Dutch Course Eindhoven A1 Homework Answers Group

  • Public Group
  • 18 hours, 27 minutes ago
  • 105

    Posts

  • 183

    Members

  • Boek. Pagina 95👍
    Opdracht 6
    Post your answer below:

    139 Comments
    • 1. Ik heb de laptop niet.
      2. Jij hebt de muis niet.
      3. Zij heeft de rok niet.
      4. Jullie hebben de appel niet.
      5. Hij heeft de handoek niet.
      6. Hij heeft de deken niet.
      7. Ik heb de magnetron niet.
      8. Zij heeft de glas niet.
      9. Wij hebben het boek niet.
      10. Ik heb het menu.
      11. Jullie hebben de kaas niet.
      12. Jullie hebben het kannon niet.
      13. Ik…Read More

    • 1. Ik heb het bestand niet.
      2. Jullie hebben de kaartjes niet.
      3. Apotheek heeft het geneesmiddel niet.
      4. Zij heeft het horloge niet.
      5. Jij hebt de afspraak niet.
      6. Utrecht heeft het gebouw niet.
      7. Wij hebben het toestel niet.
      8. Jan heeft de hoofdtelefoon niet.
      9. Ferdinand en Anna hebben de auto niet.
      10. Zij hebben de goedkeuring niet.
      11.…Read More

    • 1. Ik heb het horloge niet.
      2. Zij heeft het boek niet.
      3. Hij heeft de telefoon niet.
      4. Wij hebben de tafel niet.
      5. Jij hebt de pen niet.
      6. Zij hebben de auto niet.
      7. Ik heb de IKEA-kast niet.
      8. Zij heeft de schoenen niet.
      9. Wij hebben de borrel niet.
      10. Jij hebt het ijsje niet.
      11. Hij heeft het Babolat-racket niet.
      12. Ik heb de voetbal…Read More

    • 1. Ik heb het bedrag niet
      2. Zij heeft de afspraak niet.
      3. Wij hebben de rekening niet.
      4. Jij hebt de zaklamp niet.
      5. Ik heb de toetjes niet.
      6. Hij heeft de stoel niet.
      7. Zij hebben de schilders niet.
      8. Jij hebt de deken niet.
      9. Zj heeft het telefoonnummer niet.
      10. Ik heb de krant niet.

    • 1. Ik ben de leerling niet
      2. Zij hebben de ideeën niet
      3. Het is de maand niet
      4. Zij is de zus niet
      5. Zij zijn de familie niet
      6. Jullie hebben de rekenmachine niet
      7. Jij hebt de suiker niet
      8. Ik ben de vrouw niet
      9. Hij is de leraar niet
      10. Hij heeft het papier niet
      11. Wij hebben de bloemen niet
      12. Zij is de buurvrouw niet
      13. Het is de…Read More

    • 1. Ik heb het antwoord niet.
      2. Je hebt de kaart niet.
      3. Hij heeft de auto niet.
      4. Zij heeft het boek niet.
      5. Wij hebben de afspraak niet.
      6. Jullie hebben het boek niet.
      7. Ze hebben het huisdier niet.
      8. Jij hebt de tas niet.
      9. Ik heb de poster niet.
      10. Zij heeft het horloge niet.

    • 1. Hij heeft de sleutel niet.
      2. Zij heeft de pen niet.
      3. Jij hebt de auto niet.
      4. Jullie hebben de jassen niet.
      5. Wij hebben de boek niet.
      6. Zij hebben de fiets niet.
      7. Jij hebt de tafel niet.
      8. Ik heb de tas niet.
      9. Hij heeft de vrouw niet.
      10. Wij hebben de kat niet.

    • 1. Peter is de baas niet.
      2. Ik heb de pen niet.
      3. Hij is de klant niet.
      4. Zij is de docent niet.
      5. Wij hebben de boeken niet.
      6. Zij hebben de huizen niet.
      7. Ik heb de idee niet.
      8. Jij hebt het water niet.
      9. Jullie eten de kaas niet.
      10. Hij is de buurman niet.

    • 1. Ik heb de broek niet.
      2. Jullie hebben de kaartjes niet.
      3. Wij hebben het geld niet.
      4. Jij hebt de kleren niet.
      5. Maria heeft de suiker niet.
      6. Zij hebben de lamp niet.
      7. U hebt de koffie niet.
      8. Hij heeft de afspraak niet.
      9. Ik heb het bord niet.
      10. Je hebt de telefoon niet.

    • 1. Ik schrijf de brief niet.
      2. Jij drinkt het water niet.
      3. U gebruikt de zaklamp niet.
      4. Hij bestudeert het boek niet.
      5. Zij plukt de bloemen niet.
      6. De dieren bekijken de film niet.
      7. Wij spelen het spel niet.
      8. Jullie werken de rappoets niet.
      9. Zij omhakken de boom niet.
      10. De schapen eten het vlees niet.

    • 1. Ik heb de groep niet.
      2. Wij hebben de lepels niet.
      3. Jij heeft de medicijn niet.
      4. Jullie hebben de noten niet.
      5. Hij heeft de eend niet.
      6. Ik heb de partner niet.
      7. Zij heeft het raam niet.
      8. U heeft de schetsen niet.
      9. Zij hebben de tanden niet.
      10. Ik heb de verf niet.

    • 1. Ik ben de leraar niet
      2. Jij hebt het kasteel niet
      3. Wij zijn de boeren niet
      4. Hij heeft de paraplu niet
      5. U bent de verkoper niet
      6. Jullie hebben het huis niet
      7. Zij heeft de tuin niet
      8. Zij zijn de passagiers niet
      9. Ik heb het toetje niet
      10. Jij bent de buurman niet

    • 1. Ik heb het water niet.
      2. Jij hebt de appel niet.
      3. U heeft de computer niet.
      4. Wij hebben de foto niet.
      5. Jullie hebben de suiker niet.
      6. Zij hebben de hond niet.
      7. Zij heeft het ei niet.
      8. Ik heb het eten niet.
      9. U hebt het boek niet.
      10. Jullie hebben de ring niet.

    • 1. Ik heb de auto niet.
      2. Jij hebt de bus niet.
      3. Ik heb de film niet.
      4. Wij hebben de rijst niet.
      5. Zij hebben de suiker niet.
      6. Hij heeft de tafel niet.
      7. Ik heb de zak niet.
      8. Ik heb de hond niet.
      9. Ik heb het papier niet.
      10. Jij hebt de trui niet.

    • 1. Ik heb de auto niet.
      2. Je hebt de pen niet.
      3. Jullie hebben het boek niet.
      4. Ik ben de docent niet.
      5. U hebt de fiets niet.
      6. We hebben het huiswerk niet.
      7. Ze zijn de broers niet.
      8. Ze is de student niet.
      9. Ik ben de ingenieur niet.
      10. Jullie hebben de keukens niet.

    • 1. Ik heb het werk niet.
      2. Wij hebben de auto niet.
      3. Zij heeft de kat niet.
      4. Jullie hebben de tuin niet.
      5. Hij heeft de vriendin niet.
      6. Pieter heeft het paard niet.
      7. Cornelis and Dirk zijn het team niet.
      8. Maria and ik zijn huisartsen niet.
      9. Zij heeft de lamp niet.
      10. Jullie hebben de kaart niet.

    • 1. Hij heeft de aardappelen niet.
      2. Zij heeft de foto niet.
      3. Wij hebben de hond niet.
      4. Ik heb de chocolade niet.
      5. Jullie hebben het afval niet.
      6. We hebben de lessen niet.
      7. Jij hebt de vakantie niet.
      8. Ik heb de tijd niet.
      9. Hij heeft het geld niet.
      10. Zij heeft de ring niet.

