Dutch Course Eindhoven A1 Homework Answers Group

  • Public Group
  • 8 hours, 18 minutes ago
  • 105

    Posts

  • 183

    Members

  • Boek. Pagina 39πŸ‘
    Opdrachten 1, 2, 3.
    Post your answers below. Please do not post recipes!
    Plaats jouw antwoorden hieronder:

    127 Comments
    • Opdracht 1
      1. Ik heb het boek
      2. Zij heeft geld
      3. Ik eet brood
      4. Jullie hebben water
      5. Lana schrijft een brief
      6. Otis leest een krant
      7. De kinderen spelen met de bal.
      8. Evie luister muziek
      9. Ik koop het gebouw
      10. Jona zit op de sofa.

      Opdracht 2
      1. Anna rijdt een paard
      2. Hij melkt een koe
      3. Ik heb een muis
      4. Julia houdt van varken.
      5.…Read More

    • Opdracht 1
      β€”β€”β€”β€”β€”-
      1. Ik kook een gerecht.
      2. Jij schrift een verhaal.
      3. Hij koopt een auto.
      4. Wij kijken een film.
      5. Zij leest een boek.
      6. U verkoopt een huis.
      7. Jullie bijwonen een functie.
      8. Ik draag een trui.
      9. Jij drinkt een sap.
      10. Zij studeert een les.

      Opdracht 2
      —————–
      1. Ik zie een olifant.
      2. Hij koopt een koe.
      3. Zij wandelen…Read More

    • Opdracht 1
      1. Hij vindt een flat
      2. Zij heeft schoenen
      3. Ik krijg de koffie
      4. Ik kijk netflix
      5. U kijkt een auto
      6. Wij lezen de krant
      7. Jullie maken een tas
      8. Je eet een broodje
      9. Hij opent de deur
      10. Jullie kopen het huis

      Opdracht 2
      1. Zij hebben katten
      2. Hij kijkt de hond
      3. Ik eet een kip
      4. Jullie helpen de vogel
      5. Wij voeren de k…Read More

    • Opdracht 1(ding)
      1. Hij kookt Maleis eten.
      2. Ik kijk een actiefilm.
      3. Zij drinkt het water.
      4. Wij kopen een auto.
      5. Jij eet een broodje.
      6. Ik rijd een achtbaan.
      7. Hij verkoopt de fiets.
      8. Wij krijgen de tafel.
      9. Ik schrijf een brief.
      10. Jij maakt het schilderij.

      Opdracht 2(dier)
      1. Ik adopteer een kat.
      2. Jij rijdt een paard.
      3. Hij wast…Read More

    • Ding
      1. Zij schoonmaakt de woonkamer
      2. Zij eten ontbijt
      3. Ik bekijk de maan
      4. Hij fietst naar huis
      5. We bouwen een huis
      6. Ik bereken het bedrag
      7. Ze fietst naar het stadscentrum
      8. Ik zoek de autosleutels
      9. Jullie luisteren naar muziek
      10. We bereiden koffie

      Dier
      1. Zij zorgt voor paarden
      2. Ik hou van mierenegels
      3. Zij heeft ganzen
      4. Ik…Read More

    • Opdracht 1
      1. Ik schoonmaak de keuken
      2. Zij verkopen het huis
      3. Hij leest een boek
      4. Wij kijken een film
      5. Zij schildert de muur
      6. Jullie drinken koffie
      7. Ik zoek de sleutels
      8. Jij bezoekt de buurvrouw
      9. Wij eten ontbijt
      10. Ik schrijf teksten

      Opdracht 2
      1. Jullie kopen een slang
      2. ik knuffel de kat
      3. Hij ziet een muis
      4. Zij rijden op…Read More

    • Ding:
      1. Ik open ramen.
      2. Je neemt de bus.
      3. Hij leest een boek.
      4. Zij koopt brood.
      5. Wij koken een maaltijd.
      6. Jullie spreken Nederlands.
      7. Zij houden van films.
      8. U drinkt koffie.
      9. Je slaapt op het bed.
      10. Ik schrijf een boek.

      Dier:
      1. Ik zie een kat.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Hij eet een vis.
      4. Zij houdt van konijnen.
      5. Wij voeden…Read More

    • 1. Hij bouwt een huis.
      2. Ik lees een boek.
      3. Jij koopt een auto.
      4. Zij maakt een tekening.
      5. Wij vinden een sleutel.
      6. Jullie eten een appel.
      7. Hij schrijft een brief.
      8. Ik drink koffie.
      9. Zij speelt een spel.
      10. Wij zoeken een tafel.

      1. Zij voert een paard.
      2. Hij ziet een hond.
      3. Wij vinden een kat.
      4. Jij hebt een vis.
      5. Ik koop een…Read More

    • Ding
      1. Ik heb een bord
      2. Jij rijdt een trein
      3. Jullie kopen melk
      4. Zij heeft een auto
      5. Wij eten een kroket
      6. Hij tekent een kast
      7. Zij zwemmen in een meer
      8. Jullie koken aardappels
      9. Ik zie een huis
      10. Jij speelt met een pop
      DIER
      1. Wij horen vogels
      2. Ik zie een spin
      3. Jij rent weg van de spin
      4. Hij hoort een paard
      5. Zij speelt met…Read More

    • Ding
      1. Ik bouw de model
      2. Je pakt de bus
      3. U schrijft een petitie
      4. Hij doet het huiswerk
      5. Zij draagt een jurk
      6. Vogels eten het vogelzaad
      7. Wij maken een film
      8. De kinderen drinken melk
      9. Jullie geven het water
      10. Zij openen de lichten

      Dier
      1. Ik rijd een paard
      2. Jij voert de vogels
      3. U kijkt naar de vis
      4. Hij koopt een hond
      5. Zij…Read More

    • DING.
      1. Ik inneem een kabel.
      2. Jij ingrijpt een vergadering.
      3. U duwt een knop.
      4. Hij proeft een taart.
      5. Zij beschadigt een muur.
      6. Wij selecteren een verf.
      7. Zij schoonmaken een puinhoop.
      8. Jullie vermenigvuldigen getallen.
      9. Ik meet een lengte.
      10. U graaft een gat.

      DIER.
      1. Ik neem een hond.
      2. Jij houdt een kat.
      3. U ruikt een…Read More

    • DING
      1. Ik merk een kasteel
      2. Jij breekt een fiets
      3. U beschrijft de regel
      4. Zij drinkt de wijn
      5. Hij luistert een verhaal
      6. Wij willen de pasta
      7. Zij aanbieden een cadeau
      8. Jullie lezen een boek
      9. Ik vraag een vraag
      10. Wij trekken een deur
      DIER
      1. Ik heb een kat
      2. Zij krijgt een hond
      3. Wij kennen de schildpad
      4. Jullie helpen de vos
      5.…Read More

    • Opdracht 1:
      1. Ik eet een sinaasappel.
      2. Jij hebt een fiets.
      3. Hij heeft een auto.
      4. Ik koop een ananas.
      5. Zij verkoopt een huis.
      6. Wij kijken een film.
      7. Jullie bewegen een doos.
      8. Ik zoek een telefoon.
      9. Jij ontwikkelt een software.
      10. Ik trek een koffer.

      Opdracht 2:
      1. Ik heb een papegaai.
      2. Jij hebt een kat.
      3. Hij ziet een eend.
      4.…Read More

    • I – DING

      1. Ik zie een winkel.
      2. Jij maakt de foto.
      3. Hij koopt een appel.
      4. U kookt een gerecht.
      5. Wij zien een vliegtuig.
      6. Jullie willen de pizza.
      7. Zij lezen een boek.
      8. Ik bouw een huis.
      9. Je bakt een taart.
      10. Hij kiest het boek.

      II- DIER

      1. Ik zie een schildpad.
      2. Jij vindt het paard.
      3. Hij koopt een kat.
      4. U zoekt een d…Read More

    • DING
      1. Ik eet een banaan.
      2. Hij rijdt de auto’s.
      3. Otto leest een boek.
      4. Zij draagt een tas.
      5. Ik kook het de rijst.
      6. Jullie spelen volleybal.
      7. Wij kopen een huis.
      8. Hij rekent de facturen.
      9. Mijn moeder drinkt de wijn.
      10. Jij zingt een liedje.
      DIER
      1. Ik zie een olifant.
      2. Wij hebben een hond en twee katten.
      3. Jullie zwemmen met d…Read More

    • Opdracht 1:
      1. Ik koop een tafel.
      2. Jij leest een boek.
      3. Zij wast een bord.
      4. Wij openen een deur.
      5. Jullie sluiten een maar.
      6. Zij nemen een stoel.
      7. Ik wil een tas.
      8. Hij heeft een pen.
      9. Jij vindt een telefoon.
      10. Wij zien een krant.
      Opdracht 2:
      1. Ik teken een kat.
      2. Jij voert een vogel.
      3. Zij ziet een paard.
      4. Wij bezoeken een…Read More

    • 1. Ik werk thuis.
      2. Jij rijdt een fiets.
      3. Zij heeft een auto.
      4. Hij kijkt een film.
      5. Wij rennen de Eindhoven marathon.
      6. Jullie begrijpen de lessen.
      7. Zij genieten het spel.
      8. U makt huiswerk.
      9. Ik zoek huis.
      10. Zij kopt groente.

