-
Dutchbook huiswerk:✍️
Boek SN. Pagina 128
Plaats jouw antwoorden hieronder:126 Comments-
1.Wanneer sta jij op?
2.Hoe leg jij uit?
3.Wanneer kom jij thuis aan?
4.Waar steek jij over?
5.Waarom belt hij terug?
6.Hoe vul jij het formulier in?
7.Wanneer ruim jij de kamer op?
8.Waarom zet jij de televisie uit?
9.Wanneer haal jij de kinderen op?
10.Hoe deel jij de informatie mee? -
Recept E
1. Wat maakte je mee?
2. Wat bracht je mee?
3. Waar stak je over?
4. Wanneer spreken jullie af?
5. Waarom gingen jullie weg?Recept F
1. Hoe brengen jullie vakantie door?
2. Waarom trok je dat uit?
3. Waarom zette je de t.v. af?
4. Hoe laat sta je meestal op?
5. Hoe breng je de kleding terug? -
Recept E
1. wear kijk jij naar?
2. waar wacht jij op?
3. waar denk jij aan?
4. waar doe jij mee?
5. waar kom jij vandaan?Recept F
1. wat doe jij voor het feest aan?
2. wat ruim je vanmiddag op?
3. wat schrijf jij in de notitie book op?
4.wat zet jij in de keuken aan?
