-
-
1. Ik heb het bestand niet.
2. Jullie hebben de kaartjes niet.
3. Apotheek heeft het geneesmiddel niet.
4. Zij heeft het horloge niet.
5. Jij hebt de afspraak niet.
6. Utrecht heeft het gebouw niet.
7. Wij hebben het toestel niet.
8. Jan heeft de hoofdtelefoon niet.
9. Ferdinand en Anna hebben de auto niet.
10. Zij hebben de goedkeuring niet.
11.…Read More -
1. Ik heb het horloge niet.
2. Zij heeft het boek niet.
3. Hij heeft de telefoon niet.
4. Wij hebben de tafel niet.
5. Jij hebt de pen niet.
6. Zij hebben de auto niet.
7. Ik heb de IKEA-kast niet.
8. Zij heeft de schoenen niet.
9. Wij hebben de borrel niet.
10. Jij hebt het ijsje niet.
11. Hij heeft het Babolat-racket niet.
12. Ik heb de voetbal…Read More -
1. Ik ben de leerling niet
2. Zij hebben de ideeën niet
3. Het is de maand niet
4. Zij is de zus niet
5. Zij zijn de familie niet
6. Jullie hebben de rekenmachine niet
7. Jij hebt de suiker niet
8. Ik ben de vrouw niet
9. Hij is de leraar niet
10. Hij heeft het papier niet
11. Wij hebben de bloemen niet
12. Zij is de buurvrouw niet
13. Het is de…Read More -
1. Ik schrijf de brief niet.
2. Jij drinkt het water niet.
3. U gebruikt de zaklamp niet.
4. Hij bestudeert het boek niet.
5. Zij plukt de bloemen niet.
6. De dieren bekijken de film niet.
7. Wij spelen het spel niet.
8. Jullie werken de rappoets niet.
9. Zij omhakken de boom niet.
10. De schapen eten het vlees niet. -
1. Ik heb het werk niet.
2. Wij hebben de auto niet.
3. Zij heeft de kat niet.
4. Jullie hebben de tuin niet.
5. Hij heeft de vriendin niet.
6. Pieter heeft het paard niet.
7. Cornelis and Dirk zijn het team niet.
8. Maria and ik zijn huisartsen niet.
9. Zij heeft de lamp niet.
10. Jullie hebben de kaart niet. -
1. Ik heb de deksel niet
2. Jullie hebben de hond niet.
3. Zij heeft de fles niet
4. Hij heeft de geit niet
5. Zijn hebben het graf niet
6. We hebben de kat niet
7. Hij heeft het ijs niet
8. Jullie hebben de instrumenten niet
9. Je hebt de lamp niet
10. We hebben de maaltijd niet
11. Zij heeft de pijn niet.
12. Hij heeft de sinaasappels niet
13.…Read More -
1. Hij heeft de computer niet.
2. Zij heeft het huis niet.
3. U heeft de thee niet.
4. Wij hebben de hobby niet.
5. Jullie hebben de katten niet.
6. U heeft het boek niet.
7. Je hebt de klok niet.
8. Ik heb het kantoor niet.
9. U heeft de auto niet.
10. Wij hebben het mes niet.
11. Ik heb de tas niet.
12. U heeft de hamer niet.
13. Wij hebben de…Read More -
1. Ik heb de piano niet.
2. Wij hebben de lepels niet.
3. Jullie hebben de tafels niet.
4. Hij heeft de kaartjes niet.
5. Zij heeft de stoelen niet.
6. Peter heeft de hond niet.
7. Ik heb het horloge niet.
8. Een plant heeft de bladeren niet.
9. De hond heeft het speelgoed niet.
10. Ze hebben de auto’s niet. -
1. Ik heb de hond niet.
2. Zij hebben de kinderen niet.
3. Hij heeft het boek niet.
4. Zij heeft de docent niet.
5. De vrouwen hebben de melk niet.
6. De mannen hebben het water niet.
7. Wij hebben de vrienden niet.
8. Het meisje heeft de pen niet.
9. De jongens hebben de fietsen niet.
10.Jullie hebben het huis niet. -
1. Ze heeft de tas niet
2. U hebt de vork niet
3. Ik heb het retourticket niet
4. Monaco heeft de gevangenis niet
5. Ze heeft de ladder niet
6. Huis heeft de wandklok niet
7. Taart heeft de chocolade niet
8. Hij heeft de grootmoeder niet
9. We hebben de eieren niet
10. Jullie hebben de gerechten niet
11. Maria heeft de wasmachine niet
12. Hij…Read More -
1. Ik heb de kamer niet.
2. Wij hebben de werkgever niet.
3. Zij heeft de stoel niet.
4. Hij heeft het schoenenrek niet.
5. Zij hebben het schaakbord niet.
6. He heeft het voetbal niet.
