-
Dutchbook huiswerk:✍️
Boek. Pagina 173
Opdracht 1
Plaats jouw antwoorden hieronder:208 Comments-
1. Hij kijkt naar video’s om te leren.
2. Ik lees een boek om te ontspannen.
3. Ik koop brood om te eten.
4. We maken een plan om te beginnen.
5. Jullie maken oefeningen om te oefenen. -
1. Ik kijk een film om te ontspannen.
2. Ik pak een glas water om te drinken.
3. Hij parkeerde de auto om te gaan winkelen.
4. Hij rent door de stad om te bewegen.
5. Ze koopt een jurk om zich mooi te voelen.
6. We gaan naar het restaurant om te eten.
7. Ik maak mijn huiswerk om te leren.
8. Jullie maken kleding om te dragen.
9. Je belt je vader…Read More -
1. Ik koop een koffie om te drinken.
2. Ik maak een taart om te vieren.
3. Ik maak een afspraak om het dak te repareren. -
1. Ik kook avondeten om te eten.
2. Ik werk om op vakantie te gaan.
3. Ik slaap om me beter te voelen. -
1. Ik lees een boek om te leren.
2. Ik schrijf een brief om te werken.
3. Ik praat met hem over zijn werk om te begrijpen. -
1. Ik wacht Anna op om lunch te eten.
2. Hij belt zijn vriend om samen naar de film te gaan.
3. We gaan naar het park om foto’s te maken.
-
1. Ik koop een padelracket om te spelen.
2. Ik bestel een Pizza om te eten.
3. Ik pak mijn jas om te vertrekken. -
1. Hij gaat naar de zee om te zwemmen.
2. Zij koopt groente om te koken.
3. Ik bel mijn moeder om te praten. -
1. Ik maak een smoothie om te drinken.
2. Ik koop een laptop om te werken.
3. Ik bel mijn moeder om te praten. -
1. Zij danst met haar vriendinnen soms om te ontspannen.
2. Zij beveelt ons dat gerecht aan om het te proberen.
3. Hij loopt buiten om na te denken.
4. We belden elkaar om af te spreken
5. We stofzuigen om schoon te maken.
6. Hij volgde de cursus om te leren.
7. Hij deed de gordijnen dicht om te slapen.
8. We maakten onze bagage klaar om te…Read More -
1. Ik gebruik mijn telefoon om te bellen.
2. Zij leest een artikel om te begrijpen.
3. Wij nemen een pauze om te ontspannen. -
1. Jij maakt een afspraak om iets te vragen.
2. Zij maakt soep om te eten.
3. Zij kopen schoenen om te hardlopen.
4. Wij zetten de tv aan om te kijken.
5. Ik leer Nederlands om te werken.
6. Hij schrijft zich in om te voetballen.
7. Jij verdient geld om te reizen.
8. Wij kopen een bank om op te zitten.
9. Hij krijgt een paspoort om te…Read More -
-
1. Ik koop een kaasstengel om te eten.
2. Zij maakt thee om te drinken.
3. Hij neemt een bad om op te warmen.
4. Zij zet de wasmachine aan om te wassen.
5. Jullie stappen in de auto om te rijden.
6. Wij kijken een film om te ontspannen.
7. Jij moet eten om te groeien.
8. Hij heeft een microfoon om te zingen.
9. Ik blijf thuis om te koken.
10. Zij…Read More -
1. Ik blijf thuis om uit te rusten.
2. Ik doe boodschappen om te leven.
3. Ik maak huiswerk om te leren. -
1. Ik koop ingrediënten om te koken.
2. Ik maak soep om te eten.
3. Ik leer Nederlands om te werken.
4. Ik kijk een film om te genieten.
5. Ik ga naar kantoor om te werken.
6. Ik gebruik een slaapmasker om te slapen.
7. Ik draag sokken om me op te warmen.
8. Ik werk om te leven.
9. Ik draag sportschoenen om te hardlopen.
10. Ik gebruik een mes om…Read More -
1.Hij blijft thuis om te studeren.
2.Het is tijd om te eten.