    • 1. Ik heb de auto niet.
      2. Zij heeft de kraam niet.
      3. Wij hebben de winkel niet.
      4. Hij heeft de kas niet.
      5. Zij heeft het pak niet.
      6. Hij heeft de gom niet.
      7. Het heeft de zonnepanelen niet.
      8. Ik heb het geld niet.
      9. Jullie hebben de schuifmaat niet
      10. Zij hebben de hoogtemeter niet.

    • 1. Ik heb het huis niet.
      2. Hij heeft de stoel niet.
      3. Zij heeft de hond niet.
      4. Wij hebben de leraar niet.
      5. Zij hebben de huisarts niet.
      6. Ik heb de auto niet.
      7. Jullie hebben de voetbal niet.
      8. Hij heeft de klant niet.
      9. Zij heeft de buurman niet.
      10. Jij hebt het paard niet.

    • 1. Ik heb de pen niet.
      2. Jij bent de baas niet.
      3. Zij is de vrouw niet.
      4. Hij is de vader niet.
      5. Het is het huis niet.
      6. Wij hebben de map niet.
      7. Jullie hebben het antwoord niet.
      8. Zij zijn de doelen niet.
      9. U hebt de manager niet.
      10. Ik ben de docent niet.

    • 1. Ik heb de auto niet.
      2. Je hebt het boek niet.
      3. Hij heeft het huis niet.
      4. Wij hebben de hond niet.
      5. Jullie hebben het hotel niet.
      6. Ze hebben de fiets niet.
      7. Ik heb de computer niet.
      8. Je hebt de pen niet.
      9. Zij heeft de tas niet.
      10. Wij hebben de tuin niet.

    • 1. Ik heb het ding niet.
      2. Je hebt het draad niet.
      3. Jullie hebben het eten niet.
      4. Het heeft het geld niet.
      5. Zij hebben de groente niet.
      6. Wij hebben de grootmoeder niet.
      7. Ik heb de hamer niet.
      8. Jullie hebben de hond niet.
      9. Zij hebben het huis niet.
      10. Wij hebben het idee niet.

    • 1. Ik heb de computer niet.
      2. Wij hebben de boeken niet.
      3. U heeft het huisdier niet.
      4. Zij hebben het avondeten niet.
      5. Jullie hebben de kat niet.
      6. Hij heeft de auto niet.
      7. Jij hebt het paard niet.
      8. Zij heeft de tafel niet.
      9. Ik heb de pen niet.
      10. Je hebt de stoelen niet.

    • 1. Ik heb het kussen niet.
      2. Jij hebt de sleutel niet.
      3. Je hebt het gezin niet.
      4. U heeft de jurk niet.
      5. Hij heeft de hond niet.
      6. Zij heeft de wijn niet.
      7. Wij hebben het glas niet.
      8. Jullie hebben de bril niet.
      9. Ik heb de winkel niet.
      10. Zij hebben de vraag niet.

    • 1. Ik heb de deksel niet
      2. Jullie hebben de hond niet.
      3. Zij heeft de fles niet
      4. Hij heeft de geit niet
      5. Zijn hebben het graf niet
      6. We hebben de kat niet
      7. Hij heeft het ijs niet
      8. Jullie hebben de instrumenten niet
      9. Je hebt de lamp niet
      10. We hebben de maaltijd niet
      11. Zij heeft de pijn niet.
      12. Hij heeft de sinaasappels niet
      13.…Read More

    • 1. Ik heb de krant niet.
      2. Jij hebt het boek niet.
      3. Jullie hebben de boeken niet.
      4. Hij heeft de auto niet.
      5. Ik heb de tas niet.
      6. Ze heeft de jas niet.
      7. Hij heeft de doos niet.
      8. U heeft de fiets niet.
      9. Wij hebben de dieren niet.
      10. Je hebt de lepel niet.

    • 1. Ik heb de bloem niet
      2. Hij heeft het eiland niet
      3. Jullie hebben de film niet
      4. Zij hebben het glas niet
      5. Jij hebt het probleem niet
      6. Hij heeft het restaurant niet
      7. U heeft de radio niet
      8. Jij hebt de vork niet
      9. Wij hebben de test niet
      10. Zij hebben het zand niet

    • 1. Hij heeft de computer niet.
      2. Zij heeft het huis niet.
      3. U heeft de thee niet.
      4. Wij hebben de hobby niet.
      5. Jullie hebben de katten niet.
      6. U heeft het boek niet.
      7. Je hebt de klok niet.
      8. Ik heb het kantoor niet.
      9. U heeft de auto niet.
      10. Wij hebben het mes niet.
      11. Ik heb de tas niet.
      12. U heeft de hamer niet.
      13. Wij hebben de…Read More

    • 1. Ik heb de piano niet.
      2. Wij hebben de lepels niet.
      3. Jullie hebben de tafels niet.
      4. Hij heeft de kaartjes niet.
      5. Zij heeft de stoelen niet.
      6. Peter heeft de hond niet.
      7. Ik heb het horloge niet.
      8. Een plant heeft de bladeren niet.
      9. De hond heeft het speelgoed niet.
      10. Ze hebben de auto’s niet.

    • De auto heeft het wiel niet.
      Ik heb de tas niet.
      Jij hebt de pen niet.
      Zij heeft de spiegel niet.
      Wij hebben de boeken niet.
      Jij hebt de telefoon niet.
      Zij hebben de auto niet.
      Hij heeft de computer niet.
      Het huis heeft de tuin niet.
      De kinderen hebben het speelgoed niet.

    • 1. Ik heb de hond niet.
      2. Zij hebben de kinderen niet.
      3. Hij heeft het boek niet.
      4. Zij heeft de docent niet.
      5. De vrouwen hebben de melk niet.
      6. De mannen hebben het water niet.
      7. Wij hebben de vrienden niet.
      8. Het meisje heeft de pen niet.
      9. De jongens hebben de fietsen niet.
      10.Jullie hebben het huis niet.

    • 1. Ze heeft de tas niet
      2. U hebt de vork niet
      3. Ik heb het retourticket niet
      4. Monaco heeft de gevangenis niet
      5. Ze heeft de ladder niet
      6. Huis heeft de wandklok niet
      7. Taart heeft de chocolade niet
      8. Hij heeft de grootmoeder niet
      9. We hebben de eieren niet
      10. Jullie hebben de gerechten niet
      11. Maria heeft de wasmachine niet
      12. Hij…Read More

    • 1. Ik heb de kamer niet.
      2. Wij hebben de werkgever niet.
      3. Zij heeft de stoel niet.
      4. Hij heeft het schoenenrek niet.
      5. Zij hebben het schaakbord niet.
      6. He heeft het voetbal niet.
      7. Het heeft het meer niet.
      8. We hebben de juwelen niet.
      9. Ik heb de gast niet.
      10. Ze hebben de afspraak niet.
      11. Hij heeft het diploma niet.
      12. Jullie hebben…Read More

    • 1. Ik heb de boek niet.
      2. Hij heeft de kunst niet.
      3. Je hebt de tas niet.
      4. Wij hebben de sleutels niet.
      5. Jullie hebben de fiets niet.
      6. De baby heeft de melk niet.
      7. De moeder heeft de baby’s speelgoed niet.
      8. De winkelier heeft de aardappelen niet.
      9. Jullie hebben de schriften niet.
      10. Je hebt de cadeaukaart niet.

    • 1. Ik heb de fiets niet.
      2. We hebben het raam niet.
      3. Je hebt de gum niet.
      4. De party heeft het bier niet.
      5. De kinderen hebben de tassen niet.
      6. Pinkman is de apotheker niet.
      7. Zij heeft de gordijnen niet.
      8. Ik heb de tijd niet.
      9. Wij hebben de sleutels niet.
      10. De leraar heeft de pen niet.
      11. Pikachu heeft de kracht niet.
      12. Jullie…Read More

    • 1. Ik heb het boek niet.
      2. Jij hebt de sleutel niet.
      3. Hij heeft de tas niet.
      4. Zij heeft het geld niet.
      5. Wij hebben de auto niet.
      6. Jullie hebben het huis niet.
      7. Zij hebben de tijd niet.
      8. Ik heb de pen niet.
      9. Hij heeft de jas niet.
      10. Jullie hebben het eten niet.

