-
Dutchbook huiswerk:✍️
Boek. Pagina 179
Opdracht 6
Plaats jouw antwoorden hieronder:184 Comments-
1. Er is morgen op school een workshop beginnen.
2. Er is elke dinsdag in de bioscoop een nieuwe film geïntroduceerd.
3. Er is dit weekend in de buur een festival gebeuren
4. Er is maandag in Eindhoven geen event georganiseerd.
5. Er is in mei naar de buren een BBQ feesten. -
1. Er is vrijdag thuis een film kijken.
2. Er was gisteren in best geen regen gevallen.
3. Er is vorige week in België een restaurant open gegaan.
4. Er is maandag in Eindhoven een museum geweest.
5. Er is volgende week op het strand een krab gezonken. -
1. Er is gisteren in Utrecht een concert geweest.
2. Er is vanochtend in het park een ongeluk gebeurd.
3. Er is vorig jaar in Rotterdam een marathon gelopen.
4. Er is vorige week in de bibliotheek een lezing gegeven.
5. Er is gisteren op school een toets gemaakt. -
1. Er was zaterdag in de bar een verjaardag gevierd.
2. Er zijn gisteren in de koelkast sinaasappelen geperste.
3. Er is vandaag uit Turkije nieuws gehoord.
4. Er zijn vrijdag in een concert van Tarkan veel mensen geweest.
5. Er zijn elke dag in Nederland veel mensen fietsen. -
1. Er is vandaag op het werk genoeg taken gedaan.
2. Er is vandaag in de koelkast meer eten over.
3. Er is gisteren in Eindhoven een ongeluk gebeurt.
4. Er zijn altijd in de buurt vogels geweest.
5. Er gaan morgen op school leuke activiteit gebeuren. -
1. Er is morgen in eindhoven een kermis geweest.
2. Er is vridag in utrecht een winkel geopend.
3. Er zijn maandag in de HTC veel mensen hardlopen.
4. Er is elke weekend in het park een wedstrijd gespeled.
5. Er is woensdag in den haag de NAVO-TOP georganiseerd. -
-
1. Er is maandag in Dynamo een les geweest.
2. Er is vorig weekend in Veldhoven een feest afgelast.
3. Er zijn vorige maand in de tuin veel onkruid geweest.
4. Er is vanochtend in het huis van mijn buren een verbouwing gaande.
5. Er is dinsdag in de bibliotheek een taalcafé-sessie geweest. -
1. Er is in het weekend een verjaardagsfeestje geweest.
2. Er is vorig weekend bij ons thuis een barbecue geweest.
3. Er was vorige week in Den Haag de NAVO-top.
4. Er was gisteren niemand buiten.
5. Er is in de bakkerij een taart aan het bakken. -
1. Er zijn vandaag in de supermarkt veel appels verkocht.
2. Er is zondag in Amsterdam een concert geweest.
3. Er is vorige week in de Dynamo een les gegeven.
4. Er is woensdag in Eindhoven een vergadering gepland.
5. Er is dinsdag in het centrum een winkel geopend. -
1. Er zijn vandaag op de markt veel groenten verkocht.
2. Er hebben vandaag op het terras veel mensen biertjes gedronken.
3. Er was donderdag in Eindhoven een Nederlandse les gegeven.
4. Er is op maandag in het centrum een restaurant gesloten.
5. Er is in het weekend in Eindhoven een tentoonstelling geweest. -
-
1. Er was dinsdag op de weg een kat geweest.
2. Er stond afgelopen week voor mijn deur een auto geparkeerd.
3. Er werd vorige week in Eindhoven een feest gegeven.
4. Er was vorige maand in het centrum een ongeluk plaatsgevonden.
5. Er waren de afgelopen maanden op school veel oefeningen gedaan. -
1. Er is vanavond in Eindhoven een protest geweest.
2. Er is zaterdag ’s ochtends in de Kruisstraat een open markt geweest.
3. Er zijn elke dag in de bibliotheek veel mensen geweest.
4. Er is op maandag in de koelkast geen taart geweest.
