Dutch Course Eindhoven A1 Homework Answers Group

  • Public Group
  • 19 hours, 4 minutes ago
  • 105

    Posts

  • 183

    Members

  • Boek. Pagina 95👍
    Opdracht 5
    Post your answer below:

    139 Comments
    • 1. Jij hebt geen geld.
      2. Jullie hebben geen water.
      3. Wij hebben geen auto.
      4. Hij heeft geen idee.
      5. Zij heeft geen rok.
      6. Ik heb geen baan.
      7. Zij heeft geen pen.
      8. Wij hebben geen kleren.
      9. Ik heb geen tafel.
      10. Jullie hebben geen telefoon.

    • 1. Ik heb geen auto.
      2. Hij heeft geen katten.
      3. U hebt geen boek.
      4. Anna en Nico hebben geen buren.
      5. Zij heeft geen kinderen.
      6. Jij hebt geen trui.
      7. Eindhoven heeft geen zee.
      8. Helmond heeft geen Primark.
      9. Wij hebben geen tuin.
      10. Otto en Maria hebben geen huisdier.

    • 1. Ik heb geen tijd.
      2. Zij heeft geen hond.
      3. Wij hebben geen kinderen.
      4. Jij hebt geen zussen.
      5. Hij heeft geen haar.
      6. Ik heb geen geld.
      7. Jij hebt geen rackets.
      8. Hij heeft geen bril.
      9. Zij heeft geen katten.
      10. Wij hebben geen huisdieren.

    • 1. Jij hebt geen koffie.

      2. Zij hebben geen geld.

      3. Zij heeft geen vrienden.

      4. Ik ben geen bewaker.

      5. Laura is geen verkoper.
      
6. Wij hebben geen werk.

      7. Hij heeft geen auto.

      8. Anna en Bruno hebben geen ontbijt.

      9. Hij heeft geen leraar
      
10. Hij heeft geen afspraken.

    • 1. Ik heb geen angst
      2. Ik ben geen leerling
      3. Hij heeft geen succes
      4. Hij heeft geen pijn
      5. Zij zijn geen schuldigen
      6. Je hebt geen steun
      7. U hebt geen rekenmachine
      8. Zij zijn geen mierenegels
      9. Zij hebben geen oren
      10. Jullie hebben geen geschenk

    • 1. Ik heb geen honger.
      2. Je hebt geen pauze.
      3. Jij hebt geen huis.
      4. Hij heeft geen tijd.
      5. Zij heeft geen boeken.
      6. Wij hebben geen water.
      7. Jullie hebben geen kinderen.
      8. Zij hebben geen plant.
      9. Ik heb geen jurk.
      10. Ik heb geen geld.

    • 1. Hij heeft geen fiets.
      2. Zij heeft geen broers.
      3. Ik heb geen auto.
      4. Jullie hebben geen idee.
      5. Wij hebben geen koffie.
      6. Zij hebben geen huisdieren.
      7. Jij hebt geen huis.
      8. Ik heb geen suiker.
      9. Hij heeft geen honger.
      10. Wij hebben geen kinderen.

    • 1. Zij heeft geen auto.
      2. Jij hebt geen werk.
      3. Bram is geen klant.
      4. Eindhoven is geen land.
      5. Ouders hebben geen kind.
      6. Hij heeft geen tijd.
      7. Wij zijn geen studenten.
      8. Jullie hebben geen manager.
      9. Maria heeft geen boek.
      10. Wilma en Glenn zijn geen buren.

    • 1. Ik heb geen huis
      2. Jij hebt oma
      3. Ik heb geen dorst
      4. Wij hebben geen kinderen
      5. Zij hebben geen vogel
      6. Hij heeft geen jurk
      7. Jullie hebben geen vrienden
      8. Zij heeft geen dieren
      9. Wij hebben geen buren
      10. Ik heb geen boeken

    • 1. Ik ben geen student
      2. Jij hebt geen vriendin
      3. U hebt geen klanten.
      4. Hij heeft geen pak.
      5. Zij heeft geen lippenstift in haar tas.
      6. De kerstmis is geen droevige gebeurtenis
      7. Wij spelen geen bordspel
      8. Jullie koken geen kip.
      9. Zij dragen geen rokken.
      10. Hij pakt geen boterhammen.

    • 1. Ik heb geen aardappelen.
      2. Het is geen beer.
      3. Wij hebben geen computer.
      4. Zij is geen dokter.
      5. Hij heeft geen ei.
      6. Zij hebben geen familie.
      7. Jij bent geen god.
      8. U heeft geen hamer.
      9. Ik heb geen idee.
      10. Hij heeft geen jas.

    • 1. Wij hebben geen antwoorden
      2. Ik ben geen zanger
      3. Zij zijn geen werkgevers
      4. Jij hebt geen taart
      5. U bent geen vrijwilliger
      6. Jullie hebben geen auto’s
      7. Hij heeft geen aanbod
      8. Zij is geen schrijver
      9. Ik heb geen glas
      10. Zij hebben geen winkel

    • 1. Ik heb geen lamp.
      2. Jij hebt geen tas.
      3. Hij heeft geen appel.
      4. Zij heeft geen tuin.
      5. Wij hebben geen examen.
      6. Jullie hebben geen product.
      7. Zij hebben geen cadeau.
      8. Ik heb geen fruit.
      9. Jij hebt geen restaurant.
      10. U heeft geen hotel.

    • 1. Ik heb geen paard.
      2. Jij hebt geen bus.
      3. Ik heb geen aardappel.
      4. Wij hebben geen rijst.
      5. Zij hebben geen suiker.
      6. Hij heeft geen tafel.
      7. Ik heb geen zak.
      8. Ik heb geen hond.
      9. Ik heb geen papier.
      10. Jij hebt geen trui.

    • 1. Ik heb geen pen.
      2. Ik heb geen geld.
      3. Ik heb geen broer.
      4. Jij bent geen arts.
      5. We hebben geen huis.
      6. Jullie hebben geen fietsen.
      7. Zij hebben geen vrienden.
      8. Ik heb geen TV.
      9. U hebt geen boek.
      10. Jij hebt geen dochter.

    • 1. Ik heb geen geld.
      2. Wij hebben geen klanten.
      3. Jullie hebben geen tuin.
      4. Mark heeft geen afspraak.
      5. Zij hebben geen dochters.
      6. Jij hebt geen vrije tijd.
      7. Wij hebben geen auto.
      8. Tim en Peter hebben geen vriendinnen.
      9. Wij hebben geen vakantie.
      10. Zij heeft geen bloemen.

    • 1. Hij heeft geen aardappelen.
      2. Zij heeft geen foto.
      3. Wij hebben geen hond.
      4. Ik heb geen chocolade.
      5. Jullie hebben geen afval.
      6. We hebben geen lessen.
      7. Jij hebt geen vakantie.
      8. Ik heb geen tijd.
      9. Hij heeft geen geld.
      10. Zij heeft geen ring.

