Dutch Course Eindhoven A1 Homework Answers Group

  • Public Group
  • 1 day, 11 hours ago
  • 105

    Posts

  • 184

    Members

  • Dutchbook huiswerk (homework):👍

    1.Ik………naar huis (gaan)
    2.Maurice…….. thuis (werken)
    3.Philippe………naar school (rijden)
    4.U……………..een brief (schrijven)
    5.Jij……………..te veel (denken)
    6.Wij……………groente (kopen)
    7.Hij………….werk (zoeken)
    8.Peter………….TV (kijken)
    9. Maurice en…Read More

    136 Comments
    • 1.Ik ga naar huis (gaan)
      2.Maurice werkt thuis (werken)
      3.Philippe rijdt naar school (rijden)
      4.U schrijft een brief (schrijven)
      5.Jij denkt te veel (denken)
      6.Wij kopen groente (kopen)
      7.Hij zoekt werk (zoeken)
      8.Peter kijkt TV (kijken)
      9. Maurice en Philippe geven les (geven)
      10.Ik maak huiswerk (maken)

    • 1. Ik ga naar huis (gaan)
      2. Maurice werkt thuis (werken)
      3. Philippe rijdt naar school (rijden)
      4. U schrijft een brief (schrijven)
      5. Jij denkt te veel (denken)
      6. Wij kopen groente (kopen)
      7. Hij zoekt werk (zoeken)
      8. Peter kijkt TV (kijken)
      9. Maurice en Philippe geven les (geven)
      10. Ik maak huiswerk (maken)

    • 1. Ik ga naar huis.
      2. Maurice werkt thuis.
      3. Philippe rijdt naar school.
      4. U schrijft een brief.
      5. Jij denkt te veel.
      6. Wij kopen groente.
      7. Hij zoekt werk.
      8. Peter kijkt TV.
      9. Maurice en Philippe geven les.
      10. Ik maak huiswerk

    • 1.Ik ga naar huis.
      2.Maurice werkt thuis.
      3.Philippe rijdt naar school.
      4.U schrijft een brief.
      5.Jij denkt te veel.
      6.Wij kopen groente.
      7.Hij zoekt werk.
      8.Peter kijkt TV.
      9. Maurice en Philippe geven les.
      10.Ik maak huiswerk.

    • 1. Ik ga naar huis
      2. Maurice werkt thuis
      3. Philippe rijdt naar school
      4. U schrijft een brief
      5. Jij denkt te veel
      6. Wij kopen groente
      7. Hij zoekt werk
      8. Peter kijkt TV
      9. Maurice en Philippe geven les
      10.Ik maak huiswerk

    • 1.Ik ga naar huis
      2.Maurice werkt thuis
      3.Philippe rijdt naar school
      4.U schrijft een brief
      5.Jij denkt te veel
      6.Wij kopen groente
      7.Hij zoekt werk
      8.Peter kijkt TV
      9. Maurice en Philippe geven les
      10.Ik maak huiswerk

    • 1. Ik ga naar huis
      2. Maurice werkt thuis
      3. Philippe rijdt naar school
      4. U schrijft een brief
      5. Jij denkt te veel
      6. Wij kopen groente
      7. Hij zoekt werk
      8. Peter kijkt TV
      9. Maurice en Philippe geven les
      10. Ik maak huiswerk

    • 1.Ik ga naar huis (gaan)
      2.Maurice werkt thuis (werken)
      3.Philippe rijdt naar school (rijden)
      4.U schrijft een brief (schrijven)
      5.Jij denkt te veel (denken)
      6.Wij kopen groente (kopen)
      7.Hij zoekt werk (zoeken)
      8.Peter kijkt TV (kijken)
      9. Maurice en Philippe geven les (geven)
      10.Ik maak huiswerk (maken)

    • 1. Ik ga naar huis (gaan)
      2. Maurice werkt thuis (werken)
      3. Philippe rijdt naar school (rijden)
      4. U schrijft een brief (schrijven)
      5. Jij denkt te veel (denken)
      6. Wij kopen groente (kopen)
      7. Hij zoekt werk (zoeken)
      8. Peter kijkt TV (kijken)
      9. Maurice en Philippe geven les (geven)
      10. Ik maak huiswerk (maken)

    • 1.Ik ga naar huis (gaan)
      2.Maurice werkt thuis (werken)
      3.Philippe rijdt naar school (rijden)
      4.U schrijft een brief (schrijven)
      5.Jij denkt te veel (denken)
      6.Wij kopen groente (kopen)
      7.Hij zoekt werk (zoeken)
      8.Peter kijkt TV (kijken)
      9. Maurice en Philippe geven les (geven)
      10.Ik maak huiswerk (maken)

    • 1. Ik ga naar huis.
      2. Maurice werkt thuis.
      3. Philippe rijdt naar school.
      4. U schrijft een brief.
      5. Jij denkt te veel.
      6. Wij kopen groente.
      7. Hij zoekt werk.
      8. Peter kijkt TV.
      9. Maurice en Philippe geven les.
      10. Ik mak huiswerk.

    • 1. Ik ga naar huis
      2. Maurice werkt thuis
      3. Philippe rijdt naar school
      4. U schrijft een brief
      5. Jij denkt te veel
      6. Wij kopen groente
      7. Hij zoekt werk
      8. Peter kijkt TV
      9. Maurice en Philippe geven les
      10. Ik maak huiswerk

    • 1. Ik ga naar huis.
      2. Maurice werkt thuis.
      3. Philippe rijdt naar school.
      4. U schrijft een brief.
      5. Jij denkt te veel.
      6. Wij kopen groente.
      7. Hij zoekt werk.
      8. Peter kijkt TV.
      9. Maurice en Philippe geven les.
      10. Ik maak huiswerk.

    • 1. Ik ga naar huis.
      2. Maurice werkt thuis.
      3. Philippe rijdt naar school.
      4. U schrijft een brief.
      5. Jij denkt te veel.
      6. Wij kopen groente.
      7. Hij zoekt werk.
      8. Peter kijkt TV.
      9. Maurice en Philippe geven les.
      10. Ik maak huiswerk.

    • 1.Ik ga naar huis (gaan)
      2.Maurice werkt thuis (werken)
      3.Philippe rijdt naar school (rijden)
      4.U schrijft een brief (schrijven)
      5.Jij denkt te veel (denken)
      6.Wij kopen groente (kopen)
      7.Hij zoekt werk (zoeken)
      8.Peter kijkt TV (kijken)
      9. Maurice en Philippe geven les (geven)
      10.Ik maak huiswerk (maken)

    • 1.Ik ga naar huis.
      2.Maurice werkt thuis.
      3.Philippe rijdt naar school.
      4.U schrijft een brief.
      5.Jij denkt te veel.
      6.Wij kopen groente.
      7.Hij zoekt werk.
      8.Peter kijkt TV.
      9. Maurice en Philippe geven les.
      10.Ik maak huiswerk.

