-
Dutchbook huiswerk:✍️
Boek. Pagina 173
Opdracht 2
Plaats jouw antwoorden hieronder:-
1. Zij neemt tijd om een taart te bakken.
2. Wij maken plannen om een huis te bouwen.
3. Hij leest boeken om een examen te halen.
4. We reserveren geld om een reis te maken.
5. Zij studeert hard om een diploma te behalen. -
1. Ik ga naar buiten om de vogels te zien.
2. Ik koop een boek om Nederlands te leren.
3. Ik koop een kaartje om een film te kijken.
4. Hij maakt een ei om te eten.
5. Ik maak ruimte in mijn kamer om een nieuw bed te plaatsen.
6. Ik open het raam om frisse lucht binnen te krijgen.
7. Hij zet de muziek harder om de buurman te irriter…Read More -
1. Ik maak een afspraak om een presentatie te geven.
2. Ik bel mijn baas om een brief te tekenen.
3. Ik lees een recept om een taart te bakken. -
1. Ik spaar geld om mijn balkon te decoreren.
2. Ik koop vlees om een barbecue te houden. / Ik koop vlees om te barbecueën.
3. Ik maak vandaag schoon om in het weekend te ontspannen. -
1. Wij gaan naar de markt om groenten te kopen
2. Ik neem een paraplu mee om droog te blijven
3. Ik sport drie keer per week om fit te blijven -
1. Ik ga naar de sportschool om fit te worden.
2. Wij kopen kersen om jam te maken.
3. Ik kijk een documentaire om nieuwe dingen te leren. -
1. Ik schrijf me in voor de cursus om Nederlands te leren.
2. Ik koop een abonnement om films te kijken.
3. Ik maak mijn huiswerk om Nederlands te praten. -
1. Ik schrijf een e-mail om mijn collega informatie te geven.
2. Jij koopt een kaartje om de film te zien.
3. Hij maakt een lijst om zijn taken te organiseren. -
1. Wij bezoeken musea om schilderijen te zien.
2. Ik doe pilates om gezond te blijven.
3. Zij kopen een huis om katten te hebben.
4. Hij stopt hier om de kinderen op te halen.
5. Zij plant een boom om de tuin mooi te maken.
6. Jij organiseert een feest om je verjaardag te vieren.
7. Ik koop nieuwe borden om aan tafel te serveren.
8. Zij…Read More -
1. Ik neem de bus om naar het centrum te gaan.
2. Ik moet Nederlands leren om met mijn collega’s te kunnen praten.
3. Jullie kopen een huis om een gezin te stichten. -
1. Hij bestelt geen eten om geld te sparen.
2. Zij doet het raam dicht om warm te blijven.
3. Jullie brengen een taart mee om het feest te vieren.
4. Ik koop een woordenboek om mijn taal te verbeteren.
5. Wij kopen kaartjes om een film te kijken.
6. Ik zoek een sleutel om mijn deur te openen.
7. Hij brengt zijn laptop mee om een presentatie te…Read More -
1. Hij wast zijn handen om hygiënisch te zijn.
2. Zij maakt zich op om uit eten te gaan.
3. Hij verstopt zich om zich te beschermen. -
1. Ik ga naar de winkel om boodschappen te doen.
2. Ik leer Nederlands om met moedertaalsprekers te praten.
3. Ik doe Nederlands huiswerk om nieuwe woorden te leren.
4. Hij gaat elke dag naar kantoor om veel geld te verdienen.
5. Ik maak soep om mijn vrouw te voeden.
6. Ik luister naar BNR-radio om aan de Nederlandse uitspraak te wennen.
7. Ik doe…Read More -
1.Zij belt mij om hulp te vragen.
2.Ik heb een lijst gemaakt om beter te plannen.
3.Ik leer Nederlands om met mensen te praten. -
1. Ik ga naar de Dynamo om Nederlands te leren.
2. We kopen een nieuwe auto om naar Duitsland te rijden.
3. Jullie leren Nederlands om met Nederlandse mensen op het feest te praten.
4. Hij gaat naar AH om gehakt te kopen.
5. Ik fiets naar Eindhoven om appeltaart te eten. -
1. Ik eet elke dag goed om gezond te blijven.
2. Zij werkt hard om een huis te kopen.
3. Hij roert de eieren om een gerecht te bereiden. -
1. Ik ga naar de bioscoop om een film te kijken.
2. Hij gaat naar zijn werk om geld te verdienen.
3. Zij gaan naar de Dynamo om Nederlands te leren. -
1-Wij gaan naar Turkije om mijn familie te ontmoeten.
