Dutch Course Eindhoven A1 Homework Answers Group

  • Public Group
  • 16 hours, 24 minutes ago
  • 105

    Posts

  • 183

    Members

  • Boek👍
    Maak 10-15 zinnen.
    Gebruik nummers: 1,2,3…
    Please do not post recipes. Answers only! Plaats jouw antwoorden hieronder:

    104 Comments
    • 1. snel naar het kantoor
      2. het rapport
      4. Zij eet haar maaltijd…

      …

      3. schrijft

    • 1…vanavond schoonmaken.
      2. morgen een hond

      9..voor jou nu een boek kopen.
      10. heeft

      11. ..veel harde muziek.
      13..om te lezen.

    • 4..vaak met mijn auto
      5..vandaag met (in) zijn auto

    • 3…vaak in die bibliotheek

    • 2..vaak met/in die auto’s

    • E
      1. Ik bel mijn ouders elke dag.
      2. Jij leest het boek soms.
      3. Zij houdt zeker van haar man.
      F
      4. Hij eet vaak pizza.
      5. Ik kijk nu een film.
      6. Jullie staan binnen huis.
      7. Ik bak vandaag een taart.
      N
      8. Ik heb weinig vrienden.
      9. Jij hebt veel boeken.
      10. Wij drinken meer water.

    • 1. Ik eet mijn ontbijt later.
      2. Ik maak haar huiswerk soms.
      3. Ik kom naar jouw studio volgende week.
      4. Ik krijg de fiets nu
      5. Ik lees het boek elke dag.
      1. Ik eet nu ontbijt
      2. Ik maak altijd huiswerk
      3. Ik zie zelden mensen.
      4. Ik krijg nu een fiets.
      5. Ik lees soms een boek.
      1. Ik eet minder ontbijt.
      2. Ik maak veel huiswerk.
      3. Ik…Read More

    • Recept E
      1. Ik werk thuis vaak.
      2. Ik rijd de auto snel.
      3. Ik maak mijn huiswerk altijd.
      4. Zij ontmoet mij elke dag.
      5. Hij eet de stroopwafel nu.

      Recept F
      1. Ik eet al een taart.
      2. Ze neemt regelmatig het vliegtuig.
      3. Hij koopt nooit een auto.
      4. Hij drinkt snel thee.
      5. Wij kijken soms films.

      Recept N:
      1. Hij heeft genoeg werk.
      2. Ik heb…Read More

    • Recept E:
      1. Ik maak mijn huiswerk nog steeds
      2. Ik woon in dat huis niet meer.
      3. Ik heb mijn huiswerk nog niet gedaan.
      4. Dat is de reden niet meer
      5. Ik maak het huiswerk graag.


      Recept F:
      1. Ik maak nog een opdracht
      2. Ik heb geen verplichtingen meer
      3. Zij hebben al geld
      4. Jij hebt zelden afspraken
      5. Zij koopt nog een auto


      Recept N:…Read More

    • Recept E
      1. Ik doe mijn boodschappen daar.
      2. Wij hebben ons eten vanavond.
      3. Jullie maken jullie huiswerk later.
      4. Ze rookt haar sigaret buiten.
      5. Hij drinkt zijn koffie snel.

      Recept F
      1. Jij bakt vaak tarten.
      2. Jullie drinken zelden thee.
      3. Zij heeft hier eten.
      4. Ik drink nu water.
      5. Hij drinkt later koffie.

      Recept N
      1. Ik drink…Read More

    • Recept E

      1. Ik ga regelmatig naar de sportschool.
      2. Wij hebben de auto onlangs.
      3. Hij betaalt de rekening al.
      4. Ik bezoek mijn vriend vaak.
      5. Ik lees mijn favoriete auteur vaak.

      Recept F

      1. Ik bezoek zelden vrienden.
      2. Wij bakken gisteravond een taart.
      3. Hij maakt al huiswerk.
      4. Jullie drinken buiten bier.
      5. Zij schrijft later…Read More

    • Recept E
      1. Jullie dragen deze jassen regelmatig.
      2. Hij bezoekt het kantoor af en toe.
      3. Wij lezen het boek vaak
      4. Ik drink dit sap elke dag.
      5. U neemt de trein vaak.

      Recept F
      1. Zij kookt vaak avondeten.
      2. Hij leest elke dag boeken.
      3. Ik begrijp soms Nederlands.
      4. Zij draagt meestal blauwe kleding.
      5. Hij zingt altijd liedjes.

      Recept…Read More

    • 1-Ik werk altijd thuis.
      2. Je drinkt te snel koffie.
      3. We zien die hond overal.
      4. Ik kijk die film vaak.
      5. Ik dans ook ballet.
      6. Ze eet vaak groenten.
      7. Je hebt genoeg tijd.
      8. Hij komt naar mijn huis vroeg.
      9. Ik werd bijna ontslagen.
      10. Ik ben heel moe.
      11. Je hebt minder mogelijkheden.
      12. ik maak mijn huiswerk nu.
      13. Wij hebben…Read More

    • 1. Ik maak mijn huiswerk graag.
      2. Zij kijken de film vaak.
      3. Hij rijden zijn auto snel.
      4. De leraar geeft dit hoge cijfer nog niet.
      5. Het kind opent haar licht altijd.
      6. Hij drinkt vaak veel bier.
      7. Zij speelt graag bordspellen.
      8. We drinken nog een kopje koffie in dit cafe.
      9. Ik doe elke week boodschappen.
      10. Ik noteer meestal een nieuw…Read More

    • 1. Ik lees het boek nu.
      2. Hij maakt vanavond stamppot.
      3. Zij gebruikt veel water.
      4. Ik krijg het aanbod gelukkig.
      5. Wij kijken graag films.
      6. Ik ga later naar kantoor.
      7. Hij eet mijn broodje kwaad.
      8. Ik speel snel een spel.
      9. Wij kopen veel rijst.
      10. Ik ken deze hond nauwelijks.
      11. Zij streamt straks een game.
      12. Ik begrijp al onze opdrachten.

    • Recept E
      1. Hij wast zijn fiets vaak.
      2. Zij poetst de woonkamer vandaag.
      3. Wij ontmoeten onze vrienden regelmatig.
      4. Zij tekenen het schilderij snel.
      5. Jij speelt deze game altijd.
      Recept F
      6. Ik lees zelden een krant.
      7. U heeft misschien een cadeau.
      8. Jullie gaan morgen op vakantie.
      9. Zij betalen elke maand een appartement.
      10. Hij kijkt…Read More

    • Recept E:
      1. Ik koop deze koffie elke dag.
      2. Jij kijkt de film af en toe.
      3. Hij drinkt de thee regelmatig.
      4. Zij verhuurt de auto morgen.
      5. Wij koken de eieren vaak.