    • 1. Ik ga naar huis.
      2. Maurice werkt thuis.
      3. Philippe rijdt naar school.
      4. U schrijft een brief.
      5. Jij denkt te veel.
      6. Wij kopen groente.
      7. Hij zoekt werk.
      8. Peter kijkt TV.
      9. Maurice en Philippe geven les.
      10. Ik maak huiswerk.

    • 1. Ik ga naar huis.
      2. Maurice werkt thuis.
      3. Philippe rijdt naar school.
      4. U schrijft een brief.
      5. Jij denkt te veel.
      6. Wij kopen groente.
      7. Hij zoekt werk.
      8. Peter kijkt TV.
      9. Maurice en Philippe geven les.
      10. Ik maak huiswerk.

    • 1.Ik ga naar huis.
      2.Maurice werkt thuis.
      3.Philippe rijdt naar school.
      4.U schrijft een brief.
      5.Jij denkt te veel.
      6.Wij kopen groente.
      7.Hij zoekt werk.
      8.Peter kijkt TV.
      9. Maurice en Philippe geven les.
      10.Ik maak huiswerk.

    • 1.Ik ga naar huis. (gaan)
      2.Maurice werkt thuis. (werken)
      3.Philippe rijdt naar school.(rijden)
      4.U schrijft een brief. (schrijven)
      5.Jij denkt te veel. (denken)
      6.Wij kopen groente. (kopen)
      7.Hij zoekt werk.(zoeken)
      8.Peter kijkt TV. (kijken)
      9. Maurice en Philippe geven les. (geven)
      10.Ik maak huiswerk.(maken)

    • 1. Ik ga naar huis.
      2. Maurice werkt thuis.
      3. Philippe rijdt naar school.
      4. U schrijft een brief.
      5. Jij denkt te veel.
      6. Wij kopen groente.
      7. Hij zoekt werk.
      8. Peter kijkt TV.
      9. Maurice en Philippe geven les.
      10. Ik maak huiswerk.

    • 1.Ik ga naar huis.
      
2.Maurice werkt thuis.
      3.Philippe rijdt naar school.
      4.U schrijft een brief.
      5.Jij denkt te veel.
      6.Wij kopen groente.
      7.Hij zoekt werk.
      8.Peter kijkt TV.
      9. Maurice en Philippe geven les.
      10.Ik maak huiswerk.

    • 1.Ik ga naar huis.
      2.Maurice werkt thuis.
      3.Philippe rijdt naar school.
      4.U schrijft een brief.
      5.Jij denkt te veel.
      6.Wij kopen groente.
      7.Hij zoekt werk.
      8.Peter kijkt TV.
      9. Maurice en Philippe geven les.
      10.Ik maak huiswerk.

    • 1. Ik ga naar huis
      2. Maurice werkt thuis
      3. Philippe rijdt naar school
      4. U schrijft een brief
      5. Jij denkt te veel
      6. Wij kopen groente
      7. Hij zoekt werk
      8. Peter kijkt TV
      9. Maurice en Philippe geven les
      10. Ik maak huiswerk

    • 1.Ik ga naar huis.
      2.Maurice werkt thuis.
      3.Philippe rijdt naar school.
      4.U schrijft een brief.
      5.Jij denkt te veel.
      6.Wij kopen groente.
      7.Hij zoekt werk.
      8.Peter kijkt TV.
      9. Maurice en Philippe geven les.
      10.Ik maak huiswerk.

    • 1.Ik ga naar huis.
      2.Maurice werkt thuis.
      3.Philippe rijdt naar school.
      4.U schrijft een brief.
      5.Jij denkt te veel.
      6.Wij kopen groente.
      7.Hij zoekt werk.
      8.Peter kijkt TV.
      9. Maurice en Philippe geven les.
      10.Ik maak huiswerk.

    • 1. Ik ga naar huis
      2. Maurice werkt thuis
      3. Philippe rijdt naar school
      4. U schrijft een brief
      5. Jij denkt te veel
      6. Wij kopen groente
      7. Hij zoekt werk
      8. Peter kijkt TV
      9. Maurice en Philippe geven les
      10. Ik maak huiswerk

    • 1.Ik ga naar huis
      2.Maurice werkt thuis
      3.Philippe rijdt naar school
      4.U schrijft een brief
      5.Jij denkt te veel
      6.Wij kopen groente
      7.Hij zoekt werk
      8.Peter kijkt TV
      9. Maurice en Philippe geven les
      10.Ik maak huiswerk

    • 1. Ik ga naar huis.
      2. Maurice werkt thuis.
      3. Philippe rijdt naar school.
      4. U schrijft een brief.
      5. Jij denkt te veel.
      6. Wij kopen groente.
      7. Hij zoekt werk.
      8. Peter kijkt TV.
      9. Maurice en Philippe geven les
      10. Ik maak huiswerk

    • 1.Ik ga naar huis
      2.Maurice werkt thuis
      3.Philippe rijdt naar school
      4.U schrijft een brief
      5.Jij denkt te veel
      6.Wij kopen groente
      7.Hij zoekt werk
      8.Peter kijkt TV
      9. Maurice en Philippe geven les
      10.Ik maak huiswerk

    • 1.Ik ga naar huis (gaan)
      2.Maurice werkt thuis (werken)
      3.Philippe rijdt naar school (rijden)
      4.U schrijvt een brief (schrijven)
      5.Jij denkt e veel (denken)
      6.Wij kopen groente (kopen)
      7.Hij zoekt werk (zoeken)
      8.Peter kijkt TV (kijken)
      9. Maurice en Philippe geven les (geven)
      10.Ik mak huiswerk (maken)

    • 1.Ik ga naar huis.
      2.Maurice werkt thuis.
      3.Philippe rijdt naar school.
      4.U schrijft een brief.
      5.Jij denkt te veel.
      6.Wij kopen groente.
      7.Hij zoekt werk.
      8.Peter kijkt TV.
      9. Maurice en Philippe geven les.
      10.Ik maak huiswerk.

    • 1.Ik ga naar huis.
      2.Maurice werkt thuis.
      3.Philippe rijdt naar school.
      4.U schrijvt een brief.
      5.Jij denkt te veel.
      6.Wij kopen groente.
      7.Hij zoekt werk.
      8.Peter kijkt TV.
      9. Maurice en Philippe geven les.
      10.Ik maak huiswerk.