2-Ik ga naar de les om een rijbewijs te halen.
3-Hij wandelt naar het park om stress te verminderen. -
1. Jij gaat naar de bioscoop om een film te kijken.
2. Hij gaat naar huis om een lekker eten te koken.
3. Wij trainen om een gezond lichaam te hebben.
4. Zij studeren om een goed examen te doen.
5. Ik wandel naar Strijp-S om een koffie te drinken. -
1. Zij rijdt met de trein om een festival te genieten.
2. Jullie hebben een mooie tuin om bloemen te planten.
3. Ik krijg een kinderboek om Nederlands te leren. -
1. Ik verdien geld om een Nederlandse taalcursus te aanschuiven.
2. Ik maak tijd om stroopwafel te bakken.
3. Ik oefenen Nederlands om een onderzoek’s baan te krijgen. -
1. Ik maak een afspraak om mijn baby te laten vaccineren.
2. Ik koop een vliegticket om naar India te vliegen.
3. Ik wil een computer om adobe photoshop te gebruiken. -
1. Zij heeft energie om yoga te doen.
2. Ik koop taart om thuis te eten.
3. Jullie werken om een huis te kopen. -
1. Zij draagt een jas om warm te blijven.
2. Hij zet een helm op om veilig te rijden.
3. Wij sluiten de deur om rustig te werken. -
1. Ik heb geld om een auto te krijgen
2. Ik heb een chocolade poeder om te chocolade melk drinken
3. Ik gaan naar een Japanse restaurant om sushi te eten
4. Ik solliciteer op een werk om het bedrijf te werken
5. Ik gebruik een pen om een roman te schrijven -
1. We gaan naar het concert om naar muziek te luisteren.
2. Ik ga naar het café om een kopje koffie te drinken.
3. Hij komt vroeg thuis on het avondeten te maken. -
1. Ik ga naar de winkel om boodschappen te doen.
2. Ik leer Nederlands om beter Nederlands te spreken.
3. Hij gaat naar de keuken om ontbijt te maken.
4. Wij gaan naar het station om de trein te nemen.
5. Ik zit op de bank om tv te kijken. -
1. Ik ga naar de sportschool om fit te worden.
2. Ik maak een afspraak om een interview af te nemen.
3. Het is leuk om je weer te zien.
4. Hij gebruikt zijn telefoon om pizza te bestellen.
5. Ik neem de trein om naar Amsterdam te gaan.
6. Hij gebruikt zijn telefoon om YouTube-video’s te bekijken.
7. Wij gaan naar de markt om groente te kop…Read More -
1. Ik heb u gebeld om een oplossing voor mijn probleem te vinden.
2. Hij gebruikt een app om Nederlands te leren.
3. Ik ga naar de supermarkt om brood te kopen.
4. Zij studeert hard om haar examen te halen.
5. Het was erg moeilijk om een restaurant te vinden om te eten.
6. Hij gedraagt zich anders om aandacht te trekken.
7. Hij heeft heel gepraat…Read More -
1- Ik koop gehakt en spaghetti bolognese te koken.
2- Zij belt huisart om een afspraak te maken.
3- Hij heeft een aansteker nodig om een sigaret te opsteken.
4- Ik spaar geld om een fiets te kopen.
5- Zij vult de houder met water om groenten te wassen. -
1. De leraar geeft de studenten tijd om de opdracht te maken.
2. De trainer gaf de spelers ruimte om fouten te maken.
3. De directeur zal het personeel kansen geven om zich te ontwikkelen.
4. De arts heeft de patiënt advies gegeven om beter te herstellen.
5. De docent heeft de klas uitleg gegeven om de stof te begrijpen.
6. De schrijver stuurt de…Read More -
1. Ik maak foto’s om dingen te onthouden.
2. Ik stuur een e-mail om een afspraak te maken.
3. Ik luister naar BNR Radio om Nederlands te leren.
4. Ik vul het formulier in om een Nederlandse cursus te volgen.
5. Ik draag een horloge om de tijd te weten. -
1. Ik bel mijn vriend om hulp te vragen.
2. Ik zet een wekker om op tijd op te staan.
3. Ik gebruik mijn telefoon om muziek te luisteren.
4. Ik drink koffie om wakker te blijven.
5. Ik oefen Nederlands om beter te spreken. -
1.Ik ga naar buiten om vogels te zien.