5. wat breng jij naar de winkel terug? -
1. Hoelaat kom je terug?
2. Wanneer ruimt zij op?
3. Hoe vul ik het formulier in?
4. Welke nummer bel ik haar op?
5. Doe je mee?
6. Doen jouw kinderen mee?
7. Waar gaan jullie vanavond uit?
8. Meld je je ook aan?
9. Wanneer maken ze het eten klaar?
10. Ga je later weg? -
1. Waarom belt hij het plan af?
2. Wanneer komt de trein aan?
3. Waarom doe jij de winkel dicht?
4. Waarom voert hij de producten in?
5. Wanneer neem jij het medicijn in?
6. Hoe los jij het probleem op?
7. Letten jullie goed op de instructies?
8. Hoe ruim je de kamer op?
9. Waarom sla jij de les over?
10. Bij welke halte stap jij uit? -
1. Wie laten we na?
2. Wie raakt mijn voet aan?
3. Waar rijd ik in?
4. Wat spreek je af?
5. Wat geeft u aan?
6. Wat maak je vanavond klaar?
7. Wanneer maak je de badkamer schoon?
8. Hoe laat komen we aan?
9. Wanneer zet jij je pc uit?
10. Wat gooi je weg? -
1. Wanneer sta je op?
2. Met wie gaat hij uit?
3. Waarom zeggen jullie af?
4. Wat vul je in?
5. Wanneer bel je terug?
6. Wie wast de borden af?
7. Wat zoek je op internet?
8. Waarom nodig je jouw buurman uit?
9. Wanneer komt de trein aan?
10. Wat nemen jullie voor de vakantie mee?
-
1. Wanneer belt hij je terug?
2. Waarom zet ze haar muziek aan?
3. Wanneer maak je jouw huiswerk af?
4. Wat schrijf zij daar op?
5. Wanneer sluit de winkel af?
6. Hoe doen zij niet naar het feest mee?
7. Waarom gaat zij niet rennen door?
8. Wat lees jij onlangs door?
9. Wanneer maken wij thuis schoon?
10. Wat vraag je af? -
1. Wanneer maak je je huis schoon?
2. Waarom komt hij binnen?
3. Hoe schrijf ik in?
4. Wat zoek je uit?
5. Wie bel je op?
6. Hoe zet je je eenmanszaak neer?
7. Waarom neem je de stickers van de laptop af?
8. Hoe laat kom je op het werk aan?
9. Wat trekt je in Nederland aan?
10. Hoe vaak zoek je iets in ChatGPT op? -
Recept E
1. Wanneer ga jij terug?
2. Wat zoek jij op?
3. Wat geeft hij door?
4. Wie bellen zij op?
5. Hoe stap ik in?
Recept F
1. Wie geeft hem de chocolade weg?
2. Hoe trek ik meer klanten aan naar de winkel?
3. Wanneer maak jij thuis schoon?
4. Hoe stappen wij het gebouw in?
5. Wanneer maak jij het af? -
1. Wie bel je op?
2. Wanneer kom je aan?
3. Waar schrijf je je in?
4. Wat trek je aan?
5. Hoe stap je in?
6. Waaroom doe je de deur dicht?
7. Wanneer maak je jouw huis schoon?
8. Wanner maak je jouw huiswerk af?
9. Waaroom neem je deze uitnodiging aan?
10. Hoe los je dit probleem op? -
1. Waar stap jij uit?
2. Waar bel jij uit?
3. Wat zet jij aan?
4. Wat denk jij aan?
5. Wat zoek jij uit?1. Waar trek jij je jas aan?
2. Waar haal jij de auto op?
3. Waar schrijf jij het telefoonnummer op?
4. Wat neem jij naar school mee?
5. Hoe leg jij de oefening uit? -
E
Waar zet jij neer?
Wat neem jij mee?
Waar ga jij heen?
Waar kijk jij naar?
Waar kom jij vandaan?
F
Hoe leg jij de boeken uit?
Wanneer ruim jij de tafel af?
Hoe vul jij de gegevens in?
Wanneer trek jij je jas aan?
Hoe los jij de fout op? -
Recept E
1. Wat geef jij door?
2. Wat pakken jullie aan?
3. Waar kijk jij naar?
4. Wat schrijf jij op?
5. Waar bel jij op?
Recept F
1. Hoe zet ik de machine uit?
2. Hoe haalt zij de spullen op?
3. Hoe pakt ik de koffers in?
4. Hoe zet zij de radio aan?
5. Hoe belt hij het bedrijf op? -
Recept E
1. Wanneer doe je boodschappen?
2. Hoe laat komen jullie langs?
3. Wat neem je mee?
4. Welk shirt trek je aan?
5. Hoe laat sta je op?Recept F
1. Hoe laat maak jij je huiswerk af?
2. Hoe laat komen jullie thuis aan?
3. Welke luchthaven haal je je vriendin op?
4. Wat neem je in je handen mee?
5. Hoeveel shirts pakken jullie in? -
1. Wat gooi je weg?
2. Waarom gingen jullie weg?
3. Waar kijk jij naar?
4. Hoe laat kom je terug?
5. Wat geef je aan?
6. Wanneer maak jij het eten klaar?
7. Waarom doet Peter de deur dicht?
8. Hoe spreek je het woord uit?
9. Waroom blijven de kinderen vandaag thuis?
10. Wie heb je uitgenodigd? -
1. Waarom zet jij de televisie uit?
2. Wanneer staat hij ’s ochtends op?
3. Waarom belt zij haar afspraak af?
4. Hoe schrijf jij dit woord op?
5. Wanneer breng jij de boeken terug?
6. Waarom doe jij je jas aan?
7. Hoe vul jij het formulier in?
8. Wanneer haalt hij zijn vrienden op?
9. Waarom kijkt zij de film af?
10. Bij welk station stap jij in? -
1. Wanneer sta jij op?
2. Waarom bel jij aan?
3. Waarom loop jij weg?
4. Wanneer kom jij terug?
5. Wanneer kom jij terug?
6. Waarom kleed jij je zo snel aan?
7. Wanneer zet jij de tv aan?
8. Wanneer pak jij een cadeau in?
9. Wanneer doe jij je jas uit?
10. Wanneer neem jij je telefoon op? -
1. Wanneer belt u terug?
2. Wanneer maakt hij schoon?
3. Wat neemt zij mee?
4. Waarom kom jij terug?
5. Waar kom jij aan?
6. Hoe maak je je bed op?
7. Wanneer wast hij de borden af?
8. Hoe laat maakt zij de tekening af?
9. Waarom doet hij de deur dicht?
10. Wanneer ruim jij jouw kamer op? -
-E-
1.Wat bieden zij aan?