3.Ik luister naar muziek om te ontspannen. -
1. Ik maak lasagna om te eten.
2. Ik ga naar Eindhoven om te winkelen.
3. Jullie kopen een huis om te blijven.
4. Hij praat Nederlands om te oefenen.
5. Ze kopen een nieuwe fiets om te fietsen. -
-
1. Ik koop een boek om te lezen.
2. Zij kopen een huis om te wonen.
3. Hij koopt een pen om te schrijven. -
1-Wij kopen een zwempak om te zwemmen.
2-Hij draagt een schoen om te rennen.
3-Zij gebruikt AirPods om te luisteren. -
1. Jij leest boeken om te ontspannen.
2. Wij luisteren naar muziek om te dansen.
3. Ik koop een nieuwe jurk om te dragen.
4. Jullie eten in het restaurant om te genieten.
5. Hij komt naar Eindhoven om te winkelen. -
1. Ik lees Nederlands om te oefenen.
2. Hij koopt broodjes om te ontbijten.
3. Wij liggen op het strand om te ontspannen. -
1. Ik leer Nederlands om te medewerken.
2. Ik laad mijn auto om te rijden.
3. Ik maak huiswerk om te leren. -
1. Ik koop een jas om te dragen.
2. Ik volg Nederland cursus om te spreken.
3. Ik ga naar het centrum om te winkelen. -
1. Ik speel een spel om te winnen.
2. Zij koopt een auto om te rijden.
3. Ik draag een zwempak om te zwemmen. -
1. Hij gaat naar de sportschool om te trainen.
2. Wij gebruiken een pen om te schrijven.
3. Hij leest een boek om te ontspannen. -
1. Ik zal de auto om te rijden
2. Hij komt naar mijn huis om te studeren
3. Hij gaat naar werk om te verdienen
4. Zij leer Nederlands om te praten
5. Jullie gaan naar het feest om te genieten
6. Jij leert ijsshaatsem om te schaatsen
7. Hij studeert wetenschap om te kennis te vergaren -
1. Hij maakt een lunchpauze om te rusten.
2. De kinderen gaan naar het park om te spelen.
3. Hij zit op kantoor om te werken. -
1. Ik oefen muziek om te zingen.
2. Wij gaan naar de bergen om te wandelen.
3. Ik luister naar muziek om te ontspannen.
4. Zij belt haar moeder om te spreken.
5. Ik ging vroeger naar bed om te slapen.
6. Wij gaan naar het restaurant om te eten. -
1. Ik ga naar de sportschool om te sporten.
2. Ik koop een kopje koffie om te drinken.
3. Ik maak een presentatie om te geven.
4. Ik lees een boek om te leren.
5. Dit boek is interessant om te lezen.
6. Het was leuk om te zien.
7. Wij zitten in het park om te praten.
8. Hij koopt een voetbal om te spelen.
9. Zij maakt soep om te eten.
10.…Read More -
1. Ik luister naar de leraar en maak de oefeningen om te leren.
2. Ik heb de jurk besteld om te dragen.
3. Zij heeft geen zin om te gamen.
4. Hij heeft een afspraak met zijn vrienden om te gamen.
5. Die stad is heel leuk om te bezoeken.
6. Ik verheug me op de vakantie om te ontspannen.
7. De koffie is nog te heet om te drinken.
8. Het is te ver…Read More -
1- Hij staat vroeg op om te oefenen.
2- Zij doet boodschappen om te koken.
3- Zij dragen zwembrillen om te zwemmen.
4- Hij leert Nederlandse cultuur om te aanpassen. -
1. Ik koop een boek om te lezen.
2. Zij maakt eten om te delen.
3. Hij draagt een jas om warm te blijven
4. Jij neemt een tas om te reizen.
5. Ze brengt bloemen om te geven.
6. Wij maken plannen om te verbeteren.
7. Je gebruikt een pen om te schrijven.
8. Zij opent het raam om te luchten.
9. Ik neem een pauze om te ontspannen.
10. Jullie volgen…Read More -
1. Ik koop een pen om te schrijven.
2. Ik bestel een tv om te kijken.
3. Ik abonneer me op een online krant om te lezen.
4. Ik proef een stukje kaas om te beslissen.
5. Ik huur een nieuwe auto om te reizen. -
1. Ik maak chowmein om te eten.
2. Ik koop een ijs om te eten.
3. Ik pak mijn telefoon om te bellen.
4. Ik haal mijn pinpaas om te betalen.
5. Ik snijd de groenten om ze te bakken -
1.Ik lees een boek om rustig te worden.
