-
Dutchbook huiswerk:✍️
Boek SN. Pagina 127Plaats jouw antwoorden hieronder:
133 Comments-
1. Ik wil het plan vanmiddag met je op kantoor overleggen.
2. Ik wil zijn voorstel persoonlijk tijdens de vergadering afwijzen.
3. Zij gaat dit onderwerp in haar presentatie in de vergaderzaal aanspreken.
4. Hij gaat zich dit jaar voor zijn studie in Nederland inspannen.
5. Jullie moeten de keuken vandaag thuis opruimen. -
1.Ik ga straks de boodschappen in de keuken uitpakken.
2.Jullie moeten deze week de formulieren op school invullen.
3.De leraar gaat vandaag de opdracht in de klas uitleggen.
4.Zij moet morgen haar afspraak in het ziekenhuis afzeggen.
5.Mijn broer wil binnenkort zijn kamer op zolder herinrichten. -
1.Ik moet morgen mijn afspraak bij de tandarts afbellen.
2. Hij moet deze week zijn auto in het tankstation afwassen.
3. Jullie mogen op vrijdag bij opa en oma laat opblijven.
4. Ik wil vandaag om 10 uur met de auto aanrijden naar Amsterdam .
5. Ze moeten voor 10 uur de oven in de keuken uitzetten. -
1. mijn moeder kan mij vanmiddag van school ophalen
2. ik moet vanavond mijn huiswerk thuis afmaken
3.ik wil morgen bij mij vrienden langskomen
4.je mag vanavond een restaurant in de stad uitkiezen
5. kun je morgen de routebeschrijving naar Amsterdam opzoeken? -
1. Ze willen tijdens de les zijn huiswerk afmaken.
2. Ik wil later jouw adres in mijn telefoon opschrijven.
3. Wouter moet morgen om 8 uur opstaan voor zijn werk.
4. Ik moet voor het feest bij de receptie aanmelden.
5. Anna moet een oplossing voor het probleem uitdenken. -
1. Ik moet vanavond het afval weggooien.
2. Ik wil morgen over onze afspraak nadenken.
3. Ik zal me volgende week voor de cursus aanmelden.
4. Wij willen vanavond onze oude kleren weggeven.
5. Karel zal morgen over het plan uitleggen. -
1. Mijn vriend kan volgend weekend de koelkast bij ons thuis ophalen.
2. Wij zullen vanavond de puinhoop thuis schoonmaken.
3. Hij wil elke week mijn huiswerk op school afkijken.
4. Jij mag later een nieuwe afspraak bij jouw huisarts aanvragen.
5. Ik moet altijd de gerechten thuis afwassen. -
-
1. Ik wil dit jaar een goede gewoonte thuis aannemen.
2. Je moet altijd je afspraken in Nederland nakomen.
3. Ik heb vorig jaar al mijn geld op vakantie opgemaakt.
4. Ik wil volgende week snoep aan kinderen in de buurt weggeven.
5. Wij moeten altijd een ruzie thuis oplossen. -
1. Ik zal op maandag in Eindhoven aankomen.
2. Ik wil deze keer mijn cursus bijhouden.
3. Wij willen vandaag met jullie plan meegaan.
4. Ze kan over het weekend jouw sollicitatie bekijken.
5. Je mag voor volgende week jouw gesprek afzeggen.
-
1. Ik moet elk jaar dit onderwerp aan de kinderen uitleggen.
2. Ik wil vandaag de tas op Internet aankopen.
3. Het kind kon gisteren weer door de buurt fietsen.
4. Hij gaat vanavond het huis schoonmaken.
5. Ze wil morgen een taart naar het diner meenemen. -
1. Ik moet morgen mijn broer thuis opbellen .
2. Wij willen in het weekend lekker uitslapen.
3. Hij kan vanavond de borden in de keuken afwassen.
4. We zullen straks de deur op kantoor dichtdoen.
5. Jij moet nu de formulier formulieren invullen. -
1. Wij gaan vanavond de afwas in de keuken afwassen.
2. Jij moet straks de jas bij de deur aantrekken.
3. Hij zal volgende week met vrienden in de stad uitgaan.
4. Zij gaat vanmiddag haar laptop naar school meebrengen.
5. Jullie willen dit weekend de kamer thuis opruimen. -
1. Ik wil morgen de brief op het postkantoor ophalen.
2. Ik moet vandaag mijn huiswerk thuis afmaken.