      1. Het is een hond.
      2. Zijn hebben twee konijn.
      3. Hij rent met zijn hond.
      4. Ik heb een huisdier.
      5. Zij…Read More

    • Opdracht 1
      1. Wij kopen de groente.
      2. Hij rekent de biljetten.
      3. Zij haalt de emmer.
      4. Ik rijd een auto.
      5. Jullie dienen het land.
      6. Ik poets de schoenen.
      7. Zij sluiten de deur.
      8. Hij tekent een beeld.
      9. Wij brouwen een tafel.
      10. Ik snijd het papier.

      OPDRACHT 2
      1. Hij rijdt het paard.
      2. Ik roep de hond.
      3. Zij voert de kat.
      4. Wij…Read More

    • Opdracht 1:
      1. Ik kook pasta.
      2. Hij leest een boek.
      3. Ik heb een fiets.
      4. Ze doet boodschappen.
      5. Jullie rijden een auto.
      6. Ze ruiken bloemen.
      7. Ik eet soep.
      8. Hij kijkt tv.
      9. We hebben een huis.
      10. Ik maak een tekening.

      Opdracht 2:
      1. Ik heb een vogel.
      2. Hij voedt een hond.
      3. Ik rijd een paard.
      4.Hij heeft een muis.
      5. Jullie hebben…Read More

    • Opdracht 1
      1. Ik koop een trein.
      2. Jij gebruikt een computer.
      3. Jullie maken een machine.
      4. Jij hebt een pistool.
      5. Hij stelt het onderdeel.
      6. Zij krijgen de liniaal.
      7. Hij gebruikt een rekenmachine.
      8. Zij bedekken de auto.
      9. Ik breng de opdracht.
      10. U draagt een trui.

      Opdracht 2
      1. Zij rijdt een paard.
      2. Ik was de hond.
      3. Ze ziet de…Read More

    • Opdracht 1:
      1. Hij vraagt een vraag.
      2. Zij leest een boek.
      3. U probeert een stroopwafel.
      4. Wij zeggen een woord.
      5. Jullie dansen een dans.
      6. Ik schrijf een lidwoord.
      7. Zij neemt een euro.
      8. U rent een marathon.
      9. Hij eet een pindakaasbrood.
      10. Wij horen een lied.
      Opdracht 2:
      1. Hij vertrouwt een paard.
      2. Ik verkoop een kip.
      3. Jullie…Read More

    • Opdracht 1: DING
      1. Ik heb een pen.
      2. Wij gaan naar de supermarkt.
      3. Hij rijdt een auto.
      4. Zij schrijft een boek.
      5. Hij leest boeken.
      6. Jullie gaan naar het treinstation.
      7. Hij heeft een laptop.
      8. Ik loop naar het kantoor.
      9. Wij fietsen naar een school.
      10. U gaat naar de sportschool.

      Opdracht 2: DIER
      1. Jullie rijden op een…Read More

    • – OPDRACHT 1 –

      1. Ik speel de bal.
      2. Je eet de aardbeien.
      3. Hij koopt het boek.
      4. Zij verandert de jassen.
      5. We verkopen het bed.
      6. Jullie drinken de koffie.
      7. Ze volgt de regels.
      8. U schrijft de brief.
      9. Ik kijk de televisie.
      10. We betalen de rekening.

      – OPDRACHT 2 –

      1. Ik zoek de hond.
      2. Je hebt een varken.
      3. Jullie willen een kat…Read More

    • DING
      1. Ik lees een boek
      2. Zij schrijft een brief
      3. Wij eten een appel
      4. Hij drinkt water
      5. Jullie kopen een huis
      6. Ik zie een vogel
      7. Zij maken een foto
      8. Hij opent de deur
      9. Ik hoor muziek
      10. Hij vindt een sleutel
      DIER
      1. Ik zie een hond
      2. Zij aait een kat
      3. Hij voert een paard
      4. Wij bekijken een vogel
      5. Jij hoort een koe
      6. Zij…Read More

    • Opdracht 1
      1. Ik lees een krant.
      2. Jij hebt een tas.
      3. Je drinkt de wijn.
      4. U gebruikt de laptop.
      5. Hij draagt een pak.
      6. Zij koopt het kaartje.
      7. Wij luisteren naar muziek.
      8. Jullie willen de prijs.
      9. Zij krijgen een papier.
      10. Ik vind het bord.

      Opdracht 2
      1. Ik eet vis.
      2. Jij hebt een koe.
      3. Je speelt met de kat.
      4. U rijdt een…Read More

    • Opdracht 1: DING
      1. Hij koopt een fiets.
      2. Wij lezen de boeken.
      3. Ik lees een gedicht.
      4. Jij betaalt het geld.
      5. Zij pakken een kaasbroodje.
      6. Hij kiest de auto.
      7. Ik vind de winkel.
      8. Wij gebruiken de laptop.
      9. Zij kijkt naar een film.
      10. Jullie eten het brood.

      Opdracht 2: DIER
      1. Hij hebt een kat.
      2. Wij vinden de hond.
      3. Jullie…Read More

    • Opdracht 1:

      Ding
      1. Ik eet de boterham.
      2. Jullie leeren Nederlands.
      3. Hij drinkt het water.
      4. Zij rijdt de fiets.
      5. Hij leest een krant.
      6. Zij rijdt een auto.
      7. Jij schrijft een boek.
      8. Ze speelt voetbal.
      9. Je kookt een ei.
      10. Je speelt basketbal

      Opdracht 2:

      Dier
      1. Ik heb een hond.
      2. Hij hebt een paard.
      3. Zij speelt met de…Read More

    • Opdracht 1:

      1. Ik heb een pen.
      2. Jij hebt een piano.
      3. U hebt kaartjes.
      4. Hij heeft een plant.
      5. Jullie hebben de koeien.
      6. Wij hebben de kopjes.
      7. Zij heeft een computer.
      8. Ik heb een voetbal.
      9. Jij hebt een les.
      10. Jullie hebben de stoelen

      Opdracht 2:
      1. Ik heb een hond.
      2. Ik speel met een kat.
      3.…Read More

    • Opdracht 1:
      1. Ik koop het boek.
      2. Je ziet de tuin.
      3. Hij wast het bord.
      4. Hij bezoekt een les.
      5. Zij bakt een taart.
      6. Jullie nemen de tas.
      7. Wij gebruiken de laptop.
      8. Ik heb het schrift.
      9. Je leest de krant.
      10. U draagt het horloge.

      Opdracht 2:
      1. U helpt het schaap.
      2. Je ziet de hond.
      3. Ik zoek de vogel.
      4. Wij horen het paard.
      5.…Read More

    • Opdracht 1 – DING:
      Jullie planten een plant.
      Zij draagt een stoel.
      Ik kook een taart.
      Wij kopen een pen.
      Jij opent een deur.
      Zij verkopen een auto.
      Hij naait een rok.
      Jij leest een boek.
      U sluit een raam.
      Ik gebruik een telefoon.

      Opdracht 2 – DIEREN:
      U knuffelt een aap.
      Jullie helpen een konijn.
      Ik zie een hond.
      Hij voert een vis.
      Zij aait een…Read More

    • Opdracht-1: Dingwoord
      1) Hij bijt een appel.
      2) Ze geniet de zon.
      3) Ik heb een huis.
      4) Hij draagt een sjaal.
      5) Ik laad de truck.
      6) He vergeet het adres.
      7) Zij huurt het huis.
      8) Wij branden het hout.
      9) Hij gooit de bal.
      10) Ik hang de foto.