    • 1. Hij heeft geen melk.
      2. Wij hebben geen huiswerk.
      3. Ik heb geen tijd.
      4. Hij heeft geen horloge.
      5. Jullie hebben geen opdrachten.
      6. Ze heeft geen werk.
      7. Het heeft geen poten.
      8. Zij hebben geen vragen.
      9. Het heeft geen kamers.
      10. Hij heeft geen medecursist.

    • 1. Ik heb geen huisdier.
      2. Jij hebt geen computer.
      3. Hij heeft geen tas.
      4. Zij heeft geen auto.
      5. Het heeft geen oor.
      6. Wij hebben geen kind.
      7. Jullie hebben geen buurman.
      8. Zij hebben geen huisarts.
      9. Hij heeft geen gezin.
      10. U heeft geen klant.

    • 1. Ik heb geen keuken.
      2. Jij hebt geen deken.
      3. Hij heeft geen kat.
      4. Zij heeft geen koelkast.
      5. Wij hebben geen boeken.
      6. Zij hebben geen geld.
      7. Ik heb geen horloge.
      8. Jij hebt geen koper.
      9. Hij heeft geen tuin.
      10. Zij heeft geen vrienden.

    • 1. Ik heb geen vis.
      2. Jij hebt geen kat.
      3. U bent geen student.
      4. Hij heeft geen boek.
      5. Hij is geen ingenieur.
      6. Ze heeft geen tas.
      7. Wij zijn geen buren.
      8. Jullie zijn geen vrienden.
      9. Ze hebben geen pennen.
      10. Ik ben geen docent.

    • 1. Ik heb geen aardappel.
      2. Hij heeft geen appel.
      3. Zij hebben geen auto.
      4. Wij hebben geen bedekken.
      5. Jullie hebben geen bibliotheek.
      6. Ik heb geen bloem.
      7. Het heeft geen boek.
      8. Zij hebben geen buurvrouw.
      9. Jullie hebben geen chocolade.
      10. Wij hebben geen computer.

    • 1. Ik heb geen jas.
      2. Jij hebt geen tas.
      3. Jullie hebben geen boek.
      4. Hij heeft geen kaas.
      5. Wij hebben geen auto.
      6. Zij hebben geen huis.
      7. U heeft geen huisdier.
      8. Ik heb geen banaan.
      9. Je hebt geen pen.
      10. Wij hebben geen geld.

    • 1. Wij hebben geen eten.
      2. Zij heeft geen geld.
      3. Ik heb geen tassen.
      4. Hij heeft geen huiswerk.
      5. Zij hebben geen honger.
      6. Jullie hebben geen probleem.
      7. Ik heb geen moeder.
      8. Jij hebt geen planten.
      9. Wij hebben geen nieuws.
      10. Hij heeft geen tijd.

    • 1. Zij hebben geen goed aanbod
      2. wij hebben geen aardappels
      3. Ik heb geen angst
      4. Zij heeft geen baan
      5. Hij heeft geen begrip van baby’s
      6. Sorry, maar ik heb geen cadeau
      7. Zij hebben geen eten
      8. Jullie hebben geen geluk
      9. Je hebt geen fiets
      10. Zij heeft geen partner

    • 1. Jij hebt geen tas
      2. Zij hebben geen kinderen
      3. Hij heeft geen broeken
      4. Jullie hebben geen auto
      5. Ik heb geen tas
      6. Wij hebben geen dieren
      7. We hebben geen boterhammen
      8. Zij heeft geen jurk
      9. Ze heeft geen schoen
      10. Hij heeft geen fiets

    • 1. Hij heeft geen aardappel
      2. Zij heeft geen beker
      3. Jullie hebben geen deken
      4. Ik heb geen instrument
      5. Wij hebben geen ladder
      6. Het heeft geen neus
      7. Jullie hebben geen piano
      8. Hij heeft geen student
      9. U heeft geen pen
      10. Ik heb geen ring

    • 1. Zij heeft geen klok.
      2. Je hebt geen piano.
      3. Wij hebben geen kantoor.
      4. U heeft geen bord.
      5. Hij heeft geen auto.
      6. Ik heb geen suiker.
      7. Jullie hebben geen examens.
      8. Zij heeft geen cadeau.
      9. Hij heeft geen hamer.
      10. Je hebt geen tas.

    • 1. Jij hebt geen kaartje.
      2. Ik heb geen tuin.
      3. Jullie hebben geen paarden.
      4. U heeft geen hond.
      5. Hij heeft geen werk.
      6. Ik heb geen tijd.
      7. Wij hebben geen huis.
      8. Zij hebben geen kinderen.
      9. Zij heeft geen auto.
      10. Je hebt geen geld.

    • 1. Wij hebben geen kinderen.
      2. Zij hebben geen fiets.
      3. Marie heeft geen piano.
      4. De hond heeft geen speelgoed.
      5. Zij heeft geen broer.
      6. Ik heb geen papier.
      7. Jullie hebben geen vrienden.
      8. Hij heeft geen voetbal.
      9. De kinderen hebben geen les.
      10. De laptop heeft geen knoppen.

    • Ik heb geen pen.

      Jij hebt geen boek.

      Hij heeft geen computer.

      Zij heeft geen tas.

      Wij hebben geen huis.

      U heeft geen telefoon.

      Zij hebben geen fiets.

      U heeft geen jas.

      Hij heeft geen horloge.

      Ik heb geen paraplu.

    • 1. Hij heeft geen appel.
      2. Zij heeft geen bril.
      3. Jij hebt geen hond.
      4. Zij hebben geen kat.
      5. Wij hebben geen kinderen.
      6. Het meisje heeft geen boek.
      7. De jongens hebben geen water.
      8. De vrouw heeft geen auto.
      9. De man heeft geen sinaasappel.
      10. Ik heb geen dorst.

    • 1. Ze heeft geen bruiloft
      2. Hij heeft geen liefhebber
      3. U hebt geen horloge
      4. We hebben geen plattegrond
      5. Ik heb geen sleutel
      6. Ze hebben geen uitnodiging
      7. Jij hebt geen fles
      8. Jullie hebben geen vrijheid
      9. Ze hebben geen zwembed
      10. Ik heb geen studiebeurs

    • 1. Ik heb geen hond.
      2. Zij heeft geen huis.
      3. Wij hebben geen motorfiets.
      4. Ze hebben geen klant.
      5. Het heeft geen staart.
      6. Ze heeft geen sollicitatiegesprek.
      7. U heeft geen verzekering.
      8. Ze hebben geen kinderen.
      9. Ik heb geen polshorloge.
      10. Wij hebben geen televisie.