      Recept F:
      1. Ik koop elke dag koffie.
      2. Jij kijkt af en toe een film.
      3. Hij drinkt regelmatig thee.
      4. Zij verhuurt morgen een auto.
      5. Wij koken vaak eieren.

      Recept N:
      1. Ik…Read More

    • RECEPT E:
      1. Je maakt het huiswerk graag.
      2. Ik zie het huis misschien.
      3. Hij kijkt de film later.
      4. Wij eten het brood graag.
      5. Ik heb mijn tas al.

      RECEPT F:
      1. Ik eet vaak pizza.
      2. Hij drinkt nooit bier.
      3. Ik heb nog een huis.
      4. Ze drinken hier water.
      5. Wij maken alle huiswerk.

      Recept N:
      1. Ik heb veel huiswerk.
      2. Je hebt genoeg…Read More

    • Recept E
      1. Ik lees dit boek elke dag.
      2. Zij koken de pizza thuis.
      3. Hij eet zijn boterham snel.
      4. Mijn broer repareert onze fiets.
      5. Wij zien die hond vaak.
      Recept F
      1. Ik lees elke dag een boek.
      2. Hij heeft veel geld.
      3. Wij kijken nu een film.
      4. Mijn moeder bakt vandaag een taart.
      5. Zij koopt nooit een auto.
      Recept N
      1. Ik heb veel…Read More

    • 1. Ik maak mijn huiswerk vandaag.
      2. Ik maak mijn ontbijt elke dag.
      3. Hij leert mijn taal ook.
      4. Wij horen jouw muziek zeker.
      5. Hij brengt zijn lunch soms.
      6. Zij spreekt al goed Nederlands.
      7. Ik drink elke dag thee.
      8. Ik lees vaak een boek.
      9. Ik drink nooit alcohol.
      10. Ik rijd meestal in een bus.
      11. Mijn broer heeft veel horloges.
      12. Ik…Read More

    • Recept E

      1. Ik doe mijn boodschappen morgen.
      2. Hij stuurt zijn pakketjes vaak.
      3. Wij eten ons ontbijt hier.
      4. Jullie kopen de mooie spullen altijd.

      Recept F
      1. Ik bestel vanavond een pizza.
      2. Hij heeft volgende week een afspraak.
      3. Wij kopen veel fruit.
      4. Zij beantwoordt nooit berichten.

      Recept N
      1. Ik koop meer melk.
      2. Zij drinkt…Read More

    • Recept E
      1. Ik lees dit boek vaak.
      2. Hij loopt naar mijn dorp zelden.
      3. Zij werkt met haar laptop zeker.
      4. Wij parkeren de auto nooit.
      5. Ik tel mijn munten later.
      Recept F
      6. Zij voeren altijd campagnes.
      7. Ik drink al water.
      8. De kinderen maken nooit huiswerk.
      9. Wij drinken af en toe biertjes.
      10. Wij dragen meestal klompen.
      Recept N
      11. Ik…Read More

    • Recept E:
      1. Je eet jouw boterham misschien.
      2. Ik maak mijn huiswerk altijd.
      3. Wij kopen dit huis zeker.
      4. Ze horen onze muziek ook.
      5. Ik begrijp mijn katten soms.
      Recept F:
      1. Ik eet alleen vlees.
      2. Ik drink altijd koffie.
      3. Ik drink soms alcohol.
      4. Ik kook zelden avondeten.
      5. Ik kook vaak eieren.
      Recept N:
      1. Ik eet veel vlees.
      2. Ik heb…Read More

    • Recept E
      1. Hij leest de Dutch Academy boek altijd.
      2. Ik organiseer de vergaderingen zelden.
      3. Zij zingt de zang soms.
      4. Wij bestellen de pizza nooit.
      5. Ik bel mijn familie elke dag.
      Recept F
      6. Ik maak vandaag een Italiaan eten.
      7. Wij studeren Nederlands vaak.
      8. Hij gebruikt een oude mobiele telefoon.
      9. Hij spelt piano altijd.
      10. Zij…Read More

    • E
      1. De jongen leest het boek snel.
      2. Mijn moeder kookt de soep hier.
      3. De leraar schrijft de zin langzaam.
      4. Het kind eet de appel altijd.
      5. Mijn opa drinkt de koffie daar.
      6. De studenten maken de toets snel.
      7. Jullie zien de film vanavond.
      8. Ik koop het brood hier.
      9. Jij zoekt de kat buiten.
      10. Wij wassen de auto vandaag.
      F
      11. De…Read More

    • – E –
      1. Ik koop die auto vandaag.
      2. Ze neemt haar sieraden weg.
      3. Hij onderzoekt mijn hond nu.
      4. Je wast haar jurk later.
      5. Ik wil de chocolade altijd.
      6. Ik help met jouw huiswerk zeker.
      7. Wij drinken de thee vaak.
      8. Ik speel op deze piano luid.
      9. Jullie zingen het lied vanavond.
      10. Ik zoek jouw zoon misschien
      – F –
      1. Ik zoek misschi…Read More

    • – E –
      1. Ik ga naar het feest vanavond.
      2. Hij rijdt de auto snel.
      3. Zij maakt de pasta vaak.
      4. Jullie hebben de les elke week.
      5. Wij doen de was morgen.

      – F –
      1. Ik maak elke dag schoon.
      2. Hij speelt altijd Mario Kart.
      3. Wij koken vaak Thaise kerrie,
      4. Zij koopt vandaag een fiets.
      5. Otto eet nooit rijst.

      – N –
      1. Ik heb weinig tijd…Read More

    • Recept E
      1. Jij leest de krant elke dag.
      2. Ik kom naar het ziekenhuis snel.
      3. Jullie eten het ontbijt hier.
      4. Hij koopt de auto vandaag.
      5. Zij draagt de rok ook.
      Recept F
      6. Wij doen vaak boodschappen.
      7. Ik ga later naar huis.
      8. Ik snijd meer appels.
      9. Jij schrijft langzaam met een pen.
      10. Jullie maken genoeg eten.
      Recept N
      11. Zij hebben…Read More

    • RECEPT E
      1. Ik drink het sinaasappelsap nu.
      2. Zij lezen het boek soms.
      3. Jullie kopen het huis misschien.
      4. Hij maakt die afspraak straks.
      5. Mijn baas kwetst de medewerkers regelmatig.