    • 1.Ik ga naar huis.
      2.Maurice werkt thuis.
      3.Philippe rijdt naar school.
      4.U schrijft een brief.
      5.Jij denkt te veel.
      6.Wij kopen groente.
      7.Hij zoekt werk.
      8.Peter kijkt TV.
      9. Maurice en Philippe geven les.
      10.Ik maak huiswerk.

    • 1. Ik ga naar huis
      2. Maurice werkt thuis
      3. Philippe rijdt naar school
      4. U schrijft een brief
      5. Jij denkt te veel
      6. Wij kopen groente
      7. Hij zoekt werk
      8. Peter kijkt TV
      9. Maurice en Philippe geven les
      10. Ik maak huiswerk

    • 1. Ik ga naar huis
      2. Maurice werkt thuis
      3. Philippe rijdt naar school
      4. U schrijft een brief
      5. Jij denkt te veel
      6. Wij kopen groente
      7. Hij zoekt werk
      8. Peter kijkt TV
      9. Maurice en Philippe geven les
      10. Ik maak huiswerk

    • 1.Ik ga naar huis
      2.Maurice werkt thuis
      3.Philippe rijdt naar school
      4.U schrijft een brief
      5.Jij denkt te veel
      6.Wij kopen groente (kopen)
      7.Hij zoekt werk
      8.Peter kijkt TV
      9. Maurice en Philippe geven les
      10.Ik maak huiswerk

    • 1. Ik ga naar huis.
      2. Maurice werkt thuis.
      3. Philippe rijdt naar school.
      4. U schrijft een brief.
      5. Jij denkt te veel.
      6. Wij kopen groente.
      7. Hij zoekt werk.
      8. Peter kijkt TV.
      9. Maurice en Philippe geven les.
      10. Ik maak huiswerk.

    • 1. Ik ga naar huis
      2. Maurice werkt thuis
      3. Philippe rijdt naar school
      4. U schrijft een brief
      5. Jij denkt te veel
      6. Wij kopen groente
      7. Hij zoekt werk
      8. Peter kijkt TV
      9. Maurice en Philippe geven les
      10. Ik maak huiswerk

    • 1. Ik ga naar huis.
      2. Maurice werkt thuis.
      3. Philippe rijdt naar school.
      4. U schrijft een brief.
      5. Jij denkt te veel.
      6. Wij kopen groente.
      7. Hij zoekt werk.
      8. Peter kijkt TV.
      9. Maurice en Philippe geven les.
      10. Ik maak huiswerk.

    • 1. Ik ga naar huis.
      2. Maurice werkt thuis.
      3. Philippe rijdt naar school.
      4. U schrijft een brief.
      5. Jij denkt te veel.
      6. Wij kopen groente.
      7. Hij zoekt werk.
      8. Peter kijkt TV.
      9. Maurice en Philippe geven les.
      10. Ik maak huiswerk.

    • 1. Ik ga naar huis.
      2. Maurice werkt thuis.
      3. Philippe rijdt naar school.
      4. U schrijft een brief.
      5. Jij denkt te veel.
      6. Wij kopen groente.
      7. Hij zoekt werk.
      8. Peter kijkt TV.
      9. Maurice en Philippe geven les.
      10. Ik maak huiswerk.

    • 1. Ik ga naar huis.
      2. Maurice werkt thuis.
      3. Philippe rijdt naar school.
      4. U schrijft een brief.
      5. Jij denkt te veel.
      6. Wij kopen groente.
      7. Hij zoekt werk.
      8. Peter kijkt TV.
      9. Maurice en Philippe geven les.
      10. Ik maak huiswerk.

    • 1. Ik ga naar huis.
      2. Maurice werkt thuis.
      3. Philippe rijdt naar school.
      4. U schrijft een brief.
      5. Jij denkt te veel.
      6. Wij kopen groente.
      7. Hij zoekt werk.
      8. Peter kijkt TV.
      9. Maurice en Philippe geven les.
      10. Ik maak huiswerk.

    • 1. Ik ga naar huis.
      2. Maurice werkt thuis.
      3. Philippe rijdt naar school.
      4. U schrijft een brief.
      5. Jij denkt te veel.
      6. Wij kopen groente.
      7. Hij zoekt werk.
      8. Peter kijkt TV.
      9. Maurice en Philippe geven les.
      10. Ik maak huiswerk.

    • 1. Ik ga naar huis.
      2. Maurice werkt thuis.
      3. Philippe rijdt naar school.
      4. U schijft een brief.
      5. Jij denkt te veel.
      6. Wij kopen groente.
      7. Hij zoekt werk.
      8. Peter kijkt TV.
      9. Maurice en Philippe geven les.
      10. Ik maak huiswerk.

    • 1. Ik ga naar huis.
      2. Maurice werkt thuis.
      3. Philippe rijdt naar school.
      4. U schrijft een brief.
      5. Jij denkt te veel.
      6. Wij kopen groente.
      7. Hij zoekt werk.
      8. Peter kijkt TV.
      9. Maurice en Philippe geven les.
      10. Ik maak huiswerk.

    • 1. Ik ga naar huis
      2. Maurice werkt thuis
      3. Philippe rijdt naar school
      4. U schrijft een brief
      5. Jij denkt te veel
      6. Wij Kopen groente
      7. Hij Zoekt werk
      8. Peter kijkt TV
      9. Maurice en Philippe geven les
      10. Ik maak huiswerk

    • 1. Ik ga naar huis.
      2. Maurice werkt thuis.
      3. Philippe rijdt naar school.
      4. U schijft een brief.
      5. Jij denkt te veel.
      6. Wij kopen groente.
      7. Hij zoekt werk.
      8. Peter kijkt TV.
      9. Maurice en Philippe geven les.
      10. Ik maak huiswerk.

    • 1.Ik ga naar huis .
      2.Maurice werkt thuis .
      3.Philippe rijdt naar school .
      4.U schrijvt een brief .
      5.Jij denkt te veel .
      6.Wij kopen groente.
      7.Hij zoekt werk.
      8.Peter kijkt TV .
      9. Maurice en Philippe geven les.
      10.Ik maak huiswerk.

    • 1. Ik ga naar huis
      2. Maurice werkt thuis
      3. Philippe rijdt naar school
      4. U schrijft een brief
      5. Jij denkt te veel
      6. Wij Kopen groente
      7. Hij Zoekt werk
      8. Peter kijkt TV
      9. Maurice en Philippe geven les
      10. Ik maak huiswerk

    • 1.Ik ga naar huis
      2.Maurice werkt thuis
      3.Philippe rijdt naar school
      4.U schrijft een brief
      5.Jij denkt te veel
      6.Wij kopen groente
      7.Hij zoekt werk
      8.Peter kijkt TV
      9. Maurice en Philippe geven les
      10.Ik maak huiswerk

    • 1.Ik ga naar huis.
      2.Maurice werkt thuis.
      3.Philippe rijdt naar school.
      4.U schrijft een brief.
      5.Jij denkt te veel.
      6.Wij kopen groente.
      7.Hij zoekt werk.
      8.Peter kijkt tv.
      9. Maurice en Philippe geven les.
      10.Ik maak huiswerk.

