-
Dutchbook huiswerk:✍️
Boek. Pagina 186Plaats jouw antwoorden hieronder:
173 Comments-
1. Ik probeer vanavond om mijn huiswerk te maken.
2. Zij begint morgen om een nieuwe hobby te leren.
3. Ik sta nu aan de deur te wachten.
4. Ze lopen vanmiddag in het park te joggen.
5. We denken vandaag in het cafe te vergaderen. -
1. Ik overweeg om mijn baan op te zeggen.
2. Hij probeert zich bij een nieuw team aan te sluiten.
3. Ze hoopt een nieuwe baan te vinden.
4. We wachten een uur om een concert te zien.
5. Ik hoef geen nieuwe mensen te ontmoeten.-
Goed! Nieuwe mensen ontmoeten kan soms energie vereisten als je in twintigers of dertigers bent 😀 (Ik heb het vaak gehoord)
-
-
1. Ik hoop Nederlands te leren.
2. Ik probeer het te begrijpen.
3. Ik vergeet mijn huiswerk te doen.
4. Ik hoef dit boek niet te lezen.
5. Ik probeer in het weekend een nieuw gerecht te koken. -
1. Wij hopen volgende maand op vakantie te gaan.
2. Hij zit op de bank te lezen.
3. Ik probeer vroeg te slapen.
4. Zij weigert voor de extra kosten te betalen.
5. Wij besluiten morgen te vertrekken. -
1. Ik snij de ardappellen te koken.
2. Ik zit een film te kijken.
3. Ik hoef geld een jas niet te kopen.
4. Ik besluit vanavond een vogel te worden.
5. Ik geloof haar wetenschappers te worden. -
1. Ik beoog mijn Nederlands te verbeteren
2. Wij hopen het probleem op te lossen
3. Hij tracht op tijd te komen
4. Zij vindt het leuk om te reizen
5. Zij wenst haar doelen te bereiken -
1. Ik zit vandaag huiswerk te maken.
2. Zij probeert zonder recept te koken.
3. Hij belooft vroeg thuis te komen.
4. We wachten een uur om een concert te zien.
5. Ik hoop Nederlands te leren. -
1. Ik hoef vandaag geen boodschappen op de markt te doen.
2. Ik begin nu thuis een Netflixserie te kijken.
3. Ik probeer dit jaar in Eindhoven een nieuwe baan te vinden.
4. Ik lig elke dag op de bank tv te kijken.
5. Ik zit ‘s ochtends op mijn vriend te wachten. -
1. Ik begin vanmiddag te studeren voor mijn Nederlands examen.
2. Jij probeert op kantoor te bellen.
3. Hij loopt in het park te praten met zijn vriend.
4. Wij besluiten in het weekend te reizen.
5. Jullie vergeten vaak ‘s avonds te koken. -
1. Ik zit te werken.
2. Hij ligt te slapen.
3. Jij vergeet te schieten.
4. Zij proberen te spreken.
5. Wij beloven te komen. -
1. Hij besluit geen hulp te vragen.
2. Zij durft niet te zwemmen.
3. Ik probeer met Nederlanders te spreken.
4. Ze weigeren te stemmen.
5. Ik vergeet mijn sleutels mee te nemen. -
1. Ik begin mijn huiswerk te maken.
2. Zij hoeft vandaag niet te koken.
3. Hij hoopt morgen een loonsverhoging te ontvangen.
4. Mijn zoon ligt op de bank een boek te lezen.
5. Jullie lopen naar muziek te luisteren. -
1. Ik begin je te begrijpen.
2. Hij beweert haar vanochtend gezien te hebben.
3. Ik lig te rusten.
4. Ik tracht niet te lachen.
5. Ik hoop in Eindhoven te blijven. -
1.Ik probeer te slapen.
2.We beginnen om negen uur te werken.
3.Ik beloof je met je huiswerk te helpen.
4.Ik hoop naar Malta te reizen.