      RECEPT F
      1. Wij eten vaak een appel.
      2. Ik vind soms een oplossing.
      3. Wij sturen nu een e-mail.
      4. Ik lees snel een boek.
      5. Zij nemen straks een…Read More

    • E.
      1. Zij speelt haar piano elke dag.
      2. Ik doe mijn huiswerk altijd.
      3. Wij koken mijn favoriete pasta vandaag.
      4. Ik rijd mijn auto langzaam.
      5. Wij doen ons huiswerk vaak.

      F.
      1. Ik eet pizza elke dag.
      2. Hij rijdt snel in de auto.
      3. Ik maak morgen een afspraak.
      4. Wij koken vaak Indiase curry.
      5. Hij gaat later naar de bioscoop.

      N:
      1. Ik heb…Read More

    • Recept E
      1. Ik maak deze pasta vaak
      2. Ik moet naar de yogasessie volgende week
      3. Ik leest de krant elke dag
      4. Ik ga naar haar huis de laatste tijd
      5. Hij koopt de boodschappen elke dag
      Recept F
      1. Ik maak vaak pasta
      2. Zij koopt snel boodschappen
      3. Hij drinkt veel wijn
      4. Zij gaat gelukkig naar een dokter
      5. Hij komt hier voor een…Read More

    • Recept-E:
      1) Ik kook mijn voedsel elke dag.
      2) Hij drinkt dit appelsap soms.
      3) Ze bezoeken ons huis vanavond.
      4) Zij zwemt in het meer vaak.
      5) Hij verdwaalt in het bos altijd.

      Recept-F:
      1) Ik kook elke dag voedsel.
      2) Hij ziet soms televisie.
      3) Zij spelen vaak tennis.
      4) Jullie hebben minder geld.
      5) Zij zoekt naar een goede man.

      Recept-N:
      1)…Read More

    • 1. Ik bak het koekje vandaag.
      2. Hij eet het koekje altijd.
      3. Ik hoor deze radio soms.
      4. Wij drinken dat koffie vaak.
      5. Ik koop die groente altijd.

      Recept F
      1. Ik bak vandaag kokjes.
      2. Hij eet altijd koekjes.
      3. Ik hoor soms naar de radio.
      4. Wij drinken vaak koffie.
      5. Ik koop altijd groente.

      Recept N
      1. Ik heb genoeg werk.
      2. Ik heb minder…Read More

    • Recept E

      1. Hij bakt het brood elke dag.
      2. Wij wandelen in de tuin vaak.
      3. Jullie spelen het speelt altijd.
      4. Ik heb dit boek al gelezen.
      5. Jij leest haar boeken soms.

      Recept F

      6. Ik heb vaak pennen.
      7. Hij werkt soms thuis.
      8. Jullie koken vandaag hamburgers.
      9. Hij kijkt altijd films.
      10. Wij luisteren vaak naar muziek.

      Recept N

      11. Ik…Read More

    • Recept-E:
      1) Ik rijd mijn fiets regelmatig
      2) Zij drinkt de koffie elke dag.
      3) Ik afgemaakt mijn huiswerk gisteravond
      4) Ik maak mijn eten elke avond
      5) Hij maakt dat huiswerk snel.

      Recept-F:
      1) Ik ken een beetje Nederlands.
      2) Zij drinkt veel koffie
      3) Ik ga vanavond naar sportschool
      4) Zij hebben volgende week een afspraak
      5) Wij huren al en…Read More

    • Recept-E:
      1 – Ik ga naar het centrum elke dag.
      2 – Wij hebben de paraplu soms.
      3 – Zij eet haar toetje snel.
      4 – Ik schrijf deze letters soms.
      5 – Jullie poetsen die vazen schoon.

      Recept-F:
      1- Ik lees vaak boeken.
      2 – Jij koopt vandaag bloemen.
      3 – Wij eten hier pizza.
      4 – Zij schrijven soms brieven.
      5 – Jullie drinken snel koffie.

      Recept-N…Read More

    • 1. Ik drink vaak een glasje wijn.
      2. Ik draag elke dag een tas.
      3. Hij eet soms een boterham.
      4. Zij drinken meestal melk.
      5. Wij horen altijd een vogel.
      6. Ik stuur mijn auto elke dag.
      7. Ik drink deze melk nooit.
      8. Zij eet die pizza vaak.
      9. Wij zien deze katten zeker.
      10. Ik lees jouw brief altijd.
      11. Ik heb veel eten.
      12. Ik heb…Read More

    • 1. Ik spreek goed Nederlands.
      2. Je maakt vanavond een afspraak.
      3. Hij schrijft snel documentatie.
      4. Zij doet langzaam boodschappen.
      5. Wij kijken elke dag films.
      6. Jullie maken de foto’s nog steeds.
      7. Zij stellen deze vragen misschien.
      8. U neemt de trein altijd.
      9. Viktor hoort deze stem vaak.
      10. Anna en Otto leren die boeken morgen.
      11. I…Read More

    • Recept E
      1. Hij viert zijn verjaardag vandaag.
      2. Zij begint de cursus volgende week.
      3. Ik kijk naar die voetbalwedstrijd graag.
      4. Ik doe mijn huiswerk soms.
      5. U bent mijn opa zeker.

      Recept F
      1. Zij eet misschien fruit.
      2. Ik ben helaas arm.
      3. Wij leren samen Nederlands.
      4. Ik schrijf veel artikelen.
      5. Hij gaat nu naar Amsterdam. 

      Recept N…Read More

    • Recept – E

      1. Ik lees de krant elke dag.
      2. Zij doet de taken snel.
      3. Zij gebruikt haar telefoon veel.
      4. Hij haalt zijn jas snel.
      5. Jij draagt jouw jas vandaag.

      Recept – F

      1. Zij maakt thuis een taart.
      2. Ik lees altijd een boek.
      3. Zij koopt nu een bloem.
      4. Hij koopt volgende week een fiets.
      5. Jij ziet daar een kat.

      Recept – N

      1. Ik he…Read More

    • Recept E
      1. Ik maak mijn huiswerk regelmatig.
      2. Hij doet de afwas vaak.
      3. Zij neemt die trein zeker.
      4. Ik bezoek de fabrieken soms.
      5. Wij zien de collega misschien.

      Recept F
      1. Hij bakt elke dag brood.
      2. Ik drink altijd koffie in de ochtend.
      3. Hij heeft genoeg tijd.
      4. Wij kijken meestal films.
      5. Hij maakt een beetje ruzie.