    • 1. Ik ga naar huis.
      2. Maurice werkt thuis.
      3. Philippe rijdt naar school.
      4. U schrijft een brief.
      5. Jij denkt te veel.
      6. Wij kopen groente.
      7. Hij zoekt werk.
      8. Peter kijkt tv.
      9. Maurice en Philippe geven les.
      10. Ik maak huiswerk.

    • 1. Ik ga naar huis.
      2. Maurice werkt thuis.
      3. Philippe rijdt naar school.
      4. U schrijft een brief.
      5. Jij denkt te veel.
      6. Wij kopen groente.
      7. Hij zoekt werk.
      8. Peter kijkt TV.
      9. Maurice en Philippe geven les.
      10. Ik maak huiswerk.

    • 1.Ik ga naar huis.
      2.Maurice werkt thuis.
      3.Philippe rijdt naar school.
      4.U schrijft een brief.
      5.Jij denkt te veel.
      6.Wij kopen groente.
      7.Hij zoekt werk.
      8.Peter kijkt TV.
      9.Maurice en Philippe geven les.
      10.Ik maak huiswerk.

    • 1. Ik ga naar huis.
      2. Maurice werkt thuis.
      3. Philippe rijdt naar school.
      4. U schrijft een brief.
      5. Jij denkt te veel.
      6. Wij kopen groente.
      7. Hij zoekt werk.
      8. Peter kijkt TV.
      9. Maurice en Philippe geven les.
      10. Ik maak huiswerk.

    • 1. Ik ga naar huis.

      2. Maurice werkt thuis.

      3. Philippe rijdt naar school.

      4. U schrijft een brief.

      5. Jij denkt te veel.

      6. Wij kopen groente.

      7. Hij zoekt werk.

      8. Peter kijkt tv.

      9. Maurice en Philippe geven les.

      10. Ik maak huiswerk.

    • 1. Ik ga naar huis
      2. Maurice werkt thuis
      3. Philippe rijdt naar school
      4. U schrijft een brief
      5, Jij denkt te veel
      6. Wij kopen groente
      7. Hij zoekt werk
      8. Peter kijkt TV
      9. Maurice en Philippe geven les
      10. Ik maak huiswerk

    • 1.Ik ga naar huis.
      2.Maurice werkt thuis.
      3.Philippe rijdt naar school.
      4.U schrijft een brief.
      5.Jij denkt te veel.
      6.Wij kopen groente.
      7.Hij zoekt werk.
      8.Peter kijkt TV.
      9. Maurice en Philippe geven les.
      10.Ik maak huiswerk.

    • 1.Ik ga naar huis.
      2.Maurice werkt thuis.
      3.Philippe rijdt naar school.
      4.U schrijft een brief.
      5.Jij denkt te veel.
      6.Wij kopen groente.
      7.Hij zoekt werk.
      8.Peter kijkt TV.
      9. Maurice en Philippe geven les.
      10.Ik maak huiswerk.

    • 1. Ik ga naar huis.
      2. Maurice werkt thuis.
      3. Philippe rijdt naar school.
      4. U schrijft een brief.
      5. Jij denkt te veel.
      6. Wij kopen groente.
      7. Hij zoekt werk.
      8. Peter kijkt TV.
      9. Maurice en Philippe geven les.
      10. Ik maak huiswerk.

    • 1.Ik ga naar huis
      2.Maurice werkt thuis
      3.Philippe rijdt naar school
      4.U schrijft een brief
      5.Jij denkt te veel
      6.Wij kopen groente
      7.Hij zoekt werk
      8.Peter kijkt TV
      9. Maurice en Philippe geven les
      10.Ik maak huiswerk

    • 1. Ik ga naar huis.
      2. Maurice werkt thuis.
      3. Philippe rijdt naar school.
      4. U schrijft een brief.
      5. Jij denkt te veel.
      6. Wij kopen groente.
      7. Hij zoekt werk.
      8. Peter kijkt TV.
      9. Maurice en Philippe geven les.
      10. Ik maak huiswerk.

    • 1.Ik ga naar huis
      2.Maurice werkt thuis
      3.Philippe rijdt naar school
      4.U schrijft een brief
      5.Jij denkt te veel
      6.Wij kopen groente
      7.Hij zoekt werk
      8.Peter kijkt TV
      9. Maurice en Philippe geven les
      10.Ik maak huiswerk

    • 1.Ik ga naar huis.
      2.Maurice werkt thuis.
      3.Philippe rijdt naar school.
      4. U schrijft een brief.
      5.Jij denkt te veel.
      6.Wij kopen groente.
      7.Hij zoekt werk.
      8.Peter kijkt TV .
      9. Maurice en Philippe geven les .
      10.Ik maak huiswerk.

    • 1. Ik ga naar huis (gaan)
      2. Maurice werkt thuis (werken)
      3. Philippe rijdt naar school (rijden)
      4. U schrijft een brief (schrijven)
      5. Jij denkt te veel (denken)
      6. Wij kopen groente (kopen)
      7. Hij zoekt werk (zoeken)
      8. Peter kijkt TV (kijken)
      9. Maurice en Philippe geven les (geven)
      10. Ik maak huiswerk (maken)

    • 1.Ik ga naar huis
      2.Maurice werkt thuis
      3.Philippe rijdt naar school
      4.U schrijft een brief
      5.Jij denkt te veel
      6.Wij kopen groente
      7.Hij zoekt werk
      8.Peter kijkt TV
      9.Maurice en Philippe geven les
      10.Ik maak huiswerk

    • 1.Ik ga naar huis.
      2.Maurice werkt thuis.
      3.Philippe rijdt naar school.
      4.U schrijft een brief.
      5.Jij denkt te veel.
      6.Wij kopen groente.
      7.Hij zoekt werk.
      8.Peter kijkt TV.
      9. Maurice en Philippe geven les.
      10.Ik maak huiswerk.

    • 1.Ik ga naar huis.
      2.Maurice werkt thuis.
      3.Philippe rijdt naar school.
      4.U schrijft een brief.
      5.Jij denkt te veel.
      6.Wij kopen groente.
      7.Hij zoekt werk.
      8.Peter kijkt TV.
      9. Maurice en Philippe geven les.
      10.Ik maak huiswerk.

    • 1. Ik ga naar huis.
      2. Maurice werkt thuis.
      3. Philippe rijdt naar school.
      4. U schrijft een brief.
      5. Jij denkt te veel.
      6. Wij kopen groente.
      7. Hij zoekt werk.
      8. Peter kijkt TV.
      9. Maurice en Philippe geven les.
      10. Ik maak huiswerk.