7. Het heeft het meer niet.
8. We hebben de juwelen niet.
9. Ik heb de gast niet.
10. Ze hebben de afspraak niet.
11. Hij heeft het diploma niet.
12. Jullie hebben…Read More -
1. Ik heb de boek niet.
2. Hij heeft de kunst niet.
3. Je hebt de tas niet.
4. Wij hebben de sleutels niet.
5. Jullie hebben de fiets niet.
6. De baby heeft de melk niet.
7. De moeder heeft de baby’s speelgoed niet.
8. De winkelier heeft de aardappelen niet.
9. Jullie hebben de schriften niet.
10. Je hebt de cadeaukaart niet. -
1. Ik heb de fiets niet.
2. We hebben het raam niet.
3. Je hebt de gum niet.
4. De party heeft het bier niet.
5. De kinderen hebben de tassen niet.
6. Pinkman is de apotheker niet.
7. Zij heeft de gordijnen niet.
8. Ik heb de tijd niet.
9. Wij hebben de sleutels niet.
10. De leraar heeft de pen niet.
11. Pikachu heeft de kracht niet.
12. Jullie…Read More -
1. Ik heb de pen niet.
2. Jij hebt de auto niet.
3. Philippe heeft het boek niet.
4. Julia heeft de tafel niet.
5. Hij heeft deze naam niet.
6. Wij hebben deze buurman niet.
7. Jullie hebben de kat niet.
8. Zij hebben niet dezelfde collega’s.
9. Ik heb deze dokter niet.
10. Peter heeft het antwoord niet.
11. Nico raakt niet in de war door de v…Read More -
1. Ik heb de auto niet.
2. Jij hebt de fiets niet.
3. Hij heeft de tafel niet.
4. Zij heeft de jurk niet.
5. Wij hebben het kaartje niet.
6. Zij hebben de vogel niet.
7. Wij hebben het antwoord niet.
8. Hij heeft de kat en de hond niet.
9. Zij hebben de sleutel niet.
10. Maria heeft de schoenen niet.
11. Nico heeft de gitaar niet.
12. Jij hebt het…Read More -
1. Ik heb de stoel niet.
2. Hij heeft het boek niet.
3. Jullie hebben het huis niet.
4. Jij hebt het papier niet.
5. Zij hebben de auto niet.
6. U hebt de fiets niet.
7. Zij hebben het mes niet.
8. Jullie hebben het huis niet.
9. Hij heeft het pak niet.
10. Ik heb de paraplu niet.
11. Zij heeft de kaars niet.
12. Jullie hebben de auto niet.
13.…Read More -
1. Ik heb de waterfles niet
2. Zij hebben het paspoort niet
3. Hij heeft de jas niet
4. Wij hebben de tafel niet
5. Zij heeft de oplader niet
6. Zij hebben de prullenbak niet
7. Ik heb de sleutels niet
8. Zij hebben de koelkast niet
9. Zij zijn de werknemers niet
10. Jij hebt de documenten niet
11. Zij is de klant niet
12. Zij hebben het dessert…Read More -
1. Ik heb de boeken niet.
2. Je hebt het huis niet
3. Hij heeft de lepel niet.
4. Ze hebben het water niet.
5. Ik ben de ingenieur niet.
6. Je bent de vrouw niet.
7. Ze is de docent niet
8. Ze zijn de managers niet
9. Pieter heeft de fiets niet
10. De advocaten hebben de pennen niet.
11. Ik heb de gitaar niet.
12. De accountant heeft de huizen…Read More -
1. Ik heb het geld niet.
2. Jij hebt de groenten niet.
3. Hij heeft de opdrachten niet.
4. Zij is de leidinggevende niet.
5. U bent de klant niet.
6. Het is de kamer niet.
7. Wij hebben de producten niet.
8. Jullie hebben de tafel niet.
9. Zij zijn de buren niet.
10. Theo en ik hebben de pauze niet.
11. Simon heeft de wasmachine niet.
12. Gerard…Read More -
1. Ik heb de tennisballen niet.
2. De leraar heeft de pen niet.
3. De mannen hebben de jassen niet.
4. De kinderen hebben de boterhammen niet.
5. Ik heb de banaan niet.
6. Wij hebben de klok niet.
7. Zij heeft het boek niet.
8. Wij hebben het water niet.
9. Het boek heeft de handtekening niet.
10. De tafel heeft drie benen niet.
11. De vrouw heeft…Read More -
1. Ik heb het boek niet.
2. De man heeft de sleutel niet.
3. Jullie hebben het huis niet.
4. De vrouw heeft de jas niet.
5. Zij hebben de documenten niet.
6. Het kind heeft het speelgoed niet.
7.Wij hebben het pakket niet.