      Opdracht-2 Dierwoord
      1) Ik heb een hond.
      2) Ze rijdt een paard.
      3) Hij haat de slang.
      4) Ze neemt de…Read More

    • DING
      1. Ik drink de melk.
      2. Wij lezen een rapport.
      3. Hij opent het boek.
      4. Zij lopent het straat
      5. Ik vindt een pen.
      6. Hij gebruikt het toilet.
      7. Wij snijden het papier.
      8. Zij gaan feesten
      9. Hij brandt de steenkool.
      10. Marcia dienst een bier

      DIER
      1. Ik heb een kat.
      2. Wij zien de olifant.
      3. Zij hoort de hond.
      4. Ik aai de neushoorn.
      5.…Read More

    • Opdracht 1
      1. Ik lees het boek.
      2. Jij drinkt melk.
      3. Zij eet een appel.
      4. Hij kijkt een film.
      5. Zij begrijpt de uitleg.
      6. Wij lezen de krant.
      7. Ik zoek een werk.
      8. Zij gaan naar de sportschool.
      9. Ik kom van de cursus.
      10.Ik leer Nederlandse.
      Opdracht 2
      1. Ik zie een konijn.
      2. Zij lopen met een hond.
      3. Je hoort de vogel.
      4. Wij voeren de…Read More

    • Opdracht 1-
      1. Hij verkoopt een huis.
      2. Ik kook een gerecht.
      3. Ze eet het gerecht.
      4. Ik snijd de bloemen.
      5. Hij krijgt de bloemen.
      6. Hij brengt de bloempot.
      7. Hij maakt de koffie.
      8. Wij drinken de koffie.
      9. Ik ken de winkelier.
      10. Ik zie de auto.

      Opdracht 2-
      1. Hij ziet de olifant.
      2. Wij aaien een hond.
      3. Ik rijd een paard.
      4. Hij…Read More

    • Opdrachten 1
      Ding –
      1. Ik heb een pen.
      2. Hij sluit de door.
      3. Jullie kijken de televisie.
      4. Wij tekenen een fles.
      5. Jullie zoeken de fiets.
      6. Ik luister de radio.
      7. Wij openen het sap.
      8. Ik reken de bloemen.
      9. Wij poetsen de tafel.
      10. Jullie snijden de tuin.

      Dier-
      1. Ik heb een kat.
      2. Jullie hebben een hond.
      3. Wij zien de slang
      4. H…Read More

    • OP1

      1. Ik kijk een film.
      2. Wij kopen twee bieren.
      3. Zij tekent een huis.
      4. Peter eet brood.
      5. De buurman vindt een sleutel.
      6. Jullie drinken water.
      7. De werknemer leest een brief.
      8. Ronaldo schopt een bal.
      9. De kinderen bouwen een toren.
      10. Zij kopen een auto.

      OP 2

      1. Ik heb een dinosaurus.
      2. Hij voert de kat.
      3. Wij zien de…Read More

    • Opdracht 1:
      1. Ik werk voor een bedrijf.
      2. Je koopt de auto.
      3. Hij schoonmaakt het huis.
      4. Zij speelt voetbal.
      5. Jullie schrijven de woorden.
      6. Wij lezen de boeken.
      7. Zij hebben geld.
      8. Ik rijd een auto.
      9. Jij leert Nederlands.
      10. U drinkt het water.
      Opdracht 2:
      1. Ik heb een hond.
      2. Je voedt de kat.
      3. Hij ziet een konijn.
      4. Zij houden…Read More

    • 1) DING
      1. Ik heb een fiets.
      2. Jij drinkt water.
      3. Ik heb een motorfiets.
      4. Zij slaapt in een bed.
      5. Hij speelt voetbal.
      6. Jullie hebben geld.
      7. Zij speelt piano.
      8. Hij eet een appel.
      9. Ik heb de pen.
      10. Zij zit op de stoel.

      2) DIER
      1. Ik zie de hond.
      2. Hij leert de kat.
      3. Zij knuffelen een aap.
      4. Ik speel met een vogel.
      5. Jullie…Read More

    • Opdracht 1:
      1. Ik heb een auto.
      2. Jij schrijft op het papier.
      3. Jullie hebben chocolade.
      4. Ik heb huiswerk.
      5. Jij hebt de sleutels.
      6. Zij hebben een mening.
      7. Zij proeft de tomaat.
      8. Wij drinken koffie.
      9. Hij slaapt veel op dit bed.
      10. Zij rusten uit in het ziekenhuis.

      Opdracht 2:
      1. Ik heb een kat.
      2. Jullie hebben de vogels.
      3. Hij…Read More

    • Opdrachten 1

      1. Zij heeft een schilderij.
      2. Wij lezen de krant.
      3. Zij spelen een spel.
      4. Hij drinkt het water.
      5. Ik koop een huis.
      6. Wij verkopen een fiets.
      7. Hij opent een boek.
      8. Zij openen de deur.
      9. Hij draagt een hoed.
      10. Wij planten een boom.

      Opdrachten 2

      1. Hij vangt een vis.
      2. Zij ziet de pauw.
      3. Wij vinden de konijnen.
      4.…Read More

    • Ding
      1. Ik schrijf een brief.
      2. Jij luistert naar muziek.
      3. Hij kijkt tv.
      4. Zij koopt koffie.
      5. U neemt een kaartje.
      6. Wij krijgen een cadeautje.
      7. Jullie hebben een tuin.
      8. Zij komen thuis.
      9. Philippe en Maurice maken huiswerk.
      10. Het kind wil het boek.

      Dier
      1. Ik heb een hond.
      2. Jij aait het katje.
      3. Hij eet kip.
      4. Zij kookt vis.
      5.…Read More

    • Opdracht 1
      1. Hij pakt een pen.
      2. Zij hoort een geluid.
      3. Ik ken een gedicht.
      4. Antonia leest een boek.
      5. Filip krijgt advies.
      6. Wij leren Nederlands.
      7. Jij kookt avondeten.
      8. Wij bekijken een film.
      9. Ik speel voetbal.
      10. Ik eet een salade.
      Opdracht 2
      1. Ik zie een dier.
      2. Wij helpen een vogel.
      3. Zij hebben een hond.
      4. Wij eten een…Read More

    • Opdracht 1:
      1. Ik neem de schoenen.
      2. Hij knipt het papier.
      3. Jullie luisteren naar muziek.
      4. Zij vindt de sleutel.
      5. Ik open de winkel.
      6. Wij kijken televisie.
      7. Hij drinkt appelsap.
      8. Je weet de antwoorden.
      9. Hij maakt de puzzel.
      10. Zij proeven de peper.

      Opdracht 2:
      1. Hij ziet een eend.
      2. Wij hebben het schaap.
      3. Zij eet de kip.
      4.…Read More

    • Opdracht 1 – ding:
      1. Zij kijken een film.
      2. Jij hebt een afspraak.
      3. Wij beklimmen de berg.
      4. Kinderen komen thuis.
      5. Peter verkoopt een product.
      6. Anna en Maria hebben vakantie.
      7. Ik werk fulltime.
      8. Marjolijn helpt klanten.
      9. Hij bedient machines.
      10. Zij vraagt hulp.

      Opdracht 2 – dier:
      1. Ik heb een hond.
      2. Ik hoor een kat.
      3. Wij…Read More

    • DING:
      1. Ik koop een boek
      2. Jij opent de deur
      3. Hij draagt een tas
      4. Zij schrijft met een potlood
      5. Wij gebruiken de computer
      6. Jullie wassen de borden
      7. Zij tekenen een huis
      8. U zet de stoel bij de tafel
      9. Ik hoor de bel
      10. Jij pakt het glas

      Β DIER:
      1. Ik zie een eend
      2. Jij borstelt het paard
      3. Hij zoekt de hond
      4. Zij voert de…Read More

    • Opdracht 1:

      1. Ik koop een boek.
      2. Jij opent het raam.
      3. Zij gebruikt een computer.
      4. Wij schilderen een muur.
      5. Hij wast de auto.
      6. U sluit de deur.
      7. Jullie lezen een krant.
      8. Ze draagt een jas.
      9. Ik maak een tekening.
      10. Hij zoekt een sleutel.

      Opdracht 2:

      1. Ik zie een hond.
      2. Jij aait een kat.
      3. Hij voert de kip.
      4. U zoekt een…Read More

    • Opdracht 1:

      1- Ik lees een boek.

      2- Jij maakt een taart.

      3- Hij schrijft een brief.

      4- Zij koopt een jas.

      5- Wij eten een appel.

      6- Jullie zien een film.

      7- Ik drink een kop koffie.

      8- Jij speelt een spel.

      9- Hij tekent een hond.

      10- Zij poetst een auto.

      Opdracht 2:

      1- Ik aai een kat.

      2- Jij voert een hond.

      3- Hij ziet een vogel.

