Dutch Course Eindhoven A1 Homework Answers Group

  • Public Group
  • 21 hours, 37 minutes ago
  • 105

    Posts

  • 183

    Members

  • Maak 10 zinnen volgens recept B👍
    Voorbeeld: Maria en Peter zijn studenten.
    Please post your answers below:

    139 Comments
    • 2. Zij zoeken de boeken.
      4. ik
      8. ik

    • 1. De kat heeft twee oren.
      2. Het huis heeft ramen.
      3. Anna heeft drie kinderen.
      4. Mijn buren hebben huisdieren.
      5. Eduard heeft twee schoenen.
      6. Theo en Ferdinand zijn advocaten.
      7. Hendrik en Nico zijn vrienden.
      8. Het kind heeft speelgoederen.
      9. Jan heeft boeken.
      10. De studenten hebben huiswerk.

    • 1. Anna heeft honden.
      2. Dirk en Rudolf zijn mannen.
      3. Jan is drie jaar oud.
      4. Zij heeft tien auto’s.
      5. Lodewijk heeft twintig katten.
      6. Zij hebben kinderen.
      7. Zij zijn moeders.
      8. Bernard heeft vijf broeders.
      9. Zij heeft twee boeken.
      10. Maria en Tony zijn honden.

    • 1. Isabel heeft auto’s.
      2. Mijn broer heeft twee katten en een hond.
      3. Lisa en Anna zijn moeders.
      4. Dirk en Simon hebben fietsen.
      5. Al mijn vrienden hebben kinderen.
      6. Mijn broer en zus zijn leraren.
      7. Jij hebt twee winkels.
      8. Zij hebben twee paarden.
      9. Karel is vijf jaar oud.
      10. Ik ben in twee groepen.

    • 1. Anna en Elisa hebben katten.
      2. De kopers hebben geld.
      3. Niek en Antoon zijn broers.
      4. De oma heeft de snoepjes.
      5. De politieagenten hebben paarden.
      6. Michiel en Donna zijn vrienden.
      7. De studenten hebben ideeën.
      8. De jongens hebben huisdieren.
      9. Het bedrijf heeft medewerkers.
      10. De kinderen zijn zussen.

    • 1. Katten zijn huisdieren.
      2. Zij zijn collega’s.
      3. Steden hebben winkels.
      4. Jullie hebben zussen.
      5. Hij heeft drie broers.
      6. Wij hebben buurmannen.
      7. Jij en ik zijn vriendinnen.
      8. Ik heb twee honden.
      9. Zij hebben vissen.
      10. Ik heb jouw boeken.

    • 1. Frank and Maria zijn docenten.
      2. Wij hebben klanten.
      3. Emma en Sarah zijn vriendinnen.
      4. Jullie zijn kinderen.
      5. Wij zijn buren.
      6. Kinderen hebben fietsen.
      7. Opa en oma hebben twee honden.
      8. Winkels hebben klanten.
      9. Wij zijn studenten.
      10. De stad heeft dri treinstations.

    • 1. Jasmijn en ik hebben plannen voor het weekend.
      2. Moeder en vader hebben twee kinderen.
      3. Rudolph en zijn medewerkers zijn hier.
      4. Floor en jij hebben twee katten en een hond.
      5. De meisjes hebben cursussen.
      6. Oma’s hebben tassen.
      7. Emma en haar vriendinnen zijn thuis.
      8. Mensen hebben gevoelens.
      9. Kinderen zijn vrienden.
      10. Leraren h…Read More

    • 1. Jas en Eduard zijn buurmannen
      2. Hij heeft veel winkels
      3. Wij hebben twee kaartjes
      4.Oma en Opa hebben kleinkinderen
      5. Zij zijn vrienden
      6. De jongen heeft drie honden
      7. De vrouw heeft baby’s
      8. Zij hebben twee bedden
      9. Ik heb vier namen
      10. Het kind heeft vijf auto’s

    • 1. Hij en ik hebben honden.
      2. Ik heb vijf appels.
      3. Zij is twee bazen.
      4. Jullie hebben twee huizen.
      5. Wij hebben problemen.
      6. Jij bent studenten.
      7. U hebt vier tassen.
      8. Hij heeft twee vaders.
      9. Het heeft zeven ballen.
      10. Zeynep en hij zijn vrienden.