8. De boekhouder heeft de rekening niet.
9. De tuinman heeft de planten niet.
10. De toeristen hebben de kaart niet.
11. De…Read More -
1. Wij hebben de kennis niet.
2. Zij heeft het boek niet.
3. Het bedrijf heeft het kantoor niet.
4. Mijn oma heeft de buren niet.
5. Zij heeft de kom niet.
6. De school heeft de televisie niet.
7. Jullie hebben de bloemen niet.
8. Het heeft de ster niet.
9. Zij hebben de koelkast niet.
10. Zij hebben de vaatwasmachine niet.
11. Hij heeft de…Read More -
1. Zijn hebben de zee niet.
2. Ik heb de fiets niet.
3. Kinderen hebben het speelgoed niet.
4. Yvonne heeft de afspraak niet.
5. Hij heeft de boom niet.
6. Mijn vriendin heeft de bloemen niet.
7. Zij heeft de hoed niet.
8. Mijn oma heeft de boerderij niet.
9. Jullie hebben het schilderij niet.
10. De buurman heeft de kat niet.
11. Jan heeft de…Read More -
1 Ik heb het boek niet
2 Jij hebt de sleutel niet
3 Hij heeft de fiets niet
4 Zij heeft de tas niet
5 Wij hebben de auto niet
6 Jullie hebben het geld niet
7 Ze hebben de telefoon niet
8 Jij hebt de pen niet
9 Hij heeft de krant niet
10 Wij hebben de kaart niet
11 Ik ben niet boos
12 Jij bent niet op school
13 Hij is niet hier
14 Zij is niet…Read More -
1. Ik heb de jas niet.
2. Hij ziet de hond niet.
3. Wij horen de bel niet.
4. Zij leest het boek niet.
5. Ik vind de sleutel niet.
6. Jij neemt het brood niet.
7. We gebruiken de pen niet.
8. Hij maakt het huis niet schoon.
9. Ik open de deur niet.
10. Zij kijkt de film niet.
11. Ik eet het vlees niet.
12. Hij draagt de schoenen niet.
13. Wij…Read More -
1. Ik heb de sleutel niet
2. Hij heeft het boek niet
3. Wij hebben de auto niet
4. Zij heeft de tas niet
5. Ik heb het geld niet
6. Wij hebben de hond niet
7. De man heeft de krant niet
8. De kinderen hebben het speelgoed niet
9. Papa heeft de telefoon niet
10. Het kind heeft het brood niet
11. De studenten hebben de laptop niet
12. De winkel…Read More -
1. Ik heb de fles niet
2. Jij hebt de deken niet
3. Zij hebben de borden niet
4. Simon hebben de wasmachine niet
5. Hij heeft het paard en de olifant niet
6. Jullie hebben de schoenen niet
7. Nico en ik hebben de afspraak niet
8. U bent de paraplu niet
9. Zij heeft het menu niet
10. Je bent de kat niet
11. Ik heb het vlees niet
12. Wij hebben het…Read More -
1. Ik heb de broek niet.
2. Jij hebt de paraplu niet.
3. Anna en Tom hebben de sleutel niet.
4. Zij heeft het koffiezetapparaat niet.
5. Wij hebben de krant niet.
6. Hij heeft de foto niet.
7. Peter heeft de jas niet.
8. Jullie hebben de fles niet.
9. Zij hebben het huis niet.
10. Ik heb de pen niet.
11. Otto heeft het telefoonnummer niet.
12. Wij…Read More -
1. Ik heb de jas niet.
2. Je hebt de rugzak niet.
3. Hij heeft de fles niet.
4. Ze heeft de jurk niet.
5. We hebben de trui niet.
6. Ze hebben de koffer niet.
7. Jullie hebben de paraplu niet.
8. U heeft de deken niet.
9. Ze hebben het cadeau niet.
10. Je hebt het kussen niet.
11. U bent de eigenaar niet.
12. Ik ben de directeur niet.
13. Jullie…Read More -
1. Ik heb de fiets niet.
2. Jij hebt de hond niet
3. Hij heeft de suiker niet
4. Zij heeft het brood niet
5. Wij hebben de auto niet
6. Jullie hebben het idee niet