5. Er zijn op vrijdag op het concert veel mensen geweest. -
1. Er is afgelopen zondag in Eindhoven één marathon gelopen.
2. Er wordt deze week in Eindhoven de Dutch Design Week georganiseerd.
3. Er heeft jaren geleden bij Dutch Academy Eindhoven iemand Nederlandse lessen gegeven.
4. Er hebben jaren geleden op aarde mensen bestaan.
5. Er zijn vorig jaar veel bomen in het bos geplant. -
1. Er is deze week in Utrecht een markt geweest.
2. Er is vorige maand op kantoor een conferentie georganizeerd.
3. Er hebben gisteren in Eindhoven veel mensen gewandeld.
4. Er hebben vorige maand in een park fietsers gefietst.
5. Er heeft vanochtend dichtbij een benzinestation een man gerookt. -
1. Er is deze week in Eindhoven een festival geweest.
2. Er is morgen in Eindhoven geen voetbalwedstrijd.
3. Er zijn vandaag veel mensen in het museum geweest.
4. Er is gisteren in Strijp-S een expositie geopend.
5. Er hebben vorige week tussen Eindhoven en Den Bosch geen treinen gereden. -
1. Er is morgen in het centrum een optocht gebeurt.
2. Er zijn vandaag in de kantine salami broodjes verkopen.
3. Er staat vanavond in mijn garage een fiets parkeren.
4. Er is vorige weekend in Eindhoven een marathon geweest.
5. Er is gisteren thuis een ongeluk geweest. -
1. Er is gisteren tussen Almere en Lelystad geen trein geweest.
2. Er zullen dit weekend in Amsterdam veel toeristen komen.
3. Er hebben vorige week veel bladeren op de grond gelegen.
4. Er zijn afgelopen vrijdag in het ziekenhuis veel mensen geweest.
5. Er is deze week in Utrecht een tentoonstelling georganiseerd. -
-
1. Er is vandaag thuis een feest geweest.
2. Er is deze week in Eindhoven de Dutch Design Week gebeurt.
3. Er is op dit moment in het station een trein aankomen.
4. Er zijn altijd buiten mijn appartementencomplex auto’s geparkeerd.
5. Er is nu op kantoor een vergadering gehouden. -
1. Er is op april in het land een groot feest gevierd.
2. Er moet vandaag in het centrum een protest gebeurd.
3. Er is morgenochtend een vergadering met de klanten gepland.
4. Er is op vrijdag online nieuwe muziek uitgebracht.
5. Er zijn nu in de winkel kleding verkocht. -
1. Er is op maandag in het park een evenement gepland.
2. Er is in juni op kantoor een diner georganiseerd.
3. Er wordt elke week in de bioscoop een film uitgebracht.
4. Er is vandaag bij mijn huis een feest gaande.
5. Er zijn ’s nachts aan de hemel sterren fonkelen. -
1-Er is in december in Turkije een examen geweest.
2-Er is volgende week in een café met collega’s een ontmoeting gekomen.
3-Er heb vandaag in de winkel veel nagellak gezien.
4-Er heeft vorige week in Brugge hevig geregend.
5-Er is vandaag voor mijn huis geen parkeerplaats geweest. -
1. Er is vorig jaar in Eindhoven een marathon geweest.
2. Er zijn voor Kerstmis op de luchthaven veel reizigers geweest.
3. Er zijn tijdens de januarikorting in de winkel veel wasmaschines gekocht.
4. Er is afgelopen zomer in het park veel gesport.
5. Er is vanochtend op het station een ongeluk gebeurd. -
1. Er is gisteren in Amsterdam een groot feest geweest.
2. Er zijn vorige week in het park veel kinderen geweest.
3. Er is gisteren in de stad een nieuw café geopend.
4. Er is op zondag in het museum geen tentoonstelling geweest.
5. Er is vanmorgen in het park een hond weggelopen. -
1 – Er was vorige april in Rotterdam een marathon gehouden.