    • 1. Samuel en Larissa zijn collega’s
      2. Collega’s hebben laptops
      3. Huisartsen zijn artsen
      4. Artsen hebben hulpmiddelen
      5. Pieter heeft appels
      6. Een ingenieur heeft potloden
      7. Een kok heeft messen
      8. Liza en Maria zijn vrouwen
      9. Een astronaut heeft ruimtepakken
      10. Een bezorger heeft fietsen

    • 1. Mijn buren hebben drie katten
      2. Maria en Anna zijn vriendinnen
      3. Een huisarts heeft kinderen
      4. Anna heeft twee auto’s
      5. Mijn vrienden zijn studenten
      6. Postboden hebben fietsen
      7. Een leidinggevende heeft twee pennen en drie boeken
      8. Karel en Jan zijn leraren
      9. Mijn zus heeft tien jurken
      10. Mijn broer heeft twee huizen

    • 1. Daan en Lisa zijn kinderen.
      2. Ik heb oren.
      3. Thomas heeft kinderen.
      4. De oma heeft kleinkinderen.
      5. Julia en Theo hebben twee auto’s.
      6. Een kat heeft vier benen.
      7. Konijnen zijn dieren.
      8. Jij hebt twee handen.
      9. Wij zijn studenten.
      10. Zij zijn deskundigen.

    • 1. Mijn vader en moeder hebben twee kinderen.
      2. De jongens hebben drie fietsen.
      3. De studenten hebben pennen.
      4. De vissen zijn dieren.
      5. Maria en Liza zijn vrouwen.
      6. De schoenen hebben schoenveters.
      7. Mark en ik zijn vrienden.
      8. Jacob en Roze hebben twee auto’s.
      9. De paarden hebben staarten.
      10. Rotterdam en Amsterdam zijn steden.

    • 1. Emma en Evi zijn vriendinnen.
      2. De auto heeft ramen.
      3. Billy heeft katten.
      4. Het gebouw heeft liften.
      5. Emma heeft schoenen.
      6. Zij zijn collega’s.
      7. Wim en Bert zijn broers.
      8. Marie heeft drie kinderen.
      9. Pieter heeft twee fietsen.
      10. Mensen hebben twee nieren.

    • 1. Anna heeft twee zussen
      2. Maria en Julie zijn vriendinnen
      3. Nico heeft oren.
      4. Anne heeft twee broers.
      5. Een hond heeft twee ogen.
      6. We zijn ingenieurs.
      7. Loek en Thomas hebben twee fietsen.
      8. De kinderen hebben pennen.
      9. Marie heeft twee auto’s.
      10. Een paard heeft vier benen.

    • 1. Alper en Melike zijn studenten.
      2. Mahmut heeft vrienden.
      3. Anna en Bernard hebben kinderen.
      4. Hij heeft schildpadden.
      5. Ze zijn mensen.
      6. Roberto heeft namen.
      7. Maria en Saskia hebben boeken.
      8. Lucy en Zukhruf zijn vrouwen.
      9. Je hebt drie fietsen.
      10. Hij heeft twee auto’s.

    • 1. De jongens hebben twee auto’s.
      2. De man heeft veel kranten.
      3. De kinderen zijn studenten.
      4. De fiets heeft twee wielen.
      5. Het meisje heeft twee katten.
      6. Het bedrijf heeft veel ingenieurs.
      7. De vrouw heeft twee huizen.
      8. De leraar heeft veel studenten.
      9. De tafel heeft vier poten.
      10. Het team heeft veel managers.