    • 1.Ik ga naar huis .
      2.Maurice werkt thuis.
      3.Philippe rijdt naar school.
      4.U schrijft een brief.
      5.Jij denkt te veel.
      6.Wij kopen groente.
      7.Hij zoekt werk.
      8.Peter kijkt TV.
      9. Maurice en Philippe geven les.
      10.Ik maak huiswerk.

    • 1.Ik ga naar huis.
      2.Maurice werkt thuis.
      3.Philippe rijdt naar school.
      4.U schrijft een brief.
      5.Jij denkt te veel.
      6.Wij kopen groente.
      7.Hij zoekt werk.
      8.Peter kijkt TV.
      9. Maurice en Philippe geven les.
      10.Ik maak huiswerk.

    • 1. Ik ga naar huis.
      2. Maurice werkt thuis.
      3. Philippe rijdt naar school.
      4. U schrijft een brief.
      5. Jij denkt te veel.
      6. Wij kopen groente.
      6. Hij zoekt werk.
      7. Peter kijkt tv.
      8. Maurice en Philippe geven les.
      9. Ik maak huiswerk.

    • 1.Ik ga naar huis.
      2.Maurice werkt thuis.
      3.Philippe rijdt naar school.
      4.U schrijft een brief.
      5.Jij denkt te veel.
      6.Wij kopen groente.
      7.Hij zoekt werk.
      8.Peter kijkt TV.
      9. Maurice en Philippe geven les.
      10.Ik maak huiswerk.

    • 1.Ik ga naar huis (gaan)
      2.Maurice werkt thuis (werken)
      3.Philippe rijdt naar school (rijden)
      4.U schrijft een brief (schrijven)
      5.Jij denkt te veel (denken)
      6.Wij kopen groente (kopen)
      7.Hij zoekt werk (zoeken)
      8.Peter kijkt TV (kijken)
      9. Maurice en Philippe geven les (geven)
      10.Ik maak huiswerk (maken)

    • 1.Ik ga naar huis (gaan)
      2.Maurice werkt thuis (werken)
      3.Philippe rijdt naar school (rijden)
      4.U schrijft een brief (schrijven)
      5.Jij denkt te veel (denken)
      6.Wij kopen groente (kopen)
      7.Hij zoekt werk (zoeken)
      8.Peter kijkt TV (kijken)
      9. Maurice en Philippe geven les (geven)
      10.Ik maak huiswerk (maken)

    • 1. Ik ga naar huis (gaan)
      2. Maurice werkt thuis (werken)
      3. Philippe rijdt naar school (rijden)
      4. U schrijft een brief (schrijven)
      5. Jij denkt te veel (denken)
      6. Wij kopen groente (kopen)
      7. Hij zoekt werk (zoeken)
      8. Peter kijkt TV (kijken)
      9. Maurice en Philippe geven les (geven)
      10. Ik maak huiswerk (maken)

    • 1. Ik ga naar huis.
      2. Maurice werkt thuis.
      3. Philippe rijdt naar school.
      4. U schrijft een brief.
      5. Jij denkt te veel.
      6. Wij kopen groente.
      7. Hij zoekt werk.
      8. Peter kijkt TV.
      9. Maurice en Philippe geven les.
      10. Ik maak huiswerk.

    • 1. Ik ga naar huis
      2. Maurice werkt thuis
      3. Philippe rijdt naar school
      4. U schrijft een brief
      5. Jij denkt te veel
      6. Wij kopen groente
      7. Hij zoekt werk
      8. Peter kijkt TV
      9. Maurice en Philippe geven les
      10. Ik maak huiswerk

    • 1. Ik ga naar huis
      2. Maurice werkt thuis,
      3. Philippe rijdt naar school.
      4. U schrijft een brief
      5. Jij denkt te veel.
      6. Wij kopen groente.
      7. Hij zoekt werk.
      8. Peter kijkt TV.
      9. Maurice en Philippe geven les.
      10. Ik maak huiswerk.

    • Ik ga naar huis
      Maurice werkt thuis
      Philippe rijdt naar school
      U schrijft een brief
      Jij denkt te veel
      Wij kopen groente
      Hij zoekt werk
      Peter kijkt TV
      Maurice en Philippe geven les
      Ik maak huiswer

    • 1. Ik ga naar huis (gaan)
      2. Maurice werkt thuis (werken)
      3. Philippe rijdt naar school (rijden)
      4. U schrijft een brief (schrijven)
      5. Jij denkt te veel (denken)
      6. Wij kopen groente (kopen)
      7. Hij zoekt werk (zoeken)
      8. Peter kijkt TV (kijken)
      9. Maurice en Philippe geven les (geven)
      10. Ik maak huiswerk (maken)

    • 1.Ik ga naar huis.
      2.Maurice werkt thuis.
      3.Philippe rijdt naar school.
      4.U schrijft een brief.
      5.Jij denkt te veel.
      6.Wij kopen groente.
      7.Hij zoekt werk.
      8.Peter kijkt TV.
      9. Maurice en Philippe geven les.
      10.Ik maak huiswerk.

    • 1.Ik ga naar huis.
      2.Maurice werkt thuis.
      3.Philippe rijdt naar school.
      4.U schrijft een brief.
      5.Jij denkt te veel.
      6.Wij kopen groente.
      7.Hij zoekt werk.
      8.Peter kijkt TV.
      9. Maurice en Philippe geven les.
      10.Ik maak huiswerk.

    • 1. Ik ga naar huis.
      2. Maurice werkt thuis.
      3. Philippe rijdt naar school.
      4.U schrijft een brief.
      5.Jij denkt te veel.
      6.Wij kopen groente.
      7.Hij zoekt werk.
      8.Peter kijkt TV.
      9. Maurice en Philippe geven les.
      10.Ik maak huiswerk.

    • 1.Ik ga naar huis
      2.Maurice werkt thuis
      3.Philippe rijdt naar school
      4.U schrijft een brief
      5.Jij drinkt te veel
      6.Wij kopen groente
      7.Hij zoekt werk
      8.Peter kijkt TV
      9. Maurice en Philippe geven les
      10.Ik maak huiswerk

    • 1. Ik ga naar huis.
      2. Maurice werkt thuis.
      3. Philippe rijdt naar school.
      4. U schrijft een brief.
      5. Jij denkt te veel.
      6. Wij kopen groente.
      7. Hij zoekt werk.
      8. Peter kijkt TV.
      9. Maurice en Philippe geven les.
      10. Ik maak huiswerk.