    • 1. Ik heb geen auto.
      2. Je hebt geen werk.
      3. Wij hebben geen geld.
      4. Jullie hebben geen boeken.
      5. Hij heeft geen suiker.
      6. Zij heeft geen telefoon.
      7. Onze auto heeft geen airco.
      8. Ik heb geen honger.
      9. Ze heeft geen fiets.
      10. Wij hebben geen planten.

    • 1. Wij hebben geen koffie.
      2. Ik heb geen fiets.
      3. Dexter heeft geen apparaat.
      4. Zij hebben geen kinderen.
      5. U bent geen politie.
      6. Voldemort heeft geen neus.
      7. Pat and Mat zijn geen buren.
      8. Hij is geen tandarts.
      9. Jullie hebben geen tassen.
      10. Zij hebben geen dorst.

    • 1. Ik heb geen pen.
      2. Jij hebt geen tas.
      3. Zij heeft geen huisdier.
      4. Wij hebben geen tijd.
      5. Jullie hebben geen geld.
      6. Hij heeft geen sleutel.
      7. Zij heeft geen jas.
      8. Wij hebben geen huiswerk.
      9. Jullie hebben geen brood.
      10. Ik heb geen telefoon.

    • 1. Ik heb geen leraar.
      2. Jij hebt geen student.
      3. Zij heeft geen hond.
      4. Zij hebben geen afspraak.
      5. Wij hebben geen kinderen.
      6. Hij heeft geen boek.
      7. Jullie hebben geen broers.
      8. Zij hebben geen zwembad.
      9. Het heeft geen notities.
      10. Ik heb geen pen.

    • 1. Ik heb geen vriend.
      2. Zij hebben geen afspraak.
      3. Jullie hebben geen huiswerk.
      4. Wij hebben geen koelkast.
      5. Hij heeft geen auto.
      6. Zij heeft geen kinderen.
      7. Wij hebben geen plannen.
      8. Ik heb geen broers.
      9. Jij hebt geen geld.
      10. Zij heeft geen appel.

    • 1. Ik heb geen auto.
      2. Ik spreek geen Chinees.
      3. Wij hebben geen kinderen.
      4. Wij hebben geen kat.
      5. Ik heb geen zus.
      6. Hij heeft geeb fiets.
      7. Ik ben geen Nederlander.
      8. Hij heeft geen baan.
      9. Zij hebben geen jassen.
      10. Ze hebben geen papieren.

    • 1. Ik heb geen auto
      2. Zij heeft geen zus
      3. Jij hebt geen huiswerk
      4. Wij hebben geen stoelen
      5. Zij hebben geen boeken
      6. Ik heb geen sleutel
      7. Wij hebben geen tuin
      8. Zij hebben geen klok
      9. Hij heeft geen kat
      10. Zij hebben geen bordspel

    • 1. Ik heb geen hond.
      2. Je hebt geen huisdier.
      3. Ze heeft geen geld.
      4. Ze hebben geen huiswerk.
      5. We zijn geen ingenieurs.
      6. Jullie zijn geen accountants.
      7. Ik ben geen student.
      8. Je bent geen kind.
      9. Viktor is geen advocaat.
      10. Viktor en Otto hebben geen auto’s.

    • 1. Ik ben geen vrouw.
      2. Jij hebt geen kamer.
      3. Hij is geen student.
      4. Zij heeft geen glas water.
      5. U bent geen docent.
      6. Wij hebben geen koffie.
      7. Jullie zijn geen medewerkers
      8. Zij hebben geen kinderen.
      9. Het is geen boom.
      10. Philippe en Maurice hebben geen pennen.

    • 1. Jullie hebben geen huisgenoot.
      2. Ik heb geen honger.
      3. Zij heeft geen afspraak met haar huisarts.
      4. Hij heeft geen geld en geen huis.
      5. Het bedrijf heeft geen keuken.
      6. Jullie hebben geen voorstel.
      7. Mijn dochter heeft geen tante.
      8. Wij hebben geen afval.
      9. Je hebt geen bonnetje.
      10. Wij hebben geen kennis.

    • 1. Hij heeft geen piano.
      2. Jij hebt geen huisdier.
      3. Eduard heeft geen computer.
      4. Mijn vriendin heeft geen cadeau.
      5. Ik heb geen dorst.
      6. Wij hebben geen huis.
      7. Zij heeft geen schoen.
      8. Ik heb geen bal.
      9. Wij hebben geen pauze.
      10. Ik heb geen kinderen.

    • 1. Ik heb geen honger.
      2. Jij hebt geen tuin.
      3. Zij heeft geen auto.
      4. Hij heeft geen vriendin.
      5. Jullie hebben geen kinderen.
      6. Wij hebben geen idee.
      7. Zij hebben geen tijd.
      8. De buurman heeft geen hond.
      9. Mijn grootouders hebben geen mobiele telefoons.
      10. Het dorp heeft geen bioscoop.

    • 1. Ik heb geen huisdieren.
      2. De kinderen hebben geen auto.
      3. Anton heeft geen geld.
      4. Mijn moeder heeft geen koffie.
      5. Wij hebben geen tijd.
      6. Jij hebt geen fiets.
      7. Peter en ik hebben geen idee.
      8. Sofie heeft geen boek.
      9. Het huis heeft geen tuin.
      10. Mijn ouders hebben geen boot.

    • 1- Ik heb geen boek
      2- Jij hebt geen huis
      3- Zij is geen lerares
      4- Wij zijn geen werkgevers
      5- Jullie zijn geen studenten
      6- Hij heeft geen auto
      7- Ik heb geen problemen
      8- Zij hebben geen werknemers
      9- Zij is geen ondernemer
      10- Jullie hebben geen huiswerk

    • 1 Ik heb geen fiets
      2 Ik heb geen pen
      3 Ik heb geen huisdieren
      4 Jij bent geen docent
      5 Zij heeft geen auto
      6 Wij zijn geen buren
      7 Jij hebt geen boek
      8 Wij hebben geen tijd vandaag
      9 Ik heb geen gelda
      10 Ik heb geen bonnetje

    • 1. Ik heb geen honger.
      2. Er is geen melk.
      3. Ik heb geen sleutel.
      4. Hij heeft geen werk.
      5. We hebben geen school vandaag.
      6. Zij draagt geen jas.
      7. Ik heb geen tijd nu.
      8. Er is geen bus.
      9. Wij hebben geen brood.
      10. Ik heb geen pen.

    • 1. Het kind heeft geen bal.
      2. De studenten hebben geen laptop.
      3. Sara heeft geen fiets.
      4. Eindhoven heeft geen strand.
      5. De buren hebben geen auto.
      6. De winkel heeft geen brood.
      7. De toeristen hebben geen kaart.
      8. Hij heeft geen auto.
      9. Jullie hebben geen kat.
      10. Zij heeft geen laptop.