    • 1. Ik heb de pen niet.
      2. Jij hebt de auto niet.
      3. Philippe heeft het boek niet.
      4. Julia heeft de tafel niet.
      5. Hij heeft deze naam niet.
      6. Wij hebben deze buurman niet.
      7. Jullie hebben de kat niet.
      8. Zij hebben niet dezelfde collega’s.
      9. Ik heb deze dokter niet.
      10. Peter heeft het antwoord niet.
      11. Nico raakt niet in de war door de v…Read More

    • 1. Ik heb de auto niet.
      2. Jij hebt de fiets niet.
      3. Hij heeft de tafel niet.
      4. Zij heeft de jurk niet.
      5. Wij hebben het kaartje niet.
      6. Zij hebben de vogel niet.
      7. Wij hebben het antwoord niet.
      8. Hij heeft de kat en de hond niet.
      9. Zij hebben de sleutel niet.
      10. Maria heeft de schoenen niet.
      11. Nico heeft de gitaar niet.
      12. Jij hebt het…Read More

    • 1. Ik heb de stoel niet.
      2. Hij heeft het boek niet.
      3. Jullie hebben het huis niet.
      4. Jij hebt het papier niet.
      5. Zij hebben de auto niet.
      6. U hebt de fiets niet.
      7. Zij hebben het mes niet.
      8. Jullie hebben het huis niet.
      9. Hij heeft het pak niet.
      10. Ik heb de paraplu niet.
      11. Zij heeft de kaars niet.
      12. Jullie hebben de auto niet.
      13.…Read More

    • 1. Ik heb de waterfles niet
      2. Zij hebben het paspoort niet
      3. Hij heeft de jas niet
      4. Wij hebben de tafel niet
      5. Zij heeft de oplader niet
      6. Zij hebben de prullenbak niet
      7. Ik heb de sleutels niet
      8. Zij hebben de koelkast niet
      9. Zij zijn de werknemers niet
      10. Jij hebt de documenten niet
      11. Zij is de klant niet
      12. Zij hebben het dessert…Read More

    • 1. Ik heb de boeken niet.
      2. Je hebt het huis niet
      3. Hij heeft de lepel niet.
      4. Ze hebben het water niet.
      5. Ik ben de ingenieur niet.
      6. Je bent de vrouw niet.
      7. Ze is de docent niet
      8. Ze zijn de managers niet
      9. Pieter heeft de fiets niet
      10. De advocaten hebben de pennen niet.
      11. Ik heb de gitaar niet.
      12. De accountant heeft de huizen…Read More

    • 1. Ik heb het geld niet.
      2. Jij hebt de groenten niet.
      3. Hij heeft de opdrachten niet.
      4. Zij is de leidinggevende niet.
      5. U bent de klant niet.
      6. Het is de kamer niet.
      7. Wij hebben de producten niet.
      8. Jullie hebben de tafel niet.
      9. Zij zijn de buren niet.
      10. Theo en ik hebben de pauze niet.
      11. Simon heeft de wasmachine niet.
      12. Gerard…Read More

    • 1. Ik heb de tennisballen niet.
      2. De leraar heeft de pen niet.
      3. De mannen hebben de jassen niet.
      4. De kinderen hebben de boterhammen niet.
      5. Ik heb de banaan niet.
      6. Wij hebben de klok niet.
      7. Zij heeft het boek niet.
      8. Wij hebben het water niet.
      9. Het boek heeft de handtekening niet.
      10. De tafel heeft drie benen niet.
      11. De vrouw heeft…Read More

    • 1. Ik heb het boek niet.
      2. De man heeft de sleutel niet.
      3. Jullie hebben het huis niet.
      4. De vrouw heeft de jas niet.
      5. Zij hebben de documenten niet.
      6. Het kind heeft het speelgoed niet.
      7.Wij hebben het pakket niet.
      8. De boekhouder heeft de rekening niet.
      9. De tuinman heeft de planten niet.
      10. De toeristen hebben de kaart niet.
      11. De…Read More

    • 1. Wij hebben de kennis niet.
      2. Zij heeft het boek niet.
      3. Het bedrijf heeft het kantoor niet.
      4. Mijn oma heeft de buren niet.
      5. Zij heeft de kom niet.
      6. De school heeft de televisie niet.
      7. Jullie hebben de bloemen niet.
      8. Het heeft de ster niet.
      9. Zij hebben de koelkast niet.
      10. Zij hebben de vaatwasmachine niet.
      11. Hij heeft de…Read More

    • 1. Zijn hebben de zee niet.
      2. Ik heb de fiets niet.
      3. Kinderen hebben het speelgoed niet.
      4. Yvonne heeft de afspraak niet.
      5. Hij heeft de boom niet.
      6. Mijn vriendin heeft de bloemen niet.
      7. Zij heeft de hoed niet.
      8. Mijn oma heeft de boerderij niet.
      9. Jullie hebben het schilderij niet.
      10. De buurman heeft de kat niet.
      11. Jan heeft de…Read More

    • 1- Ik heb het huis niet
      2- Jij hebt het boek niet
      3- Je bent de werkgever niet
      4- Hij is de broer niet
      5- Zij is de zuster niet
      6- Wij hebben de auto niet
      7- Jullie zijn de studenten niet
      8- Zij Zijn de leraars niet
      9- Zij hebben de documenten niet
      10- Ik ben de buurvrouw niet

    • 1 Ik heb het boek niet
      2 Jij hebt de sleutel niet
      3 Hij heeft de fiets niet
      4 Zij heeft de tas niet
      5 Wij hebben de auto niet
      6 Jullie hebben het geld niet
      7 Ze hebben de telefoon niet
      8 Jij hebt de pen niet
      9 Hij heeft de krant niet
      10 Wij hebben de kaart niet
      11 Ik ben niet boos
      12 Jij bent niet op school
      13 Hij is niet hier
      14 Zij is niet…Read More

    • 1. Ik heb de jas niet.
      2. Hij ziet de hond niet.
      3. Wij horen de bel niet.
      4. Zij leest het boek niet.
      5. Ik vind de sleutel niet.
      6. Jij neemt het brood niet.
      7. We gebruiken de pen niet.
      8. Hij maakt het huis niet schoon.
      9. Ik open de deur niet.
      10. Zij kijkt de film niet.
      11. Ik eet het vlees niet.
      12. Hij draagt de schoenen niet.
      13. Wij…Read More

    • 1. Ik heb de sleutel niet
      2. Hij heeft het boek niet
      3. Wij hebben de auto niet
      4. Zij heeft de tas niet
      5. Ik heb het geld niet
      6. Wij hebben de hond niet
      7. De man heeft de krant niet
      8. De kinderen hebben het speelgoed niet
      9. Papa heeft de telefoon niet
      10. Het kind heeft het brood niet
      11. De studenten hebben de laptop niet
      12. De winkel…Read More

    • 1. Ik heb de fles niet
      2. Jij hebt de deken niet
      3. Zij hebben de borden niet
      4. Simon hebben de wasmachine niet
      5. Hij heeft het paard en de olifant niet
      6. Jullie hebben de schoenen niet
      7. Nico en ik hebben de afspraak niet
      8. U bent de paraplu niet
      9. Zij heeft het menu niet
      10. Je bent de kat niet
      11. Ik heb het vlees niet
      12. Wij hebben het…Read More