3. Hij mag vanmiddag mijn zoon in het park ophalen.
4. Zij moet elke avond het licht in haar huis uitdoen.
5. Ik wil nu dit probleem hier uitzoeken. -
1. Ik moet vandaag mijn huiswerk thuis afmaken.
2. Wij mogen volgende maand het schilderij aan de muur ophangen.
3. Ze wil vanavond de oude doos op zolder uitpakken.
4. Hij moet volgende week de takken in de tuin afzagen.
5. Jij kunt morgen de afwas in de keuken afwassen. -
1. Ik moet na het werk mijn moeder in de auto terugbellen.
2. We willen in het weekend de woonkamer thuis schoonmaken.
3. Hij moet voor de les worstenbroodjes bij de bakker meenemen.
4. Je kunt vanavond jouw idee thuis uitleggen.
5. Jullie zullen in het weekend met een dutch friend online afspreken. -
1. Ik moet om 6 uur de kinderen van school ophalen.
2. Ik wil vanochtend mijn huiswerk in de bus afmaken.
3. Je mag morgen dit formulier in de gemeente invullen.
4. Ik moet vandaag een interview met de koning in de studio opnemen.
5. Wij willen vanavond de boeken in de woonkamer opruimen. -
1. Ik moet morgen de boeken van de bibliotheek terugbrengen.
2. Ik kan dit jaar meer tijd in de sportschool uitgeven.
3. Jullie moeten vandaag de keuken thuis opruimen.
4. We moeten volgende week de formulieren op school invullen.
5. Claire wil dit jaar aan de universiteit afstuderen. -
1. Ik moet om 7 uur mijn wekker uitzetten.
2. Ik wil vanmiddag mijn oude kleren weggooien.
3. Je mag straks de lichten aandoen in de kamer.
4. Ik moet morgen mijn laptop meenemen naar kantoor.
5. Wij willen dit weekend een nieuwe serie opzetten. -
1. Ik wil vandaag jouw probleem op kantoor oplossen.
2. Zij moet morgen haar huiswerk thuis afmaken.
3. Hij kan in het weekend jouw boek naar jouw huis meenemen.
4. Je kunt morgen jouw tas op school terugkrijgen.
5. Wij willen deze week oude brieven thuis weggooien. -
1. Ik moet vanavond mijn tas in de gang opruimen.
2. Wij zullen morgen de auto bij school afzetten.
3. Ik wil straks de documenten op kantoor uitprinten.
4. Ik moet vanmiddag de kinderen in de tuin ophalen.
5. Ik moet vanavond de vuilnis buiten neerzetten. -
1. Je moet nu van mijn huis afblijven
2. Ik ga morgen dit probleem aanpakken
3. Hij kan volgend jaar zijn schoolboeken weggooien
4. Zij wil over een paar minuten in ons kantoor binnenkomen
5. We moeten voor de taken onze laptops opzetten -
1. We moeten ons vroeg thuis aankleden.
2. Ik ga vanavond de wasmachine aanzetten.
3. Ik wil vandaag mijn huiswerk op het hotel afmaken.
4. We moeten elkaars antwoorden voor de les nakijken.
5. Ik wil meer tijd voor mijn hobby’s uitgeven. -
Ik moet morgen thuis mijn kamer schoonmaken.
Ik wil dit jaar in Eindhoven een hypotheek afsluiten.
Je moet morgen jouw tekstboek naar Dynamo meenemen.
Ik wil volgende week tijdens het Chili festival in Strijp-S met nieuwe mensen kennismaken.
Ik zou morgen met de trein in Amsterdam aankomen. -
1. Ik moet voor morgen mijn huiswerk thuis afmaken.
2. We moeten morgenmiddag het eten thuis voorbereiden.
3. Ik wil nu de muziek op mijn telefoon aanzetten.
4. Ik wil voor de les de deur van het lokaal dichtdoen.
5. We moeten vandaag onze kleding afwassen. -
1. Wij willen vanavond de fiets bij het station ophalen.
2. Ik moet morgen kaarsen naar de kerk meenemen.
3. Hij wil vandaag opdrachten in het Dutchbook opschrijven.
4. Werknemers willen elke Kerst een kerstpakket op kantoor aanpakken.
5. Bewoners mogen elke zaterdag bloemen in de buurt neerzetten. -
1) Ik zal vanmiddag thuis de weersvoorspelling nakijken.