      4-…Read More

    • Opdracht 1: Ding
      1. Ik bak een cake.
      2. Hij rijdt de auto.
      3. Zij repareert een fiets.
      4. Jij begrijpt de les.
      5. Ik snijd een appel.
      6. Jullie zoeken de sleutel.
      7. Wij kopen een koelkast.
      8. Hij kookt het avondeten.
      9. Ik pot een plant.
      10. Wij schrijven een brief.

      Opdracht 2: Dier
      1. Je hoort de vogel.
      2. Hij rijdt het paard.
      3. Wij zoeken een…Read More

    • Opdracht 1:
      1. Ik rijd een auto.
      2. Jij luistert een muziek
      3.Hij heeft een huis.
      4.Zij fietst een fiets
      5.Wij kijken een film.
      6.Jullie zoeken het boek.
      7.Zij vinden een tafel.
      8. Ik krig een huiswerk.
      9. Ik wer bij prosan.
      10.Jij open de deur.

      Opradcht 2:
      1. Ik vind een hond.
      2. Hij zoekt de kat.
      3. Jij kijkt de vogel.
      4.Zij helpt het paard.
      5.…Read More

    • DING:
      1. Ik heb een stripboek
      2. Jij loopt in het park
      3. Hij kijkt naar de televisie
      4. Zij bakt een taart
      5. Wij koken het middageten
      6. Zij hebben een pen
      7. Jullie drinken thee
      8. Hij rijdt een auto
      9. U maakt een jas
      10. Jij leest de krant
      DIER:
      1. Ik heb een paard
      2. Zij eet vis
      3. Hij ziet twee olifanten
      4. Wij voeren de koeien
      5. Zij…Read More

    • 1. Ik koop een huis
      2. Ik rijd in een auto
      3. Hij verkoopt de appel
      4. Hij maakt het eten
      5. Hij geeft het sap
      6. Hij rookt de sigaar
      7. We nemen een pen
      8. Ze spelen het spel
      9. Jij kijkt de film
      10. Ik verander het nummer
      ****************************
      1. Ik laat een hond uit
      2. Ik voer de kat
      3. Hij heeft de schildpad
      4. Hij ziet de vogel
      5. Hij…Read More

    • DING

      1. Ik lees een tijdschrift.
      2. Je koopt een schilderij.
      3. Hij eet een pannenkoek.
      4. Ze schrijft een gedicht.
      5. We kijken de voorstelling.
      6. Jullie maken een tekening.
      7. U neemt de trap.
      8. Peter draagt een rugzak.
      9. Marie zoekt het document.
      10. Ze gebruiken een woordenboek.

      DIER

      1. Ik zie een eekhoorn.
      2. Je voedt een konijn.
      3. Hij…Read More

    • Opdracht 1: Ding

      1. Ik lees een boek.
      2. Jij wast de borden.
      3. Hij opent de deur.
      4. Zij draagt een jas.
      5. Wij tekenen een kaart.
      6. Jullie gebruiken de computer.
      7. U koopt een tafel.
      8. Ik vind de sleutel.
      9. Hij pakt een stoel.
      10. Wij sluiten het raam.

      Opdracht 2: Dier

      1. Ik zie de hond.
      2. Jij hoort de kat.
      3. Hij heeft een vis.
      4. Wij…Read More

    • Opdracht 1

      1. Ik koop een auto.
      2. Jij leest een boek.
      3. Zij schrijft een brief.
      4. Wij maken een foto.
      5. Hij drinkt een kop koffie.
      6. Peter heeft een fiets.
      7. Jullie openen een deur.
      8. U draagt een jas.
      9. De kinderen tekenen een hond.
      10. Meron eet een appel.

      Opdracht 2

      1. Ik zie een kat.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Hij wast een hond.
      4.…Read More

    • Opdracht 1:
      1. Ik heb een auto.
      2. Jij koopt de krant.
      3. Hij houdt de baby.
      4. Zij sluit de deur.
      5. Wij vinden een kat.
      6. Zij tekenen een huis.
      7. Ik brand een kaars.
      8. Je poetst de schoenen.
      9. Martijn rijdt op de fiets.
      10. Ik kijk naar de maan.
      Opdracht 2:
      1. Ik borstel het paard.
      2. Jij wast de kat.
      3. Zij voert een varken.
      4. Hij wrijft…Read More

    • DING.
      1) Ik lees een boek.
      2) Jij koopt de tafel.
      3) Hij opent een doos.
      4) Ze gebruikt de computer.
      5)Wij maken een foto.
      6)Jullie tekenen de stoel.
      7)U pakt een tas.
      8)Tom vindt de sleutel.
      9)Marie draagt een jas.
      10)Anna sluit de deur.
      DIER
      1) Ik zie een hond.
      2)Jij aait de kat.
      3)Hij voert een konijn.
      4)Ze zoekt de vogel.
      5)Wij helpen een…Read More

    • Opdracht 1

      1. Ik vergeet een bal.
      2. Jij hebt de sleutel.
      3. Hij drinkt koffie.
      4. Zij zoekt een boek.
      5. U vindt het menu.
      6. U eist het plan.
      7. Jullie sluiten de deur.
      8. Wij kijken tv.
      9. Ze snijden het brood.
      10. Ik poets de schoenen.

      Opdracht 2

      1. Ik wil een hond.
      2. Jij helpt koeien.
      3. U hebt het schaap.
      4. U krijgt een konijn.
      5. Zij…Read More

    • DING
      1. Hij bakte de taart
      2. Wij kochten een fiets
      3. Ze repareren de TV
      4. Ik verpot een plant
      5.Hij neemt de tas
      6. Wij zien de bus
      7. Jullie drinken het water
      8. Hij draagt een jas
      9. Hij vindt een plek
      10.Ik leest een boek
      DIER
      1.Hij voert de kip
      2, Wij zoeken een papegaai
      3. Ik zie een koe
      4. Hij rijdt op het paard
      5, Het meisje schildert de…Read More

    • Opdracht 1:
      1- Ik lees een boek.
      2- Hij kijkt de film.
      3- Zij zijn in het huis.
      4- Jij hebt een auto.
      5- Ze koopt de deur.
      6- U verkoopt een garage.
      7- Ik loop in het park.
      8- Het is op de tafel.
      9- Ik kom naar het kantoor.
      10- Ze geeft het potlood.

      Opdracht 2:
      1- Ik heb vissen.
      2- Ze rijdt het paard.
      3- Zij lopen met een hond.
      4- Het is een…Read More

    • Opdracht 1
      1. Ik kijk voetbal.
      2. Hij gaat naar school.
      3. Jij drinkt sap.
      4. Wij eten een boterham.
      5. Zij sluiten het raam.
      6. U hebt een huis.
      7. Zij krijgt een email.
      8. Jullie nemen de bus.
      9. Ze zoeken de sleutel.
      10. Jij woont in Nederland.

      Opdracht 2
      1. Hij hebt een kat.
      2. Ik koop een koe.
      3. U rijdt het paard.
      4. Wij voeren een hond.
      5.…Read More

    • Pagina 39
      Opdracht 1
      1. Ik lees het boek
      2. Jij gaat naar de bioscoop
      3. Zij eet brood
      4. Hij betaalt de bon
      5. Wij bewegen tafel
      6. Jullie gaan naar werk
      7. Zij hebben lessen
      8. Wij ontdekken een eiland
      9. Zij luisteren naar muziek
      10. Zij leert Nederlands

      Opdracht 2
      1. Zij houdt van honden
      2. Hij heeft paarden
      3. Zij spelen met katten
      4. Ik zie…Read More

    • Opdracht 1
      1. Ik drink water
      2. Ik lees een boek
      3. Hij kookt een gerecht
      4. Zij begrijpt de vraag
      5. U rijdt een auto
      6. We zoeken een huis
      7. Zij verkopen fietsen
      8. Hij draagt een pak
      9. Jullie bakken een cake
      10. Jij bestelt boodschappen

      Opdracht 2
      1. Ik zie een olifant
      2. Hij hoort een vogel
      3. Zij tekent een konijn
      4. U rijdt een paard
      5.…Read More

    • Pagina 39
      Opdracht 1
      1. Hij bouwt een schip.
      2. Ik heb een afspraak.
      3. Ik spreek Fraans.
      4. Ik kijk een film.
      5. Ze maakt een foto.
      6. Hij draagt ​​een maatpak.
      7. Ze bakt koekjes.
      8. Je presenteert een project.
      9. Jij hebt de telefoon.
      10. Jullie drinken thee.