    • 1. Ik heb de broek niet.
      2. Jij hebt de paraplu niet.
      3. Anna en Tom hebben de sleutel niet.
      4. Zij heeft het koffiezetapparaat niet.
      5. Wij hebben de krant niet.
      6. Hij heeft de foto niet.
      7. Peter heeft de jas niet.
      8. Jullie hebben de fles niet.
      9. Zij hebben het huis niet.
      10. Ik heb de pen niet.
      11. Otto heeft het telefoonnummer niet.
      12. Wij…Read More

    • 1. Ik heb de jas niet.
      2. Je hebt de rugzak niet.
      3. Hij heeft de fles niet.
      4. Ze heeft de jurk niet.
      5. We hebben de trui niet.
      6. Ze hebben de koffer niet.
      7. Jullie hebben de paraplu niet.
      8. U heeft de deken niet.
      9. Ze hebben het cadeau niet.
      10. Je hebt het kussen niet.
      11. U bent de eigenaar niet.
      12. Ik ben de directeur niet.
      13. Jullie…Read More

    • 1. Ik heb de fiets niet.
      2. Jij hebt de hond niet
      3. Hij heeft de suiker niet
      4. Zij heeft het brood niet
      5. Wij hebben de auto niet
      6. Jullie hebben het idee niet
      7. Zij hebben het geld niet
      8. Peter en Anna hebben het kind niet
      9. De krant heeft het nieuws niet
      10. Jouw moeder heeft de suiker niet
      11. Jij hebt de tafel niet
      12. Dirk heeft de…Read More

    • 1. Zij hebben het antwoord niet.
      2. Ik heb de brief niet.
      3. Hij is de baas niet.
      4. Zij hebben de tijd niet.
      5. Wij hebben de rekening niet.
      6. Zij heeft het cadeau niet.
      7. Zij hebben de droom niet.
      8. Zij zijn de vijanden niet.
      9. Wij hebben het voordeel niet.
      10. Hij is de tandarts niet.
      11. Jij bent de werknemer niet.
      12. Zij zijn het team…Read More

    • 1. Ik heb de auto niet.
      2. Zij hebben de fiets niet.
      3. Wij hebben de kinderen niet.
      4. Zij is niet de leraar.
      5. Ik ben niet jouw leraar.
      6. Zij zijn niet de leuke buren.
      7. Hij heeft jouw tas niet.
      8. Zij hebben de tickets niet.
      9. Hij gelooft de dokter niet.
      10. Ik wil het huis niet.

    • 1.Ik heb het huis niet .
      2.Jij hebt de baan niet.
      3. Hij heeft de collega niet.
      4.Zij heeft het miesje niet.
      5. Jullie hebben de kinderen niet.
      6. Wij hebben de tafel niet.
      7. Zij hebben de keuken niet.
      8. Hij leest het boek niet.
      9.Ik ben de leraar niet.
      10.Wij eten de peren niet.
      11. Ik wil naar de bioscoop niet.
      12. Hij heeft de pen…Read More

    • 1. Ik heb de fiets niet.
      2. Eva heeft het boek niet.
      3. Jij hebt de krant niet.
      4. Wij hebben de computer niet.
      5. Zij heeft de jas niet.
      6. Ik heb het instrument niet.
      7. Jan heeft de lamp niet.
      8. Jij hebt de tas niet.
      9. Zij heeft de hond niet.
      10. Wij hebben de auto niet.
      11. Simon heeft de telefoon niet.
      12. Jij hebt de beker niet.
      13. Ik heb…Read More

    • 1. Ik heb de koffer niet.
      2. Ze hebben de naalden niet.
      3. Ze hebben de bruggen niet.
      4. Hij heeft de haast niet.
      5. Het heeft de bladeren niet.
      6. Zij heeft de haan niet.
      7. We hebben het genot niet.
      8. Ze hebben het kasteel niet.
      9. Je hebt het kruis niet.
      10. Jullie hebben het mengsel niet.
      11. U heeft de richting niet.
      12. Hij heeft de rotsen…Read More

    • 1) Ik heb de trui niet
      2) Hij heeft het konijn niet
      3) Hij heeft de sleutels niet
      4) Ik heb de bal niet
      5) Zij heeft de kaartjes niet
      6) Wij hebben de mail niet
      7) Wij horen de bus niet
      8) Jullie hebben de kopjes niet
      9) Zij heeft de honden niet
      10) Ze drinkt de thee niet
      11) Zij heeft de tijd niet
      12)Hij heeft de vogel niet
      13) Je hebt de jas…Read More

    • 1- Ik heb het huis niet.
      2- Jullie hebben de buurman niet.
      3- Ze is de arts niet.
      4- Ze heeft het bachelordiploma niet.
      5- U bent de tuinman niet.
      6- Ze hebben de afspraak niet.
      7- Hij heeft het rubber niet.
      8- Zij zijn de kinderen niet.
      9- Het is de buurt niet.
      10- Het is het paard niet.
      11- Wij zijn de ingenieur niet.
      12- Ze is de verpleegster…Read More

    • 1. Ik heb de pennen niet.
      2. Hij heeft het kruis niet.
      3. U hebt de buurman niet.
      4. Zij heeft de collega niet.
      5. Wij hebben het huis niet.
      6. Jullie hebben de winkel niet.
      7. Het heeft de arm niet.
      8. Zij hebben het bed niet.
      9. Ik heb het kind niet.
      10. Jij hebt het dier niet.
      11. Ze hebben de hond niet.
      12. Hij heeft de vogel niet.
      13. Jij…Read More

    • 1. Ik heb het shirt niet.
      2. Jij hebt de koffie niet.
      3. Wij hebben de vakantie niet.
      4. Zij heeft de buurvrouw niet.
      5. Hij heeft de vriendin niet.
      6. Wij hebben het huis niet.
      7. Jij hebt het salaris niet.
      8. Zij hebben het bureau niet.
      9. Ik heb de afspraak niet.
      10. Jij hebt de telefoon niet.
      11. Zij hebben de tijd niet.
      12. Hij heeft de…Read More

    • 1- Ik heb de sleutel niet.
      2- Ik heb het boek niet.
      3- Ik heb de tas niet.
      4- Ik heb de pen niet.
      5- Ik heb het ticket niet.
      6- Ik heb het brood niet.
      7- Ik heb het formulier niet.
      8- Ik heb de foto niet.
      9- Ik heb het glas niet.
      10- Ik heb de fiets niet.
      11- Ik heb de koek niet.
      12- Ik heb het eten niet.
      13- Ik heb het pakket niet.
      14- Ik heb het…Read More

    • 1. Het bedrijf heeft de stoelen niet.
      2. De werknemer heeft het salaris niet.
      3. U hebt de afspraak niet.
      4. De buren hebben de boom niet.
      5. Het is de winkel niet.
      6. Ik heb het kaartje niet.
      7. Het lichaam heeft het hoofd niet.
      8. Wij hebben het toetje niet.
      9. Jullie hebben de keuken niet.
      10. De tafel heeft de poten niet.
      11. Hij heeft de koe…Read More

    • 1. Ik heb het antwoord niet.
      2. Hij is de broer niet.
      3. Zij is de buurvrouw niet.
      4. Je hebt de foto niet.
      5. Wij hebben de lamp niet.
      6. Ze zijn de mannen niet.
      7. Jullie hebben het medicijn niet.
      8. Ze hebben het nieuws niet.
      9. Hij heeft het potlood niet.
      10. U bent de partner niet.
      11. Ze hebben de prijs niet.
      12. Hij heeft de appel niet.
      13.…Read More

    • 1. Ik heb de auto niet
      2.Zij heeft de jas niet
      3.De stad heeft de winkels niet
      4.Het bedrijf heeft de vergaderruimten niet
      5.Nederland heeft de steden niet
      6.Het is het boek niet
      7.Ik heb de handschoenen niet
      8.We hebben de aardbeien niet
      9.De straat heeft de bushalte niet
      10. Het dorp heeft de brug niet
      11.Eindhoven heeft de gracht niet
      12.De kat…Read More

    • 1. Ik heb de auto niet
      2. Jij hebt de pen niet
      3. U heeft de fiets niet
      4. Hij heeft het boek niet
      5. Zij heeft de groente niet
      6. Jij hebt het gerecht niet
      7. De bibliotheek heeft het boek niet
      8. Het dorp heeft de boom niet
      9. Ik heb de schoen niet
      10. Hij heeft de boterham niet
      11. Jullie hebben de tafel niet
      12. Wij hebben het paard niet
      13.…Read More

    • 1. Ik heb de tafel niet.
      2. jij hebt de haar kam niet.
      3. Hij heeft de auto niet.
      4. Zij heeft de danskostuum niet.
      5. Wij hebben de pennen niet.
      6. Vrouwen hebben de tassen niet.
      7.Wij hebben de klassen niet.
      8.De docent heeft de auto niet.
      9.Ik heb de auto niet.
      10. Achtertuin heeft de bloem niet.