      Recept N
      1. Ik…Read More

    • Recept E
      1. Ik lees mijn boek elke avond.
      2. Hij kookt het avondeten vaak.
      3. Zij neemt die bus altijd.
      4. U bent mijn docent zeker.
      5. Wij bellen de klanten misschien.
      Recept F
      1. Hij kookt elke dag soep.
      2. Ik eet altijd fruit in de ochtend.
      3. Hij heeft genoeg geld.
      4. Wij luisteren meestal naar muziek.
      5. Hij maakt soms pizza.
      Recept N
      1.…Read More

    • Recept E:
      1. De kinderen lezen dit boek graag.
      2. Hij eet zijn ontbijt langzaam.
      3. Het koor zingt dit lied goed.
      4. Ik draag dit gele jasje zelden.
      5. Wij bellen mijn tante elke dag.
      Recept F:
      1. Zij wandelt vaak in het park.
      2. Jij kookt soms pasta.
      3. Hij kijkt nooit tv.
      4. Wij maken natuurlijk huiswerk.
      5. Ik kom later thuis.
      Recept N:
      1. Ik…Read More

    • Recept E
      1. Ik kook mijn lunch altijd.
      2. Jij maakt je huiswerk al.
      3. Hij doet de boodschappen nooit.
      4. Zij doen de afwas meestal.
      5. Wij hebben onze fietsen zeker.

      Recept F
      6. Ik kook altijd lunch.
      7. Jij maakt al huiswerk.
      8. Hij gaat nooit op kantoor.
      9. Zij doen meestal afwas.
      10. Wij hebben zeker fietsen.

      Recept N
      11. Ik heb veel…Read More

    • E.
      1. Ik doe dat werk snel.
      2. Ik leer mijn les elke dag.
      3. Ik kook dat recept vandaag.
      4. Ik schrijf mijn brief nu.
      5. Ik lees dat boek.

      F.
      1. Ik maak vaak ontbijt.
      2. Ik eet snel lunch.
      3. Ik maak vandaag soep.
      4. Ik kook graag pasta.
      5. Ik maak morgen koffie.

      N.
      1. Ik drink veel water.
      2. Zij leest weinig kranten.
      3. Wij hebben meer tijd.
      4.…Read More

    • Recept E:
      1. Ik kook het avondeten waarschijnlijk.
      2. Jij leest die krant regelmatig.
      3. Hij maakt zijn huiswerk straks.
      4. Wij bezoeken oma morgen.
      5. Zij koopt dat boek misschien.
      Recept F:
      6. Ik drink soms thee.
      7. Jij maakt altijd ontbijt.
      8. Wij kopen soms een boek.
      9. Jullie luisteren ook naar muziek.
      10. Zij studeert nu Nederlands.
      Recept…Read More

    • Recept E
      1. Ik lees dit boek later.
      2. Jij kijkt deze film straks.
      3. U helpt die man zeker.
      4. Hij zoekt zijn pen nu.
      5. Wij luisteren deze muziek graag.
      Recept F
      6. Ik koop meestal koffie.
      7. Jij leest meestal een krant.
      8. Wij gaan regelmatig wandelen.
      9. Jullie kopen ook suiker.
      10. Hij bakt nu een cake.
      Recept F
      11. Ik heb voldoende werk.
      12.…Read More

    • Recept E
      1. Ik maak mijn huiswerk vandaag.
      2. Jij wast de auto straks.
      3. Hij draagt die jas altijd.
      4. Wij kopen het ticket nu.
      5. Zij zoekt haar sleutel hier.

      Recept F
      1. Ik koop morgen een koffie.
      2. Jij schrijft nu een e-mail.
      3. Hij zoekt snel een taxi.
      4. Wij huren vandaag een fiets.
      5. Jullie nemen soms een pauze.

      Recept N
      1. Ik heb…Read More

    • Recept E
      1. Ik lees het boek vaak
      2. Hij komt naar mijn huis vandaag
      3. Zij zet haar schoenen snel
      4. Jullie maken het eten hier
      5. Wij maken ons huiswerk soms
      Recept F
      1. Ik drink soms koffie
      2. Ik kijk vaak series
      3. Ik eet elke dag lekker eten
      4. Wij gaan regelmatig winkelen
      5. Hij schrijft altijd een brief.
      Recept N
      1. Ik heb genoeg…Read More

    • Recipe E
      1. Ik lees het boek vaak.
      2. Ik koop mijn koffie vandaag.
      3. Ik zoek dat document snel.
      4. Ik draag ons uniform morgen.
      5. Ik schrijf de e-mail nu.

      Recipe F
      6.Ik lees vaak boeken.
      7. Ik maak snel ontbijt.
      8. Ik drink vandaag koffie.
      9. Ik koop hier groente.
      10. Ik luister vaak muziek.

      Recipe N
      11. Ik heb veel energie vandaag.
      12. Ik…Read More

    • Recept E:
      1. Ik maak mijn ontbijt regelmatig.
      2. Hij doet deze opdracht snel.
      3. Wij geven onze antwoorden meteen.
      4. Zij heeft het menu nu.
      5. Jij koopt deze schoenen altijd.
      Recept F:
      1. Ik drink altijd koffie
      2. Hij kijkt soms televisie.
      3. Wij eten nooit vlees.
      4. Zij kookt vanmorgen pasta.
      5. U heeft later een afspraak.
      Recept N:
      1. Ik eet…Read More

    • Recept E
      1.Ik heb deze auto vandaag.
      2.Hij leest het boek dit weekend.
      3. Wie eeten de pizza’s gisteren.
      4.Ik koop dit brood vandaag.
      5.Hij kijkt de film morgen.
      Recept F
      1. Ik drink koffie soms.
      2.Jij leest een boek vaak.
      3.Hij kijkt televisie altijd.
      4.Wij eten brood misschien.
      5.Zij maakt haar huiswerk nooit.
      Recept N
      1.Ik zie nu de a…Read More

    • Recept E:
      1. Ik was mijn hond elke dag.
      2. Jij doet jouw boodschappen vaak.
      3. Wij koken ons avondeten soms.
      4. Hij rijdt zijn auto zeker.
      5. Jij koopt deze appels nooit.
      Recept F:
      1. Ik drink nooit wijn.
      2. Jij maakt altijd fouten.
      3. Wij spreken soms Nederlands.
      4. Zij koopt elke dag koffie.
      5. Ik wil misschien een auto.
      Recept N:
      1.Ik heb veel…Read More

    • Recipe E
      1. Ik lees het boek vaak.
      2. Ik koop mijn koffie vandaag.
      3. Ik zoek dat document snel.
      4. Ik draag ons uniform morgen.
      5. Ik schrijf de e-mail nu.