    • 1. De kinderen hebben ballen.
      2. Wij zijn studenten.
      3. Een konijn heeft oren.
      4. Zij zijn vrienden.
      5. Het huis heeft twee deurs.
      6. Een auto heeft vier wielen.
      7. Anna en Jan zijn collega’s.
      8. Appels en peren zijn vruchten.
      9. Hij heeft drie kinderen.
      10. Ik heb veel boeken.

    • 1. Herman en ik zijn vrienden.
      2. Hij heeft twee auto’s.
      3. Ze zijn brandweermannen.
      4. Jullie zijn verkopers.
      5. Hij heeft twee zonen.
      6. Jullie hebben bloemen.
      7. Maria heeft baby’s.
      8. Esther en Dirk hebben konijnen.
      9. Zij hebben koeien.
      10. Jullie hebben scooters.

    • Magdalena en Bernardo zijn studenten.
      Magdalena heeft boeken.
      Bernardo heeft vrienden.
      Magdalena en Bernardo hebben leraren.
      Magdalena heeft tassen.
      Bernardo heeft fietsen.
      Magdalena en Bernardo zijn kinderen.
      Magdalena heeft pennen.
      Bernardo heeft potloden.
      Magdalena en Bernardo hebben huisdieren.

    • 1. Pieter en ik hebben hardloopschoenen
      2. Jan en Pieter zijn studenten
      3. Maria en Victor hebben winkels
      4. Zij hebben twee baby’s
      5. Zij heeft vijfendertig honden
      6. U hebt twee huizen
      7. De vrouw heeft twee benen
      8. U hebt twee paraplu’s
      9. Wij hebben brieven
      10. Ik heb tweeëndertig tanden

    • 1. Mijn vrienden hebben boeken,
      2. Het huis heeft drie ramen.
      3. De woonkamer heeft vijf stoelen.
      4. De kat heeft vier poten.
      5. Jullie zijn studenten.
      6. Jullie hebben mooie jurken.
      7. De kinderen hebben fietsen.
      8. Jan heeft jassen.
      9. Jelle heeft tien camera’s.
      10. Marijke heeft drie kinderen.

    • 1. Volwassenen hebben veel dingen
      2. Ober heeft een paar borden
      3. De tafels zijn meubels
      4. De paarden zijn dieren
      5. Docent heeft studenten
      6. Grootouders hebben kinderen en kleinkinderen
      7. De bakker heeft broden
      8. We zijn allemaal mensen
      9. Haar moeder heeft twee dochters
      10. De ondernemer heeft twee telefoons

    • 1. Cornelis en jij zijn architecten
      2. Otto en Simon hebben paspoorten
      3. Lodewijk en Rudolf zijn koks
      4. Juan en Ik hebben televisies
      5. De toeristen hebben camera’s
      6. De vrienden zijn muzikanten
      7. Xantippe en Gerard hebben telefoons
      8. De meisjes zijn danseressen
      9. Jan en Pieter hebben kaarten
      10. Anna en Bernard zijn verpleegkundigen

    • 1. De hond is een dier.
      2. Mijn moeder heeft een zus.
      3. De man heeft een auto.
      4. De kinderen zijn vrienden
      5. Eindhoven is een stad.
      6. Marie en Willem zijn ouders.
      7. De oma heeft een kleinkind.
      8. De appel is lekker.
      9. Boeken zijn interessant.
      10. Mijn fiets is mooie.

    • 1. Maria en Julia zijn vrienden.
      2. De vrouwen hebben kinderen.
      3. De kamers hebben de mannen.
      4. De stoelen hebben vier poten.
      5. De winkels hebben de beds.
      6. De vader heeft zes kinderen.
      7. De opa heeft veel buurmans
      8. Het bedrijf heeft werknemers.
      9. Het lichaam heeft twee arms.
      10. De katten zijn dieren.

    • 1. De boom heeft veel vruchten.
      2. De ouders zijn sporters.
      3. Het bedrijf heeft de tafels.
      4. Opa en Oma hebben zes kleinkinderen.
      5. Kat en hond zijn dieren.
      6. De bank heeft geld.
      7. Pieter en Minko zijn werknemers.
      8. Het hoofd heeft ogen.
      9. Jullie zijn toeristen.
      10. De station heeft fietsen.

