ren ‘s ochtends en ontspan ‘s avonds
3. Ik werk soms thuis en soms op kantoor
4. We reserveren een tafel en we bevestigen de afspraak
5. Hij onderzoekt het probleem en hij rapporteert het resultaat
6. Ik vergader met mijn team en ik noteer belangrijke punten
7. Zij studeert voor de…Read More -
1. Hij heeft een huis en een fiets.
2. Ik drink koffie en ik word wakker.
3. Zij zit op de bank en ik zit op de stoel.
4. Hij speelt computerspelletjes en ik lees een boek.
5. Ik belde mijn ouders en zij miste mij. -
1. Zij kookt een maaltijd en ik speel met het kind.
2. Ik loop in het park en zij zitten in de tuin.
3. Ik neem een douche en zij wast de kleren.
4. Zij koopt een tafel en ik koop een stoel.
5. Ik koop een fietsband en zij gaan naar de film. -
1. Ik drink water en hij drinkt koffie.
2. Zij leest een boek en ik schrijf een brief.
3. Mijn broer speelt gitaar en ik zing een liedje.
4. Ik leer Nederlands en jij helpt mij.
5. De kinderen spelen buiten en de ouders praten. -
1. Ik maak mijn huiswerk en ga naar de cursus.
2. In de bioscoop koop ik popcorn en kijk ik een film.
3. Vandaag bezoek ik een museum en ik ontmoet mijn vriend daar.
4. Ik eet pasta en hij eet pizza.
5. Ik kook meestal en mijn man maakt het huis schoon. -
1. Nikita maakt eten en ik was de borden af.
2. Hij loopt in het park en wij wandelen dichtbij.
3. Zij werken altijd op kantoor en zij werkt meestal thuis.
4. Jij ruimt onze woonkamer op en ik ga boodschappen doen.
5. Wij maken ons huiswerk en onze buren stofzuigen hun appartement. -
1. Ik drink elke dag koffie en zij drinkt thee.
2. Zij rijdt met haar auto naar haar werk en hij fietst naar de supermart.
3. Zij eten veel frietjes en drinken cola.
4. Hij bespaart geld en gaat met de fiets naar zijn werk.
5. Hij ruimt haar huis op en ontvangt bezoekers.
6. PSV speelt vandaag en komend weekend.
7. Ze deelt een boek met mij met…Read More -
1. Ik doe mijn huiswerk en hij slaapt.
2. Zij komt hier met de trein en het duurt over twee uur.
3. Ik maak Chinese gerechten thuis en ik doe het vaak.
4. Ik lees een boek en het boek is interessant.
5. Hij komt thuis en het is 6 uur ‘s avonds. -
1. Ik maak mijn huiswerk en hij kijkt een film.
2. Ik drink cola en eet een pizza.
3. Hij kookt een maaltijd en zij leest een boek.
4. Hij gaat wandelen en zij gaat winkelen.
5. Ik ga naar Utrecht en zij gaan met mij mee. -
1. Ik sta vroeg op en hij slaapt nog.
2. Hij drinkt koffie en ik drink thee.
3. Wij praten een beetje en luisteren naar muziek.
4. Ik bak vlees en hij maakt salade.
5. De zon schijnt en de lucht is blauw.
6. De kinderen spelen buiten en de ouders zitten op de bank.
7. Hij is ziek en hij gaat naar huis.
8. Ik bel haar en zij luistert naar mij.
9.…Read More -
1. Ik eet een snoepje en jij drinkt sap.
2. Ik kook het hoofdgerecht en hij maakt het dessert.
3. Jij schrijft een boek en hij leest het.
4. Anna gaat naar huis en ze speelt met haar hond.
5. Wij bestuderen ons examen en zij gaan naar een feestje. -
1. Ik maak mijn huiswerk en Jelle kijkt naar televisie.
2. Wij gaan op vakantie en jullie moeten hier werken.
3. Jullie koken deze lekkere sushi en wij wachten op de bank.
4. Ik maak mijn woonkamer schoon en mijn vriend speelt zijn Nintendo Switch.
5. Jelle rijdt de auto en ik kijk naar Google Maps. -
1. Magdalena luistert naar de docent en ik schrijf wat hij zegt.
2. Antoine maakt het eten en ik maak schoon.
3. Roberto loopt en ik wandel in het bos.
4. Nikita voetbalt en ik kijk naar hem.
5. Katja drinkt water en ik eet pizza. -
1. Ik hou van de sport en zij houdt van de muziek.
2. Wij zagen een monument en wij maakten een foto.
3, Zij neemt de koffer en zij verlaat de kamer.