      Recipe F
      6.Ik lees vaak boeken.
      7. Ik maak snel ontbijt.
      8. Ik drink vandaag koffie.
      9. Ik koop hier groente.
      10. Ik luister vaak muziek.

      Recipe N
      11. Ik heb veel energie vandaag.
      12. Ik…Read More

    • E
      1. Ik lees de krant elke dag.
      2. Jij maakt het avondeten meestal.
      3. Hij wast de auto soms.
      4. Wij oefenen de grammatica vaak.
      5. Zij schrijft de e-mail vandaag.
      F
      1. Ik koop morgen boodschappen.
      2. Jij schrijft nu een bericht.
      3. Hij neemt straks foto’s.
      4. Wij maken vandaag plannen.
      5. Zij leert vanavond woorden.
      N
      1. Ik heb weinig geld.
      2. J…Read More

    • E
      1. Jij leest de krant vaak.
      2. Zij schrijft haar werk snel.
      3. Wij doen dat project vandaag.
      4. Ik kijk de film hier.
      5. Zij maakt de presentatie snel.
      6. Wij bereiden ons diner vanavond.
      7. Zij leest de e-mail nu.

      F
      1. Jij speelt voetbal elke dag.

      2. Wij doen ons best elke dag.

      3. Jullie maken het huiswerk altijd.

      4. Ik werk in de tuin…Read More

    • E
      1- Jij regelt de afspraak morgen.
      2- Ik verplaats de tafel buiten.
      3- Hij drinkt het water voldoende.
      4- Zij accepteert het voorstel natuurlijk.
      5- Wij vertrouwen het plan absoluut.
      F
      6- Ik lees langzaam een artikel.
      7- Jij begrijpt redelijk een uitleg.
      8- Hij vindt hopelijk een oplossing.
      9- Zij maakt een tikkeltje een fout.
      10- Wij verbeteren…Read More

    • E
      1. Ik maak het huiswerk soms.
      2. Hij kookt zijn taarten vaak.
      3. Zij eet haar maaltijd nooit.
      4. Wij eten onze lunch hier.
      5. Jij kijkt de film vandaag.
      F
      6. Hij maakt soms huiswerk.
      7. Zij drinkt natuurlijk wijn.
      8. Jullie eten vaak een appel.
      9. Ik loop mogelijk thuis.
      10. Jij koopt misschien een auto.
      N
      11. Wij lezen wat boeken.
      12. Zij eet…Read More

    • E
      1. Ik zie het riool hier.
      2. Je repareert die zolder binnen.
      3. U wast dit bestek langzaam.
      4. Hij weet de hoeveelheid precies.
      5. We vangen deze vis snel.
      F
      6. Ik leg vaak een klemtoon.
      7. Je overtuigt duidelijk een man.
      8. Ze stellen altijd vragen.
      9. Ze volgen nauwkeurig een voortgang.
      10. We kopen straks een eengezinswoning.
      N
      11. Ze vieren…Read More

    • Recept E
      1. Ik draag mijn stropdas vaak.
      2. Hij maakt de pasta thuis.
      3. Wij volgen onze leraar altijd.
      4. Zij stuurt haar brief vandaag.
      5. Jij verkoopt de meubels nu.

      Recept F
      1. Ik drink later koffie.
      2. Hij leent soms geld.
      3. Ik lees elke dag een boek.
      4. Wij drinken genoeg water.
      5. Zij eet morgen brood.

      Recept N:
      1. Hij heeft weinig…Read More

    • E
      1- Ik kijk de film elke maandag.
      2- Ik maak mijn huiswerk nu.
      3- Hij maakt dit eten nooit.
      4- Ze doet de afwas soms.
      5- Ik verdien de prijs ook.
      F
      1- Hij speelt elke dinsdag korfbal.
      2- Ik ga zelden naar kantoor.
      3- Ik opnemen spoedig geld.
      4- Zij aanstuurt meestal 10 mensen.
      5- Ik neem straks een boek.
      N
      1- Ik wil meer koffie.
      2- Ik heb minder…Read More

    • Recept E:
      1. Ik snoei de bomen buiten.
      2. Ik verlies mijn sleutels vaak.
      3. Ik krijg de prijs vandaag.
      4. Hij begint zijn hongerstaking vanavond.
      5. Ze bellen hun grootmoeder af en toe.

      Recept F:
      1. Ze genezen daar kinderen.
      2. Hij maakt nauwelijks huiswerk
      3. Ik krijg hopelijk goed nieuws.
      4. Hij heeft altijd veel schulden.
      5. Ik voel eindelijk…Read More

    • Recept E
      1- Zij maakt haar huiswerk soms.
      2- Hij brengt zijn dochter elke dag naar school.
      3- Jullie maken dezelfde fouten altijd.
      4- Wij hebben deze kat misschien.
      5- Zij vieren hun verjaardag elk jaar.
      Recept F
      1- Ik drink elke dag thee.
      2- Eet jij vaak fruit?
      3- Hij gaat elke maandaag naar sportschool.
      4- Zij heeft altijd zakdoekjes.
      5- Zij…Read More

    • Recept E
      1)Ik koop die rijst meestal
      2) Zij helpt de docent soms
      3) Hij bezoekt zijn oma elke dag
      4) Wij maken het huiswerk vandaag
      5) Ik verander de bloemen altijd
      Recept F
      1)Ik rijd zelden auto.
      2)Hij eet soms chocolade.
      3)Wij praten altijd over werk.
      4)Ik luister vaak naar muziek
      5)Zij leest vandaag nooit.
      Recept N
      1)Ik koop elke dag…Read More

    • Recept E

      1-Ik maak mijn planning vandaag.
      2- Ik lees het boek’s avonds.
      3- Ik stuur de e-mail morgen.
      4- Ik doe de boodschappen hier.
      5- Ik neem de trein vaak.

      Recept F

      6- Ik drink vaak koffie.
      7- Ik eet soms fruit.
      8- Ik maak vandaag huiswerk.
      9-Ik werk meestal thuis.
      10- Ik ga vandaag sporten.