    • 1 Ik heb geen boek
      2 jij hebt geen vrachtwagen
      3 U bent geen dokter
      4 zij zijn geen studenten
      5 Wij hebben geen kaas
      6 Ik heb geen kind
      7 Hij heeft geen tas
      8 Nico en Tom zijn geen vrienden
      9 Zij heeft geen lepels
      10 Jullie zijn geen werknemers

    • 1. Ik heb geen auto.
      2. Zij hebben geen kind.
      3. Jij hebt geen boek.
      4. Wij hebben geen huis.
      5. Zij heeft geen tas.
      6. Hij heeft geen hond.
      7. Ik heb geen vriend.
      8. U heeft geen bord.
      9. Peter en Maria hebben geen dochter.
      10. Jij hebt geen computer.

    • 1. Ik ben geen ober.
      2. Je hebt geen sap.
      3. Hij heeft geen tandpasta.
      4. Ze heeft geen tandenborstel.
      5. U bent geen schrijver.
      6. We zijn geen boeren.
      7. Jullie zijn geen fotografen.
      8. Ze zijn geen verkopers.
      9. Het huis heeft geen tuin.
      10. Het is geen oplossing.

    • 1. Ik heb geen fiets
      2. Jij hebt geen hond
      3. Hij heeft geen suiker
      4. Zij heeft geen brood
      5. Wij hebben geen auto
      6. Jullie hebben geen idee
      7. Zij hebben geen geld
      8. Peter en Anna hebben geen kind
      9. De krant heeft geen nieuws
      10. Jouw moeder heeft geen suiker

    • 1. Jij hebt geen sleutel.
      2. Wij hebben geen vakantie.
      3. Zij hebben geen afspraak.
      4. Zij heeft geen antwoord.
      5. Ik heb geen huisdieren.
      6. Zij hebben geen probleem.
      7. Zij zijn geen collega’s.
      8. Ik ben geen leraar.
      9. Jij hebt geen schaar.
      10. Zij zijn geen vreemden.

    • 1. Ik heb geen voedsel.
      2. Zij heeft geen vrienden.
      3. Hij heeft geen fiets.
      4. Wij hebben geen geld.
      5. Zij heeft geen hond.
      6. Wij zijn geen studenten.
      7. Rucha heeft geen auto.
      8. Ik heb geen tijd.
      9. Zij zijn geen stel.
      10. Hij heeft geen brein.

    • 1.Ik heb geen huis.
      2. Jij hebt geen baan.
      3.Hij heeft geen collega.
      4.Zij heeft geen meisjie
      5.Jullie hebben geen kinderen.
      6.Wij hebben geen tafel.
      7. Zij Hebben geen keuken.
      8. Hij leest geen boek.
      9. Ik ben geen leraar.
      10.Jullie hebben geen televisie

    • 1. Ik heb geen hond.
      2. Jij hebt geen kat.
      3. Hij heeft geen pen.
      4. Zij heeft geen tas.
      5. Wij hebben geen vriend.
      6. Jan en Eva hebben geen kind.
      7. Ik heb geen fiets.
      8. Jij hebt geen huis.
      9. Zij heeft geen boek.
      10. Martijn heeft geen koffie.

    • 1. Ik heb geen bloem.
      2. U hebt geen beroep.
      3. Het heeft geen bergen.
      4. Je hebt geen beslissingen.
      5. Hij heeft geen bomen.
      6. Zij heeft geen boerderij.
      7. Jullie hebben geen bruiloft.
      8. Het heeft geen eiland.
      9. Ze hebben geen feiten.
      10. We hebben geen geloof.

    • 1) Hij heeft geen broers
      2) Wij hebben geen ouders
      3) Zij heeft geen fiets
      4) Jullie hebben geen huis
      5) Jij hebt geen auto
      6 ) Ik heb geen leraar
      7) Hij heeft geen druiven
      8) Zij heeft geen bloemen
      9) Zij is geen student
      10) Ze zijn geen buren

    • 1- Ik heb geen potlood.
      2- Wij hebben geen wijn.
      3- Zij is geen arts.
      4- Je hebt geen dorst.
      5- Jullie hebben geen ladder.
      6- Jullie zijn geen studenten.
      7- Ik ben geen vrouw.
      8- Hij is geen tuinman.
      9- Ze is geen rijbewijs.
      10- Ze hebben geen tuin.

    • 1. Ik heb geen geld.
      2. Hij heeft geen huis.
      3. Wij hebben geen bedrijf.
      4. Zij heeft geen auto.
      5. Jullie hebben geen kinderen.
      6. Jij hebt geen bloem.
      7. Zij hebben geen huisdier.
      8. U hebt geen afspraak.
      9. Ik heb geen antwoord.
      10. Het heeft geen strand

    • 1. Ik heb geen huisdier.
      2. Jij hebt geen kinderen.
      3. U heeft geen geld.
      4. Zij heeft geen zus.
      5. Hij heeft geen auto.
      6. Wij hebben geen ouders.
      7. Jullie hebben geen tuin.
      8. Zij hebben geen baby.
      9. Ik heb geen huisarts.
      10. Jij hebt geen hoed.

    • 1. Het heeft geen balkon.
      2. Hij heeft geen auto.
      3. Zij heeft geen werk.
      4. Wij hebben geen koffiezetapparaat.
      5. Jullie zijn geen docenten.
      6. Ze zijn geen vogels.
      7. Het is geen tafel.
      8. U heeft geen kaartjes.
      9. Je hebt geen geld.
      10. Ik heb geen uitnodiging

    • 1. Ik heb geen idee.
      2. Jij bent geen baby.
      3. U heeft geen cadeau.
      4. Zij is geen object.
      5. Hij heeft geen paard.
      6, Wij zijn geen partners.
      7. Jullie hebben geen zwembad.
      8. Ze zijn geen zussen.
      9. Ik heb geen dochter.
      10. Jij heeft geen instrument.

    • 1.Ik heb geen auto
      2.Ik heb geen idee
      3.Zij is geen oud
      4.Wij hebben geen bloem
      5.Jij is geen kind
      6.Jullie hebben geen kat
      7.Ik ben geen afspraak
      8.Hij heeft geen medewerker
      9.Het is geen dorp
      10.Ik ben geen verkoper

    • 1. Ik heb geen afspraak
      2. Jij hebt geen deken
      3. U heeft geen antwoord
      4. Hij heeft geen fiets
      5. Zij heeft geen idee
      6. Het huis heeft geen bank
      7. De kamer heeft geen lamp
      8. Wij hebben geen geld
      9. Jullie hebben geen kinderen
      10. Zij hebben geen kantoor

    • 1.Ik heb geen fiets.
      2. Jij hebt geen boek.
      3. hij heeft geen telefoon.
      4. Zij heeft geen werk.
      5. Wij hebbeb geen auto’s.
      6. Ik heb geen tas.
      7. Jongens hebben geen voetballen.
      8. Ik heb geen auto.
      9. Jij hebt geen laptop.
      10.Ik heb geen tafelventilator.