      Opdracht 2
      1. Ik train een hond.
      2. Ik voer een koe.
      3. Je wast de kat.
      4. Ze bor…Read More

    • Pagina39

      Opdracht 1

      1. Ik voorzie de oplossing.
      2. Jij verkoopt de piano.
      3. Hij ontdekt de stad.
      4. Zij verlaat de bioscoop.
      5. U antwoordt de vraag.
      6. U kiest het boek.
      7. Jullie luisteren de muziek.
      8. Wij drinken de koffie.
      9. Zij aanvaarden de uitnodiging.
      10. Ik krijg de foto.

      Opdracht 2

      1. Ik hoor vogels.
      2. Jij kijkt schapen.
      3. Hij…Read More

    • Opdracht 1
      1. Ik bouw een huis.
      2. Jij neemt een klas.
      3. Hij rijdt een fiets.
      4. Zij luistert een liedje.
      5. Hij kookt een gerecht.
      6. Zij schrijft een boek.
      7. Jullie bouwen een huis.
      8. ik drink een koffie.
      9. Hij maakt een kop koffie.
      10. Jullie rijden een auto.

      Opdracht 2
      1.Ik voer een kat.
      2 Jij speelt met een hond.
      3. Hij wast het…Read More

    • Ding
      1 Ik maak een taart.
      2 Je sluit een winkel.
      3 Jij opent een tas.
      4 Ze eist aandacht.
      5 Zij verdient een loon.
      6 Hij bouwt een huis.
      7 Jullie begrijpen het probleem.
      8 We sturen een kaartje.
      9 Wij pakken kleding.
      10 U maakt een fout.
      Dier
      1 Ik voer de kat.
      2 Je maakt een hond schoon.
      3 Jij koopt een schildpad.
      4 Ze verkoopt een konijn.
      5 Zij…Read More

    • Opdracht 1

      1. Wij zien het huis.
      2. Hij begrijpt de lessen.
      3. U droogt de vaat.
      4. Ze zegt een grap.
      5. Zij drinken het water.
      6. Jullie delen het fruit.
      7. Ik bedek het boek.
      8. Zij droogt het haar.
      9. Ik zie je gezicht.
      10. Ik duw de deur.

      Opdracht 2
      1. Wij zien de koe.
      2. Hij zoekt de katten.
      3. Jullie trainen de hond.
      4. U rijdt het…Read More

    • Ding:
      1. Ik drink een koffie.
      2. Jij koopt de krant.
      3. Hij leest het boek.
      4. Zij bakt een taart.
      5. Wij eten de soep.
      6. Jullie maken het huiswerk.
      7. Zij zoeken de sleutel.
      8. U schrijft een e-mail.
      9. De man fietst de route.
      10. Ik pak het pakket.

      Dier:
      1. Ik heb een hond.
      2. Jij ziet de kat.
      3. Ik rijd het schaap.
      4. Zij aait het konijn.
      5.…Read More

    • Opdracht 1:
      1.Ik koop een auto.

      2.Jij maakt een tafel.

      3.Hij leest een boek.

      4.Zij opent een deur.

      5.Wij sluiten een raam.

      6.Jullie tekenen een tekening.

      7.Zij bouwen een muur.

      8.U draagt een jas.

      9.Ik heb een sleutel.

      10.Jij zoekt een baan.

      Opdracht2:
      1.Ik zie een kat.

      2.Hij heeft een hond.

      3.Wij horen een vogel.

      4.Zij ziet een…Read More

    • Ding:
      1. Ik drink het appelsap.
      2. Wij zoeken het huis.
      3. Hij betaalt voor het eten.
      4. Jij kookt de soep.
      5. Zij wandelen in het bos.
      6. U rijdt de auto.
      7. Jullie nemen de sleutel.
      8. Zij eet een vlaai.
      9. Ik luister naar de muziek.
      10. Hij koopt een jas.

      Dier:
      1. Wij zien drie paarden.
      2. Zij helpt een kat.
      3. Ik hoor een haan.
      4. Jullie…Read More

    • Opdracht 1:
      1. Ik neem een koffie.
      2. Jij eet de appeltaart.
      3. Ik verdien een salaris.
      4. We rijden een auto
      5. Hij maakt het huiswerk.
      5. Jullie eten de appels.
      6. Ze koopt een tas.
      7. De oma heeft een tuin.
      8. Het kind heeft een pen.
      9. Hij heeft een woonkamer.
      10. Wij hebben een stoel.
      Opdracht 2:
      1. Ik heb een hond.
      2. Jij hebt een kat.
      3.…Read More

    • Opdracht 1
      1. Hij rijdt een auto.
      2. Wij hebben het geld.
      3. Zij heeft het menu.
      4. Ik ga naar het ziekenhuis.
      5. Jij leest de krant.
      6. Ik schrijf het verhaal.
      7. Ik bouw het huis.
      8. Hij eet een boterham.
      9. Wij gaan naar de groentemarkt.
      10. Hij speelt voetbal.
      Opdracht 2
      1. Ik voer de kippen.
      2. Zij zwemt met de vis.
      3. Jij koopt een paard.
      4.…Read More

    • Opdracht 1 :

      1.Jullie hebben het menu .
      2.Ik heb een pen .
      3.Zij heeft het bord .
      4. Je bent een ingenieur .
      5. We schrijven in het boek.
      6.ik begrip een beetje nederlands .
      7.Zij leren wiskunde.
      8.Hij heeft een tas .
      9.Ik zie een boom
      10.Jullie hebben de krant .

      Opdracht 2 :

      1. De Schildpadden en de neushoorns zijn dieren .
      2. Ik heb een…Read More

    • Opdracht 1:
      1. Ik vind een telefoon.
      2. Hij koopt een huis.
      3. Ze ziet een auto.
      4. Je leest een boek.
      5. We hebben een les.
      6. Jullie drinken het water.
      7. Ik maak het huiswerk.
      8. Ze kooken een soup.
      9. Ik drink een biertje.
      10. Hij bouwt een huis.
      Opdracht 2:
      1. Ik zie een kat.
      2. Hij vindt een vogel.
      3. Je hebt een hond.
      4. Ze spelt met de…Read More

    • ding:

      1. Ik beschrijf de kat.
      2. Je helpt je vriend.
      3. Hij haalt de fiets.
      4. Ze serveert het avondeten.
      5. Wij bepalen de toekomst.
      6. Je vindt de sleutels.
      7. Ze bouwt een brug.
      8. Ik woon in Eindhoven.
      9. Je luistert naar muziek.
      10. Ze hebben kinderen

      dier:

      1. Ik beschrijf de kat.
      2. Je helpt het paard.
      3. Hij geeft de hond te eten.
      4. Ze…Read More

    • Opdracht1
      1. Wij spelen een bordspel.
      2. Ik drink sinaasappelsap.
      3. Hij begrijpt de vraag.
      4. Jij rijdt een auto.
      5. Zij geeft het cadeau.
      6. Jullie maken een plan.
      7. Ik vind de bril.
      8. Hij schreef het nummer.
      9. Jij koopt juwelen.
      10. Zij eisen het geld.
      Opdracht 2
      1. Ik zie de hond
      2. Jij hoort een vogel.
      3. Wij zoeken de kat.
      4. Zij heeft…Read More

    • Opdracht 1
      1. De kinderen spellen de bal.
      2. Wij schrijven een boek.
      3. Ik koop drie pootloden.
      4. Jij eet drie eien.
      5. Hij koopt wasmiddel.
      6. Zij heeft drie stoelen.
      7. Jullie kopen een tafel.
      8. Zij drinkt twee koffies.
      9. Jullie eten rijst.
      10. Wij koken pasta.
      Opdracht 2
      1. Ik zoek drie paarden.
      2. Philippe heeft zeven honden.
      3. Ik zie twee…Read More

    • Ik heb een pen
      Je wandelt in een park
      Hij eet pasta
      Zij lezen een boek
      Wij drinken water
      Jullie zijn kinderen
      Zij breekt de tafel
      Het herhaalt het liedje
      Ik eis de kip
      Wij genieten van het huis

      Ik heb een kat
      Je wandelt de hond
      Hij eet de kip
      Zij verzorgen de muis
      Wij danken de koe
      Jullie zijn oliphanten
      Zij stopt het paard
      Het geneest de uil
      Ik…Read More

    • Opdracht 1 :
      1. Ik bak een taart
      2. Ik lees de krant
      3. Hij speelt de kaart
      4. Hij ziet een trein
      5. Zij gaat naar het station
      6. Zij eet een koekje
      7. Wij snijden een wortel
      8. Wij pakken de schoen
      9. Jullie schrijven een brief
      10. Jullie plukken de bloem
      .
      Opdracht 2 :
      1. Ik aai een leeuw
      2. Ik voer een krokodillen
      3. Hij zag een hert
      4. Hij…Read More