      Recept N
      1- Ik heb veel werk.
      2- Ik drink veel w…Read More

    • E
      1. Ik kook mijn eten elke dag.
      2. Ze gaan naar hun college nu.
      3. Ik ontvang het bericht vanavond.
      4. Ze eten samen hun avondeten meestal.
      5. Jullie maken jullie taken hier.
      F
      1. Ik zing meestal liedjes.
      2. Zij gaan vaak naar een club.
      3. Ik verwacht vandaag een cadeau.
      4. Ik ga elk weekend zwemmen.
      5. Zij heeft morgenochtend een afspraak.
      N
      1.…Read More

    • E
      1. Ik poets mijn tanden elke morgen.
      2. Ze maakt de vergissing mogelijk.
      3. U legt het contact waarschijnlijk.
      4. Zij nemen de beslissing eindelijk.
      5. Wij volgen het nieuws samen.
      F
      1. Ik neem momenteel geen vakantie.
      2. Zij maakt helaas geen muziek.
      3. U maakt blijkbaar reclame.
      4. Ze maken ergens wandelingen.
      5. We krijgen af en toe…Read More

    • E
      1. Ik doe de boodschappen nooit.
      2. Ik was mijn kleren misschien.
      3. Ik weet de oplossing zeker.
      4. Ze voert de hond natuurlijk.
      5. Wij hebben de vergadering elke dag.

      F
      1. Ik spreek langzaam Nederlands.
      2. Wij koken soms rijst.
      3. Jullie zien zeker een konijn.
      4. Ik heb zelden geld.
      5. Hij neemt meer geld.

      N
      1. U leest volgende inhoud.
      2. Je…Read More

    • E
      1. Ik kook dit hoofdgerecht vandaag.
      2. Zij zoekt haar tas hier.
      3. Wij kopen deze koffietafel snel.
      4. Ik zie jouw cat altijd.
      5. Jullie brengen de borden vanavond.
      F
      1. Wij maken vaak pizza.
      2. Ik neem morgen kinderen.
      3. Hij bezoekt soms buren.
      4. Zij leest zeker krant.
      5. Wij kijken vanavond films.
      N
      1. Wij hebben meer eten.
      2. Ik loop…Read More

    • E
      1. Hij eet het ontbijt vaak.
      2. Ik kijk de film vanavond.
      3. Zij geeft de presentatie snel.
      4. Wij vieren ons jubileum elk jaar.
      5. Jij koopt de kip nu.

      F
      1. Hij gaat soms sporten.
      2. Wij gaan morgen boodschappen doen.
      3. Je hebt vanavond een vergardering.
      4. Ik drink vanochtend koffie.
      5. Zij maakt vanavond eten.

      N
      1. Ik heb genoeg…Read More

    • E
      1. We bezoeken het huis vanavond.
      2. Zij schrijft brieven gisteravond.
      3. Ze doen huiswerk volgende week.
      4. Ik ga naar het bedrijf elke dag.
      5. Je kookt eten meestal

      F
      1. We spelen zeker in mijn huis.
      2. De olifant zit misschien op de tafel.
      3. U danst nooit op de vloer.
      4. Ik eet alle chocolaten van de winkel.
      5. Hij zegt al over die…Read More

    • _E_
      1. Ik poets mijn tanden elke dag.
      2. Jij eet het bruine brood met pindakaas vanavond als ontbijt .
      3. Wij bereiden onze tas vaak voor op school.
      4. Zij bezoeken hun vrienden af en toe.
      5. Hij dankt zijn leraar zelden.
      _F_
      6. Ik koop nooit suiker.
      7. Zij heeft nog geen diploma.
      8. Jullie willen nog een toetje.
      9. Zij maken misschien huiswerk…Read More

    • 1. Ik heb onlangs deze hond gekregen.
      2. Ik ga het brood zeker kopen.
      3. Blijkbaar zijn jullie deze leraren.
      4. Ze zingt deze liedjes vaak.
      5. Dit zijn meestal de ideeën.

      1. Je maakt nooit pasta.
      2. Ze hebben vaak huiswerk.
      3. Soms ben je een idioot.
      4. Ik heb altijd geld.
      5. Ik drink soms koffie.

      1. Jij hebt niet veel tijd.
      2. Ik eet niet…Read More

    • 1. Ik maak het huis vaak schoon.
      2. Zij vindt de film weer saai.
      3. Wij maken de koffie meestal warm.
      4. De bezorger vindt de route erg lang.
      5. Zij vinden het eten al lekker.
      6. Ik koop bijna een nieuwe fiets.
      7. Zij zoekt nog een goedkoop appartement.
      8. Wij drinken soms warme koffie.
      9. Hij draagt weer een blauwe trui.
      10. Jullie eten meestal…Read More

    • 1.U controleert de gegevens straks.

      2.Ze bespreken de plannen uitgebreid.

      3.Wij organiseren het evenement samen.

      4.Ik stuur mijn sollicitatie elke vrijdag.

      5.Zij bereidt het rapport zorgvuldig voor.

      6.U ontvangt blijkbaar nieuwe aanvragen.

      7.Ze wonen ergens buiten de stad.

      8.We krijgen af en toe onverwacht bezoek.

      9.Ik koop momenteel geen…Read More

    • Recept E
      1. Ik stofzuig mijn huis regelmatig.
      2. Ik bel mijn moeder elke dag.
      3. Ik voltooi mijn huiswerk altijd.
      4. Hij strijkt zijn broek elke weekeind.
      5. Ik draag mijn jas soms.
      Recept F
      6. Ik woonde elke dag een vergadering bij.
      7. Mijn moeder geeft advies altijd.
      8. Ik stuur nooit een tikkie.
      9. Mijn broer heeft nu een problem.
      10. Ik kauw…Read More

    • Recept E:
      1. Ik voltooi mijn taken elke dag.
      2. Hij rijdt zijn auto snel.
      3. Mijn moeder maakt ons ontbijt meestal.
      4. Zij strijkt die jurk vaak.
      5. Jullie leren deze taal altijd.
      Recept F:
      1. Ik koop nooit een rok.
      2. Wij spelen soms voetbal.
      3. Hij leest regelmatig een boek.
      4. Jullie doen vandaag boodschappen.
      5. Zij eten zeker pizza.
      Recept…Read More

    • E
      🙂 + WW + BeWAT + KW
      1. Ik maak mijn huiswerk altijd (it never finishes, there’s always more in this portal)
      2. Hij vindt je soep flauw ook.
      3. Ik vind dit weer verwarrend soms.
      4. Die eend eet mijn goudvis misschien. (I can see the tail, my poor pet)
      F
      🙂 + WW + KW + OnWAT
      5. Mijn vader haat altijd macha.
      6. Je hebt zeker koffie nodig. (He was f…Read More

    • Recept E
      1. Ik maak de opdrachten straks.
      2. Ik maak mijn middageten soms.
      3. Ik koop deze bank zeker.
      4. Ik was de kleding misschien.
      5. Ik lees de krant elke dag.
      Recept F
      6. Ik koop misschien een huis.
      7. Ik maak vaak pasta.
      8. Ik kijk soms een film.
      9. Ik luister nu naar een lied.
      10. Ik lees vaak een boek.
      Recept N
      11. Ik drink altijd…Read More

    • Recept E
      1. Ik luister de pop muziek elke dag.
      2. Ik maak mijn huiswerk altijd.
      3. Ik koop de vis elke weekend.
      4. Ik kijk de romantische film vaak.
      5. Ik maak mijn favorite taart meestal.