    • 1.Ik ga naar huis (gaan)
      2.Maurice werkt thuis (werken)
      3.Philippe rijdt naar school (rijden)
      4.U schrijft een brief (schrijven)
      5.Jij denkt te veel (denken)
      6.Wij kopen groente (kopen)
      7.Hij zoekt werk (zoeken)
      8.Peter kijkt TV (kijken)
      9. Maurice en Philippe geven les (geven)
      10.Ik maak huiswerk (maken)

    • 1.Ik ga naar huis (gaan)
      2.Maurice werkt thuis (werken)
      3.Philippe rijdt naar school (rijden)
      4.U schrijft een brief (schrijven)
      5.Jij denkt te veel (denken)
      6.Wij kopen groente (kopen)
      7.Hij zoekt werk (zoeken)
      8.Peter kijkt TV (kijken)
      9. Maurice en Philippe geven les (geven)
      10.Ik maak huiswerk (maken)

    • 1. Ik ga naar huis.
      2. Maurice werkt thuis.
      3. Philippe rijdt naar school.
      4. U schrijft een brief.
      5. Jij denkt te veel.
      6. Wij kopen groente.
      7. Hij zoekt werk.
      8. Peter kijkt TV.
      9. Maurice en Philippe geven les.
      10. Ik maak huiswerk.

    • 1. Ik ga naar huis. (gaan)

      2. Maurice werkt thuis. (werken)

      3. Philippe rijdt naar school. (rijden)

      4. U schrijft een brief. (schrijven)

      5. Jij denkt te veel. (denken)

      6. Wij kopen groente. (kopen)

      7. Hij zoekt werk. (zoeken)
      8. Peter kijkt TV. (kijken)

      9. Maurice en Philippe geven les. (geven)

      10. Ik maak huiswerk. (maken)

    • 1. Ik ga naar huis.
      2. Maurice werkt thuis.
      3. Philippe rijdt naar school.
      4. U schrijft een brief.
      5. Jij denkt te veel.
      6. Wij kopen groente.
      7. Hij zoekt werk.
      8. Peter kijkt TV.
      9. Maurice en Philippe geven les.
      10. Ik maak huiswerk.

    • 1.Ik ga naar huis (gaan)

      2.Maurice werkt thuis (werken)

      3.Philippe rijdt naar school (rijden)

      4.U schrijft een brief (schrijven)

      5.Jij denkt te veel (denken)

      6.Wij kopen groente (kopen)

      7.Hij zoekt werk (zoeken)
      8.Peter kijkt TV (kijken)

      9. Maurice en Philippe geven les (geven)

      10.Ik maak huiswerk (maken)

    • 1. Ik ga naar huis
      2. Maurice werkt thuis
      3. Philippe rijdt naar school
      4. U schrijft een brief
      5. Jij denkt te veel
      6. Wij kopen groente
      7. Hij zoekt werk
      8. Peter kijkt TV
      9. Maurice en Philippe geven les
      10. Ik maak huiswerk

    • 1.Ik ga naar huis
      2.Maurice werkt thuis
      3.Philippe rijdt naar school
      4.U schrijft een brief
      5.Jij denkt te veel
      6.Wij kopen groente
      7.Hij zoekt werk
      8.Peter kijkt TV
      9. Maurice en Philippe geven les
      10.Ik maak huiswerk

    • 1. Ik ga naar huis.
      2. Maurice werkt thuis.
      3. Philippe rijdt naar school.
      4. U schrift een brief.
      5. Jij denkt te veel.
      6. Wij kopen groente.
      7. Hij zoekt werk.
      8. Peter kijkt TV.
      9. Maurice en Philippe geven les.
      10. Ik maak huiswerk.

    • 1. Ik ga naar huis.
      2. Maurice werkt thuis.
      3. Philippe rijdt naar school.
      4. U schrijft een brief.
      5. Jij denkt te veel.
      6. Wij kopen groente.
      7. Hij zoekt werk.
      8. Peter kijkt TV.
      9. Maurice en Philippe geven les.
      10. Ik maak huiswerk.

    • 1. Ik ga naar huis (gaan)
      2. Maurice werkt thuis (werken)
      3. Philippe rijdt naar school (rijden)
      4. U schrijft een brief (schrijven)
      5. Jij denkt te veel (denken)
      6. Wij kopen groente (kopen)
      7. Hij zoekt werk (zoeken)
      8. Peter kijkt TV (kijken)
      9. Maurice en Philippe geven les (geven)
      10. Ik maak huiswerk (maken)

    • 1.Ik ga naar huis (gaan)
      2.Maurice werkt thuis (werken)
      3.Philippe rijdt naar school (rijden)
      4.U schrijft een brief (schrijven)
      5.Jij denkt te veel (denken)
      6.Wij kopen groente (kopen)
      7.Hij zoekt werk (zoeken)
      8.Peter kijkt TV (kijken)
      9. Maurice en Philippe geven les (geven)
      10. Ik maak huiswerk (maken)

    • 1.Ik ga naar huis (gaan)
      2.Maurice werkt thuis (werken)
      3.Philippe rijdt naar school (rijden)
      4.U schrijft een brief (schrijven)
      5.Jij denkt te veel (denken)
      6.Wij kopen groente (kopen)
      7.Hij zoekt werk (zoeken)
      8.Peter kijkt TV (kijken)
      9. Maurice en Philippe geven les (geven)
      10.Ik maak huiswerk (maken)

    • 1.Ik ga naar huis (gaan)

      2.Maurice werkt thuis (werken)

      3.Philippe rijdt naar school (rijden)

      4.U schrijft een brief (schrijven)

      5.Jij denkt te veel (denken)

      6.Wij kopen groente (kopen)

      7.Hij zoekt werk (zoeken)

      8.Peter kijkt TV (kijken)

      9. Maurice en Philippe geven les (geven)

      10.Ik maak huiswerk (maken)

    • 1. Ik ga naar huis.
      2. Maurice werkt thuis.
      3. Philippe rijdt naar school.
      4. U schrijft een brief.
      5. Jij denkt te veel.
      6. Wij kopen groente.
      7. Hij zoekt werk.
      8. Peter kijkt TV.
      9. Maurice en Philippe geven les.
      10. Ik maak huiswerk.

    • 1. Ik ga naar huis
      2. Maurice werkt thuis
      3. Philippe rijdt naar school
      4. U schrijft een brief
      5. Jij denkt te veel
      6. Wij kopen groente
      7. Hij zoekt werk
      8. Peter kijkt TV
      9. Maurice en Philippe geven les
      10. Ik maak huiswerk

    • 1. Ik ga naar huis.
      2. Maurice werkt thuis.
      3. Philippe rijdt naar school.
      4. U schrijft een brief.
      5. Jij denkt te veel.
      6. Wij kopen groente.
      7. Hij zoekt werk.
      8. Peter kijkt TV.
      9. Maurice en Philippe geven les.
      10. Ik maak huiswerk.