    • Opdracht -1
      1) Hij kookt het avondeten.
      2) Zij kopen een huis.
      3) Ik verkoop de auto.
      4) Jij kijkt naar de tv.
      5) Hij last het ijzer.
      6) Hij breekt de fles.
      7. U verdient de bril.
      8. Ik vind het boek.
      9. Ik zoek de sleutel.
      10. Ik neem de paraplu.
      …

      Opdracht – 2
      1. Zij ziet een varken.
      2. Brandwasser redt de kat.
      3. Ze jagen de vogel.
      4. Hij k…Read More

    • Opdracht 1:
      1- Ik vind het huis.
      2- Hij heeft een pen.
      3- Jij bent een persoon.
      4- U kijkt de televisie.
      5- Wij spelen een wedstrijd.
      6. Jullie lezen een boek.
      7- Ze koken een maaltijd.
      8- De hond eet fruit.
      9- Ik maak een taart.
      10- Wij zoeken de bril.
      Opdracht 2:
      1. Ik ben een persoon.
      2. Hij kijkt naar een paard.
      3. Jij helpt de vogel.
      4. Wij…Read More

    • Opdracht 1:
      1. Zij rijdt een auto.
      2. Ik maak het huiswerk.
      3. Hij koopt de laptop.
      4. U schrijft een brief.
      5. Ik verkoop de fiets.
      6. Jullie lezen het boek.
      7. Zij bezoeken het gezin.
      8. Ik krijg een korting.
      9. Wij spellen een naam.
      10. Ik begrijp jouw probleem.
      Opdracht 2:
      1. Hij voert een vogel.
      2. Wij zoeken de schilpad.
      3. Jij vindt de…Read More

    • Ding
      1. Ik neem de bus.
      2. Hij leest een krant.
      3. Zij bestelt de koffie.
      4. Wij doen boodschappen.
      5. U annuleert een afspraak.
      6. Jij wilt vakantie.
      7. Jullie eten de taarten.
      8. Wij doen de opdracht.
      9. Ik koop een auto.
      10. Je wilt een lepel.

      Dier
      1. Ik voer een kat.
      2. Jij ziet een eend.
      3. Ik zie een mug.
      4. Hij hoort een vogel.
      5. Zij…Read More

    • Opdracht 1:

      1- Ik heb de fiets.
      2- Jij leest het boek.
      3- Hij pakt de tas.
      4- Zij koopt de auto.
      5- Wij maken het huiswerk.
      6- Jullie vinden de sleutel.
      7- Zij nemen de trein.
      8- Ik zie het probleem.
      9- Jij hebt de pen.
      10- Hij gebruikt het ticket.

      Opdracht 2:

      1- Ik zie de hond.
      2- Jij hebt de kat.
      3- Hij voert de vogel.
      4- Zij aait de koe.
      5-…Read More

    • Opdracht 1

      1. Ik heb de tas.
      2. Ze schrijft het boek.
      3. Hij kijkt de musical.
      4. Zij gaan naar de school.
      5. Wij kopen de auto.
      6. Jullie hebben een bedrijf.
      7. Ik kijk een show.
      8. Hij eet een boterham.
      9. Zij vinden een huis.
      10. Hij loopt hard de marathon.

      Opdracht 2

      1. Zij hebben een hond.
      2. Ik hou van giraffen.
      3. Hij luistert naar de…Read More

    • Opdracht 1:
      1. Ik heb een huis
      2. Jij hebt een deur
      3. hij eet een banaan
      4. zij koopt een appel
      5. wij bouwen een huis
      6. jullie hebben een pen
      7. zij krijgen korting
      8. Ik verkoop brood
      9. Jij maakt de douche schoon
      10. Hij poetst zijn tanden

      Opdracht 2:
      1. Ik voer een paard
      2. Jij eet een paard
      3. Zij ziet een olifant
      4. Hij aait een kat
      5.…Read More

    • Opdracht 1: Ding
      1. Ik lees een krant
      2. Hij schrijft de brief.
      3. Zij luistert naar de radio.
      4. U doet de deur open.
      5. Jullie rijden een auto.
      6. Wij verven de muur.
      7. Ik koop een pak melk.
      8. Zij zoekt een zonnebril.
      9. Hij draagt het jasje.
      10. U maakt een reservering.
      Opdracht 2: Dier
      1. Ik voer een hond.
      2. Zij loopt met haar hond.
      3. Hij…Read More

    • Opdracht1
      1. Wij kopen een huis.
      2. Zij drinkt appelsap.
      3. Ik draag een jurk.
      4. Hij rijdt een auto.
      5. Zij geven het cadeau.
      6. Wij maken een plan.
      7. Ik draag de zonnebril.
      8. Jij ziet de hond.
      9. Zij koopt kleren.
      10. Wij hebben het geld.
      Opdracht 2
      1. Wij hebben een kat.
      2. Wij voeren de kat.
      3. Zij hebben een vogel.
      4. Hij voert de vogel.
      5.…Read More

    • Opdracht 1
      1. Ik lees een boek.
      2. Jij eet een appel.
      3. Hij drinkt water.
      4. Zij schrijft een brief.
      5. Wij kijken naar een film.
      6. Jullie leren Nederlands.
      7. Ik heb een hond.
      8. Jij koopt brood.
      9. Hij ziet een vogel.
      10. Zij maken huiswerk.

      Opdracht 2
      1. Ik zie een hond.
      2. Jij hebt een kat.
      3. Hij voedt een vogel.
      4. Zij kijkt naar een…Read More

    • Opdracht 1:
      1. Ik wacht op een wonder.
      2. Jij eet een appel.
      3. Jullie lezen een boek.
      4. Wij zien de film.
      5. Zij maken een taart.
      6. Jij opent het raam.
      7. Zij heeft een kat.
      8. Hij schrijft een brief.
      9. Ik neem de bus.
      10. Jullie schrijven een recept.
      Opdracht 2:
      1. Ik zie een hond.
      2. Jij hebt een kat.
      3. Zij ziet de koe.
      4. Zij eten een…Read More

    • Opdracht 1 (ding):
      1. Je leest het boek.
      2. Jullie kijken de film.
      3. Hij maakt het huiswerk.
      4. Zij kennen het adres.
      5. Ik geloof het verhaal.
      6. Wij houden van het eten.
      7. Ik leer de taal.
      8. U speelt de spellen.
      9. Ze doet het werk.
      10. Jij koopt het huis.

      Opdracht 2 (dier):
      1. Wij knuffelen de konijnen.
      2. Het eet de worm.
      3. Ze ziet een…Read More

    • Jingyian hour ago
      Opdracht 1
      1. Ik heb een boek.
      2. Jij eet een aardbei.
      3. U leest de krant.
      4. Hij houdt het menu.
      5. Zij kijkt naar een film.
      6. Het heeft een bed.
      7. Wij poetsen het huis.
      8. Jullie vinden een fiets.
      9. Zij sluiten de winkel.
      10. Zij luistert naar jazz.

      Opdracht 2
      1. Ik heb een kat.
      2. Hij tekent een hond.
      3. Zij vindt het…Read More

    • Opdracht 1
      1. Ik kop een huis.
      2. Jij hebt een boek.
      3. Hij makt huiswerk.
      4. Wij drinken een bier.
      5. Zij eet de kaas.
      6. Jij luistert naar een video.
      7. Ik sluit de deur.
      8. Hij begrijpt de lessen.
      9. Jij rijdt naar school.
      10. Zij leest een boek.
      Opdracht 2
      1. Ik heb een hond.
      2. Wij willen een kat.
      3. Hij zoekt de vogel.
      4. Zij hoort de…Read More

    • Opdracht 1: Ding
      1. Ik teken een kompas
      2. Hij koopt groente
      3. Jullie klimmen de trap op
      4. Zij lezen de krant
      5. Zij schudt een tafel
      6. U heeft een klok
      7. Ik heb de spiegel
      8. Jij zoekt een sleutel
      9. Hij luistert naar een liedje
      10. Wij hebben een auto
      —————————————–
      Opdracht 2: Dier
      1. Ik heb een slang
      2. Zij rijdt paard
      3. Zij kijken n…Read More

    • Opdracht (1):
      1. Hij koopt een huis
      2. Ze sluit het raam
      3. Wij betalen de rekening
      4. Jij gaat naar huis
      5. Ik open de winkel
      6. Wij maken pasta
      7. Hij knipt het papier
      8. Ik rijd in de auto
      9. U verwacht regen
      10. Ik kijk een film
      Opdracht (2):
      1. Hij eet kip
      2. Ze loopt met de hond
      3. Wij zien dieren
      4. Ik luister naar de vogels…Read More

    • Opdracht 1 (DING)
      1.Ik lees het boek
      2.Jij rijdt de auto
      3.Hij kookt het sap
      4.Zij koopt de pen
      5.Zij hebben het huis
      6.Het heeft een staart
      7.Hij doet een puzzel
      8.Wij weten het recept
      9.U speelt het spel
      10.Zij drinkt de appelsap

      Opdracht 2 (DIER)
      1.Hij ziet een vogel
      2.Wij eten een kip
      3.Zij heeft twee katten
      4.Zij kopen de hond
      5.Ik help…Read More

    • Ding
      1. Ik heb een huis.
      2. We kopen een huis.
      3. Hij koopt suiker
      4. Ze heeft een fiets.
      5. Hij luistert naar muziek.
      6.Ze kopen groenten.
      7. Zij maakt pasta.
      8. Hij geeft de les.
      9. Ik heb een auto.
      10. Jullie drinken koffie.