    • 1. Ik heb geen kinderen.
      2. Je hebt geen pen.
      3. Jij hebt geen honger.
      4. Ze heeft geen dorst.
      5. Zij heeft geen tijd.
      6. Hij heeft geen werk.
      7. Wij hebben geen dier.
      8. We hebben geen relatie.
      9. U hebt geen geld.
      10. Jullie hebben geen moed.

    • 1.Ik heb geen tijd.

      2.Hij heeft geen geld.

      3.Jij hebt geen vraag.

      4.Zij heeft geen sleutel.

      5.Wij hebben geen afspraak.

      6.Jullie hebben geen probleem.

      7.Zij hebben geen huis.

      8.Je hebt geen pen.

      9.Ik heb geen honger.

      10.Hij heeft geen antwoord.

    • 1. Ik heb geen auto.
      2. Jij hebt geen hond.
      3. Hij heeft geen fiets.
      4. Zij heeft geen kat.
      5. Wij hebben geen koffie.
      6. Wij hebben geen haast.
      7. Jullie hebben geen sleutel.
      8. Zij hebben geen geld.
      9. U hebt geen paspoort.
      10. De man heeft geen werk.

    • 1. Wij hebben geen huiswerk.
      2. Zij heeft geen baan.
      3. Zij heeft geen zus.
      4. Wij hebben geen eten.
      5. Hij heeft geen tas.
      6. Zij hebben geen kaartjes.(tickets)
      7. Ik heb geen kat.
      8. Ik heb geen tijd.
      9. Zij heeft geen pauze.
      10. Hij heeft geen fiets.

    • 1. Hij heeft geen baan.
      2. We hebben geen kinderen.
      3. Ik heb geen fruit.
      4. Ze hebben geen grootmoeders.
      5. Jullie hebben geen piano.
      6. Je hebt geen afspraak.
      7. Ze heeft geen honger.
      8. Zij heeft geen eieren.
      9. Jullie hebben geen familie.
      10. Ik heb geen bier.

    • 1. Ik heb geen geld.
      2. Ik heb geen idee.
      3. Hij heeft geen auto.
      4. Wij hebben geen grootouders.
      5. Jullie hebben geen meubels.
      6. Zij hebben geen koffie.
      7. Ze heeft geen huis.
      8. Je hebt geen diploma.
      9. Jullie hebben geen collega’s.
      10. De student heeft geen boek.

    • 1. Ik heb geen fiets.

      2. Jij hebt geen auto.

      3. Hij heeft geen boek.

      4. Zij heeft geen tas.

      5. Wij hebben geen hond.

      6. Jullie hebben geen pen.

      7. Zij hebben geen geld.

      8. Ik heb geen sleutel.

      9. Hij heeft geen telefoon.

      10. Wij hebben geen brood.

    • 1. Ik heb geen kind.
      2. Zij heeft geen rok.
      3. Wij hebben geen fietsen.
      4. Jullie hebben geen groenten .
      5. Hij heeft geen menu
      6. Je hebt geen auto.
      7.Het meisje is geen kat.
      8. Ik heb geen hoed .
      9.Zij hebben geen boeken.
      10.Jullie hebben geen schoenen.

    • 1. Ik heb geen kind.
      2. Zij heeft geen huis.
      3. Wij hebben geen honger.
      4. Zij hebben geen hond.
      5. Ik heb geen water.
      6. U hebt geen fiets.
      7. Wij hebben geen boeken.
      8. Zij heeft geen eten.
      9. Ik heb geen boot.
      10. Hij heeft geen medicijn.

    • 1. Ik heb geen hond.
      2. Jij hebt geen idee.
      3. U heeft geen koffie.
      4. Hij heeft geen boeken.
      5. Zij heeft geen koe.
      6. Het heeft geen speelgoed.
      7. Wij hebben geen collega’s.
      8. Jullie hebben geen huis.
      9. Zij hebben geen raam.
      10. Ik heb geen probleem.

    • 1. Ik heb geen kind.
      2. Hij heeft geen fiets.
      3. Je hebt geen idee.
      4. Ze heeft geen werk.
      5. Wij hebben geen les.
      6. Jullie hebben geen buurman.
      7. Ze hebben geen auto.
      8. Je hebt geen telefoon.
      9. Ik heb geen boek.
      10. Ze heeft geen koffie.

    • 1. Ik heb geen auto.
      2. Wij hebben geen kinderen.
      3. Michael heeft geen vrienden.
      4. Mijn buurman heeft geen tuin.
      5. Het huis heeft geen ramen.
      6. Ik heb geen tafel.
      7. Zij hebben geen ouders.
      8. Hij heeft geen appartement.
      9. De slaapkamer heeft geen kledingkast.
      10. Jij hebt geen koelkast.

    • 1.Jij hebt geen blond haar
      2.Ik heb geen suiker
      3.Wij hebben geen huisdieren
      4.Jullie hebben geen buren
      5.Hij heeft geen honger
      6.Zij hebben geen tassen
      7.Jij hebt geen pennen
      8.Zij hebben geen kinderen
      9.Het huis heeft geen kamers
      10.Ik heb geen kaas

    • 1. Je hebt geen bed.
      2. Ik heb geen hond.
      3. Wij hebben geen geld.
      4. Jullie hebben geen huizen.
      5. Ik heb geen kinderen.
      6. Zij heeft geen werk.
      7. Hij heeft geen vader.
      8. Zij hebben geen menu.
      9. Het heeft geen water.
      10. U heeft geen zeden.

    • 1. Ik heb geen cadeau.
      2. Groenteboer heeft geen aardappel.
      3. Jij hebt geen afspraak.
      4. De man heeft geen haar.
      5. Timmerman heeft geen hamer.
      6. Zij hebben geen paard.
      7. Ik heb geen geld.
      8. Hij heeft geen hond.
      9. Zij heeft geen rok.
      10. De student heeft geen potlood.

    • Ik heb geen huis.
      Je hebt geen huiswerk.
      Zij heeft geen bril.
      Hij heeft geen kat.
      Je hebt geen vriendin.
      Wij hebben geen kind.
      Het is geen bloem.
      Zij hebben geen jasje.
      Zij is geen verpleegkundige.
      Ik heb geen tas.

    • 1. Ik heb geen tijd.
      2. Wij hebben geen suiker.
      3. Jij hebt geen boek.
      4. Hij heeft geen gaatje.
      5. Jullie hebben geen geluk.
      6. De timmerman heeft geen geld.
      7. De baas heeft geen auto.
      8. De rechter heeft geen werk.
      9. Ik heb geen griep.
      10. De gezagvoerder heeft geen bestek.