    • 1. De student heeft boeken.
      2. De collega’s hebben ideeën.
      3. De vrienden hebben plannen.
      4. De bomen hebben bladeren.
      5. De auto’s hebben motoren.
      6. De medewerker heeft meetings.
      7. De honden zijn dieren.
      8. Eva heeft bloemen.
      9. De docenten zijn vrienden.
      10. De eenden zijn vogels.

    • 1. De jongens hebben fietsen
      2.Het meisje heeft mooi jurken
      3. De vrouw heeft mooi jassen
      4. De man heeft twee auto’s
      5. Het kind heeft veel speelgoed
      6. Mijn ouders hebben twee huizen
      7. Julia heeft vier planten
      8. Jansen heeft twee stoelen
      9. Pieter heeft de waterflessen
      10. Maria heeft mooi tassen

    • 1.De kinderen hebben pennen
      2. De man heeft honden.
      3. De jongens hebben fietsen.
      4. Boeken hebben paginas.
      5. De vrouw heeft kinderen.
      6. Zij hebben auto’s.
      7. De meisjes hebben pizza’s.
      8. De docent heeft boeken.
      9. Honden zijn dieren.
      10. De buren hebben katten.

    • 1. Auto heeft wielen
      2. Fruittuin heeft vruchten
      3. Zij hebben pennen
      4. In Nederland, ingenieur en docent zijn grootste beroepen
      5. Paardenstal hebben vijf paarden
      6. Rudolf en Maria hebben drie honden
      7. Het boek heeft tien lessen
      8. Ze zijn arbeiders
      9. De Nederland hebben zevenentachtig snelwegen
      10. Het gebouw heeft zes vloeren

    • 1. Morpheus heeft de pillen.
      2. De buren hebben auto’s.
      3. De ingenieurs hebben de pennen.
      4. Tom en Jerry zijn geen vrienden.
      5. Naruto heeft de boeken.
      6. De familie heeft twee broers.
      7. De kinderen hebben de broodjes.
      8. De man heeft de aardappelen.
      9. De broers zijn collega’s.
      10. De verkoper heeft de huizen.

    • 1. Bernard en Hendrik zijn collega’s
      2. Phillipe en Maurice zijn leraren
      3. Jij en ik zijn vrienden
      4. Paul en Kim hebben een kind
      5. Maria en ik hebben geen auto
      6. Hij en zij zijn ziek
      7. Loes en Simon hebben en aafspraak
      8. Maria en mike zijn zussen
      9. Peter en Tom zijn broers
      10. Hij en zij zijn mijn ouders

    • 1. Anton en Anna zijn collega’s.
      2. De hond heeft vier benen.
      3. De mensen hebben tien vingers.
      4. De kinderen zijn vrolijk.
      5. De werkgevers hebben werknemers.
      6. De klanten hebben producten.
      7. De fabrieken hebben arbeiders.
      8. De kinderen hebben paraplu’s.
      9. De gebouwen hebben bewoners
      10. De jongens hebben ouders.

    • 1. Niranjan en Christian zijn mijn vrienden.
      2. Peter heeft drie honden.
      3. Pizza en bitterballen zijn zij favorieten.
      4. Hij heeft wit en rode penen.
      5. Xaden heeft oma’s auto.
      6. Zij zijn werknemers bij ASML.
      7. Rhysand heeft veel stripboeken.
      8. Ik lees vier boeken op dinsdag.
      9. Zij leest vier kranten alle daags.
      10. Zij hebben drie paraplu’s.

    • 1. Bram en Dirk zijn advocaten.
      2. De vrouwen hebben tassen.
      3. De mannen hebben computers.
      4. De honden hebben speelgoed.
      5. De katten zijn dieren.
      6. Maria en Anna zijn huisarts.
      7. De kinderen hebben boeken.
      8. Simon en Niels zijn broers.
      9. Mark en Lewis zijn buren.
      10. Anna en Maria hebben testen.