7. Zij hebben het geld niet
8. Peter en Anna hebben het kind niet
9. De krant heeft het nieuws niet
10. Jouw moeder heeft de suiker niet
11. Jij hebt de tafel niet
12. Dirk heeft de…Read More -
1. Zij hebben het antwoord niet.
2. Ik heb de brief niet.
3. Hij is de baas niet.
4. Zij hebben de tijd niet.
5. Wij hebben de rekening niet.
6. Zij heeft het cadeau niet.
7. Zij hebben de droom niet.
8. Zij zijn de vijanden niet.
9. Wij hebben het voordeel niet.
10. Hij is de tandarts niet.
11. Jij bent de werknemer niet.
12. Zij zijn het team…Read More -
1.Ik heb het huis niet .
2.Jij hebt de baan niet.
3. Hij heeft de collega niet.
4.Zij heeft het miesje niet.
5. Jullie hebben de kinderen niet.
6. Wij hebben de tafel niet.
7. Zij hebben de keuken niet.
8. Hij leest het boek niet.
9.Ik ben de leraar niet.
10.Wij eten de peren niet.
11. Ik wil naar de bioscoop niet.
12. Hij heeft de pen…Read More -
1. Ik heb de fiets niet.
2. Eva heeft het boek niet.
3. Jij hebt de krant niet.
4. Wij hebben de computer niet.
5. Zij heeft de jas niet.
6. Ik heb het instrument niet.
7. Jan heeft de lamp niet.
8. Jij hebt de tas niet.
9. Zij heeft de hond niet.
10. Wij hebben de auto niet.
11. Simon heeft de telefoon niet.
12. Jij hebt de beker niet.
13. Ik heb…Read More -
1. Ik heb de koffer niet.
2. Ze hebben de naalden niet.
3. Ze hebben de bruggen niet.
4. Hij heeft de haast niet.
5. Het heeft de bladeren niet.
6. Zij heeft de haan niet.
7. We hebben het genot niet.
8. Ze hebben het kasteel niet.
9. Je hebt het kruis niet.
10. Jullie hebben het mengsel niet.
11. U heeft de richting niet.
12. Hij heeft de rotsen…Read More -
1) Ik heb de trui niet
2) Hij heeft het konijn niet
3) Hij heeft de sleutels niet
4) Ik heb de bal niet
5) Zij heeft de kaartjes niet
6) Wij hebben de mail niet
7) Wij horen de bus niet
8) Jullie hebben de kopjes niet
9) Zij heeft de honden niet
10) Ze drinkt de thee niet
11) Zij heeft de tijd niet
12)Hij heeft de vogel niet
13) Je hebt de jas…Read More -
1- Ik heb het huis niet.
2- Jullie hebben de buurman niet.
3- Ze is de arts niet.
4- Ze heeft het bachelordiploma niet.
5- U bent de tuinman niet.
6- Ze hebben de afspraak niet.
7- Hij heeft het rubber niet.
8- Zij zijn de kinderen niet.
9- Het is de buurt niet.
10- Het is het paard niet.
11- Wij zijn de ingenieur niet.
12- Ze is de verpleegster…Read More -
1. Ik heb de pennen niet.
2. Hij heeft het kruis niet.
3. U hebt de buurman niet.
4. Zij heeft de collega niet.
5. Wij hebben het huis niet.
6. Jullie hebben de winkel niet.
7. Het heeft de arm niet.
8. Zij hebben het bed niet.
9. Ik heb het kind niet.
10. Jij hebt het dier niet.
11. Ze hebben de hond niet.
12. Hij heeft de vogel niet.
13. Jij…Read More -
1. Ik heb het shirt niet.
2. Jij hebt de koffie niet.
3. Wij hebben de vakantie niet.
4. Zij heeft de buurvrouw niet.
5. Hij heeft de vriendin niet.
6. Wij hebben het huis niet.
7. Jij hebt het salaris niet.
8. Zij hebben het bureau niet.
9. Ik heb de afspraak niet.
10. Jij hebt de telefoon niet.
11. Zij hebben de tijd niet.
12. Hij heeft de…Read More -
1- Ik heb de sleutel niet.
2- Ik heb het boek niet.
3- Ik heb de tas niet.
4- Ik heb de pen niet.