    • Zij heeft geen chocolade.
      De studenten hebben geen lessen.
      Zij hebben geen pennen.
      Jullie hebben geen auto.
      U bent geen leraar.
      Eduard heeft geen vogels.
      Karel en Izaak hebben geen tuin.
      Simon heeft geen wasmachine.
      Hij heeft geen vliegtuig.
      Hij en jij hebben geen tijd

    • 1. Ik heb geen baby.
      2. Hij heeft geen kind.
      3. Jij hebt geen geld.
      4. Ze heeft geen auto.
      5. Zij hebben geen dieren.
      6. Wij hebben geen krant.
      7. Jullie hebben geen winkel.
      8.Hij heeft geen soep
      9. Jij hebt geen boot.
      10.Ze heeft geen radio.

    • Ik heb geen pen
      Je hebt geen huis
      Hij is geen kok
      Het is geen mes
      Wij hebben geen borden
      Zij hebben geen problemen
      Ik ben geen leider
      Je bent geen leraar
      Hij heeft geen hond
      Zij is geen robot

    • 1.De boom heeft geen kersen.
      2.Ik heb geen tas.
      3.Ze heeft geen lange haar.
      4.Hij heeft geen auto.
      5.Winkel heeft geen klanten
      6.Wij hebben geen kind.
      7.Brood heeft geen gluten.
      8.Buurman heeft geen kat.
      9.Jij hebt geen afspraak.
      10.Wij hebben geen korting.

    • 1- Ik heb geen hond
      2- Ik heb geen huis
      3- Zij hebben geen auto
      4- Hij heeft geen kat
      5- Ik heb geen fiets
      6- Hij heeft geen kinderen
      7- Ik heb geen vriendin
      8- Je hebt geen zus
      9- hij heeft geen broer
      10- Ik heb geen board

    • 1.Ik heb geen brood.
      2. Ik heb geen suiker.
      3. Jij hebt geen water.
      4. Jij hebt geen zout.
      5. U heeft geen paraplu.
      6. Hij heeft geen rok.
      7. Zij heeft geen trui
      8. Wij hebben geen huis.
      9. Jullie hebben geen schoen.
      10. zij hebben geen broek.

    • 1. Ik heb geen idee.
      2. Zij heeft geen zin.
      3. Hij heeft geen werk.
      4. julie hebben geen boek.
      5. wij hebben geen auto.
      6. U heeft geen kinderen
      7. Ik heb geen tijd.
      8. Jij hebt geen sleutel.
      9. Jij hebt geen telefoon.
      10. U heeft geen afspraak.

    • 1. Ik heb geen auto.
      2. Zij heeft geen hond.
      3. Hij heeft geen zonnebril.
      4. Wij hebben geen geld.
      5. Jullie hebben geen kat.
      6. U heeft geen zus.
      7. Ik heb geen huiswerk.
      8. Jij hebt geen jas.
      9. Ze hebben geen tas.
      10. Het heeft geen dak.

    • 1. Ik heb geen nieuws.
      2. Hij heeft geen opa.
      3. Zij heeft geen man.
      4. Wij hebben geen buren.
      5. Jullie hebben geen idee.
      6. Zij hebben geen huisdieren.
      7. Ik heb geen water.
      8. Jij hebt geen empathie.
      9. Zij heeft geen peren.
      10. Wij hebben geen tuin.

    • 1. Ik heb geen probleem.
      2. Je hebt geen appels.
      3. Jullie hebben geen geld.
      4. Zij hebben geen pennen.
      5. Hij heeft geen vogel.
      6. U hebt geen antwoorden.
      7. Ze heeft geen eten.
      8. Ik heb geen idee.
      9. Je hebt geen vriendinnen.
      10. Wij hebben geen zonnebrandcrème.

    • 1. Ik heb geen foto’s van mijn vader
      2. Zij heeft geen ramen in de kamer
      3. Mijn kas heeft geen dak meer
      4. Hij heeft geen meubels in het huis
      5. De koffie heeft geen suiker
      6. We hebben geen mobiel bereik
      7. De tafel heeft geen poten
      8. De lampen hebben geen gloeilampen
      9. Melissa heeft geen huisdieren
      10. Jullie hebben geen geld

    • 1. Ik heb geen boek
      2. Jij hebt geen bal
      3. Hij heeft geen pen
      4. Zij heeft geen diploma
      5. Wij hebben geen kinderen
      6. Jullie hebben geen appels
      7. Zij hebben geen lampen
      8. Ik heb geen huiswerk
      9. Jij hebt geen bank
      10. Jullie hebben geen kledingkast

    • 1. De boom heeft geen vruchten.
      2. Het kantoor heeft geen bureau.
      3. Jane en Lisa hebben geen klant.
      4. De woning heeft geen voortuin.
      5. Ik heb geen kinderen.
      6. Je hebt geen trots.
      7. De markt heeft geen appels.
      8. Wij hebben geen winkelwagen.
      9. De dochter heeft geen stethoscoop.
      10. Ik heb geen medewerkers.

    • 1. Ik heb geen zus.
      2. Zij heeft geen bord.
      3. Jullie hebben geen huisdier.
      4. De oma heeft geen hapjes.
      5. Zij hebben geen ruzie.
      6. Jij hebt geen suiker.
      7. De tafel heeft geen poten.
      8. Wij hebben geen paard.
      9. De jongen heeft geen speelgoed.
      10. Ik heb geen groente.

    • 1. Ik heb geen pen.
      2. Ik heb geen boek.
      3. Jij hebt geen auto.
      4. Jij hebt geen fiets.
      5. U heeft geen jas.
      6. Hij heeft geen stoel.
      7. Zij heeft geen tas.
      8. Wij hebben geen tafel.
      9. Jullie hebben geen klok.
      10. Zij hebben geen hond.

    • 1. Ik heb geen idee.
      2. Jij hebt geen fiets.
      3. U heeft geen visitekaartje.
      4. Hij heeft geen huiswerk.
      5. Zij heeft geen boek.
      6. Het heeft geen charme.
      7. Zij hebben geen vrienden.
      8. Jullie hebben geen advocaat.
      9. Het paard heeft geen hand.
      10. De telefoon heeft geen telefoonhoesje.

    • 1. Ik heb geen geld.
      2. Jij hebt geen voetball.
      3. Hij heeft geen uitdaging.
      4, Zij heeft geen stem.
      5. Het heeft geen vriend.
      6. Wij hebben geen straf.
      7. Jullie hebben geen kennis.
      8. Zij hebben geen vergadering.
      9. Zij heeft geen vruchten.
      10. Het heeft geen oren.