2.Ik neem een kop thee om warm te blijven.
3.Hij stopt de fiets om even te rusten.
4.Hij loopt in het park om fit te blijven.
5.Ze koopt schoenen om comfortabel te lopen.
6.Wij gaan naar de winkel om boodschappen te doen.
7.Ik oefen Nederlands om beter te spreken.
8.Jullie maken foto’s om herinneringen te b…Read More -
1. Ik lees een boek om te leren.
2. Hij gaat naar de sportschool om te trainen.
3. Wij kopen groenten om te koken.
4. Zij studeert hard om te slagen.
5. Ik zet muziek aan om te dansen. -
1. Ik koop een huis om te wonen.
2. We maken pizza om te eten.
3. Ik leer Nederlands om te spreken.
4. Ik koop een laptop om te werken.
5. Ik verdien geld om te reizen. -
1. Hij woont in Nederland om te werken en veilig te leven.
2. Ze maken het balkon schoon om daar te ontspannen.
3. Ik sport om gezond te leven.
4. Ik draag een jas om me warmer te voelen.
5. Wij kopen een fiets om te sporten. -
1. Ik werk bij Philips om te leven.
2. Ik ga op vakantie om te ontspannen.
3. Ik maak het avondeten om te eten.
4. Ik bel mijn moeder om te praten.
5. Ik ga naar kantoor om te werken.
6. Ik ga naar Dynamo om te leren.
7. Ik koop een huis om te wonen.
8. Ik lees een boek om te ontspannen.
9. Ik ga naar bed om te slapen.
10. Ik begin een cursus om te leren. -
1. Ik koop water om te drinken.
2. Ik koop pasta om te eten.
3. Ik ontmoet vrienden om te praten.
4. Ik ga lopen om te ontspannen.
5. Ik heb een bed om te slapen. -
1. Ik heb geen tijd om te helpen.
2. Ze vertalen hun boeken om te lezen.
3. Ik neem een slokje om te kalmeren.
4. Ze dwingen mensen om te denken.
5. Hij deed veel opdrachten om te leren.
6. Zij stelt voorwaarden om te winnen.
7. Wij besparen geld om te beleggen.
8. Je zwoer op de Bijbel om te veranderen.
9. Zij doet de moeite om te vergeven.
10.…Read More -
1. Ik leer Nederlands om met mijn vriend te communiceren.
2. Ik koop een fiets om te fietsen.
3.Ik maak een afspraak om met mijn dokter te praten.
4. Ik sport om gezond te blijven.
5. Je komt naar kantoor om met je baas te vergaderen. -
Ik ga naar de supermarkt om te kopen.
Ik leer Nederlands om te communiceren.
Ik ga naar de sportschool om te trainen.
Ik verdien geld om te kopen.
Ik kook thuis om te eten.
Ik fiets naar mijn werk om te trainen.
Ik luister naar muziek om te ontspannen.
Ik gebruik mijn computer om te zoeken.
Ik oefen Nederlands om te spreken.
Ik ga vroeg naar bed…Read More -
1. Ik probeer Nederlans om te leren.
2. Ik maak een afspraak om te gaan.
3. Ik verdien geld om te reizen.
4. Ik zit om te rusten.
5. Ik spaar geld om te hebben.
6. Ik leer een nieuwe taal om te praten. -
1. Zij maakt een cake om te eten.
2.Ik gebruik een computer om te studeren.
3.Hij schrijft een brief om te versturen.
4.Ik zoek een baan om geld te verdienen.
5. Zij gebruikt een woordenboek om nieuwe woorden te leren.
6.Ik pak mijn telefoon om te bellen.
7.Wij maken een lijst om niets te vergeten.
8.Zij maakt een foto om te bewaren.
9.Wij kopen…Read More -
1. Hij bestelt het Turkse gerecht om te eten.
2. Wij gaan op vakantie om te genieten.
3. Zij leert Nederlands om het te spreken.
4. Zij kopen een auto om te rijden.
5. Ik neem geld op om te betalen.
6. Wij kopen een appartement om te verhuren.
7. Jij gaat naar het station om de trein te halen.
- Load More Posts

1. Ik koop een Stofzuiger om schoon te maken.
2. Ik neem een pen om te schrijven.
3. Hij gaat buiten om te roken.