    • 1.Ik ga naar huis.
      2.Maurice werkt thuis.
      3.Philippe rijdt naar school.
      4.U schrijft een brief.
      5.Jij denkt te veel.
      6.Wij kopen groente.
      7.Hij zoekt werk.
      8.Peter kijkt TV.
      9. Maurice en Philippe geven les.
      10.Ik maak huiswerk.

    • 1. Ik ga naar huis.
      2. Maurice werkt thuis.
      3. Philippe rijdt naar school.
      4. U schrijft een brief.
      5. Jij denkt te veel.
      6. Wij kopen groente.
      7. Hij zoekt werk.
      8. Peter kijkt TV.
      9. Maurice en Philippe geven les.
      10. Ik maak huiswerk.

    • 1.Ik ga naar huis.
      2.Maurice werkt thuis.
      3.Philippe rijdt naar school.
      4.U schrijft een brief.
      5.Jij denkt te veel.
      6.Wij kopen groente.
      7.Hij zoekt werk.
      8.Peter kijkt TV.
      9. Maurice en Philippe geven les.
      10.Ik maak huiswerk.

    • 1. Ik ga naar huis.
      2. Maurice werkt thuis.
      3. Philippe rijdt naar school.
      4. U schrijft een brief.
      5. Jij denkt te veel.
      6. Wij kopen groente.
      7. Hij zoekt werk.
      8. Peter kijkt TV.
      9. Maurice en Philippe geven les.
      10. Ik maak huiswerk.

    • 1.Ik ga naar huis (gaan)

      2.Maurice werkt thuis (werken)

      3.Philippe rijdt naar school (rijden)

      4.U schrijft een brief (schrijven)

      5.Jij denkt te veel (denken)

      6.Wij kopen groente (kopen)

      7.Hij zoekt werk (zoeken)

      8.Peter kijkt TV (kijken)

      9. Maurice en Philippe geven les (geven)

      10.Ik maak huiswerk (maken)

    • 1.Ik ga naar huis (gaan)
      2.Maurice werkt thuis (werken)
      3.Philippe rijdt naar school (rijden)
      4.U schrijft een brief (schrijven)
      5.Jij dinkt te veel (denken)
      6.Wij kopen groente (kopen)
      7.Hij zoekt werk (zoeken)
      8.Peter Kijkt TV (kijken)
      9. Maurice en Philippe geven les (geven)
      10.Ik maak huiswerk (maken)

    • 1.Ik ga naar huis (gaan)
      2.Maurice werkt thuis (werken)
      3.Philippe rijdt naar school (rijden)
      4.U schrijft een brief (schrijven)
      5.Jij dinkt te veel (denken)
      6.Wij kopen groente (kopen)
      7.Hij zoekt werk (zoeken)
      8.Peter Kijkt TV (kijken)
      9. Maurice en Philippe geven les (geven)
      10.Ik maak huiswerk (maken)

    • 1.Ik ga naar huis
      2.Maurice werkt thuis
      3.Philippe rijdt naar school
      4.U schrijft een brief
      5.Jij denkt te veel
      6.Wij kopen groente
      7.Hij zoekt werk
      8.Peter kijkt TV
      9. Maurice en Philippe geven les
      10.Ik maak huiswerk

    • 1.Ik ga naar huis (gaan)
      2.Maurice werkt thuis (werken)
      3.Philippe rijdt naar school (rijden)
      4.U schrijft een brief (schrijven)
      5.Jij denkt te veel (denken)
      6.Wij kopen groente (kopen)
      7.Hij zoekt werk (zoeken)
      8.Peter kijkt TV (kijken)
      9. Maurice en Philippe geven les (geven)
      10.Ik maak huiswerk (maken)

    • 1.Ik ga naar huis (gaan)
      2.Maurice werkt thuis (werken)
      3.Philippe rijdt naar school (rijden)
      4.U schrijft een brief (schrijven)
      5.Jij denkt te veel (denken)
      6.Wij kopen groente (kopen)
      7.Hij zoekt werk (zoeken)
      8.Peter kijkt TV (kijken)
      9. Maurice en Philippe geven les (geven)
      10.Ik maak huiswerk (maken)

    • 1.Ik…ga……naar huis (gaan)
      2.Maurice…werkt….. thuis (werken)
      3.Philippe……rijdt…naar school (rijden)
      4.U……schrijft………..een brief (schrijven)
      5.Jij……denkt………..te veel (denken)
      6.Wij……kopen………groente (kopen)
      7.Hij……zoekt…….werk (zoeken)
      8.Peter……kijkt…….TV (kijken)
      9. Maurice en Philippe………geven…….les (geven)
      10.Ik……maak……….huiswerk (maken)

    • 1. Ik ga naar huis (gaan)
      2. Maurice werkt thuis (werken)
      3. Philippe rijdt naar school (rijden)
      4. U schrijft een brief (schrijven)
      5. Jij denkt te veel (denken)
      6. Wij kopen groente (kopen)
      7. Hij zoekt werk (zoeken)
      8. Peter kijkt tv (kijken).
      9. Maurice en Philippe geven les (geven)
      10. Ik maak huiswerk (maken)

    • 1.Ik ga naar huis (gaan)
      2.Maurice werkt thuis (werken)
      3.Philippe rijdt naar school (rijden)
      4.U schrijft een brief (schrijven)
      5.Jij denkt te veel (denken)
      6.Wij kopen groente (kopen)
      7.Hij zoekt werk (zoeken)
      8.Peter kijkt TV (kijken)
      9. Maurice en Philippe geven les (geven)
      10.Ik maak huiswerk (maken)

    • 1. Ik ga naar huis (gaan).
      2. Maurice werkt thuis (werken).
      3. Philippe rijdt naar school (rijden).
      4. U schrijft een brief (schrijven).
      5. Jij denkt te veel (denken).
      6. Wij kopen groente (kopen).
      7. Hij zoekt werk (zoeken).
      8. Peter kijkt TV (kijken).
      9. Maurice en Philippe geven les (geven).
      10. Ik maak huiswerk (maken).

    • 1. Ik ga naar huis. (gaan)
      2. Maurice werkt thuis. (werken)
      3. Philippe rijdt naar school. (rijden)
      4. U schrijft een brief. (schrijven)
      5. Jij denkt te veel. (denken)
      6. Wij kopen groente. (kopen)
      7. Hij zoekt werk. (zoeken)
      8. Peter kijkt TV. (kijken)
      9. Maurice en Philippe geven les. (geven)
      10. Ik maak huiswerk. (maken)

    • 1.Ik ga naar huis
      2.Maurice werkt thuis
      3.Philippe rijdt naar school
      4.U schrijft een brief
      5.Jij denkt te veel
      6.Wij kopen groente
      7.Hij zoekt werk
      8.Peter kijkt TV
      9. Maurice en Philippe geven les
      10.Ik maak huiswerk

    • 1.Ik ga naar huis.
      2.Maurice werkt thuis.
      3.Philippe rijdt naar school.
      4.U schrijft een brief.
      5.Jij denkt te veel.
      6.Wij kopen groente.
      7.Hij zoekt werk.
      8.Peter kijkt TV.
      9. Maurice en Philippe geven les.
      10.Ik maak huiswerk.