    • 1. Ik heb geen hond.
      2. Ik heb geen koffie.
      3. Jij hebt geen kat.
      4. Ze hebben geen kinderen.
      5. Zij heeft geen huis.
      6. U heeft geen huisdieren.
      7. Hij heeft geen auto.
      8. Jij hebt geen baan.
      9. Wij hebben geen tas.
      10. Jij hebt geen man

    • 1.Ik heb geen vogel
      2.Jij hebt geen suiker
      3.Hij heeft geen vissen
      4.Het huis heeft geen bed
      5.Jullie hebben geen kinderen
      6.Zij hebben geen geld
      7.Wij hebben geen dingen
      8.U heeft geen fiets
      9.Zij heeft geen huis
      10.Het heeft geen hoofd

    • 1. Ik heb geen pen.
      2. Hij heeft geen kat.
      3. Zij hebben geen kinderen.
      4. Zij heeft geen boek.
      5. Het heeft geen wielen.
      6.Wij zijn geen kinderen.
      7. Zij is geen docent.
      8.Ik heb geen koffie.
      9.Jij hebt geen honden.
      10. Jij hebt geen vrienden.

    • 1. Ik heb geen auto.
      2. Jij hebt geen huiswerk.
      3. Je hebt geen boeken
      4. U hebt geen afspraak.
      5. Hij heeft geen televisie
      6. Maria heeft geen paraplu.
      7. De winkel heeft geen klanten.
      8. Jullie hebben geen drinken.
      9. Wij hebben geen stoelen.
      10.Zij hebben geen kaartjes.

    • 1. Ik heb geen baby.
      2. Jij bent geen zus.
      3. U hebt geen cadeau.
      4. Hij is geen buurman.
      5. Zij heeft geen probleem.
      6. Het is hier geen hotel!
      7. Wij hebben geen taart.
      8. Jullie zijn geen vrienden.
      9. Zij hebben geen pistool.
      10. Ik ben geen koning.

    • 1. Ik heb geen cadeau.
      2. Zij hebben geen gereedschap.
      3. Hij heeft geen honger.
      4. Ik heb geen klok.
      5. Ik drink geen sap.
      6. Hij heeft geen hamer.
      7. Zij hebben geen kaas.
      8. De kast heeft geen planken.
      9. Papa heeft geen pistool.
      10. Een olifant is geen man.

    • 1. Ik heb geen motorfiets.
      2. Jij hebt geen boek.
      3. U heeft geen pen.
      4. Hij heeft geen computer.
      5. Zij heeft geen papier.
      6. Wij hebben vandaag geen les.
      7. Jullie hebben geen mes.
      8. Zij hebben geen spiegel.
      9. Mijn zoon heeft geen telefoon.
      10. U hebt geen tas.

    • 1. Ik heb geen hond.
      2. Jij hebt geen fiets.
      3. Hij heeft geen auto.
      4. Zij heeft geen kat.
      5. Wij hebben geen kinderen.
      6. Jullie hebben geen tuin.
      7. Zij hebben geen boeken.
      8. Ik ben geen leraar.
      9. Hij is geen student.
      10. Zij speelt geen gitaar.

    • 1. Ik heb geen fiets.
      2. Hij heeft geen computer.
      3. Zij heeft geen chocolade.
      4. Zij hebben geen baby.
      5.Hij heeft geen appel.
      6.Jullie hebben geen huis.
      7. Zij heeft geen katten.
      8.Hij heeft geen tijd.
      9.Wij hebben geen auto.
      10.Zij hebben geen jas.

    • 1.Ik heb geen blauw haar
      2.Jij heeft geen auto
      3.Mijn hond heeft geen poetje
      4.We hebben geen koffie
      5.Hij heeft geen fiets
      6.Limburg heeft geen steenkool
      7.Zij heeft geen zoon
      8.Jullie hebben geen schoenen
      9. U hebt geen telefoon
      10. Mijn broer heeft geen horloge

    • 1. Ik heb geen kat.
      2. Ik heb geen kinderen
      3. Hij heeft geen fiets
      4. Wij hebben geen koffie
      5. Zij heeft geen pen
      6. Wij hebben geen auto
      7. Jij hebt geen tas
      8. Jullie hebben geen huis
      9. Zij heeft geen boek
      10. Ik heb geen water

    • 1. Ik heb geen huis
      2. Jij hebt geen relatie
      3. Zij heeft geen bloem
      4. Hij heeft geen auto
      5. Wij hebben geen kinderen
      6. Jullie hebben geen dier
      7. Zij hebben geen docent
      8. Ik heb geen kat
      9. Jij hebt geen diploma
      10. Hij heeft geen vriendin

    • 1. Ik heb geen kracht.
      2. Jij hebt geen kamer.
      3. Hij heeft geen haar.
      4. Zij heeft geen aanbod.
      5. Wij hebben geen doos.
      6. Jullie hebben geen medicijn.
      7. Zij heeft geen kaart.
      8. Ik heb geen cadeau.
      9. Hij heeft geen idee.
      10. Zij hebben geen rijst.

    • 1. Ik heb geen pinpas.
      2. Wij hebben geen portemonnee.
      3. Je hebt geen paskamer.
      4. Jullie hebben geen korting.
      5. Hij heeft geen geduld.
      6. Zij heeft geen eerlijkheid.
      7. Ze hebben geen aardigheid.
      8. Ik heb geen veiligheid.
      9. Wij hebben geen connectie.
      10. Je hebt geen vlucht.

    • 1. Jij hebt geen tafel.
      2. Zij heeft geen prullenbak.
      3. Hij heeft geen werk.
      4. Zij heeft geen frisdrank.
      5. Ik heb geen eten.
      6. Wij hebben geen kussen.
      7. U hebt geen krant.
      8. Zij hebben geen problemen.
      9. Jullie hebben geen AH-aanbiedingen.
      10. Je hebt geen kledingkast.

    • 1. Jullie hebben geen kinderen
      2. Ik heb geen koffie.
      3. Hij heeft geen auto.
      5. Zij heeft geen honger.
      6. Ze hebben geen dorst.
      7. Wij hebben geen water.
      8. Jij hebt geen geld.
      9. Zij heeft geen melk.
      10. Ik heb geen schildpad.

    • Ik heb geen auto.
      Ik heb geen hond.
      Ik heb geen kat.
      Ik heb geen broer.
      Ik heb geen zus.
      Ik heb geen tuin.
      Ik heb geen televisie.
      Ik heb geen motor.
      Ik heb geen paspoort.
      Ik heb geen gitaar.

    • 1 Ik heb geen idee.
      2 Jij hebt geen medicijn.
      3 Peter heeft geen schaap.
      4 Zij is geen oma.
      5 Het is geen woud.
      6 Jullie hebben geen nieuws.
      7 Wij hebben geen eten.
      8 Rudolf and Ferdinand hebben geen geluk.
      9 Ze zijn geen zussen.
      10 Anton heeft geen verf.

    • 1. Ik heb geen beer.
      2. Jij hebt geen auto.
      3. U hebt geen hond.
      4. Hij heeft geen broer.
      5. Zij heeft geen kat.
      6. Wij hebben geen kinderen.
      7. Jullie hebben geen geld.
      8. Zij hebben geen huis.
      9. Mijn vader heeft geen telefoon.
      10. Mijn zus heeft geen boek.