5- Ik heb het ticket niet.
6- Ik heb het brood niet.
7- Ik heb het formulier niet.
8- Ik heb de foto niet.
9- Ik heb het glas niet.
10- Ik heb de fiets niet.
11- Ik heb de koek niet.
12- Ik heb het eten niet.
13- Ik heb het pakket niet.
14- Ik heb het…Read More -
1. Het bedrijf heeft de stoelen niet.
2. De werknemer heeft het salaris niet.
3. U hebt de afspraak niet.
4. De buren hebben de boom niet.
5. Het is de winkel niet.
6. Ik heb het kaartje niet.
7. Het lichaam heeft het hoofd niet.
8. Wij hebben het toetje niet.
9. Jullie hebben de keuken niet.
10. De tafel heeft de poten niet.
11. Hij heeft de koe…Read More -
1. Ik heb het antwoord niet.
2. Hij is de broer niet.
3. Zij is de buurvrouw niet.
4. Je hebt de foto niet.
5. Wij hebben de lamp niet.
6. Ze zijn de mannen niet.
7. Jullie hebben het medicijn niet.
8. Ze hebben het nieuws niet.
9. Hij heeft het potlood niet.
10. U bent de partner niet.
11. Ze hebben de prijs niet.
12. Hij heeft de appel niet.
13.…Read More -
1. Ik heb de auto niet
2.Zij heeft de jas niet
3.De stad heeft de winkels niet
4.Het bedrijf heeft de vergaderruimten niet
5.Nederland heeft de steden niet
6.Het is het boek niet
7.Ik heb de handschoenen niet
8.We hebben de aardbeien niet
9.De straat heeft de bushalte niet
10. Het dorp heeft de brug niet
11.Eindhoven heeft de gracht niet
12.De kat…Read More -
1. Ik heb de auto niet
2. Jij hebt de pen niet
3. U heeft de fiets niet
4. Hij heeft het boek niet
5. Zij heeft de groente niet
6. Jij hebt het gerecht niet
7. De bibliotheek heeft het boek niet
8. Het dorp heeft de boom niet
9. Ik heb de schoen niet
10. Hij heeft de boterham niet
11. Jullie hebben de tafel niet
12. Wij hebben het paard niet
13.…Read More -
1. Ik heb de tafel niet.
2. jij hebt de haar kam niet.
3. Hij heeft de auto niet.
4. Zij heeft de danskostuum niet.
5. Wij hebben de pennen niet.
6. Vrouwen hebben de tassen niet.
7.Wij hebben de klassen niet.
8.De docent heeft de auto niet.
9.Ik heb de auto niet.
10. Achtertuin heeft de bloem niet. -
1.Ik heb het schrift niet.
2.Hij heeft de stoel niet.
3.Zij heeft het eten niet.
4.Je hebt de deur niet.
5.Wij hebben de tafel niet.
6.Jullie hebben het raam niet.
7.Ze hebben de bus niet.
8.Je hebt het mes niet.
9.Ik heb de jas niet.
10.Zij heeft het glas niet.
11.Ik heb de bal niet.
12.Hij heeft het bord niet.