    • 1.Ik heb het schrift niet.

      2.Hij heeft de stoel niet.

      3.Zij heeft het eten niet.

      4.Je hebt de deur niet.

      5.Wij hebben de tafel niet.

      6.Jullie hebben het raam niet.

      7.Ze hebben de bus niet.

      8.Je hebt het mes niet.

      9.Ik heb de jas niet.

      10.Zij heeft het glas niet.

      11.Ik heb de bal niet.

      12.Hij heeft het bord niet.

      13.Zij heeft de winkel…Read More

    • 1. Ik heb de sleutel niet.
      2. Jij hebt het boek niet.
      3. Hij heeft de auto niet.
      4. Wij hebben de krant niet.
      5. Zij hebben de tassen niet.
      6. De man heeft de pen niet.
      7. Zij heeft het adres niet.
      8. Ik heb de scanner niet.
      9. De vrouw heeft de pakketten niet.
      10. Zij heeft de telefoon niet.

    • 1. Ik heb de fiets niet.
      2. Wij hebben het huiswerk niet.
      3. Hij heeft de sleutel niet.
      4. Zij heeft het boek niet.
      5. Ik heb de pen niet.
      6. Ik heb het menu niet.
      7. Ik heb de kaartjes niet.
      8. Ik heb het antwoord niet.
      9. Hij heeft het vliegtuig niet.
      10.Wij hebben het huis niet.

    • 1. Wij hebben het geld niet.
      2. Hij heeft de grootvader niet.
      3. Ik heb de boeken niet.
      4. Ze heeft het water niet.
      5. Jullie hebben de potloden niet.
      6. Je hebt het potlood niet.
      7. Wij hebben de zussen niet.
      8. U heeft de koffie niet.
      9. Ik heb de buurman niet.
      10. Ze hebben de hond niet.
      11. Je hebt de zoon niet.
      12. Ik heb de melk niet.
      13.…Read More

    • 1. We hebben de menukaart niet.
      2. U heeft het formulier niet.
      3. Ik heb de tas niet.
      4. Jij hebt de vruchten niet.
      5. Zij hebben de kinderen niet.
      6. Ik ben de baas niet.
      7. Zij heeft de vakantie niet.
      8. Hij is de medewerker niet
      9. Maria is de oma niet
      10. Karel heeft het balkon niet.
      11. Ik heb het paspoort niet.
      12. Wij hebben het probleem…Read More

    • 1. Ik heb de trui niet.
      2. Je hebt de tafel niet.
      3. Jij hebt het boek niet.
      4. U hebt het geld niet.
      5. Ze heeft het nummer niet.
      6. Zij heeft het instrument niet.
      7. Hij heeft het restaurant niet.
      8. We hebben het land niet.
      9. Wij hebben het bedrijf niet.
      10. Jullie hebben het kantoor niet.
      11. Ik heb de bomen niet.
      12. U hebt de jassen…Read More

    • 1. Ik heb de sleutel niet.

      2 Jij hebt de tas niet.

      3. Hij heeft de telefoon niet.

      4. Zij heeft de pen niet.

      5. We hebben de boeken niet.

      6. Jullie hebben de map niet.

      7. Het kind heeft de bal niet.

      8. Zij hebben de krant niet.

      9. Ik heb de auto niet.

      10. Jij hebt de jas niet.

      11. Hij heeft het horloge niet.

      12. Zij heeft de bril…Read More

    • 1. Jullie hebben het menu niet .
      2. Jij hebt de krant niet.
      3. Zij heeft de hoed niet .
      4. Ik heb de trui niet.
      5. Zij heeft de pen niet.
      6. Ik ben de president niet.
      7.Wij hebben de manager niet .
      8. Je hebt het huis niet.
      9. Hij heeft de telefoon niet.
      10. Jullie hebben de kinderen niet .
      11.Zij heeft de rok niet .
      12.Wij hebben de boeken niet…Read More

    • 1. Wij hebben het boek niet.
      2. Ik heb de jas niet.
      3. Hij heeft de auto niet.
      4. Je hebt de koelkast niet.
      5. Wij hebben het meisje niet.
      6. Zij heeft de bloemen niet.
      7. Ik heb de bril niet.
      8. U hebt het huis niet.
      9. Jullie hebben de bank niet.
      10. Wij hebben het telefoonnummer niet.
      11. Zij heeft de appels niet.
      12. Jij hebt de katten…Read More

    • 1. Ik heb de boeken niet.
      2. Wij hebben de pennen niet.
      3. Jullie hebben de honden niet.
      4. Zij hebben de katten niet.
      5. Hij heeft de olifanten niet.
      6. Zij heeft de auto’s niet.
      7. Ik heb de collega’s niet.
      8. Jij hebt de tafels niet.
      9. U heeft de namen niet.
      10. Zij heeft de koekjes niet.
      11. Hij heeft de paarden niet.
      12. Jullie hebben de ram…Read More

    • 1. Ik heb het kind niet.
      2. Hij heeft de fiets niet.
      3. Ze heeft de pen niet.
      4. Je hebt het werk niet.
      5. Wij hebben de les niet.
      6. Jullie hebben de buurman niet.
      7. Ze hebben de auto niet.
      8. Je hebt de telefoon niet.
      9. Ik heb het boek niet.
      10. Ze heeft de tafel niet.

    • 1. Ik heb de auto niet.
      2. Wij hebben de kinderen niet.
      3. Michael heeft de vriendin niet.
      4. Mijn buurman heeft de laptop niet.
      5. Het huis heeft de ramen niet.
      6. Ik heb het voetbal niet.
      7. Zij hebben de ouders niet.
      8. Hij heeft het huis niet.
      9. Wij hebben de tomaten niet.
      10. Jij hebt de fiets niet.

    • 1. Ik heb de pen niet.

      2. Wij hebben de boeken niet.

      3. Jullie hebben de jas niet.

      4. Zij heeft het rode huis niet.

      5. Jij hebt de witte kat niet.

      6. Hij heeft het kleine meisje niet.

      7. Zij heeft het gezin niet.

      8. Zij hebben de jongen niet.

      9. Ik heb de tijd niet.

      10. Zij hebben de afspraak niet.

      11. Wij hebben de tickets niet.

      12.…Read More

    • 1. Je hebt het bed niet.
      2. Ik heb de hond niet.
      3. Wij hebben het geld niet.
      4. Jullie hebben het huis niet.
      5. Ik heb het kind niet.
      6. Zij heeft het werk niet.
      7. Hij heeft de vader niet.
      8. Zij hebben het menu niet.
      9. Het heeft de batterij niet.
      10. U heeft de autoriteit niet.

    • 1. Ik heb het antwoord niet.
      2. Jij hebt de baan niet.
      3. Hij heeft de beker niet.
      4. Jullie hebben de krant niet.
      5. Zij heeft het tentamen niet.
      6. Ik heb de frisdrank niet.
      7. Ze hebben de schuur niet.
      8. U heeft het apparaat niet.
      9. De leraar heeft de schaar niet.
      10. Zij hebben de stoel niet.