2 – Er waren gisteren in het VIP-klaslokaal twee medecursisten geweest.
3 – Er hebben gisteren op het klimschoolplein twee muurklimmers geklommen.
4 – Er stond vorige maand in de tuin een sneeuwpop gesmolten.
5 – Er lagen tien minuten geleden op het keukenbord twee eieren gelegen. -
1. Er is vandaag in de keuken geen eten gevonden.
2. Er is gisteren op straat een portemonnee verloren.
3. Er is vanochtend in de winkel geen brood geleverd.
4. Er is net in de kamer een sleutel gevallen.
5. Er is morgen op school geen les gegeven. -
1. Er was vandaag op het nieuws een belangrijke informatie verteld
2. Er lag vandaag op de kattenbank een kitten slapen
3. Er is morgen op de tafel een televisie staat
4. Er was gisteren op de bank een paar sokken lagen
5. Er was gisteren op de straat een grote hond gehuild -
1. Er probeert morgen thuis een student een nieuw recept te maken.
2. Er leert elke week op school een recept schrijven.
3. Er wordt soms in dit huis een Italiaans recept gekookt.
4. Er kijkt vanavond thuis een man een film.
5.Er zoekt nu op kantoor een medewerker documenten. -
1. Er is zaterdag in het PSV-stadion een voetbalwedstrijd gepland.
2. Er is gisteren in Rotterdam een marathon geweest.
3. Er is morgen in het restaurant een feest gepland.
4. Er is volgende week in Eindhoven geen evenement georganiseerd.
5. Er zijn vanavond op school drie spellen gespeeld.
6. Er zijn vandaag in de winkel veel cadeaubonnen verkocht. -
1. Er is vandaag in Eindhoven een kaasmarkt geopend.
2. Er is vanavond in de klas een quiz gehouden.
3. Er is in het weekend op straat een marathon gehouden.
4. Er is gisteren op kantoor een training gegeven.
5. Er is vanochtend in de bakkerij vers brood gebakken. -
1. Er is volgende week in Eindhoven een feest.
2. Er zijn maandag op kantoor veel vergaderingen geweest.
3. Er is volgende maand op kantoor een training.
4. Er was plotseling in de keuken een probleem.
5. Er zijn vandaag in het park veel kinderen geweest. -
1- Er zijn zaterdag in Eindhoven twee partijen geweest.
2- Er is vorige weekend op de TV een mooie film gespeeld.
3- Er is zondag in de tuin een plant geplante.
4- Er is gisteren thuis een mooie maaltijd gekookt.
5- Er zijn gisteren in de winkel veel computers gerepareerd. -
1. Er is gisteren in Eindhoven een concert geweest.
2. Er is vorige week in de stad een markt geweest.
3. Er is vanmorgen op kantoor een vergadering geweest.
4. Er is zondag in het park een festival geweest.
5. Er is vorig jaar in Nederland een grote storm geweest.
6. Er is gisteravond thuis een probleem geweest.
7. Er is vorige maand op school…Read More -
1. Er is morgen in Den Haag een tentoonstelling geweest.
2. Er is vanavond in het theater een voorstelling gepland.
3. Er is volgende maand in Utrecht een festival georganiseerd.
4. Er zijn gisteren in het park twee wedstrijden gespeeld.
5. Er zijn vandaag in de supermarkt veel producten verkocht.
6. Er is vanmiddag in de bibliotheek een lezing gepland. -
1.Er is gisteren in de bioscoop een nieuwe film gedraaid.
2.Er zijn vorige maand in de stad veel toeristen gekomen.
3.Er is eergisteren in de winkel een grote korting geweest
4.Er is afgelopen weekend in het park een concert georganiseerd.