13.Zij heeft de winkel…Read More
-
1. Wij hebben het geld niet.
2. Hij heeft de grootvader niet.
3. Ik heb de boeken niet.
4. Ze heeft het water niet.
5. Jullie hebben de potloden niet.
6. Je hebt het potlood niet.
7. Wij hebben de zussen niet.
8. U heeft de koffie niet.
9. Ik heb de buurman niet.
10. Ze hebben de hond niet.
11. Je hebt de zoon niet.
12. Ik heb de melk niet.
13.…Read More -
1. We hebben de menukaart niet.
2. U heeft het formulier niet.
3. Ik heb de tas niet.
4. Jij hebt de vruchten niet.
5. Zij hebben de kinderen niet.
6. Ik ben de baas niet.
7. Zij heeft de vakantie niet.
8. Hij is de medewerker niet
9. Maria is de oma niet
10. Karel heeft het balkon niet.
11. Ik heb het paspoort niet.
12. Wij hebben het probleem…Read More -
1. Ik heb de trui niet.
2. Je hebt de tafel niet.
3. Jij hebt het boek niet.
4. U hebt het geld niet.
5. Ze heeft het nummer niet.
6. Zij heeft het instrument niet.
7. Hij heeft het restaurant niet.
8. We hebben het land niet.
9. Wij hebben het bedrijf niet.
10. Jullie hebben het kantoor niet.
11. Ik heb de bomen niet.
12. U hebt de jassen…Read More -
1. Ik heb de sleutel niet.
2 Jij hebt de tas niet.
3. Hij heeft de telefoon niet.
4. Zij heeft de pen niet.
5. We hebben de boeken niet.
6. Jullie hebben de map niet.
7. Het kind heeft de bal niet.
8. Zij hebben de krant niet.
9. Ik heb de auto niet.
10. Jij hebt de jas niet.
11. Hij heeft het horloge niet.
12. Zij heeft de bril…Read More
-
1. Jullie hebben het menu niet .
2. Jij hebt de krant niet.
3. Zij heeft de hoed niet .
4. Ik heb de trui niet.
5. Zij heeft de pen niet.
6. Ik ben de president niet.
7.Wij hebben de manager niet .
8. Je hebt het huis niet.
9. Hij heeft de telefoon niet.
10. Jullie hebben de kinderen niet .
11.Zij heeft de rok niet .
12.Wij hebben de boeken niet…Read More -
1. Wij hebben het boek niet.
2. Ik heb de jas niet.
3. Hij heeft de auto niet.
4. Je hebt de koelkast niet.
5. Wij hebben het meisje niet.
6. Zij heeft de bloemen niet.
7. Ik heb de bril niet.
8. U hebt het huis niet.
9. Jullie hebben de bank niet.
10. Wij hebben het telefoonnummer niet.
11. Zij heeft de appels niet.
12. Jij hebt de katten…Read More -
1. Ik heb de boeken niet.
2. Wij hebben de pennen niet.
3. Jullie hebben de honden niet.
4. Zij hebben de katten niet.
5. Hij heeft de olifanten niet.
6. Zij heeft de auto’s niet.
7. Ik heb de collega’s niet.
8. Jij hebt de tafels niet.
9. U heeft de namen niet.
10. Zij heeft de koekjes niet.
11. Hij heeft de paarden niet.
12. Jullie hebben de ram…Read More -
1. Ik heb de auto niet.
2. Wij hebben de kinderen niet.
3. Michael heeft de vriendin niet.
4. Mijn buurman heeft de laptop niet.
5. Het huis heeft de ramen niet.
6. Ik heb het voetbal niet.
7. Zij hebben de ouders niet.
8. Hij heeft het huis niet.
9. Wij hebben de tomaten niet.
10. Jij hebt de fiets niet. -
1. Ik heb de pen niet.
2. Wij hebben de boeken niet.
3. Jullie hebben de jas niet.
4. Zij heeft het rode huis niet.
5. Jij hebt de witte kat niet.
6. Hij heeft het kleine meisje niet.
7. Zij heeft het gezin niet.
8. Zij hebben de jongen niet.
9. Ik heb de tijd niet.
10. Zij hebben de afspraak niet.
11. Wij hebben de tickets niet.
12.…Read More
-
Ik heb de auto niet.
Je hebt het geld niet.
Hij is de broer niet.
Zij hebben het boek niet.
Het is het woord niet.
Hij is de arts niet.
Ik ben de baas niet.
Wij hebben de pen niet.
Het leger heeft het vliegtuig niet.
De studenten hebben het examen niet.
Het is het station niet.
Zij is de leraar niet.
Ik ben de vriendin niet.
De tuin heeft de bloem…Read More -
1. Ik heb het bonnetje niet.
2. Wij hebben de postzegel niet.
3. Jij hebt het cadeau niet.
4. Hij heeft de enveloppe niet.
5. Jullie hebben de lift niet.
6. De timmerman heeft de portemonnee niet.
7. De baas heeft de bril niet.
8. De rechter heeft het juweel niet.
9. Ik heb de handtas niet.
10. De gezagvoerder heeft het plan niet.
11. De werkloze…Read More -
Gerard heeft de koelkast niet.
Cornelis en Dirk hebben de kaas niet
Theo en ik hebben de pauze niet.
Yvonne heeft de oma niet.
Jij hebt het horloge niet.
Jullie hebben de kinderen niet.
Ik heb de afspraak niet.
Willem heeft de groenten niet.
Zij en ik hebben de vakantie niet.