      Recept F
      1. Ik eet elke dag een avocado.
      2. Ik drink misschien koffie.
      3. Ik werk volgende week in een winkel.
      4. Ik lees nu een boek.
      5. Ik schrijf morgen…Read More

    • Recept E;

      1. Ik maak het huiswerk vaak.
      2. Zij leest de krant altijd.
      3. Hij doet de afwas zeker.
      4. Wij kijken de film vaak.
      5. Mijn broer maakt het ontbijt altijd.

      Recept F;

      1. Hij maakt altijd ontbijt.
      2. Zij leest soms boeken.
      3. Wij kijken meestal films.
      4. Jullie doen regelmatig sport.
      5. Zij maken nooit fouten.

      Recept N;

      1. Hij heeft…Read More

    • Recept E
      1. Ik maak mijn huiswerk binnen.
      2. Ik lees het boek buiten.
      3. Jij kookt het gerecht later.
      4. Zij drinkt haar speciaalbieren vanavond.
      5. Wij eten hun koekjes snel op.

      Recept F
      1. Ik eet regelmatig pittige pizza’s.
      2. Jij speelt weinig voetbal.
      3. Hij maakt misschien huiswerk.
      4. Wij drinken morgenochtend wodka.
      5. Zij spreekt graag N…Read More

    • E
      1. Ik lees dit boek elke avond.
      2. Zij koopt die fiets morgen.
      3. Jullie bekijken de film vanavond.
      4. Zij schrijft de e-mail vandaag.
      5. Ik doe de afwas elke dag.

      F
      1. Wij eten vanavond pizza.
      2. Ik eet graag fruit.
      3. Ik neem morgen vakantie.
      4. Hij kookt elke week pasta.
      5. Jullie maken vandaag huiswerk.

      N
      1. Hij maakt veel foto’s.
      2. Zij d…Read More

    • E
      1. Ik was mijn auto elke dag.
      2. Wij kijken die film vanavond.
      3. Jij maakt je huiswerk vandaag.
      4. Hij betaalt de rekening nooit.
      5. Zij drinken hun koffie langzaam.
      F
      1. Ik lees vaak boeken.
      2. Wij drinken morgen koffie.
      3. Zij eet zelden vlees.
      4. Jullie luisteren vandaag naar muziek.
      5. Zij kopen altijd een fiets.
      N
      1. Ik kijk veel tv.
      2.…Read More

    • Recipe E
      1. Ik drink mijn koffie snel.
      2. Jullie kijken naar die film altijd.
      3. Ze betaalt haar rekening nooit.
      4. We eten in dit restaurant soms.
      5. Je hebt je afspraak morgen.
      Recipe F
      1. Hij werkt ook op een kantoor.
      2. Zij verdienen zeker een loonsverhoging.
      3. Ik wil nog een kat.
      4. Jij wint een prijs zelden.
      5. We hadden een baan tot nu…Read More

    • Recept E:
      1. Ik lees het boek vandaag.
      2. Ik maak het eten snel.
      3. Ik zoek mijn sleutel hier.
      4. We schrijven de brief vanavond.
      5. Hij wast de auto morgen.
      Recept F:
      6. Ze koopt vandaag een jas.
      7. Mijn opa leest vaak een krant.
      8. We kijken meestal een film.
      9. Ik schrijf morgen een e-mail.
      10. Ik zoek hier een winkel.
      Recept N:
      11. Ik heb veel…Read More

    • Recept E

      1.Ik drink de koffie elke dag.
      2.Jij koopt het brood soms.
      3.Hij doet het werk vandaag.
      4.Hij schrijft de e-mail vandaag.
      5.Zij bezoekt de supermarkt vaak.

      Recept F
      1.Wij eten meestal pasta.
      2.Ik luister vaak muziek.
      3.Jij maakt vandaag huiswerk.
      4.Hij draagt altijd warme kleren.
      5.Zij kookt soms soep.

      Recept N
      1.Hij eet genoeg…Read More

    • ### Recept E

      1. Ik lees het boek vaak.
      2. Ik doe de afwas straks.
      3. Ik koop de boodschappen vandaag.
      4. Ik maak het avondeten vanavond.
      5. Ik bel mijn moeder morgen.

      ### Recept F

      6. Ik lees vaak boeken.
      7. Ik koop vandaag boodschappen.
      8. Ik drink ’s morgens koffie.
      9. Ik eet soms fruit.
      10. Ik schrijf hier e-mails.

      ### Recept N

      11. Ik heb v…Read More

    • ⎯⎯⎯ Recept E ⎯⎯⎯
      ‎
      1. Surekha opent de deur langzaam.
      2. Zijn broer wast de auto voorzichtig.
      3. Docent Maurice legt de les duidelijk uit.
      4. De kat van Oğuzhan volgt hem snel.
      5. Mijn moeder eet haar soep luid.
      ‎
      ⎯⎯⎯ Recept F ⎯⎯⎯
      ‎
      6. Onur drinkt snel water.
      7. Preethi eet langzaam rijst.
      8. Hilal koopt vaak brood.
      9. Natalie maakt rustig…Read More

    • Receipt E
      1. Ik maak mijn huiswerk vaak.
      2. Ik lees dit boek soms.
      3. Ik drink mijn koffie altijd.
      4. Ik doe de boodschappen vandaag.
      5. Ik kijk die film vaak.
      Receipt F
      1. Ik koop vaak een boek.
      2. Ik eet soms een appel.
      3. Ik drink vaak een glas water.
      4. Ik koop vandaag een jas.
      5. Ik maak morgen een afspraak.
      Receipt N
      1. Ik heb veel tijd.
      2.…Read More

    • Recept E

      1. Ze neemt de bus morgen.
      2. Ik maak ons avondeten snel.
      3. Ik open het pakket later.
      4. Hij schildert de muur langzaam.
      5. Ze bouwen het gebouw hier.
      —————————————————-