5.Er is vanmiddag in de klas een toets gemaakt. -
1. Er is vorig jaar in Leiden een poëziewedstrijd gehouden.
2. Er zijn gisteren op het werk twee vergaderingen gehouden.
3. Er zijn deze winter in het museum veel speciale tentoonstellingen geweest.
4. Er heeft vanochtend op het schoolplein een ongelukje plaatsgevonden.
5. Er hebben dit weekend op de markt veel kraampjes gestaan.
6. Er stond…Read More -
1. Er is vanavond in de klas een toets gemaakt.
2. Er is gisteren op kantoor een opleiding geweest.
3. Er is vanochtend op kantoor een rapport gemaakt.
4. Er zijn gisteren in de winkel producten verkocht.
5. Er is gisteren in de keuken eten gekookt. -
1. Er mogen vandaag voor de garage geen auto’s staan.
2. Er kunnen dagen op de grond bladeren liggen.
3. Er hebben de hele dag op het veld koeien geloeid.
4. Er zullen vanaf aanstaande maandag in deze winkel prijzen stijgen.
5. Er moeten morgen op de parkeerplaats beschikbare plekken overblijven.
6. Er is al schoon water uit de kraan g…Read More -
1. Er zal morgen op het plein een markt zijn.
2. Er is in juli op het strand een feest gevierd.
3. Er zal op zaterdag op hun website korting staan.
4. Er was gisteren op kantoor een vergadering georganiseerd.
5. Er zijn vorig jaar veel nieuwe gebouwen in deze wijk gebouwd. -
1. Er was afgelopen weekend aan de straat een barbecue georganiseerd.
2. Er mogen altijd in het huis daklozen wonen.
3. Er hebben gisteren op de speelplaats veel kinderen gespeeld.
4. Er is vanmorgen in Den Haag een verkeersongeval gebeurd.
5. Er zijn vorig jaar in Nederland veel mensen verhuisd. -
1. Er zijn gisteren in het park veel mensen gewandeld.
2. Er is vanochtend op school een toets begonnen.
3. Er hebben vorige week in de bibliotheek veel studenten gestudeerd.
4. Er is gisteren in de supermarkt een nieuwe medewerker begonnen.
5. Er zijn vorig jaar in mijn buurt veel huizen gebouwd. -
1. Er zijn ’s ochtends veel auto’s op de parkeerplaats geparkeerd.
2. Er zijn vorige week veel boeken in de bibliotheek gebracht.
3. Er zijn vanochtend veel kinderen op het plein geweest.
4. Er zijn deze maand veel nieuwe huizen gebouwd.
5. Er werd gisteren in de stad een concert gehouden. -
1. Er is gisteravond bij het station een fiets gestolen.
2. Er is vanochtend in de keuken een lekkere taart gemaakt.
3. Er zijn afgelopen weekend in het park veel activiteiten georganiseerd.
4. Er is afgelopen week in de klas een jas vergeten.
5. Er zijn gisteren tijdens de verhuizing twee glazen gebroken. -
1. Er is gisteren op kantoor een vergadering geweest.
2. Er is dinsdag in Eindhoven een feestje geweest.
3. Er zijn dit jaar in Amsterdam veel scholen gebouwd.
4. Er is in juli in de stad een concert georganiseerd.
5. Er is in de keuken een taart gebakken. -
1. Er moesten al in de slaapkamer kinderen slapen.
2. Er waren gisteren aan de universiteit studenten afgestudeerd.
3. Er werd vanochtend op kantoor een feestje gevierd.
4. Er gaan komend weekend tussen Breda en Rotterdam minder treinen rijden.
5. Er kunnen in de toekomst in Europa meer elektriciteitsstoringen gebeuren.
- Load More Posts


1. Er is volgende zaterdag in PSV-stadion een wedstrijd gepland.
2. Er is elke maandag in kantoor een vergadering georganiseerd.
3. Er was twee week afgelopen naar Portugal geweest.
4. Er was afgelopen December naar India geweest.
5. Er was afgelopen weekend in Helmond een carnaval geweest.