      Dier
      1. Ik zie een kat.
      2. Hij heeft een hond.
      3. Zij koopt een paard.
      4. Wij voeren een konijn.
      5.Jij ziet een…Read More

    • 1. Ik woon in een studio
      2. Jij leest een boek
      3. Hij spreekt een taal
      4. Zij vindt geld
      5. Wij geven advies
      6. De auto heeft een doer
      7. Zij stoppen een auto
      8. Zij kopen een boek
      9. Jij kookt vanavond
      10. Ik heb een plant

      1. Ik zie een slang
      2. Jij rijdt op een paard
      3. Zij kijkt naar een olifant
      4. Hij voert een luipaard
      5. Jullie…Read More

    • Opdracht 1:
      1. Ik speel tafeltennis.
      2. Zij kijkt een film.
      3. Hij ging wandelen.
      4. Wij zijn de klant.
      5. Ik heb een potlood.
      6. Jullie eten de pasta.
      7. Zij bezoeken Frankrijk.
      8. Zij heeft een lamp.
      9. Zij maakt de foto.
      10. Hij nam de trein.

      Opdracht 2:
      1. Rosie is een kat.
      2. Zij hebben vier paarden.
      3. Zij speelt met de hond.
      4. Hij houdt…Read More

    • Opdracht 1:

      1. Ik koop een boek.
      2. Jij opent de deur.
      3. Hij leest de krant.
      4. Zij draagt een jas.
      5. Wij gebruiken het gereedschap.
      6. Jullie drinken de koffie.
      7. Zij eten het brood.
      8. Ik pak de sleutel.
      9. Mijn broer sluit het raam.
      10. De leraar schrijft een woord.

      Opdracht 2:

      1. Ik zie een hond.
      2. Jij hebt een kat.
      3. Hij voert de…Read More

    • ⎯⎯⎯ Opdracht #1 ⎯⎯⎯
      β€Žβ€Ž
      1. Ik zie het zand.
      2. Jij wacht in de wind..
      3. U verzamelt de vissen.
      4. Hij legt het uur uit.
      5. Zij tekent de trein.
      6. Het personeel sluit het station.
      7. Wij raken de radio.
      8. Jullie presenteren de prins.
      9. Zij nemen het offer op.
      10. Lidewij noemt het nummer.
      β€Žβ€Ž
      ⎯⎯⎯ Opdracht #2 ⎯⎯⎯
      β€Žβ€Ž
      1. Ik voed de eend…Read More

    • ———– Opdracht 1————–

      1. Ik krijg een fiets.
      2. Jij drinkt de koffie.
      3. U opent de kast.
      4. Zij vindt de stoelen.
      5. Jullie snijden de aardappelen
      6. Hij brandt de papieren.
      7. Zij poetsen de auto’s.
      8. Ik luister de muziek.
      9. Hij zoekt de tas.
      10. Wij sluiten het raamen

      ———– Opdracht 2 ————–

      1. Ik houd katten.
      2. Jij speelt met de hond.
      3.…Read More

    • Opdracht 1………………………..
      1. Hij drinkt een koffie
      2. Ik begreep het antwoord
      3. Zij slaapt op het bed
      4. Ze runnen samen
      5. Hij maakt het huis schoon
      6. Je denkt aan eten
      7. Ik werk op kantoor
      8. Ze kookten een maaltijd
      9. Zij kocht een huis
      10. Ik gaf geld aan de winkel

      Opdracht 2………………………….
      1. Hij rijdt op een…Read More

    • 1. Ik koop een fiets.
      2. Jij leest een boek.
      3. Hij opent de deur.
      4. Zij gebruikt een computer.
      5. U schrijft een brief.
      6. Hij rijdt in de auto.
      7. Zij verkopen een televisie.
      8. Wij kopen een huis.
      9. Zij drinkt water.
      10. Wij maken een plan.
      β€”β€”β€”β€”β€”β€”β€”β€”β€”β€”β€”β€”β€”β€”
      1. Zij koopt een paard.
      2. Wij tellen schapen.
      3. Jullie zien een olifant.
      4. Zij re…Read More

    • Opdracht 1 – Ding

      1. Ik koop de stoel.
      2. Jij leest het boek.
      3. Hij heeft de sleutel.
      4. Zij schrijft de brief.
      5. Hij opent de deur.
      6. Wij zoeken het huis.
      7. Jullie pakken de tas.
      8. Jij betaalt de rekening.
      9. Ik neem de telefoon.
      10. Wij verliezen de wedstrijd.

      Opdracht 2 – Dier

      1. Ik zie de kat.
      2. Jij voert de hond.
      3. Hij hoort de vog…Read More

    • Opdracth 1
      1. Ik verkoop een appel
      2. Wij wonen in tussen huizen
      3. Jij maakt een afspraak
      4. Hij opent het raam
      5. Zij hangen de gordijnen
      6. Jullie dragen schoenen
      7. De kat spelt met een bal
      8. U maakt boodschappen
      9. Ik was de borden
      10. Wij eten vis

      Opdracht 2
      1. Ik hoor een vogel
      2. Wij zien de neushoorn
      3. Jullie rijden op paarden
      4. Hij…Read More

    • Activity 1:
      1. Ik heb een boek
      2. Ik heb een boek.
      3. Jij hebt een fiets.
      4. U heeft een auto.
      5. Hij heeft een hond.
      6. Zij heeft een kat.
      7. Wij hebben een huis.
      8. Jullie hebben een tuin.
      9. Zij hebben een computer.
      10. Ik heb een jas.

      Activity 2:
      1. Ik heb een hond.
      2. Jij hebt een kat.
      3. U heeft een konijn.
      4. Hij heeft een paard.
      5. Zij…Read More

    • DING
      1. Ik koop een jurk.
      2. Je past een broek.
      3. Ze verkoopt de ziel.
      4. Hij leent een motor.
      5. De hond zoekt naar een speeltje.
      6. We tellen de uitgaven.
      7. Je verliest geld.
      8. Brandweerlieden blussen branden.
      9. Agenten vinden fietsen.
      10. Artsen wassen instrumenten.
      DIER
      1. Ik zie de hond.
      2. Jij voert een kat.
      3. Hij koopt het konijn.
      4.…Read More

    • OPDRACHT (DING)
      1. Ik drink het sap.
      2. Wij eten de appel.
      3. Jullie dansen de choreografie.
      4. Zij lezen het boek.
      5. Hij leert de taal.
      6. Ze zoekt de tafel.
      7. Ik wil het huis.
      8. Wij volgen de les.
      9. Hij schrijft de muziek.
      10. Zij bakt het brood.

      OPDRACHT (DIER)
      1. Jij koopt een muis.
      2. Jullie zien de vogels.
      3. Ik heb een paard.
      4. Ze…Read More

    • DING
      1. Zij eet een taart.
      2. Je hebt een voertuig.
      3. U hebt een brief.
      4. Wij kijken naar een film.
      5. Zij sluiten een deur.
      6. Je maakt een tekening.
      7. Ik zie een spin.
      8. Jij helpt een vrouw.
      9. Hij maakt een boterham.
      10. Zij bestuurt een auto.

      DIER
      1. Zij heeft een wasbeer.
      2. Hij wast de hond.
      3. Jullie melken de koeien.
      4. Hij koopt een…Read More

    • 1/3:
      1. Ik gooi de sleutel
      2. Jij zoekt de boomstam bord
      3. Hij haalt een bord
      4. Zij brengt de koffer
      5. Wij schilderen een schip
      6. jullie wassen truien
      7 Zij proberen sokken
      8. Ze tillen een trommel
      9. U schuift de kabel
      10 U giet een kruik

      2/3
      1. Ik spring het paard (romanian saying for β€œexaggerating”)
      2. Jij graaft een muis
      3. Hij rijdt het…Read More

    • =================== 1 =======================
      1. Ik koop een fiets.
      2. Jij opent de deur.
      3. Hij bouwt een huis.
      4. Zij leest een boek.
      5. Wij maken het bed.
      6. Jullie zien een auto.
      7. U schrijft een brief.
      8. De jongen pakt een bal.
      9. Mijn moeder kookt de soep.
      10. De leraar gebruikt een computer.

