-
Dutchbook huiswerk (homework):👍
1.Ik………naar huis (gaan)
2.Maurice…….. thuis (werken)
3.Philippe………naar school (rijden)
4.U……………..een brief (schrijven)
5.Jij……………..te veel (denken)
6.Wij……………groente (kopen)
7.Hij………….werk (zoeken)
8.Peter………….TV (kijken)
9. Maurice en…Read More136 Comments-
1. Ik ga naar huis (gaan)
2. Maurice werkt thuis (werken)
3. Philippe rijdt naar school (rijden)
4. U schrijft een brief (schrijven)
5. Jij denkt te veel (denken)
6. Wij kopen groente (kopen)
7. Hij zoekt werk (zoeken)
8. Peter kijkt TV (kijken)
9. Maurice en Philippe geven les (geven)
10. Ik maak huiswerk (maken) -
1.Ik ga naar huis (gaan)
2.Maurice werkt thuis (werken)
3.Philippe rijdt naar school (rijden)
4.U schrijft een brief (schrijven)
5.Jij denkt te veel (denken)
6.Wij kopen groente (kopen)
7.Hij zoekt werk (zoeken)
8.Peter kijkt TV (kijken)
9. Maurice en Philippe geven les (geven)
10.Ik maak huiswerk (maken) -
1. Ik ga naar huis (gaan)
2. Maurice werkt thuis (werken)
3. Philippe rijdt naar school (rijden)
4. U schrijft een brief (schrijven)
5. Jij denkt te veel (denken)
6. Wij kopen groente (kopen)
7. Hij zoekt werk (zoeken)
8. Peter kijkt TV (kijken)
9. Maurice en Philippe geven les (geven)
10. Ik maak huiswerk (maken) -
1.Ik ga naar huis (gaan)
2.Maurice werkt thuis (werken)
3.Philippe rijdt naar school (rijden)
4.U schrijft een brief (schrijven)
5.Jij denkt te veel (denken)
6.Wij kopen groente (kopen)
7.Hij zoekt werk (zoeken)
8.Peter kijkt TV (kijken)
9. Maurice en Philippe geven les (geven)
10.Ik maak huiswerk (maken) -
1.Ik ga naar huis (gaan)
2.Maurice werkt thuis (werken)
3.Philippe rijdt naar school (rijden)
4.U schrijft een brief (schrijven)
5.Jij denkt te veel (denken)
6.Wij kopen groente (kopen)
7.Hij zoekt werk (zoeken)
8.Peter kijkt TV (kijken)
9. Maurice en Philippe geven les (geven)
10.Ik maak huiswerk (maken) -
1.Ik ga naar huis. (gaan)
2.Maurice werkt thuis. (werken)
3.Philippe rijdt naar school.(rijden)
4.U schrijft een brief. (schrijven)
5.Jij denkt te veel. (denken)
6.Wij kopen groente. (kopen)
7.Hij zoekt werk.(zoeken)
8.Peter kijkt TV. (kijken)
9. Maurice en Philippe geven les. (geven)
10.Ik maak huiswerk.(maken) -
1.Ik ga naar huis (gaan)
2.Maurice werkt thuis (werken)
3.Philippe rijdt naar school (rijden)
4.U schrijvt een brief (schrijven)
5.Jij denkt e veel (denken)
6.Wij kopen groente (kopen)
7.Hij zoekt werk (zoeken)
8.Peter kijkt TV (kijken)
9. Maurice en Philippe geven les (geven)
10.Ik mak huiswerk (maken) -
1. Ik ga naar huis (gaan)
2. Maurice werkt thuis (werken)
3. Philippe rijdt naar school (rijden)
4. U schrijft een brief (schrijven)
5. Jij denkt te veel (denken)
6. Wij kopen groente (kopen)
7. Hij zoekt werk (zoeken)
8. Peter kijkt TV (kijken)
9. Maurice en Philippe geven les (geven)
10. Ik maak huiswerk (maken) -
1.Ik ga naar huis (gaan)
2.Maurice werkt thuis (werken)
3.Philippe rijdt naar school (rijden)
4.U schrijft een brief (schrijven)
5.Jij denkt te veel (denken)
6.Wij kopen groente (kopen)
7.Hij zoekt werk (zoeken)