2.Ik koop een boek om Nederlands te leren.
3.Ik koop een kaartje om een film te kijken.
4.Hij maakt een ei om te eten.
5.Ik maak ruimte in mijn kamer om een nieuw bed te plaatsen. -
1. Ik lees boeken om mijn woordenschat te verbeteren.
2. Ik kijk naar Nederlandse series om beter te begrijpen.
3. Ik oefen elke dag om vloeiend te spreken.
4. Ik gebruik een app om nieuwe woorden te leren.
5. Ik schrijf notities om alles goed te onthouden. -
1. Ik maak een taart om mijn verjaardag te vieren.
2. Ik maak tijd om Nederlands te leren.
3. Ik bel je om een vraag te stellen. -
1. Zij studeerde medicijnen om dokter te worden.
2. Ik beloof hem een reis naar Italië om wijnen te proeven.
3. Hij eet een banaan om energie te hebben.
4. Ze bereiden een presentatie voor om hun nieuwe product te verkopen.
5. Zij koopt veel pennen om een schilderij te tekenen. -
1. Ik ga naar Griekenland om mijn schoonfamilie te bezoeken.
2. Ik spaar mijn geld om een huis te kopen.
3. Ik bel het ziekenhuis om een afspraak te maken.
4. Ik maak een speciaal avondeten om mijn vriend te verrassen.
5. Ik ga naar Dynamo om Nederlands te leren.
6. Ik begin met mijn huiswerk om het af te maken.
7. Ik doe een toets om een…Read More -
-
1. Ik verlaat mijn stad om de wereld te zien.
2. Ik gebruik geld om mijn vrijheid te maximaliseren.
3. Ik luister naar muziek om me te ontspannen.
4. Ik ga slapen om me gezond te houden.
5. Ik koop een fiets om naar het werk te gaan. -
1. Hij heeft de kachel besteld om de warmte vast te houden.
2. Ze leren mensen om allerlei ongelukken te vermijden.
3. De wetenschappers ontwikkelen vaccins om levens te redden.
4. Ik vind het spannend om veel dingen te weten.
5. Wij hebben kaartjes gekocht om veel musea te bezoeken.
6. Zij pakt haar laptop om alle taken te voltooien.
7. Ik doe de…Read More -
1. Ik koop groenten om een salade te maken.
2. Jullie kopen een tafel om het eten te serveren.
3. Ik spaar geld om een huis te kopen.
4. Je gaat naar Costa Rica om je ouders te zien.
5. Zij koopt een cadeau om haar moeder te verrassen. -
Ik ga naar de supermarkt om boodschappen te kopen.
Ik leer Nederlands om beter te communiceren.
Ik ga naar de sportschool om spieren te trainen.
Ik spaar geld om een auto te kopen.
Ik kook thuis om gezond te eten.
Ik fiets naar mijn werk om tijd te besparen.
Ik luister naar muziek om te ontspannen.
Ik gebruik mijn computer om informatie te…Read More -
1. Ik probeer Nederlans om een nieuwe baan te vinden.
2. Ik maak een afspraak om hem te zien.
3. Ik verdien geld om een goed leven te hebben.
4. Ik zit om mijn huiswerk te doen.
5. Ik spaar geld om een goede toekomst te hebben.
6. Ik leer een nieuwe taal om een nieuwe baan te vinden. -
1.Hij gaat naar de bibliotheek om een boek te lenen.
2. Zij kijkt naar Nederlandse films om de taal beter te begrijpen.
3. Ik ga naar de winkel om een pakket op te halen.
4. Ik lees een boek om beter met stress om te gaan.
5.Zij gebruikt een agenda om haar afspraken bij te houden.
6.Ik lees de informatie om me op het examen voor te bereiden.
7. Ik…Read More -
1. Hij gebruikt een telefoon om een foto te maken.
2.Wij gaan naar de keuken om het ontbijt te bereiden.
3. Ik open de website van de Academy om mijn huiswerk te maken.
4. Zij organiseren een feestje om hun familie te ontmoeten.
5. Hij gaat naar het centrum om koffie te drinken.
- Load More Posts


1. Zij zet de oven aan om een taartje te bakken.
2. Hij opent de kast om een overhemd te nemen.
3. Wij kopen aardbeien om sap te maken.
4. Je gebruikt LinkedIn om een nieuwe baan te zoeken.
5. Ze kiest aquarel om een schilderij te tekenen.