    • 1. Bani is mijn konijn.
      2. Filip heeft een halsketting.
      3. Draken zijn eng.
      4. Koeien zijn dieren.
      5. Paula is mijn zus.
      6. Philippe en Maurice hebben studenten.
      7. Antonia en ik hebben planten.
      8. Pieter is slaperig.
      9. Het raam is mooi.
      10. Mijn collega’s hebben huiswerk.

    • 1. De man heeft pennen.
      2. De jongens zijn studenten.
      3. Het bedrijf heeft medewerkers.
      4. De chefs zijn deskundigen.
      5. De collega’s hebben werk.
      6. De vrouwen zijn moeders.
      7. De docenten hebben cursussen.
      8. De receptionist heeft afspraken.
      9. Eindhoven en Tilburg zijn steden.
      10. Philippe en Maurice zijn leraren.

    • 1. De man heeft twee honden.
      2. Philippe heeft vijf pennen.
      3. Wij hebben twee katten.
      4. Zij zijn oudere mensen.
      5. Hij heeft drie afspraken.
      6. Jullie hebben vijf auto’s.
      7. Zij hebben de boeken.
      8. Vogel en hond zijn dieren.
      9. De dierentuin heeft drie tijgers.
      10. Jij hebt elf tafels.

    • 1. Maria en Bernard zijn vrienden.
      2. Het kind heeft ouders.
      3. De vrouw heeft drie tafels.
      4. De kinderen zijn studenten.
      5. Zij zijn collega’s.
      6. Wij hebben vier katten.
      7. De oma heeft dieren.
      8. Hij heeft twee afspraken.
      9. De jongens zijn broers.
      10. Ik heb zes auto’s.

    • 1. Jupiter en Venus zijn planeten.
      2. Nuenen en Geldrop zijn dorpen.
      3. De timmerman heeft gereedschap.
      4. Harry en Ron zijn vrienden.
      5. Het meisje heeft pennen.
      6. Wij zijn studenten.
      7. Robert heeft appels.
      8. Eindhoven en Rotterdam zijn steden.
      9. De student heeft boeken.
      10. De vader heeft honden.

    • 1. Mijn buurman is een boer.
      2. Ik heb een kat.
      3. De kamer heeft de ramen.
      4. Jullie zijn studenten.
      5. Ik ben moe.
      6. Budel is een dorp.
      7. De studenten hebben de boeken.
      8. De baas heeft haast.
      9. Collega’s zijn op vakantie.
      10. Jij bent een vrouw.

    • 1. Peter en ik zijn vrienden.
      2. De man heeft drie boeken.
      3. Het meisje heeft twee paarden.
      4. Franky heeft vier auto´s.
      5. De jongens hebben cadeaus.
      6. Saskia en Anna hebben hobby’s.
      7. De bakkers hebben twee tafels.
      8. Joanna heeft eieren.
      9. Mijn zoon heeft twee zwarte tassen.
      10. Peter en zij zijn collega´s.

    • 1. Corné en Lin zijn ingenieurs.
      2. Isaak en Nico hebben kinderen.
      3. Het huis heeft 3 kamers.
      4. Victor en Ik zijn collega’s.
      5. Jij hebt mango’s.
      6. Pieter en Willem zijn studenten.
      7. De studenten hebben pennen.
      8. Amsterdam en Eindhoven zijn steden.
      9. De school heeft studenten.
      10. Zij hebben auto’s.

    • 1. Sylvia en Sarah zijn collega’s.
      2. Zij zijn artsen.
      3. Kinderen hebben speelgoed.
      4. Jullie zijn kopers.
      5. Wij hebben computers.
      6. Michiel en Diana zijn grootouders.
      7. Vrienden hebben hobby’s.
      8. Wij zijn reizigers.
      9. Bazen hebben werknemers.
      10. Buren hebben bloemen.