    • Ik heb de auto niet.
      Je hebt het geld niet.
      Hij is de broer niet.
      Zij hebben het boek niet.
      Het is het woord niet.
      Hij is de arts niet.
      Ik ben de baas niet.
      Wij hebben de pen niet.
      Het leger heeft het vliegtuig niet.
      De studenten hebben het examen niet.
      Het is het station niet.
      Zij is de leraar niet.
      Ik ben de vriendin niet.
      De tuin heeft de bloem…Read More

    • 1. Ik heb het bonnetje niet.
      2. Wij hebben de postzegel niet.
      3. Jij hebt het cadeau niet.
      4. Hij heeft de enveloppe niet.
      5. Jullie hebben de lift niet.
      6. De timmerman heeft de portemonnee niet.
      7. De baas heeft de bril niet.
      8. De rechter heeft het juweel niet.
      9. Ik heb de handtas niet.
      10. De gezagvoerder heeft het plan niet.
      11. De werkloze…Read More

    • Gerard heeft de koelkast niet.
      Cornelis en Dirk hebben de kaas niet
      Theo en ik hebben de pauze niet.
      Yvonne heeft de oma niet.
      Jij hebt het horloge niet.
      Jullie hebben de kinderen niet.
      Ik heb de afspraak niet.
      Willem heeft de groenten niet.
      Zij en ik hebben de vakantie niet.
      Victor heeft de opdrachten niet.

    • 1. Ik heb de auto niet.
      2. Hij heeft de pennen niet.
      3. Jij hebt de horloge niet.
      4. Jullie hebben de film niet.
      5. Wij hebben de kleren niet.
      6. Zij hebben de instrument niet.
      7. Ze heeft de lamp niet.
      8. Ik heb de map niet.
      9. Ze heeft de rok niet.
      10. Jullie hebben de mobiel niet.
      11. Wij hebben de sap niet.
      12. Hij heeft de thee niet.
      13. Zij…Read More

    • Ik heb de pen niet
      Je hebt het huis niet
      Hij is de kok niet
      Het is het mes niet
      Wij hebben de borden niet
      Zij hebben de kinderen niet
      Ik ben de leider niet
      Je bent de leraar niet
      Hij heeft de hond niet
      Zij is de robot niet
      Wij zijn de spionnen niet
      Het is de tafel niet
      het huis is het probleem niet
      De hond heeft de sok niet
      Lluis is de moordenaar niet

    • 1. Ik heb de vakantie niet.
      2. Hij heeft de cursus niet.
      3. Zij heeft het plan niet.
      4. Wij hebben de soep niet.
      5. De keuken heeft de koelkast niet.
      6. Zij heeft de kledingkast niet.
      7. Zij hebben de flat niet.
      8. Koffie heeft de suiker niet.
      9. Ik heb de fiets niet.
      10. Zij heeft de sluiten niet.

    • 1. Ik heb het brood niet.
      2. Ik heb de suiker niet
      3. Jij hebt de water niet
      4. Jij hebt het boek niet.
      5. U heeft de paraplu niet.
      6. Hij heeft de rok niet.
      7. Zij heeft de trui niet.
      8. Wij hebben de huis niet
      9. Jullie hebben de schoen niet.
      10. zij hebben de broek niet.
      11. De man heeft de kamer niet.
      12. De vrouw heeft de koelkast niet.
      13.…Read More

    • 1. Ik heb het boek niet.
      2. Ik heb de telefoon niet.
      3. Hij heeft de sleutel niet.
      4. Zij heeft haar tas niet.
      5. Wij hebben de auto niet.
      6. Jij hebt het geld niet.
      7. Jullie hebben de papieren niet.
      8. Hij heeft de jas niet.
      9. Ik heb het antwoord niet.
      10. Zij hebben de tijd niet.

    • 1. Ik heb de auto niet
      2. Zij heeft de hond niet.
      3. Hij heeft de zonnebril niet.
      4. Wij hebben het geld niet.
      5. Jullie hebben de kat niet.
      6. U heeft de zus niet.
      7. Ik heb het huiswerk niet.
      8. Jij hebt de jas niet.
      9. Ze hebben de tas niet.
      10. Tim heeft het feit niet.

    • 1. Ik heb het boek niet.
      2. Wij hebben het antwoord niet.
      3. Zij heeft de kaas niet.
      4. Hij heeft de kennis niet.
      5. Jullie hebben het team niet.
      6. Zij hebben het eten niet.
      7. Hij heeft de fiets niet.
      8. Hij heeft het horloge niet.
      9. Ik heb de tas niet.
      10. Jij hebt het geld niet.

    • 1. Ik heb het geld niet.
      2. U hebt het boek niet.
      3. Zij hebben de auto’s niet.
      4. Ze heeft het kind niet.
      5. Je hebt het feest niet.
      6. Wij hebben het geschenk niet.
      7. Jullie hebben de naam niet.
      8. Ik heb de energie niet.
      9. Ze heeft de informatie niet.
      10. Hij heeft de sleutels niet.

    • 1. Ik heb de trein niet.
      2. Jij hebt het vliegtuig niet.
      3. Hij heeft het bureau niet.
      4. Zij heeft de lamp niet.
      5. Wij hebben de boot niet.
      6. Jullie hebben de auto niet.
      7. Zij hebben het eten niet.
      8. Ik heb de stoel niet.
      9. U hebt de televisie niet.
      10. Zij heeft de fles niet.

    • 1. Hij heeft de auto niet.
      2. Ik heb de tafel niet.
      3. De docent heeft het natuurkundeboek niet.
      4.Het bedrijf heeft de vergadering niet.
      5. Je hebt de tassen niet.
      6. Mijn huis heeft de wasmachine niet.
      7. Jullie hebben de vriendinnen niet.
      8. Wij hebben de bloem niet.
      9. Hij heeft het tennisracket niet.
      10. Zij heeft de jurk niet.

    • 1. Ik heb de huisdier niet.
      2. Zij hebben de zus niet.
      3. De oma heeft de hapjes niet.
      4. Zij heeft de bord niet.
      5. Jullie hebben de huisdier niet.
      6. Zij hebben de ruzie niet.
      7. Jij hebt de boekje niet.
      8. Jullie hebben de auto niet.
      9. De jongen heeft de speelgoed niet.
      10. Zij heeft de tas niet.

    • 1. Ik ben de dokter niet.
      2. Hij is de leraar niet.
      3. Zij is de verpleegster niet.
      4. Zij heeft de stoel niet.
      5. Wij hebben de tafel niet.
      6. Jullie hebben het huis niet.
      7. Jij hebt de kamer niet.
      8. Ik heb het raam niet.
      9. Hij heeft de deur niet.
      10. Zij hebben de lamp niet.

    • 1. Ik heb de pen niet.
      2. Hij heeft de sleutels niet.
      3. Wij hebben de televisie niet.
      4. Zij heeft de tas niet.
      5. Jij hebt de project niet.
      6. U heeft de bankpas niet.
      7. Zij hebben de examen niet
      8. De Opa heeft de bril niet.
      9. Mijn oma heeft de energie niet.
      10. Jij fiets hebt de fietsbel niet.

    • 1. Ik heb de gitaar niet bij me
      2. Jullie weten het antwoord niet
      3. Zij heeft de sleutel niet bij zich
      4. Wij hebben de tickets voor het concert niet
      5. Zij wil de auto niet
      6. Jullie maken het huiswerk niet
      7. Hij kent het alfabet niet
      8. Ik heb het boek niet
      9. Wij hebben de groente niet
      10. Jullie hebben het water niet
      11. U heeft de bril…Read More

    • 1. Ik heb de pen niet.
      2. Jij hebt het oma niet.
      3. Hij heeft de kast niet.
      4. Zij heeft de aardbei niet.
      5. Het heeft het dorp niet.
      6. Wij hebben de boot niet.
      7. Jullie hebben de brief niet.
      8. Zij hebben de dokter niet.
      9. Wij hebben het paard niet.
      10. Zij heeft de bos niet.