5.Ik leer Nederlands om met mensen te praten. -
1. Ik probeer te begrijpen.
2. Ik sta op de bus te wachten.
3. We beginnen in februari met het B2-niveau te leren.
4. Jullie liggen op de bank tv te kijken.
5. We leren Nederlands om met Nederlandse collega’s te praten. -
1. Ik probeer Nederlands te leren.
2. Ik zit een film te kijken.
3. Hij begint zijn huiswerk te maken.
4. Je hoeft de boodschappen niet te doen.
5. Ik weiger overuren te maken. -
1. Ik begin te spreken.
2. Jullie hoeven zich geen zorgen te maken.
3. Zij loopt nu in het park na te denken.
4. Hit zit nu op kantoor Nederlands te oefenen.
5. Ze durft tijdens de wedstrijd een eigen doelpunt te maken. -
1. Wij vergeten Nederlands te oefenen.
2. Ik probeer meer sporten te doen.
3. Hij weigert met jou te praten.
4. Jullie zeggen een afspraak te maken.
5. Jij denkt een mooi pak te kopen. -
1. Het begint te sneeuwen.
2. Hij ligt te ontspannen.
3. Wij zitten te eten.
4. Jullie beogen te winnen.
5. Hij durft niet te springen. -
1. Ik begin te verstaan.
2. Hij begint te eten.
3. Hij leert te spreken.
4. Hij probeert te hardlopen.
5. Zij hoopt te meefietsen. -
1. Ik zit te trachten.
2. Zij zit te denken.
3. Hij staat te lopen.
4. Ze proberen te vinden.
5. Jullie durven te zeggen. -
1. Ik probeer te leren.
2. Zij vergeet te bellen.
3. We besluiten te wachten.
4. Hij hoopt te slagen.
5. Ik beloof te helpen. -
-
1. Ik zit te eten
2. Hij ga te rijden
3. Jullie gaan te kopen
4. Zij staat te spelen
5. Hij staat te rennen -
1. Ik probeer het te begrijpen.
2. Ik zit te werken.
3. Zij staat te koken.
4. Ik hoef in het weekend niet te werken.
5. Je bent verplicht te komen. -
1. Ik probeer al een uur om mijn sleutels te vinden.
2. Het begint te regenen.
3. Hij is vergeten om de planten water te geven.
4. Zij ligt te slapen.
5. Wij staan in de keuken te koken.
6. Hij tracht het probleem op te lossen.
7. De student weigert niet om de opdracht te maken.
8. De leraar verklaart de les duidelijk om de studenten te…Read More -
1- Hij durft uit het vliegtuig te springen.
2- Zij vraagt te zitten.
3- Zij hopen te worden gehoord.
4- Hij vergeet te winkelen.
5- Zij schrijft op haar hand om het niet te vergeten.
6- Hij dwingt zich wakker te zijn.
7- Hij belooft te studeren.
8- Zij begint te niezen.
9- Jullie verbieden de kinderen vandaag buiten te spelen.
10-…Read More -
1. Zij besloot vorig jaar van baan te veranderen om meer voldoening in haar leven te vinden.
2. Hij heeft beloofd altijd eerlijk te blijven.
3. Wij zullen volgend semester proberen actiever deel te nemen aan de lessen.
4. Zij weigerde het aanbod te accepteren omdat het niet bij haar toekomstplannen paste.
5. Wij hopen dit project op tijd af te ronden. -
1. Ik kom te leren.
2. Wij zitten te tv kijken.
3. Ik zit te denken.
4. Hij probeert Nederlands te spreken.
5. Het kind begint te huilen. -
1.Ik probeer elke dag te sporten.
2.Het is belangrijk te luisteren naar de leraar.
3.Zij begint morgen te werken in een winkel.
4.Wij hopen dit jaar te reizen naar Spanje.
5.Hij vergeet vaak te bellen naar zijn moeder. -
1. Hij belooft te komen.
2. Zij besluit een Nederlandse cursus te volgen.
3. Wij denken het abonnement te annuleren.
4. Ik lig al te slapen.
5. Ik weiger tot de avond te wachten. -
1. Hij probeert op tijd te komen.
2. Zij besluit morgen vroeg te vertrekken.
3. Wij hopen snel antwoord te krijgen.
4. Ik vergeet vaak mijn sleutels mee te nemen.
5. Zij begint hard te lachen. -
-
1. Ik probeer te werken.
2. Ik begin te leren.
3. Ik hoop het te maken.
4. Ik beloof te komen.
5. Ik waag te dromen. -
1. Ik begon laat te slapen,
2. Hij probeert zijn best op school te doen.
3. Wij zitten aan het einde van de straat op je te wachten.
4. Jullie beweren de wedstrijd te kunnen winnen.
5. Je gelooft het niet te kunnen doen. -
1) Ik begin te schilderen.
2) Ik durf te antwoorden.
3) Ik weiger te beginnen.
4) Ik wens te reizen.
5) Ik sta te lopen. -
1. Ik dwing te leren.
2. Het schijnt te regenen.
3. Ze lijkt veel te weten.
4. Ik beloof mijn familie te zien.
5. De politiemannen plegen te redden.
6. Ik geloof je te komen.
7. We hopen de wedstrijd te winnen.
8. De mensen weigeren te stemmen.
9. Kinderen verlangen te spelen.
10. Ze pogen te onderhandelen. -
1. Steeds meer mensen besluiten tegenwoordig het nieuws op internet minder te bekijken.
2. De man begint plotseling op de date gouden bergen te beloven.
3. Ik probeerde toen in die situatie zenuwen van staal te hebben.
4. Hij leert tijdens verhitte discussies het hoofd koel te houden.
5. Zij ligt de hele ochtend in haar slaapkamer heel diep te slapen. -
1. Ik probeer al een uur mijn sleutels te vinden.
2. Het begint te regenen.
3. Hij is vergeten de planten water te geven.
4. Zij ligt te slapen.
5. Ik begin Nederlands te leren.
6. Wij proberen de trein te halen.
7. Zij belooft mij te helpen. -
1. Ik probeer al een uur mijn sleutels te vinden.
2. Het begint te regenen.
3. Hij is vergeten de planten water te geven.
4. Zij ligt te slapen.
5. Ik begin Nederlands te leren.
6. Wij proberen de trein te halen.
7. Zij belooft mij te helpen. -
1. Ik probeer te leren.
2. Ze vergeten te betalen.
3. Hij weigert te helpen.
4. Wij leren Nederlands te spreken.
5. Zij begint te lachen.
- Load More Posts


1. Ik sta te koken.
2. Ze beginnen in magie te geloven.
3. Jij belooft Nederlands te leren.
4. Hij eist te weten.
5. Deze weg is nu verboden te betreden.