4. Zij dronken al het bier en zij aten mijn avondeten.
5. Ik schrijf een brief en denk aan mijn moeder. -
1. Ik maak het huiswerk en zij leest een boek.
2. Zij loopt in een park en ik blijf thuis.
3. Ik speel een videogame en zij kijkt naar TV.
4. Hij werkt op zijn nieuwe baan en ik werk niet.
5. Ik hoor een vogel en zij hoort de vogel niet. -
1-Zij neemt een tas en ik geef haar het geld.
2-Wij kochten een appel en hij was verrot.
3-Ik bel mijn moeder en zij nam de telefoon niet op.
4-Jij loopt naar de markt en jij koopt een avocado.
5-Zij spelen heel veel spellen en zij zingen een liedje. -
1. Zij luistert naar een liedje en ik werk in een project.
2. Hij maakt een sneeuwpop en ik volg een cursus.
3. Hij schrijft een brief en ik lees een verhaal.
4. Ze bouwen een kamer en wij kopen een huis.
5. De baby speelt een spel en ik maak een opdracht. -
1. Ik kook het avondeten en ik luister naar BNR Radio.
2. Wij spelen voetbal en zij kijken de wedstrijd.
3. Hij eet een salade en zij drinkt een sap.
4. Jij werkt in het weekend en hij doet de schoonmaak thuis.
5. Jullie kopen de auto en jullie betalen de autoverzekering. -
1. Hij is slim en zij is schattig.
2. Maria heeft een boek en ik heb een krant.
3. Jullie kijken een film en ik lees een boek.
4. Peter heeft een huis en Rob heeft een auto.
5. Hij kookt een soep en ik luister naar de radio. -
1. Ik eet een appel en zij lees een boek.
2. Jullie kopen een cadeau en ze maken een taart.
3. Hij pakt een tas en zij koopt een jurk.
4. Ik neem en drankje en hij leest een bericht.
5. Ik heb een grote huis en zij heeft een snelle auto. -
1 – Hij leest de krant en ik maak het ontbijt.
2 – Zij schildert een muur en wij zoeken de oude foto’s.
3 – De kinderen bouwen een sneeuwpop en de ouders drinken warme chocolade.
4 – Mijn broer repareert zijn fiets en ik oefen mijn Nederlands.