8.Peter kijkt TV (kijken)
9. Maurice en Philippe geven les (geven)
10.Ik maak huiswerk (maken) -
1.Ik ga naar huis (gaan)
2.Maurice werkt thuis (werken)
3.Philippe rijdt naar school (rijden)
4.U schrijft een brief (schrijven)
5.Jij denkt te veel (denken)
6.Wij kopen groente (kopen)
7.Hij zoekt werk (zoeken)
8.Peter kijkt TV (kijken)
9. Maurice en Philippe geven les (geven)
10.Ik maak huiswerk (maken) -
1. Ik ga naar huis (gaan)
2. Maurice werkt thuis (werken)
3. Philippe rijdt naar school (rijden)
4. U schrijft een brief (schrijven)
5. Jij denkt te veel (denken)
6. Wij kopen groente (kopen)
7. Hij zoekt werk (zoeken)
8. Peter kijkt TV (kijken)
9. Maurice en Philippe geven les (geven)
10. Ik maak huiswerk (maken) -
1. Ik ga naar huis (gaan)
2. Maurice werkt thuis (werken)
3. Philippe rijdt naar school (rijden)
4. U schrijft een brief (schrijven)
5. Jij denkt te veel (denken)
6. Wij kopen groente (kopen)
7. Hij zoekt werk (zoeken)
8. Peter kijkt TV (kijken)
9. Maurice en Philippe geven les (geven)
10. Ik maak huiswerk (maken) -
1.Ik ga naar huis (gaan)
2.Maurice werkt thuis (werken)
3.Philippe rijdt naar school (rijden)
4.U schrijft een brief (schrijven)
5.Jij denkt te veel (denken)
6.Wij kopen groente (kopen)
7.Hij zoekt werk (zoeken)
8.Peter kijkt TV (kijken)
9. Maurice en Philippe geven les (geven)
10.Ik maak huiswerk (maken) -
1.Ik ga naar huis (gaan)
2.Maurice werkt thuis (werken)
3.Philippe rijdt naar school (rijden)
4.U schrijft een brief (schrijven)
5.Jij denkt te veel (denken)
6.Wij kopen groente (kopen)
7.Hij zoekt werk (zoeken)
8.Peter kijkt TV (kijken)
9. Maurice en Philippe geven les (geven)
10.Ik maak huiswerk (maken) -
1. Ik ga naar huis. (gaan)
2. Maurice werkt thuis. (werken)
3. Philippe rijdt naar school. (rijden)
4. U schrijft een brief. (schrijven)
5. Jij denkt te veel. (denken)
6. Wij kopen groente. (kopen)
7. Hij zoekt werk. (zoeken)
8. Peter kijkt TV. (kijken)
9. Maurice en Philippe geven les. (geven)
10. Ik maak huiswerk. (maken) -
1.Ik ga naar huis (gaan)
2.Maurice werkt thuis (werken)
3.Philippe rijdt naar school (rijden)
4.U schrijft een brief (schrijven)
5.Jij denkt te veel (denken)
6.Wij kopen groente (kopen)
7.Hij zoekt werk (zoeken)
8.Peter kijkt TV (kijken)
9. Maurice en Philippe geven les (geven)
10.Ik maak huiswerk (maken) -
1. Ik ga naar huis (gaan)
2. Maurice werkt thuis (werken)
3. Philippe rijdt naar school (rijden)
4. U schrijft een brief (schrijven)
5. Jij denkt te veel (denken)
6. Wij kopen groente (kopen)
7. Hij zoekt werk (zoeken)
8. Peter kijkt TV (kijken)
9. Maurice en Philippe geven les (geven)
10. Ik maak huiswerk (maken) -
1.Ik ga naar huis (gaan)
2.Maurice werkt thuis (werken)
3.Philippe rijdt naar school (rijden)
4.U schrijft een brief (schrijven)
5.Jij denkt te veel (denken)
6.Wij kopen groente (kopen)
7.Hij zoekt werk (zoeken)
8.Peter kijkt TV (kijken)
9. Maurice en Philippe geven les (geven)
10. Ik maak huiswerk (maken) -
1.Ik ga naar huis (gaan)
2.Maurice werkt thuis (werken)