      Recept F

      1. Ik kookt soms rijst.
      2. Hij gaat binnenkort op vakantie.
      3. Ik maak snel pasta.
      4. Kinderen spelen vandaag volleybal.…Read More

    • Receipt E
      1. Ik schrijf mijn e-mails vaak
      2. Ik luister soms naar muziek
      3. Ik drink thee altijd.
      4. Ik bezoek mijn ouders vandaag.
      5. Ik speel dat spel vaak.
      Receipt F
      1. Ik koop vaak een krant.
      2. Ik eet soms een banaan.
      3. Ik drink vaak een kop thee.
      4. Ik koop vandaag een broek.
      5. Ik maak morgen een planning.
      Receipt N
      1. Ik heb veel werk.
      2.…Read More

    • E:
      Wij kopen de auto volgende week
      Hij doet het was vandaag
      Zij drink de Turkse thee soms
      Ik leer de krant van Eindhoven meestal
      Mijn kat speelt met hun baal soms
      F:
      Wij kopen snel autojes
      Hij maakt vandaag huishouden
      Zij drinkt soms thee
      Ik leer meestal een krantje van Eindhoven
      Mijn kat speelt soms met een bal
      N:
      Wij hebben genoue melk
      Zij…Read More

    • E
      1. Ik begrijp je mening altijd.
      2. Zij vergeven de vergissing langzaam.
      3. Je begint de ruzie vaak.
      4. De docent onderzocht hun vechtpartij vanmorgen.
      5. Hij heeft zijn twijfels soms.
      F
      1. Hij heeft soms twijfels.
      2. De docent onderzocht vanmorgen een vechtpartij.
      3. Zijn vrouw begint vaak een ruzie.
      4. Haar man vergeeft altijd een…Read More

    • Recept E:
      1. Ik lees dit boek buiten.
      2. Ik zie zijn kleiding overal.
      3. Je begint jouw werk morgen.
      4. Zij koopt haar auto nu.
      5. Wij koken het avondeten vanavond.
      Recept F:
      1. U neemt elke dag koffie.
      2. Wij horen vaak kinderen.
      3. Zij drinken altijd thee.
      4. Ik koop soms fruit.
      5. Jullie zoeken meestal sleutels.
      Recept N:
      1. Ik heb een beetje…Read More

    • E:
      1. Ik bezoek mijn ouders vaak.
      2. Je parkeert jouw auto daar.
      3. Zij bewaart haar sleutels ergens.
      4. Hij draagt deze trui zelden.
      5. Jullie poetsen jullie tanden elke dag.
      F:
      6. Zij drinkt graag koffie.
      7. Hij kookt nu een ei.
      8. Wij eten soms sushi.
      9. Ik koop hier groente.
      10. Jij speelt af en toe schaak.
      N:
      11. Ik kook veel soep.
      12. Jij…Read More

    • E:
      1. Ik maak het brood elke dag
      2.Je drinkt de koffie snel
      3. Ik ga de film morgen kijken
      4. Ik lees de krant snel
      5. Hij repareert de motor hier.

      F:
      1. Ik lees snel een boek
      2. Hij koopt morgen de fiets
      3. Zij maakt vandaag het eten
      4. Ik bak elke zondag het brood
      5. Zij kijkt vanavond de film

      N:
      1. Ik heb weinig tijd vandaag
      2. Hij heeft veel…Read More

    • E
      1. Hij kookt vaak ons avondeten.
      2. Jullie schrijven deze regels nu.
      3. Ik heb de brief al.
      4. Zij luisteren elke dag naar de radio.
      5. Zij leent haar auto nooit uit.

      F
      6. Zij bakt vaak patat.
      7. Hij drinkt soms wijn.
      8. Wij kopen misschien suiker.
      9. Ik luister soms naar een podcast.
      10. Jullie spreken nu een taal.

      N
      11. Ik werk weinig…Read More

    • E
      Hij maakt de pasta vaak.
      Wij doen de boodschappen hier.
      Zij eet de vis nu.
      Ik doe de afwas snel.
      Je praat met jouw buurman vandaag.
      F
      Hij maakt vaak pasta.
      Wij doen hier boodschappen.
      Zij eet nu vis.
      Ik doe snel afwas.
      Je praat vandaag met een buurman.
      N
      Ik heb wenige tijd.
      Je heeft veel boeken.
      Hij kook niets.
      Zij heeft een beetje wijn.

    • E
      1. Ik kook de pasta snel.
      2. Hij doet zijn huiswerk hier.
      3. Jullie kopen de auto vandaag.
      4. Zij verkoopt haar paard morgen.
      5. Zij werken thuis vaak.
      F
      1. Ik heb veel vakantiedagen.
      2. Zij drinkt minder koffie.
      3. Hij maakt nooit huiswerk.
      4. Wij eten vaak rijst.
      5. Jullie spreken goed Nederlands.
      N
      1. Ik heb nooit tijd.
      2. Hij wil graag…Read More

    • Recept E
      Ik lees een boek vaak.
      Hij spelt voetbal elke dag.
      Ik luister naar muziek graag.
      Zij kijkt televisie soms.
      Wij fietsen naar school vaak.

      Recept F
      Zij zingt vaak liedjes.
      Wij drinken graag koffie.
      Hij schrijft soms brieven.
      Zij dansen elke week.
      Wij koken samen pasta.

      Recept N
      Ik heb veel boeken.
      Hij drinkt weinig water.
      Zij heeft genoeg…Read More

    • Recept E
      1Ik maak ons avondeten nu
      2 Jij loopt deze route vaak
      3 Ik zit op die stoel altijd
      4 Ik gebruik dit rode boek genoeg
      5 Wij werken aan dit project soms

      Recept F
      1 Ik drink meestal water
      2 Jij loopt graag een hond
      3 Wij vinden hier een antwoord
      4 Je naait elke dag een sjaal
      5 Je telt veel schapen

      Recept N
      1 Ik heb niet genoeg suiker
      2 ik…Read More

    • Recept E
      1. Ik lees een boek altijd.
      2. Zij speelt tennis meestal.
      3. Hij luistert naar muziek soms.
      4. Wij kijken televisie nooit.
      5. Jullie fietsen naar school regelmatig.
      Recept F
      1. Ik eet vaak fruit.
      2. Hij drinkt altijd koffie.
      3. Zij leest zelden boeken.
      4. Wij wandelen meestal samen.
      5. Jullie koken iedere zondag pasta.
      Recept N
      1. Ik heb…Read More

  • Load More Posts