2.Wanneer komt hij aan?
3.Waar ga je uit?
4. Waarom ruimt hij op?
5.Wie haal je op?
-F-
6. Hoe laat maak je de vergadering af?
7. Hoe vaak denk je na over God?
8. Wanneer neemt zij een nieuw album op?
9. Waar spreken jullie het feest af?
10. Waarom leveren jullie het bericht zelf in? -
1. Wanneer kom jij aan?
2. Hoe log ik in?
3. Waar schrijf ik me in?
4. Waar stapt zij in?
5. Wanneer stap ik over?6. Wanneer maak jij het huis schoon?
7. Waar haalt zij haar pakket af?
8. Hoe print ik mijn documenten uit?
9. Wanneer komt zij thuis terug?
10. Waar vul ik mijn data in? -
E:
1. Wat maak je klaar voor het diner?
2. Wanneer komt de trein aan?
3. Wanneer kom je bij ons langs?
4. Wat neem je mee?
5. Waarom sta je vroeg op?
F:
6. Wanneer leveren wij onze opdracht in?
7. Hoe laat maak je het raam open?
8. Hoe vindt het ongeluk plaats?
9. Waarom houd je je spraak tegen?
10. Wie brengt chips terug? -
1. Wat breng je mee?
2. Hoe maak je de badkamer schoon?
3. Wanneer neem je een nieuwe les op?
4. Waar ga je uit?
5. Wat trek je aan?
6. Wanneer sta je op?
7. Wat pak je in?
8. Waarom valt zij op?
9. Waar kijkt de hond naar uit?
10. Wanneer nemen de prijzen af? -
E
1. Wanneer maak je jouw huiswerk af?
2. Wanneer kijk je de TV af?
3. Waarom bel je de vergardering af?
4. Wanneer doe ik de deur dicht?
5. Waar stap je uit?
F
1.Hoe vul ik het fomulier in?
2.Wanneer doe je het team mee?
3. Wanneer studeer je af?
4. Wie zorg de muzikal voor?
5. Wanneer komen jullie terug? -
Recept E
1. Wanneer ga jij naar binnen?
2. Wat kijkt zij na?
3. Waar hang jij de foto op?
4. Wie spreekt haar aan?
5. Wat zoek jij uit?Recept F
1. Wie kleedt de baby voor het feest aan?
2. Wanneer staat zij ’s ochtends op?
3. Hoe maakt hij de keuken schoon?
4. Wanneer belt de werknemer voor het contract op?
5. Hoe breekt zij de tafel af? -
Recept E:
1) Wanneer keur jij goed?
2) Wat leg jij uit?
3) Wat voeg jij toe?
4) Hoe snel steek jij over?
5) Wat leg jij neer?Recept F:
1) Waar schaaf jij de stroopwafel aan?
2) Wanneer maak jij de fooi over?
3) Hoe vaak gelasten jullie de Elfstedentocht af?
4) Wanneer drukken ze het zegel in de was?
5) Hoe maak jij het inschrijvingsgeld voor de…Read More -
Recept E
1. Wat valt je op?
2. Hoe laat sta je op?
3. Wanneer belt zij op?
4. Wat nemen we mee?
5. Wie kies je uit?
Recept F
1. Hoe laat ga je vanavond uit?
2. Waar doet je het raam dicht?
3. Wanneer keur je het voorwerp af?
4. Wanneer komt hij weer terug?
5. Hoe laat kom je de bioscoop uit? -
Recept E:
1. Wanneer bellen jullie terug?
2. Waar kijken zij rond?
3. Waarom laat hij los?
4. Met wie werken jullie samen?
5. Wanneer zet zij alles klaar?
Recept F:
1. Waarom maakt hij zijn speelgoed kapot?
2. Wanneer pakken jullie het project aan?
3. Hoe vaak doen jullie mee aan deze competitie?
4. Waar staat deze organisatie voor?
5. Wie vraagt…Read More -
RECEPT E
1. Wat kijk je aan?
2. Wat biedt hij aan?
3. Wat laat zij achter?
4. Wanneer spreken wij af?
5. Wanneer studeren jullie af?
RECEPT F
1. Waarom bel je de bruiloft af?
2. Waarom keurt hij mijn kleding af?
3. Waarom maak je het eten af?
4. Wanneer komen jullie binnen de Dynamo?
5. Wanneer maakt zij haar kamer schoon? -
Recept E:
1. Wat denk je uit?
2. Wanneer werken jullie over?
3. Wanneer rijdt hij terug?
4. Wat zoeken zij op?
5. Wat geef jij vrij?
Recept F:
1. Waarom bel jij mijn moeder terug?
2. Hoe nemen jullie het concert op?
3. Waarom breken wij de toespraak af?
4. Wanneer trek jij de jas uit?
5. Hoe hang ik jouw schilderij op? -
1. Wie haalt zij op?
2. Wanneer belt hij haar op?
3. Wie neemt hij mee?
4. Hoeveel pakt zij in?
5. Welke trui trekt zij aan?
6. Waar schrijf jij je naam in?
7. Waar zet jij de fiets neer?
8. Waar spreek jij met je vriend af?
9. Hoe werk jij het plan uit?
10. Wat geef jij je collega door? -
Waar kijkt zij naar?
Waarom geeft hij op?
Wanneer komen zij aan?
Waarom doet hij mee?
Wanneer bellen we op?
Hoe maakt zij haar kamer elke dag schoon?
Waarom nodig jij deze mensen uit?
Wanneer geef jij het geleende geld terug?
Hoe leggen we dit probleem aan de baas uit?
Waarom pakt hij zijn koffer zo snel in? -
E
1. Hoe laat sta je op?
2. Waar stap je in?
3. Met wie spreek je af?
4. Wie nodigen jullie uit?
5. Wat brengt ze mee?F
1. Waar hang je de was uit?
2. Met wat schrijf je het adres op?
3. Met wie werken jullie aan het project samen?
4. Hoe laat sluit je de winkel af?
5. Hoe vaak kleden kinderen een kostuum aan? -
Recept E:
1. Wanneer kom je aan?
2. Wat komt er uit?
3. Hoe meld je jezelf aan?
4. Met wie ga je mee?
5. Hoe legt zij uit?
Recept F:
1. Wanneer bel je hem terug?
2. Met wie werkt hij samen?
3. Wanneer zet zij alle eten voor de gasten klaar?
4. Waar maak jij dit werk af?
5. Wanneer breekt de vergadering af? -
Recept E:
1. Wanneer kom je aan?
2. Wat komt er uit?
3. Hoe meld je jezelf aan?
4. Met wie ga je mee?
5. Hoe legt zij uit?
Recept F:
1. Wanneer bel je hem terug?
2. Met wie werkt hij samen?
3. Wanneer zet zij alle eten voor de gasten klaar?
4. Waar maak jij dit werk af?
5. Wanneer breekt de vergadering af? -
E:
1. Wie haal je op?
2. Waar denk je aan?
3. Wat vraag je aan?
4. Wat maak je af?
5. Wat neem je mee?F:
1. Wanneer haal je me op?
2. Waarom neem je dat mee?
3. Wanneer geef je het boek terug?
4. Waar spreek je met jouw collega af?
5. Wanneer bel je jouw moeder terug?
- Load More Posts

1. Waarom ga je nu weg?
2. Hoe kom jij daar binnen?
3. Wat neem jij mee?
4. Wie bel je op?
5. Wat gooi je weg?
6. Wanneer maak je het huiswerk af?
7. Hoe vul je dit document in?
8. Waar laat je je jas achter?
9. Waarom gooi je dat papier weg?
10. Waarom zoek je dat boek op?