3.Philippe rijdt naar school (rijden)
4.U schrijft een brief (schrijven)
5.Jij denkt te veel (denken)
6.Wij kopen groente (kopen)
7.Hij zoekt werk (zoeken)
8.Peter kijkt TV (kijken)
9. Maurice en Philippe geven les (geven)
10.Ik maak huiswerk (maken) -
1.Ik ga naar huis (gaan)
2.Maurice werkt thuis (werken)
3.Philippe rijdt naar school (rijden)
4.U schrijft een brief (schrijven)
5.Jij denkt te veel (denken)
6.Wij kopen groente (kopen)
7.Hij zoekt werk (zoeken)
8.Peter kijkt TV (kijken)
9. Maurice en Philippe geven les (geven)
10.Ik maak huiswerk (maken) -
1.Ik ga naar huis (gaan)
2.Maurice werkt thuis (werken)
3.Philippe rijdt naar school (rijden)
4.U schrijft een brief (schrijven)
5.Jij denkt te veel (denken)
6.Wij kopen groente (kopen)
7.Hij zoekt werk (zoeken)
8.Peter kijkt TV (kijken)
9. Maurice en Philippe geven les (geven)
10.Ik maak huiswerk (maken) -
1.Ik ga naar huis (gaan)
2.Maurice werkt thuis (werken)
3.Philippe rijdt naar school (rijden)
4.U schrijft een brief (schrijven)
5.Jij dinkt te veel (denken)
6.Wij kopen groente (kopen)
7.Hij zoekt werk (zoeken)
8.Peter Kijkt TV (kijken)
9. Maurice en Philippe geven les (geven)
10.Ik maak huiswerk (maken) -
1.Ik ga naar huis (gaan)
2.Maurice werkt thuis (werken)
3.Philippe rijdt naar school (rijden)
4.U schrijft een brief (schrijven)
5.Jij dinkt te veel (denken)
6.Wij kopen groente (kopen)
7.Hij zoekt werk (zoeken)
8.Peter Kijkt TV (kijken)
9. Maurice en Philippe geven les (geven)
10.Ik maak huiswerk (maken) -
1.Ik ga naar huis (gaan)
2.Maurice werkt thuis (werken)
3.Philippe rijdt naar school (rijden)
4.U schrijft een brief (schrijven)
5.Jij denkt te veel (denken)
6.Wij kopen groente (kopen)
7.Hij zoekt werk (zoeken)
8.Peter kijkt TV (kijken)
9. Maurice en Philippe geven les (geven)
10.Ik maak huiswerk (maken) -
1.Ik ga naar huis (gaan)
2.Maurice werkt thuis (werken)
3.Philippe rijdt naar school (rijden)
4.U schrijft een brief (schrijven)
5.Jij denkt te veel (denken)
6.Wij kopen groente (kopen)
7.Hij zoekt werk (zoeken)
8.Peter kijkt TV (kijken)
9. Maurice en Philippe geven les (geven)
10.Ik maak huiswerk (maken) -
1.Ik…ga……naar huis (gaan)
2.Maurice…werkt….. thuis (werken)
3.Philippe……rijdt…naar school (rijden)
4.U……schrijft………..een brief (schrijven)
5.Jij……denkt………..te veel (denken)
6.Wij……kopen………groente (kopen)
7.Hij……zoekt…….werk (zoeken)
8.Peter……kijkt…….TV (kijken)
9. Maurice en Philippe………geven…….les (geven)
10.Ik……maak……….huiswerk (maken) -
1. Ik ga naar huis (gaan)
2. Maurice werkt thuis (werken)
3. Philippe rijdt naar school (rijden)
4. U schrijft een brief (schrijven)
5. Jij denkt te veel (denken)
6. Wij kopen groente (kopen)
7. Hij zoekt werk (zoeken)
8. Peter kijkt tv (kijken).
9. Maurice en Philippe geven les (geven)
10. Ik maak huiswerk (maken) -
1.Ik ga naar huis (gaan)
2.Maurice werkt thuis (werken)
3.Philippe rijdt naar school (rijden)
4.U schrijft een brief (schrijven)
5.Jij denkt te veel (denken)
6.Wij kopen groente (kopen)
7.Hij zoekt werk (zoeken)
8.Peter kijkt TV (kijken)