2) Wij moeten vanmiddag het middageten in het Griekse restaurant doorgeven.
3) Zij hopen vanmorgen de paaseierenzoektocht bij de kerk te voorkomen.
4) Jij moet vandaag de Nederlandse uitdrukking op de dynamo uitspreken.
5) Zij moeten binnenkort het licht in de tuin aanzetten. -
1. Ik zal morgen het pakket van het ophaal punt ophalen.
2. Hij gaat vanavond naar huis want hij moet zijn auto opladen.
3. Ze willen zondag samen in het restaurant doorbrengen.
4. Ik zal volgende week mijn moeder van de luchthaven ophalen.
5. Ik zal jou vanavond bij het muziekfestival afzetten. -
1. Zij gaat morgen het kaartjes bij Dynamo ophalen.
2. Ik ga volgende week de vergadering op kantoor overnemen.
3. Wij moeten op zaterdag het oude papier naar de container wegbrengen.
4. Hij wil vandaag de film in de bioscoop opnemen.
5. Jullie kunnen in het weekend mij in de kroeg opzoeken. -
1. Wij moeten morgenavond in Eindhoven met de hele familie samenkomen.
2. Je mag dieren uit de dierentuin nooit in de natuur vrijlaten.
3. Ik kan deze oude documenten morgen op kantoor weggooien.
4. Het kind wilt altijd op straat de hand van zijn moeder vasthouden.
5. Hij wilt volgende week tijdens de vergadering een ander idee voorstellen. -
1. Ik zal je morgen een goed boek op kantoor aanraden.
2. Hij gaat vandaag medicijnen bij de apotheek aanschaffen.
3. Ik moet ‘s avonds het licht op mijn balkon aanzetten.
4. Ik moet nu deze film op mijn telefoon afkijken.
5. Zij gaat vanavond haar huiswerk thuis afmaken. -
1. Wij willen vanavond de verwarming thuis aanzetten.
2. Zij moet zich volgende maand voor de wiskundecursus inschrijven.
3. Ik ga jou op vrijdag op het station ophalen.
4. Jullie moeten voor het avondeten in het restaurant aankomen.
5. Ik zal in het weekend oude kleding thuis weggooien. -
Ik moet vanavond dit boek thuis lezen.
Jij kunt dit formulier met een blauwe pen invullen.
We gaan dit weekend met onze vrienden in het bos afspreken.
Hij zal vanmiddag een afspraak in zijn agenda opschrijven.
We gaan morgenochtend heel vroeg met de hele familie opstaan. -
1. Hij gaat vandaag zijn werk op kantoor niet afmaken.
2. Jullie moeten volgende week het geld naar mijn rekening overmaken.
3. Het meijsie was gisteren dijdens wedstrijd erg teleurgestelt.
4. Je moet tijdens de lunch je brood op school niet in één keer opeten.
5. Iemand komt morgen het internet hier aansluiten. -
1-Ik wil vandaag mijn verienden ons huis uitnodigen.
2-Wij musten gisteren een evenement op school meedoen
3-Je kunt vanavond het pakketje bij de supermarket ophalen
4-Zij moste twee dagen verleden dit boek naar de bibliothek teruggeven
5-Ik kan morgen benodigte informatie over onderzoek op internet opzoeken -
1. Ik moet vandaag de vergadering op kantoor bijwonen.
2. Ik moet vanavond de pasta in de keuken maken.
3. We moeten morgen mijn verjaardag in Eindhoven vieren.
4. Jullie moeten volgende week de marathon in Veldhoven lopen.
5. Je moet vanmiddag de boodschappen bij de jumbo doen.
- Load More Posts

1. Ik wil op 1 augustus het NT2-examen bij de IND doen.
2. Zij kan morgen de les bij Dynamo volgen.
3. Jij moet volgende week de vergadering op kantoor plannen.
4. Hij zal vanavond de pizza thuis maken.
5. Wij mogen volgend jaar de PR bij de IND aanvragen.