    • 1. Ik ga naar huis.

      2. Maurice werkt thuis.

      3. Phillip rijdt naar school.

      4. U schrijft een brief

      5. Jij denkt te veel.

      6. Wij kopen groente.

      7. Hij zoekt werk.

      8. Peter kijkt TV.

      9. Maurice en Philippe geven les.

      10. Ik maak huiswerk.

    • 1.Ik ga naar huis (gaan)
      2.Maurice werkt thuis (werken)
      3.Philippe rijdt naar school (rijden)
      4.U schrijft een brief (schrijven)
      5.Jij denk te veel (denken)
      6.Wij kopen groente (kopen)
      7.Hij zoekt werk (zoeken)
      8.Peter kijkt TV (kijken)
      9. Maurice en Philippe geven les (geven)
      10.Ik maak huiswerk (maken)

    • 1) ik ga naar huis
      2) Maurice werkt thuis
      3) phillipe rijdt naar school
      4) U schrijft een brief
      5) Jij denkt te veel
      6) Wij kopen groente
      7) Hij zoekt werk
      8) Peter kijkt TV
      9) Maurice en Phillipe geven les
      10) Ik maak huiswerk

    • 1. Ik ga naar huis (gaan)
      2. Maurice werkt thuis (werken)
      3. Philippe rijdt naar school (rijden)
      4. U schrijft een brief (schrijven)
      5. Jij denkt veel (denken)
      6. Wij kopen groente (kopen)
      7. Hij zoekt werk (zoeken)
      8. Peter kijkt tv (kijken)
      9. Maurice en Philippe geven les (geven)
      10. Ik maak huiswerk (maken)

    • 1.Ik ga naar huis (gaan)

      2.Maurice werkt thuis (werken)

      3.Philippe rijdt naar school (rijden)

      4.U schrijft ****een brief (schrijven)

      5.Jij denkt te veel (denken)

      6.Wij kopen groente (kopen)

      7.Hij zoekt werk (zoeken)

      8.Peter kijkt TV (kijken)

      9. Maurice en Philippe geven les (geven)

      10.Ik maak huiswerk (maken)

    • 1.Ik ga naar huis (gaan)
      2.Maurice werkt thuis (werken)
      3.Philippe rijdt naar school (rijden)
      4.U schrijft een brief (schrijven)
      5.Jij denkt te veel (denken)
      6.Wij kopen groente (kopen)
      7.Hij zoekt werk (zoeken)
      8.Peter kijkt TV (kijken)
      9. Maurice en Philippe geven les (geven)
      10.Ik mak huiswerk (maken)

    • 1.Ik ga naar huis (gaan)
      2.Maurice werkt thuis (werken)
      3.Philippe rijdt naar school (rijden)
      4.U schrijft een brief (schrijven)
      5.Jij denkt te veel (denken)
      6.Wij kopen groente (kopen)
      7.Hij zoekt werk (zoeken)
      8.Peter kijkt TV (kijken)
      9. Maurice en Philippe geven les (geven)
      10.Ik maak huiswerk (maken)

    • 1.Ik ga naar huis (gaan)
      2.Maurice werkt thuis (werken)
      3.Philippe rijdt naar school (rijden)
      4.U schrijft een brief (schrijven)
      5.Jij denkt te veel (denken)
      6.Wij kopen groente (kopen)
      7.Hij zoekt werk (zoeken)
      8.Peter kijkt TV (kijken)
      9. Maurice en Philippe geven les (geven)
      10.Ik maak huiswerk (maken)

    • 1. Ik ga naar huis
      2. Maurice werkt thuis
      3. Philippe rijdt naar school.
      4. U schrijft een brief.
      5. Jij denkt te veel
      6. Wij kopen groente
      7. Hij zoekt werk
      8. Peter kijkt TV
      9. Maurice en philippe geven les
      10. Ik mak huiswerk.

    • 1. Ik ga naar huis (gaan)
      2. Maurice werkt thuis (werken)
      3. Philippe rijdt naar school (rijden)
      4. U schrijft een brief (schrijven)
      5. Jij denkt te veel (denken)
      6. Wij kopen groente (kopen)
      7. Hij zoekt werk (zoeken)
      8. Peter kijkt TV (kijken)
      9. Maurice en Philippe geven les (geven)
      10. Ik maak huiswerk (maken)

    • 1.Ik ga naar huis (gaan)
      2.Maurice werkt thuis (werken)
      3.Philippe rijdt naar school (rijden)
      4.U schrijft een brief (schrijven)
      5.Jij denkt te veel (denken)
      6.Wij kopen groente (kopen)
      7.Hij zoekt werk (zoeken)
      8.Peter kijkt TV (kijken)
      9. Maurice en Philippe geven les (geven)
      10.Ik maak huiswerk (maken)

    • 1. Ik ga naar huis (gaan)
      2. Maurice werkt thuis (werken)
      3. Philippe rijdt naar school (rijden)
      4. U schrijft een brief (schrijven)
      5. Jij denkt te veel (denken)
      6. Wij kopen groente (kopen)
      7. Hij zoekt werk (zoeken)
      8. Peter kijkt TV (kijken)
      9. Maurice en Philippe geven les (geven)
      10. Ik maak huiswerk (maken)

    • 1. Ik gaan naar huis (gaan)
      2. Maurice werkt thuis (werken)
      3.Philippe rijdt naar school (rijden)
      4.U schrijft een brief (schrijven)
      5.Jij denkt veel (denken)
      6.Wij kopen groente (kopen)
      7.Hij zoekt werk (zoeken)
      8.Peter kijkt TV (kijken)
      9. Maurice en Philippe geven les (geven)
      10.Ik maak huiswerk (maken)

    • 1.Ik ga naar huis (gaan)
      2.Maurice werkt thuis (werken)
      3.Philippe rijdt naar school (rijden)
      4.U schrijft een brief (schrijven)
      5.Jij denkt te veel (denken)
      6.Wij kopen groente (kopen)
      7.Hij zoekt werk (zoeken)
      8.Peter kijkt TV (kijken)
      9. Maurice en Philippe geven les (geven)
      10.Ik maak huiswerk (maken)

  • Load More Posts