9. Maurice en Philippe geven les (geven)
10.Ik maak huiswerk (maken) -
1. Ik ga naar huis (gaan).
2. Maurice werkt thuis (werken).
3. Philippe rijdt naar school (rijden).
4. U schrijft een brief (schrijven).
5. Jij denkt te veel (denken).
6. Wij kopen groente (kopen).
7. Hij zoekt werk (zoeken).
8. Peter kijkt TV (kijken).
9. Maurice en Philippe geven les (geven).
10. Ik maak huiswerk (maken). -
1. Ik ga naar huis. (gaan)
2. Maurice werkt thuis. (werken)
3. Philippe rijdt naar school. (rijden)
4. U schrijft een brief. (schrijven)
5. Jij denkt te veel. (denken)
6. Wij kopen groente. (kopen)
7. Hij zoekt werk. (zoeken)
8. Peter kijkt TV. (kijken)
9. Maurice en Philippe geven les. (geven)
10. Ik maak huiswerk. (maken) -
1.Ik ga naar huis (gaan)
2.Maurice werkt thuis (werken)
3.Philippe rijdt naar school (rijden)
4.U schrijft een brief (schrijven)
5.Jij denk te veel (denken)
6.Wij kopen groente (kopen)
7.Hij zoekt werk (zoeken)
8.Peter kijkt TV (kijken)
9. Maurice en Philippe geven les (geven)
10.Ik maak huiswerk (maken) -
1. Ik ga naar huis (gaan)
2. Maurice werkt thuis (werken)
3. Philippe rijdt naar school (rijden)
4. U schrijft een brief (schrijven)
5. Jij denkt veel (denken)
6. Wij kopen groente (kopen)
7. Hij zoekt werk (zoeken)
8. Peter kijkt tv (kijken)
9. Maurice en Philippe geven les (geven)
10. Ik maak huiswerk (maken) -
1.Ik ga naar huis (gaan)
2.Maurice werkt thuis (werken)
3.Philippe rijdt naar school (rijden)
4.U schrijft ****een brief (schrijven)
5.Jij denkt te veel (denken)
6.Wij kopen groente (kopen)
7.Hij zoekt werk (zoeken)
8.Peter kijkt TV (kijken)
9. Maurice en Philippe geven les (geven)
10.Ik maak huiswerk (maken)
-
1.Ik ga naar huis (gaan)
2.Maurice werkt thuis (werken)
3.Philippe rijdt naar school (rijden)
4.U schrijft een brief (schrijven)
5.Jij denkt te veel (denken)
6.Wij kopen groente (kopen)
7.Hij zoekt werk (zoeken)
8.Peter kijkt TV (kijken)
9. Maurice en Philippe geven les (geven)
10.Ik mak huiswerk (maken) -
1.Ik ga naar huis (gaan)
2.Maurice werkt thuis (werken)
3.Philippe rijdt naar school (rijden)
4.U schrijft een brief (schrijven)
5.Jij denkt te veel (denken)
6.Wij kopen groente (kopen)
7.Hij zoekt werk (zoeken)
8.Peter kijkt TV (kijken)
9. Maurice en Philippe geven les (geven)
10.Ik maak huiswerk (maken) -
1.Ik ga naar huis (gaan)
2.Maurice werkt thuis (werken)
3.Philippe rijdt naar school (rijden)
4.U schrijft een brief (schrijven)
5.Jij denkt te veel (denken)
6.Wij kopen groente (kopen)
7.Hij zoekt werk (zoeken)
8.Peter kijkt TV (kijken)
9. Maurice en Philippe geven les (geven)
10.Ik maak huiswerk (maken) -
1. Ik ga naar huis (gaan)
2. Maurice werkt thuis (werken)
3. Philippe rijdt naar school (rijden)
4. U schrijft een brief (schrijven)
5. Jij denkt te veel (denken)
6. Wij kopen groente (kopen)
7. Hij zoekt werk (zoeken)
8. Peter kijkt TV (kijken)
9. Maurice en Philippe geven les (geven)
10. Ik maak huiswerk (maken) -
1.Ik ga naar huis (gaan)
2.Maurice werkt thuis (werken)
3.Philippe rijdt naar school (rijden)
4.U schrijft een brief (schrijven)
5.Jij denkt te veel (denken)
6.Wij kopen groente (kopen)
7.Hij zoekt werk (zoeken)
8.Peter kijkt TV (kijken)
9. Maurice en Philippe geven les (geven)
10.Ik maak huiswerk (maken) -
1. Ik ga naar huis (gaan)
2. Maurice werkt thuis (werken)
3. Philippe rijdt naar school (rijden)
4. U schrijft een brief (schrijven)
5. Jij denkt te veel (denken)
6. Wij kopen groente (kopen)
7. Hij zoekt werk (zoeken)
8. Peter kijkt TV (kijken)
9. Maurice en Philippe geven les (geven)
10. Ik maak huiswerk (maken) -
1. Ik gaan naar huis (gaan)
2. Maurice werkt thuis (werken)
3.Philippe rijdt naar school (rijden)
4.U schrijft een brief (schrijven)
5.Jij denkt veel (denken)
6.Wij kopen groente (kopen)
7.Hij zoekt werk (zoeken)
8.Peter kijkt TV (kijken)
9. Maurice en Philippe geven les (geven)
10.Ik maak huiswerk (maken) -
1.Ik ga naar huis (gaan)
2.Maurice werkt thuis (werken)
3.Philippe rijdt naar school (rijden)
4.U schrijft een brief (schrijven)
5.Jij denkt te veel (denken)
6.Wij kopen groente (kopen)
7.Hij zoekt werk (zoeken)
8.Peter kijkt TV (kijken)
9. Maurice en Philippe geven les (geven)
10.Ik maak huiswerk (maken)
- Load More Posts

1.Ik ga naar huis (gaan)
2.Maurice werkt thuis (werken)
3.Philippe rijdt naar school (rijden)
4.U schrijft een brief (schrijven)
5.Jij denkt te veel (denken)
6.Wij kopen groente (kopen)
7.Hij zoekt werk (zoeken)
8.Peter kijkt TV (kijken)
9. Maurice en Philippe geven les (geven)
10.Ik maak huiswerk (maken)