5 – De hond slaapt op de bank en de kat kijkt uit het raam. -
1. De zon schijnt en ik lig op het strand.
2. Hij heeft een nieuwe auto en zijn vrouw rijdt te snel op de snelweg.
3. Ik doe de was en jij maakt het huis schoon.
4. De vogel vliegt en de kat kijkt de vogel.
5. De klok tikt en de tijd verdwijnt. -
1. De docent geeft de les en ik schrijf de notities.
2. De oma plant de bloemen en de opa geeft ze water.
3. Mijn zus speelt viool en ik speel piano.
4. Hij reist met de trein en ik met de fiets.
5. De werkgever zoekt werknemers en de werknemers hebben alle documenten nodig. -
-
1. Ik neem een bus en ik ga naar luchthaven
2. Ik pak een lepel en eet mijn lunch op
3. Hij gaat naar zijn werk en ik blijf thuis.
4. Wij hebben een auto en ze hebben een fiets
5. Wij ries naar Zwitserland en wij nemen de gletsjerexpress
6. Hij gaat naar huis en kijkt een film
7. Hij komt na school en hij maakt huiswerk
8. Zij gaat naar het…Read More -
1. Ik werk bij een Nederlands bedrijf en ze studeert aan de universiteit in Milan.
2. Wij gaan naar Roemenië vliegen en zij rijden daarheen.
3. Ik heb het raam geopend en de frisse lucht heeft de kamer gevuld.
4. Jij gaat een hotel boeken en zij gaat de route plannen.
5. Wij zullen door de bergen wandelen en jullie zullen langs de kust fietsen. -
1. Ik ben het avondeten aan het klaarmaken en hij is zelf aan het spelen.
2. Wij gaan naar de supermarkt en kopen fruit.
3. Zij leest een boek en luistert naar muziek.
4. Hij zal naar kantoor gaan en aan de vergadering deelnemen.
5. Er liggen twee appels in de koelkast en drie appels op tafel. -
1. Ik snijd de groenten en hij maakt het avondeten klaar.
2. Hij bestuurt de auto en ik zie Google Maps.
3. Ik ben mijn huiswerk aan het maken en hij is aan het telefoneren.
4. Hij kijkt naar een voetbalwedstrijd en ik ben aan het tuinieren.
5. Hij kijkt een film en ik maak mijn huiswerk. -
1. Ik monteer de kast en zij hangt de gordijnen op.
2. Zij schuurt de muren en ik verf de muren.
3. Ik strijk de kleren en zij pakt de spullen in.
4. Ik plant de bomen en zij verzorgt de planten.
5. Zij hangt de fotolijst op en ik hang de lampen op. -
1. Hij speelt voetbal en zij speelt volleybal.
2. Victor maakt het huis schoon en Maria kookt.
3. Morgenochtend ga ik naar de supermarkt en zij gaat naar kantoor.
4. Zij leest een boek en ik kijk een film.
5. Hij drinkt een glas wijn en ik drink gewoon water.
6. Ik neem het interview af en jij observeert.
7. Ik sport ‘s ochtends en studeer ‘s…Read More -
1. Hij heeft een bioscoopkaartje en hij wil een film kijken.
2. Ik studeer Nederlands en mijn vriend studeert Engels.
3. Wij gaan naar de winkel en wij kopen fruit.
4. Wij eten avondeten en wij praten over de dag.
5. Ik fiets naar werk en hij neemt de bus. -
1- Hij studeert Turkse en ik studeer Nederlands.
2- Wij rijden met de auto en zij fietsen.
3- Zij kookt een kip en hij kookt aardappelen.
4- Ik kijken naar TV en hij maakt een puzzel.
5- Jullie verven de deur en zij verven de ramen. -
1. Hij heeft een boek en zij koopt een krant.
2. Ik leer Nederlands en mijn zus leert Spaans.
3. Wij gaan naar de markt en wij kopen groenten.
4. Wij drinken koffie en wij praten samen.
5. Ik loop naar school en hij gaat met de trein. -
1. Ik kook avondeten en mijn vriend kijkt naar een film.
2. De baas geeft een presentatie en de collega belt een klant.
3. Hij maakt thuis schoon en zij doet haar huiswerk.
4. Hij werkt met een laptop en zij werkt met een telefoon.
5. Ik ga naar de AH om boodschappen te doen en jij gaat naar de Jumbo. -
1. Ik ontving de bevestiging en jij zag hem over het hoofd.
2. Jij hebt tegen hem gesproken en nu kun je me gewoon alles zeggen.
3. Ik maak zelf een lijstje en wij gaan samen boodschappen doen.
4. Hij heeft een afspraak gemaakt en de arts wacht op hem.
5. De auto is gekomen en hij heeft haar opgehaald.
6. De mensen gingen massaal naar het strand…Read More -
1. Ik lees een boek en mijn zus luistert naar muziek.
2. Mijn moeder kookt het avondeten en mijn vader dekt de tafel.
3. We kopen een cadeau en jullie schrijven een kaartje.
4. Zij drinkt een kop koffie en hij eet een boterham.
5. Jij opent het raam en ik sluit de deur. -
1. Hij keek een film en ik kookte het eten.
2. Wij zijn thuis gebleven en jullie zijn naar de winkel gegaan.
3. Zij las een boek en hij wandelde.
4. Ik waste het fruit en jij bracht het bord.
5. Wij vertrokken om 9 uur en hij wachtte daar op ons. -
1. Ik bleef thuis en hij ging snowboarden.
2. Ik verloor mijn sleutels en mijn buurvrouw hielp me zoeken.
3. We bezochten een museum en daarna ontbeten we.
4. De docent stelt een vraag en niemand weet het antwoord.
5. Ze maken het huis schoon en de kinderen spelen in de tuin.
- Load More Posts

1. Hij zit op de bank en ik zit op de stoel.
2. Mijn man kookt eten en ik doe de schoonmaken.
3. Hij betaalt het kaartje en zij plant de vakantie.
4. Ik draag de jas en jij draag de trui.
5. Hij leest het boek en zij schrijft de brief.