Victor heeft de opdrachten niet. -
1. Ik heb de auto niet.
2. Hij heeft de pennen niet.
3. Jij hebt de horloge niet.
4. Jullie hebben de film niet.
5. Wij hebben de kleren niet.
6. Zij hebben de instrument niet.
7. Ze heeft de lamp niet.
8. Ik heb de map niet.
9. Ze heeft de rok niet.
10. Jullie hebben de mobiel niet.
11. Wij hebben de sap niet.
12. Hij heeft de thee niet.
13. Zij…Read More -
Ik heb de pen niet
Je hebt het huis niet
Hij is de kok niet
Het is het mes niet
Wij hebben de borden niet
Zij hebben de kinderen niet
Ik ben de leider niet
Je bent de leraar niet
Hij heeft de hond niet
Zij is de robot niet
Wij zijn de spionnen niet
Het is de tafel niet
het huis is het probleem niet
De hond heeft de sok niet
Lluis is de moordenaar niet -
1. Ik heb het brood niet.
2. Ik heb de suiker niet
3. Jij hebt de water niet
4. Jij hebt het boek niet.
5. U heeft de paraplu niet.
6. Hij heeft de rok niet.
7. Zij heeft de trui niet.
8. Wij hebben de huis niet
9. Jullie hebben de schoen niet.
10. zij hebben de broek niet.
11. De man heeft de kamer niet.
12. De vrouw heeft de koelkast niet.
13.…Read More -
1. Hij heeft de auto niet.
2. Ik heb de tafel niet.
3. De docent heeft het natuurkundeboek niet.
4.Het bedrijf heeft de vergadering niet.
5. Je hebt de tassen niet.
6. Mijn huis heeft de wasmachine niet.
7. Jullie hebben de vriendinnen niet.
8. Wij hebben de bloem niet.
9. Hij heeft het tennisracket niet.
10. Zij heeft de jurk niet. -
1. Ik heb de huisdier niet.
2. Zij hebben de zus niet.
3. De oma heeft de hapjes niet.
4. Zij heeft de bord niet.
5. Jullie hebben de huisdier niet.
6. Zij hebben de ruzie niet.
7. Jij hebt de boekje niet.
8. Jullie hebben de auto niet.
9. De jongen heeft de speelgoed niet.
10. Zij heeft de tas niet. -
1. Ik heb de pen niet.
2. Hij heeft de sleutels niet.
3. Wij hebben de televisie niet.
4. Zij heeft de tas niet.
5. Jij hebt de project niet.
6. U heeft de bankpas niet.
7. Zij hebben de examen niet
8. De Opa heeft de bril niet.
9. Mijn oma heeft de energie niet.
10. Jij fiets hebt de fietsbel niet. -
1. Ik heb de gitaar niet bij me
2. Jullie weten het antwoord niet
3. Zij heeft de sleutel niet bij zich
4. Wij hebben de tickets voor het concert niet
5. Zij wil de auto niet
6. Jullie maken het huiswerk niet
7. Hij kent het alfabet niet
8. Ik heb het boek niet
9. Wij hebben de groente niet
10. Jullie hebben het water niet
11. U heeft de bril…Read More -
1. Ik heb de sleutel niet.
2. Hij heeft de telefoon niet.
3. Zij heeft de tijd niet.
4. Wij hebben de pen niet.
5. Jij hebt de fiets niet.
6. Jullie hebben de afstandsbediening niet. = you don’t have the remote control
7. De leraar heeft de boeken niet.
8. Zij hebben de tickets niet.
9. Ik heb de afspraak niet.
10. Hij heeft de laptop niet. -
1. Ik heb het treinkaartje niet.
2. Jij hebt de opdracht niet.
3. De Jongens hebben de papieren niet.
4. U hebt de vakantie niet.
5. Mark heeft de plant niet.
6. Zij heeft de doos niet.
7. Het huis heeft de balkon niet.
8. Jullie hebben het eten niet.
9. Wij hebben de cadeaus niet.
10.Zij hebben de lepels niet. -
1. Ik heb het misverstand niet.
2. Wij hebben de uitverkoop niet.
3. Je hebt de kortingskaart niet.
4. Jullie hebben het bericht niet.
5. Hij heeft de winkel niet.
6. Zij heeft de supermarkt niet.
7. Ze hebben de bruiloft niet.
8. Ik heb het huwelijk niet.
9. Wij hebben de datum niet.
10. Je hebt de foto niet. -
1. ik heb de fiets niet.