      =================== 2…Read More

    • 1. DING
      1 Ik lees een boek.
      2 Je maakt het ontbijt.
      3 Zij stuurt een kaart.
      4 Lodewijk drinkt koffe.
      5 Hij pakt een vork.
      6 Wij kennen de antwoorden.
      7 Jullie eten hapjes.
      8 Eduard en Moniek maken foto’s.
      9 Zij luisteren naar de radio.
      10 Jullie kijken een film.

      2. DIER
      1 Ik zie een schildpad.
      2 Je voert honden.
      3 Theo zoekt naar een hond.
      4 Z…Read More

    • Opdrachten 1
      1. Ik neem een douche.
      2. Ik drink een koffie.
      3. Ik poets mijn tanden.
      4. Ik kam mijn haar.
      5. Ze pakt de tas.
      6. Hij start de auto.
      7. Je ontvangt een bericht.
      8. Zij bestelt een biertje.
      9. Wij krijgen de sleutel.
      10. Zij ontvangen hoop.

      Opdrachten 2
      1. Hij heeft een schildpad.
      2. We redden een konijn.
      3. Hij verkoopt een…Read More

    • Opdrachten 1:
      1. Ik rijd een auto
      2. Jij koopt een tafel
      3. Zij verkoopt de bril
      4. Wij spelen met de bal
      5. Het kind trapt de bal
      6. De studenten gebruiken een computer
      7. De dokter draagt een tas
      8. Hij leest een boek
      9. De leraar schrijft een brief
      10. Hij leent een televisie.
      Opdrachten 2:
      1. De jongen ziet de hond
      2. Het meisje voert de…Read More

    • Opdracht I

      1. Wij lopen de marathon.

      2. Ik werk op een kantoor.

      3. Zij werken aan een badkamer.

      4. Hij schudt de tafel.

      5. Jij draagt het kostuum.

      6. Zij graven de put.

      7. Wij laten het concert.

      8. Ze haat het pennentje.

      9. Ik geef geld.

      10. Jullie vergeten het brood.

      Opdracht II

      1. Ik heb een leeuw.

      2. Jij rijdt de olifant.

      3. Hij…Read More

    • I
      1 Ik geef een stoel
      2 Je hebt een thuis
      3 Jij koopt een telefoon
      4 U vult een glas
      5 Hij sluit een raam
      6 Zij brengt een kussen
      7 Wij maken emmers
      8 Jullie schoonmaken de tapijt
      9 Zij bewonderen schilderij
      10 U kleedt een helm

      II
      1 Ik aanzit een leeuw
      2 Je rijdt een giraj
      3 Jij jagt een zebra
      4 U bokst een kangoeroe
      5 Hij kookt een…Read More

    • Ding:
      1. Ik koop een auto.
      2. Jij leest een boek.
      3. Hij drinkt een sapje.
      4. Zij draagt een jas.
      5. Wij bouwen een tafel.
      6. Jullie eten een appel.
      7. Zij schrijven een brief.
      8. Ik zoek een sleutel.
      9. Jij maakt een foto.
      10. Hij wast een fiets.
      DIER
      1. Ik zie een hond.
      2. Jij aait een kat.
      3. Hij voert een vogel.
      4. Zij zoekt een konijn.
      5. Wij…Read More

    • DING

      1. Ik koop een boek.
      2. Jij leest een krant.
      3. Zij bakt een taart.
      4. Wij maken een tafel.
      5. Jullie schrijven een brief.
      6. Zij zoeken een sleutel.
      7. Ik koop een auto.
      8. Hij opent een raam.
      9. Zij tekent een boom.
      10. Zij drinkt een glas.

      DIER:

      1. Ik zie een hond.
      2. Jij koopt een kat.
      3. Hij tekent een konijn.
      4. Wij voeren een…Read More

    • Ding
      1. Zij werkt in een ziekenhuis.
      2. Jij betaalt een koffie.
      3. Ik ga naar een bedrijf.
      4. Jullie kopen het huis.
      5. Zij kijkt naar een film.
      6. Jij verkoopt een fiets.
      7. Jullie hebben een fiets.
      8. Ik wandel door een straat.
      9. U sluit een deur.
      10. Ik help met het huiswerk.

      Dier
      1.Ik speel met een hond.
      2. Jij werkt in een…Read More

    • Ding
      1. Ik verkoop een tafel.
      2. Hij maakt een maaltijd.
      3. Zij kookt speekreepjes.
      4. Jullie fietsen naar huis.
      5. Jij eist een docent.
      6. Zij lezen het boek.
      7. Jij zoekt voor de hoed.
      8. Jullie sleuten de winkel.
      9. Zij drinkt het water.
      10. Zij bregrijpen de situatie.
      Dier
      1.Ik kijk het konijn.
      2. De hond slaapt.
      3. Wij horen de paarden.
      4.…Read More

    • Ding:
      1. Ik betaal een stoel
      2. Je maakt het ontbijt
      3. Jullie drinken een glas wijn
      4. Ik wil een boek
      5. Ik zing een lied
      6. Jullie lachen om de duif
      7. Zij raken het gras
      8. Wij lopen twaalf kilometer
      9. Ik ruik de tuin
      10. Je duwt het meubilair

      Dier:
      1. Ik koop een varken
      2. Je merkt de koeien
      3. Jullie drinken een glas wijn
      4. Joanna…Read More

    • DΔ°NG:
      1.Zij wassen borden
      2.Ik zit in de tuin.
      3.Ik open de raam.
      4.De jongen speelt met speelgoed.
      5.Hij heeft de auto’s
      6.Ik verkloop de fiets
      7.Zij hebben het huis.
      8.De moeder maakt de pasta
      9.De vader neemt de sleutel.
      10.Ik koop een boek.

      DIER:

      1.Ik en hij tekenen de tiger.
      2.Zij fakt devogel
      3.Zij eten de kip.
      4.We hebben de kat.
      5.Zij zi…Read More

    • Ding:

      1. Wij kopen een huis.
      2. Ik heb een kampeerder.
      3. Jullie volgen de verkeersbord.
      4. Ik droomde een taart.
      5. Hij heeft een auto.
      6. Zij schilderen de wal.
      7. Ik schrijf een tijdschriftartikel.
      8. Wij organiseren een feest.
      9. Ik leer een boek.
      10. Jij hebt twee pennen.

      Dier:

      1. Ik aai een pard.
      2. Jullie adopteren drie honden.
      3. Jij…Read More

    • Ding:
      1. Ik heb een boek
      2. Jij hebt een fiets
      3. Zij schrijft een brief
      4. Wij drinken een koffie
      5. Hij heeft een bal
      6. Jullie hebben de tafel
      7. Zij hebben twee computers
      8. Ik heb mijn telefoon
      9. Ik eet een appel
      10. Wij hebben een huis

      Dier:
      1. Ik heb een hond
      2. Jij hebt een kat
      3. Hij heeft mijn paard
      4. Zij heeft de vogel
      5. Wij hebben…Read More

    • 1. Ik sluit de deur.
      2. Jij bestuurt de auto
      3. Het maakt licht
      4. U neemt een lepel
      5. Hij speelt voetbal
      6. Zij knippen papier
      7. Wij eisen een muur
      8. Jullie krijgen een toestel
      9. Zij kopen de pot
      10. Ik stuur de pan
      –Dier–
      1. Ik voer de schildpad
      2. Jij krijgt de mieren
      3. Hij begint te lopen
      4. U praat tegen de olifant
      5. Hij slaapt bij de…Read More

    • Opdrachten 1:
      1. Ik koop een bed.
      2. Jij wast de tas.
      3. Je doet het huiswerk.
      4. Hij wil de koekjes.
      5. Zij zien de deur.
      6. Ik heb de klok.
      7. Wij kopen de vork.
      8. Jullie wassen de schoenen.
      9. Zij leren het schrift.
      10. Hij leest het boek.
      Opdrachten 2:
      1. Ik eet de koe.
      2. Jij wast de hond.
      3. Je ruikt de leeuw.
      4. Hij eet de vis
      5. Zij zien…Read More

  • Load More Posts