    • 1. Ik heb de sleutel niet.
      2. Hij heeft de telefoon niet.
      3. Zij heeft de tijd niet.
      4. Wij hebben de pen niet.
      5. Jij hebt de fiets niet.
      6. Jullie hebben de afstandsbediening niet. = you don’t have the remote control
      7. De leraar heeft de boeken niet.
      8. Zij hebben de tickets niet.
      9. Ik heb de afspraak niet.
      10. Hij heeft de laptop niet.

    • 1. Ik heb de auto niet
      2. Jij hebt het geld niet
      3.Hij heeft de koe niet
      4.Zij heeft de zoon niet
      5.Het heeft de arm niet
      6.Wij hebben het kind niet
      7.Jullie hebben het dier niet
      8.Zij hebben het huis niet
      9.Ze hebben het bedrijf niet
      10.U heeft de telefoon niet

    • 1. Ik heb het boek niet
      2. Ze heeft de pen niet.
      3.Het heeft het wiel niet.
      4.Hij heeft de fiets niet.
      5.Hij is de docent niet.
      6.Pieter is de manager niet.
      7.Zij hebben de telefoon niet.
      8.Zij heeft de kat niet.
      9.Het is het dier niet.
      10.Hij heeft de auto niet.

    • 1. Ik heb het treinkaartje niet.
      2. Jij hebt de opdracht niet.
      3. De Jongens hebben de papieren niet.
      4. U hebt de vakantie niet.
      5. Mark heeft de plant niet.
      6. Zij heeft de doos niet.
      7. Het huis heeft de balkon niet.
      8. Jullie hebben het eten niet.
      9. Wij hebben de cadeaus niet.
      10.Zij hebben de lepels niet.

    • 1. Ik heb de kat niet.
      2. Jij hebt de tas niet.
      3. Papa heeft het pistool niet.
      4. Wij eten de kaas niet.
      5. Zij gebruiken het gereedschap niet.
      6. Zij heeft het boek niet.
      7. Ik lees de krant niet.
      8. Jij sluit de ramen niet.
      9. Wij hebben de auto niet.
      10. Zij gebruikten de olijfolie niet.

    • 1. Ik heb de motorfiets niet.
      2. Jij hebt het boek niet.
      3. U heeft de pen niet.
      4. Hij heeft de computer niet.
      5. Zij heeft het papier niet.
      6. Wij hebben de les vandaag niet.
      7. Jullie hebben het mes niet.
      8. Zij hebben de spiegel niet.
      9. Mijn zoon heeft de telefoon niet.
      10. U hebt de tas niet.

    • 1. Ik ben niet de grootmoeder.
      2. Jij hebt de suiker niet.
      3. U heeft de prins niet.
      4. Hij heeft de zak niet.
      5. Zij heeft de aardappels niet.
      6. Het is het dorp niet.
      7. Wij hebben het nieuws niet.
      8. Jullie hebben de vis niet.
      9. Zij hebben het medicijn niet.
      10. Ik heb de sleutel niet.

    • 1. Ik heb de sleutel niet.
      2. Jij hebt het boek niet.
      3. Hij heeft de telefoon niet.
      4. Zij heeft het cadeau niet.
      5. Wij hebben de auto niet.
      6. Jullie hebben het gereedschap niet.
      7. Zij hebben de fiets niet.
      8. Ik zie de kat niet.
      9. Hij koopt het brood niet.
      10. Wij lezen de krant niet.

    • 1. Ik heb de sleutel niet.
      2. Hij heeft de telefoon niet.
      3. Zij heeft de kat niet.
      4. Jullie hebben het huis niet.
      5. Wij hebben de stoel niet.
      6. Zij heeft de paraplu niet.
      7. Zij hebben het paspoort niet.
      8.Zij heeft de krant niet.
      9.Zij heeft de handdoek niet.
      10.Zij heeft de fles niet.

    • 1.Ik heb het blauwe haar niet
      2.Jij hebt de auto niet
      3.Mijn hond heeft de pootjeniet
      4.We hebben de koffie niet
      5.Hij heeft de fiets niet
      6.Limburg heeft de steenkool niet
      7.Zij heeft de zoon niet
      8.Jullie hebben de schoenen niet
      9. U hebt de telefoon niet
      10. Mijn broer heeft het horloge niet

    • 1. Ik heb de zak niet
      2. Hij heeft de koffie niet
      3. Zij heeft de hond niet
      4. De kinderen hebben de boek niet
      5. Jullie hebben het paard niet
      6. Wij hebben de suiker niet
      7. Ik heb de auto niet
      8. Hij heeft de tas niet
      9. U heeft de tafel niet
      10. Jij hebt de kaas niet

    • 1. Ik heb het boek niet
      2. Jij hebt de tafel niet
      3. Zij heeft de auto niet
      4. Hij heeft de kat niet
      5. Wij hebben het kind niet
      6. Jullie hebben de televisie niet
      7. De kinderen hebben de telefoon niet
      8. Ik heb de dokter niet
      9. Jij hebt de keuken niet
      10. Zij hebben het bedrijf niet

    • 1. U hebt het zaakje niet.
      2. Jij hebt de zeep niet.
      3. Zij hebben het zout niet.
      4. Ik heb de tijd niet.
      5. Jullie hebben het water niet.
      6. Zij heeft de volgorde niet.
      7. U heeft het zilver niet.
      8. Jullie hebben de linialen niet.
      9. Wij hebben de bruiloft niet.
      10.Zij hebben de beker niet.

    • 1. Ik heb het misverstand niet.
      2. Wij hebben de uitverkoop niet.
      3. Je hebt de kortingskaart niet.
      4. Jullie hebben het bericht niet.
      5. Hij heeft de winkel niet.
      6. Zij heeft de supermarkt niet.
      7. Ze hebben de bruiloft niet.
      8. Ik heb het huwelijk niet.
      9. Wij hebben de datum niet.
      10. Je hebt de foto niet.

    • 1. Jij hebt het huis niet.
      2. Zij heeft de tas niet.
      3. Hij heeft de auto niet.
      4. Hij heeft het kaartje niet .
      5. Ik heb het hek niet.
      6. Wij hebben de schriften niet.
      7. U hebt het salaris niet.
      8. Zij hebben de jassen niet.
      9. Jullie hebben de vrachtwagens niet.
      10. Je hebt het hemd niet.

    • 1. Ik heb het huis niet.
      2. Jullie hebben de honden niet.
      3. Wij hebben het geld niet.
      4. Hij heeft het eten niet.
      5. Ze hebben de fiets niet.
      6. Jij hebt het paard niet.
      7. Zij heeft de rok niet.
      8. Jullie hebben de hemden niet.
      9. Ik heb het huiswerk niet.
      10. Je hebt de muis niet.

    • Ik heb de sleutel niet.
      Ik heb de tas niet.
      Ik heb de telefoon niet.
      Ik heb de jas niet.
      Ik heb de koffie niet.
      Ik heb het boek niet.
      Ik heb het paspoort niet.
      Ik heb het geld niet.
      Ik heb de laptop niet.
      Ik heb de auto niet.

    • 1 Ik ben de moeder niet.
      2 Je bent het model niet.
      3 U heeft de lepel niet.
      4 Hans is de vader niet.
      5 Nienke heeft de deksel niet.
      6 We hebben de instrumenten niet.
      7 Jullie hebben de chocolade niet.
      8 Hij heeft het cadeau niet.
      9 Ze zijn de baby’s niet.
      10 Ze heeft het mengsel niet.