2. Ik heb het boek niet.
3. Ik heb de auto niet.
4. Jij hebt het huis niet.
5. Je hebt het geld niet.
6. Je hebt de thee niet.
7. Hij heeft de koffie niet.
8. Hij heeft de hond niet.
9. Hij heeft de kat niet.
10. Zij heeft het geld niet.
11. Zij heeft de familie niet.
12. Zij heeft de appel niet.
13. Wij hebben het huis…Read More -
1. Zij heeft de chocolade niet
2. Jij hebt de handdoek niet
3. Hij heeft de ontvangst niet
4. Je hebt de foto niet
5. Ze hebben het paard niet
6. We hebben de huizen niet
7. Jullie hebben de rapporten niet
8. Pieter heeft de richtingen niet
9. We hebben de maaltijd niet
10. Hij heeft de bessen niet
11. Jij hebt de lepel niet
12. Bernard heeft het…Read More -
1. Ik heb de satelliet niet.
2. Zij heeft de jurk niet.
3.Jullie hebben de brandstof niet.
4. Ze heeft de keuken niet
5. Ze hebben de auto’s niet.
6. Jij hebt het/de neushoorn niet.
7. Hij heeft het salaris niet.
8. Jullie hebben het schip niet.
9. Zijn hebben het vliegvled niet.
10. Je hebt het hotel niet.
-
1. Ik heb de vrienden niet.
2. Je hebt het huis niet.
3. Ze heeft de waardigheid niet.
4. Hij heeft het respect niet.
5. Het heeft de betekenis niet.
6. We hebben de familie niet.
7. U hebt het geld niet.
8. Karel heeft de hoop niet.
9. Maria en Anna hebben de dromen niet.
10. Je hebt de verbeelding niet. -
1. Jij hebt het tennisracket niet.
2. Jullie hebben de boot niet.
3. Wij hebben het Van Gogh schilderij niet.
4. Ze heeft het kussen niet.
5. Zij hebben de garage niet.
6. Ik heb de gitaar niet.
7. Hij heeft de wijn niet.
8. Jij hebt de kaarsen niet.
9. Wij hebben de deken niet.
10. Jullie hebben de beroepskwalificaties niet. -
1.Ik heb de auto niet.
2.Zij heeft het kaartje niet.
3.Ze hebben het geld niet.
4.Jullie hebben het huis niet.
5.Hij heeft de hond niet.
6.De kinderen hebben de telefoon niet.
7.De jongen heeft het huiswerk niet.
8.Het station heeft de trein niet.
9.Ik heb de koffie niet.
10. De supermarkt heeft de aardbei niet. -
1 Ik heb de kip niet.
2 U bent het konijn niet.
3 Zij is de directeur niet.
4 Wij hebben het gerecht niet.
5 Jij hebt het getal niet.
6 Jullie hebben de kennis niet.
7 Het heeft de koffer niet.
8 Ik heb het boek niet.
9 Ik ben de acteur niet.
10 Jij hebt de tafel niet.
11 Het is het konijn niet.
12 Zij is het paard niet.
13 Wij hebben het…Read More -
1. Hans en Anna hebben de televisie niet.
2. Ik heb het geld niet.
3. Hans heeft de pennen niet.
4. Jij hebt de computer niet.
5. Julie hebben het brood niet.
6. Zijn hebben de boeken niet.
7. Ik heb de plaats niet.
8. Hij heeft de jassen niet.
9. Jij hebt de mas niet.
10. Het huis heeft het bed niet. -
1. Ik heb het geld niet.
2. Jij hebt de kat niet.
3. De olifant heeft de staart niet.
4. De mannen hebben de les niet.
5. Zij heeft het kapsel niet.
6. Hij is de zoon niet.
7. Mijn vader is de buurman niet.
8. Wij hebben de flessen niet.
9. Deze jongen heeft de bal niet.
10. De hond heeft het eten niet. -
Ik heb de pen niet.
Jij hebt het huis niet.
Hij komt de deur niet uit.
Ik zeg het woord niet.
Ik probeer de soep niet.
Ik zie de buurman niet.
Hij kent de hond niet.
Zij koopt de telefoon niet.
Jullie eten het diner niet.
Ik lees het boek niet.
Ik vind de bal niet.
Hij neemt het geld niet.
Ik begrijp de context niet.
Wij openen de deur niet.
Zij…Read More
- Load More Posts

1. Ik heb de laptop niet.
2. Jij hebt de muis niet.
3. Zij heeft de rok niet.
4. Jullie hebben de appel niet.
5. Hij heeft de handoek niet.
6. Hij heeft de deken niet.
7. Ik heb de magnetron niet.
8. Zij heeft de glas niet.
9. Wij hebben het boek niet.
10. Ik heb het menu.
11. Jullie hebben de kaas niet.
12. Jullie hebben het kannon niet.
13. Ik…Read More