    • 1. Ik heb geen auto.
      2. Ik heb geen kass.
      3. Jij hebt geen fiets.
      4. Je hebt geen geld.
      5. Hij heeft geen huiswerk.
      6. Zij heeft geen tijd.
      7. Wij hebben geen hond.
      8. jullie hebben geen kat.
      9. Mario en ik hebben geen karte.
      10. je hebt geen boek.

    • 1. Ik heb geen familie
      2. Hij heeft geen tas
      3. Anna heeft geen verhalen
      4. Jij hebt geen ouders
      5. Ik heb geen gevoelens
      6. Hij heeft geen deken
      7. Wij hebben geen idee
      8. Ze hebben geen werk
      9. De oranje kat heeft geen staart
      10. Jullie hebben geen kleine paddenstoelen

    • 1.Ik heb geen vliegticketgeld

      2.Zij is geen robot

      3.Wij hebben geen tafel

      4. zij zijn geen prostitueren

      5. Ik heb geen stoel

      6.Jij hebt geen huis

      7.Jullie hebben geen vrouwen

      8.Wij hebben geen pennen

      9.Hij heeft geen tafel

      10.Zij hebben geen ruimteschip

    • 1. Ik heb geen vrienden.
      2. Je hebt geen huis.
      3. Ze heeft geen waardigheid.
      4. Hij heeft geen respect.
      5. Het heeft geen betekenis.
      6. We hebben geen familie.
      7. U hebt geen geld.
      8. Karel heeft geen hoop.
      9. Maria en Anna hebben geen dromen.
      10. Je hebt geen verbeelding.

    • 1. Ik heb geen auto
      2. Jij hebt geen broer
      3. Hij heeft geen baan
      4. Zij heeft geen hond
      5. Wij hebben geen geld
      6. Jullie hebben geen kinderen
      7. Zij hebben geen huis
      8. Ik heb geen tafel
      9. Maria heeft geen fiets
      10. Hij heeft geen afspraak.

    • 1.Ik heb geen kat
      2.Hij heeft geen kaart.
      3.Zij hebben geen afspraak
      4.Karel heeft geen auto
      5.Jullie hebben geen huis
      6.Wij hebben geen huis
      7.Jij hebt geen vogel
      8.Woonkamer heeft geen klok
      9.Zij heeft geen tijd.
      10.De tuin heeft geen boom

    • 1. Ik heb geen kat.
      2. Jij hebt geen hond.
      3. Ik heb geen koelkast.
      4. Jullie hebben geen kinderen.
      5. Zij heeft geen huis.
      6. Hij heeft geen kamer.
      7. Jij hebt geen werk.
      8. Ik heb geen ploeg.
      9. Ik heb geen pen.
      10. Ze hebben geen auto.

    • 1. Zij koopt geen fiets.
      2. Er is geen probleem.
      3. Wij zien geen boom.
      4. Hij zoekt geen sleutel.
      5. Ik eet geen vlees.
      6. Hij drinkt geen melk.
      7. Zij hebben geen brood.
      8. Jij neemt geen suiker
      9. Ik heb geen tijd.
      10. Wij hebben geen haast.

    • 1. Ik heb geen fiets.
      2. Jij hebt geen huis.
      3. Wij zijn geen studenten.
      4. Hij is geen docent.
      5. Maria is geen buurvrouw.
      6. Jij hebt geen idee.
      7. Ik eet geen kip.
      8. Zij is geen moeder.
      9. Ik ben geen Peter.
      10. Jullie hebben geen huis.

    • 1. Ik heb geen idee
      2. Hij heeft geen keukenkraan
      3. Zij heeft geen koelkast
      4. Jij hebt geen voorraadkast
      5. Wij hebben geen gasfornuis
      6. Jullie hebben geen keukenaanrecht
      7. Zij hebben geen koffiezetapparaat
      8. Ik heb geen waterkoker
      9. Jij hebt geen kledingkast
      10. Zij heeft geen schuur.

    • 1. Wij hebben geen auto.
      2. Jij hebt geen suiker.
      3. Jullie hebben geen huis.
      4. Ik heb geen boek.
      5. Hij heeft geen water.
      6. Zij hebben geen slaapkamer.
      7.Wij hebben geen tuin.
      8. Jij hebt geen bril.
      9. Jullie hebben geen tijdmachine.
      10. Ik heb geen planten.

    • 1. Ik heb geen idee.
      2. Wij hebben geen vertraging.
      3. De mannen hebben geen fietsen.
      4. De meisjes hebben geen speelgoed.
      5. Het brood heeft geen eiwitten.
      6. Je hebt geen ervaring.
      7. Zij is geen kat.
      8. Wij zijn geen apen.
      9. Ik ben geen dokter.
      10. U bent geen leraar.

    • 1. Ik heb geen hond
      2. Ik heb geen borden
      3. Jij hebt geen fiets
      4. Otto heeft geen horloge
      5. Iulia heeft geen monitor
      6. Wij zijn geen muzikant
      7. Je jebt geen appel
      8. Wij hebben geen motor
      9. Jullie hebben geen auto
      10. Hij is geen laat

    • 1. Ik heb geen fiets
      2. Hij is geen docent
      3. Zij is geen huisarts
      4. Ik ben geen Nederlander
      5. Jij hebt geen hond
      6. Wij hebben geen geld
      7. Wij zijn geen kinderen
      8. Jullie zijn geen ingenieurs
      9. Zij heeft geen boek
      10. Hij heeft geen auto

    • 1. Ik heb geen idee.
      2. Jij hebt geen appel.
      3. Hij heeft geen tafel.
      4. Het boek heeft geen woorden.
      5. Jij hebt geen bankrekening.
      6. Maria en ik hebben geen restaurant.
      7. Jullie hebben geen hond.
      8. Jan en Marijn hebben geen werk.
      9. Ik heb geen auto
      10. Hij heeft geen kind.

    • 1. Ik heb geen hond.
      2. Zij hebben geen suiker.
      3. Hij is geen jongen.
      4. Wij hebben geen geld.
      5. De vrouwen hebben geen kinderen.
      6. De konijn heeft geen staart.
      7. Het kip heeft geen eiren.
      8. Mijn moeder heeft geen water.
      9. Haar broer is geen huisarts.
      10. Ik ben geen docent.

    • k hoor geen geluid.
      Ik luister niet naar muziek.
      Ik kijk geen tv.
      Ik lees geen boeken.
      Ik schrijf geen brieven.
      Jij leert geen Nederlands.
      Hij begrijpt geen wiskunde.
      Ik vraag geen geld.
      Ik help geen dieren.
      Ik drink geen bier.

  • Load More Posts