    • 1. Ik heb de potlood niet.
      2. Jij hebt de sleutel niet.
      3. U hebt het boek niet.
      4. Hij heeft de tas niet.
      5. Zij heeft het geld niet.
      6. Wij hebben de koffie niet.
      7. Jullie hebben de kaart niet.
      8. Ze hebben de auto niet.
      9. Mijn zus heeft de bril niet.
      10. Anna heeft het cadeau niet.

    • 1. ik heb de fiets niet.
      2. Ik heb het boek niet.
      3. Ik heb de auto niet.
      4. Jij hebt het huis niet.
      5. Je hebt het geld niet.
      6. Je hebt de thee niet.
      7. Hij heeft de koffie niet.
      8. Hij heeft de hond niet.
      9. Hij heeft de kat niet.
      10. Zij heeft het geld niet.
      11. Zij heeft de familie niet.
      12. Zij heeft de appel niet.
      13. Wij hebben het huis…Read More

    • 1. Zij heeft de chocolade niet
      2. Jij hebt de handdoek niet
      3. Hij heeft de ontvangst niet
      4. Je hebt de foto niet
      5. Ze hebben het paard niet
      6. We hebben de huizen niet
      7. Jullie hebben de rapporten niet
      8. Pieter heeft de richtingen niet
      9. We hebben de maaltijd niet
      10. Hij heeft de bessen niet
      11. Jij hebt de lepel niet
      12. Bernard heeft het…Read More

    • 1. Ik heb de satelliet niet.

      2. Zij heeft de jurk niet.

      3.Jullie hebben de brandstof niet.

      4. Ze heeft de keuken niet

      5. Ze hebben de auto’s niet.

      6. Jij hebt het/de neushoorn niet.

      7. Hij heeft het salaris niet.

      8. Jullie hebben het schip niet.

      9. Zijn hebben het vliegvled niet.

      10. Je hebt het hotel niet.

    • 1. Ik heb de vrienden niet.
      2. Je hebt het huis niet.
      3. Ze heeft de waardigheid niet.
      4. Hij heeft het respect niet.
      5. Het heeft de betekenis niet.
      6. We hebben de familie niet.
      7. U hebt het geld niet.
      8. Karel heeft de hoop niet.
      9. Maria en Anna hebben de dromen niet.
      10. Je hebt de verbeelding niet.

    • 1. Ik heb het geld niet
      2. Jij hebt de fiets niet
      3. Hij heeft de hond niet
      4. Zij heeft de sleutels niet
      5. Wij hebben de auto niet
      6. Jullie hebben de stokjes niet
      7. Zij hebben het huis niet
      8. Ik heb de kat niet
      9. Hij heeft de baan niet
      10. Zij hebben de dingen niet

    • 1. Jij hebt het tennisracket niet.
      2. Jullie hebben de boot niet.
      3. Wij hebben het Van Gogh schilderij niet.
      4. Ze heeft het kussen niet.
      5. Zij hebben de garage niet.
      6. Ik heb de gitaar niet.
      7. Hij heeft de wijn niet.
      8. Jij hebt de kaarsen niet.
      9. Wij hebben de deken niet.
      10. Jullie hebben de beroepskwalificaties niet.

    • 1.Ik heb de auto niet.
      2.Zij heeft het kaartje niet.
      3.Ze hebben het geld niet.
      4.Jullie hebben het huis niet.
      5.Hij heeft de hond niet.
      6.De kinderen hebben de telefoon niet.
      7.De jongen heeft het huiswerk niet.
      8.Het station heeft de trein niet.
      9.Ik heb de koffie niet.
      10. De supermarkt heeft de aardbei niet.

    • 1. Ik heb het werk niet.

      2. Jullie hebben de kat niet.

      3. Jij hebt het geld niet.

      4. Jullie hebben het gezin niet.

      5. Hij heeft de winkel niet.

      6. Zij heeft het land niet.

      7. Ze hebben het boek niet.

      8. Ik heb het instrument niet.

      9. Wij hebben het famile niet.

      10. Je hebt de baan niet.

    • • Ik koop de jas niet.
      • Jij wast de auto niet.
      • Hij drinkt het sap niet.
      • Zij leest het boek niet.
      • Wij eten de soep niet.
      • Ik zie de kat niet.
      • Jij pakt de tas niet.
      • Hij bakt de taart niet.
      • Zij zoekt het geld niet.
      • Wij huren het huis niet.

    • 1. Ik heb de fiets niet.
      2. Jij hebt het huis niet.
      3. Wij zijn de studenten niet.
      4. Hij is de docent niet.
      5. Maria is de buurvrouw niet.
      6. Jij hebt het idee niet.
      7. Ik eet de kip niet.
      8. Zij is de moeder niet.
      9. Ik ben Peter niet.
      10. Jullie hebben het huis niet.

    • 1. Ik heb het hout niet.
      2. Jij hebt de boodschappen niet
      3. Zij heeft het toestel niet
      4. Hij heeft de kennis niet
      5. Wij hebben het raam niet
      6. Zij hebben het been niet
      7. Het heeft de paraplu niet
      8. Jullie hebben het geld niet
      9. Het heeft de stukjes niet
      10. Ik heb het ijsje niet

    • 1 Ik heb de kip niet.
      2 U bent het konijn niet.
      3 Zij is de directeur niet.
      4 Wij hebben het gerecht niet.
      5 Jij hebt het getal niet.
      6 Jullie hebben de kennis niet.
      7 Het heeft de koffer niet.
      8 Ik heb het boek niet.
      9 Ik ben de acteur niet.
      10 Jij hebt de tafel niet.
      11 Het is het konijn niet.
      12 Zij is het paard niet.
      13 Wij hebben het…Read More

    • 1. Ik heb de hond niet
      2. Ik heb de borden niet
      3. Jij heb de fiets niet
      4. Otto hebben de horloge niet
      5. Iulia hebben de monitor niet
      6. Wij zijn de muzikant niet
      7. Je jebt de appel niet
      8. Wij zijn de motor niet
      9. Jullie hebben de auto niet
      10. Hij is te laat niet

    • 1. Hans en Anna hebben de televisie niet.
      2. Ik heb het geld niet.
      3. Hans heeft de pennen niet.
      4. Jij hebt de computer niet.
      5. Julie hebben het brood niet.
      6. Zijn hebben de boeken niet.
      7. Ik heb de plaats niet.
      8. Hij heeft de jassen niet.
      9. Jij hebt de mas niet.
      10. Het huis heeft het bed niet.

    • 1. Ik heb de pen niet
      2. Hij heeft het geld niet
      3. Zij heeft de telefoon niet
      4. Zij hebben de tijd niet
      5. Ik ben de student niet
      6. Jij bent de manager niet
      7. Wij zijn de buren niet
      8. Jullie zijn de kinderen niet
      9. Jullie hebben de auto niet
      10. Jij hebt het boek niet

    • 1. Ik heb het geld niet.
      2. Jij hebt de kat niet.
      3. De olifant heeft de staart niet.
      4. De mannen hebben de les niet.
      5. Zij heeft het kapsel niet.
      6. Hij is de zoon niet.
      7. Mijn vader is de buurman niet.
      8. Wij hebben de flessen niet.
      9. Deze jongen heeft de bal niet.
      10. De hond heeft het eten niet.

    • Ik heb de pen niet.
      Jij hebt het huis niet.
      Hij komt de deur niet uit.
      Ik zeg het woord niet.
      Ik probeer de soep niet.
      Ik zie de buurman niet.
      Hij kent de hond niet.
      Zij koopt de telefoon niet.
      Jullie eten het diner niet.
      Ik lees het boek niet.
      Ik vind de bal niet.
      Hij neemt het geld niet.
      Ik begrijp de context niet.
      Wij openen de deur niet.
      Zij…Read More

  • Load More Posts