    • 1. Lisa en Tom zijn dokters.
      2. De kinderen zijn blij.
      3. Mijn ouders zijn thuis.
      4. De honden zijn moe.
      5. De katten hebben honger.
      6. Sara en Dirk zijn vrienden.
      7. Mijn buren zijn vriendelijk.
      8. De baby’s hebben dorst.
      9. De huizen hebben grote slaapkamers.
      10. Mijn grootouders zijn overleden

    • 1. Ik heb twee auto’s.
      2. Ik heb drie boeken.
      3. Hij heeft twee honden.
      4. Wij hebben drie huizen.
      5. Zij hebben drie meisjes.
      6. Zij zijn vrouwen.
      7. Ik heb twee telefoons.
      8. Jullie zijn leraren.
      9. Jullie zijn studenten.
      10. wijn zijn jongens.

    • 1. De man heeft twee auto’s.
      2. Maria en Klara zijn socialworkst.
      3. De vrouw heeft kinderen.
      4. Hij heeft zes paarden.
      5. De werknemers zijn goed.
      6. Kinderen hebben boeken.
      7. De boterham is lekker.
      8. Het meisje hebben twee borden.
      9. jij hebt tomaten.
      10. Nico heeft vier tafels.

    • 1. De jongen heeft appels.
      2. Het meisje heeft pennen.
      3. Het kind heeft boeken.
      4. De man heeft winkels.
      5. Zij heeft konijnen.
      6. Wij hebben lessen.
      7. Anna heeft vrienden.
      8. Zij heeft examens.
      9. Jij hebt huisdieren.
      10. U heeft documenten.

    • 1. Tymo en Yannick zijn broers.
      2. Marja heeft drie kinderen.
      3. Henk en Philippe hebben twee computers.
      4. De kinderen zijn vrienden.
      5. Helene heeft drie paraplu’s.
      6. De student heeft boeken.
      7. Dirk en Xantippe zijn ouders van twee dochters.
      8. De oma heeft vier katten.
      9. Anna en ik hebben twee huizen.
      10. Mijn vrienden zijn kunstenaars.

    • De Kinderen zijn blij
      De mannen zijn groot
      De vrouwen zijn moe
      De meisjes hebben boeken
      Wij hebben fietsen
      Zij hebben katten
      De leraren hebben pennen
      Zij hebben acht paarden
      De meisjes hebben drie appels

    • 1. De docent heeft twee boeken
      2. Mijn vrienden heeft twee huisdieren
      3. Zij hebben vier honden
      4. Anton en Simon heeft twee huizen
      5. Hendrik en Willem zijn vrienden
      6. Isaak en Nico zijn ouders
      7. Dirk heeft vijf fietsen
      8. Collen en Wout zijn collega’s
      9. Anna heeft drie dochters
      10. Maria heeft drie kinderen

    • 1. De mensen zijn vriendelijk
      2. De leraren hebben boeken
      3. Mijn broer heeft drie zonen
      4. De kinderen zijn gevaarlijk
      5. Mijn ouders zijn geweldig
      6. Mario heeft boten
      7. Ines en Anna hebben meditatielessen
      8. De hemel heeft sterren
      9. Jij en Peter zijn vijanden
      10. Het meisje heeft ski’s

    • 1. De vader heeft zonen.
      2. De moeder heeft dochters.
      3. Mijn moeder heeft boeken
      4. De studenten zijn buren.
      5. Hij heeft ideeën.
      6. Zijn kinderen zijn studenten.
      7. Haar ouders zijn artsen.
      8. Die mannen zijn broers.
      9. De schrijver heeft boeken
      10. De kinderen zijn vrienden.

    • 1. Het meisje heeft drie honden.
      2, De man heeft twee auto’s.
      3. Jan en ik hebben vijf paarden.
      4. De kinderen hebben speelgoed.
      5. Jesse en Maria hebben vier kinderen.
      6. Zij heeft pennen.
      7. Je hebt twee huizen.
      8. De leerlingen hebben boeken.
      9. Wij hebben zwarte auto’s.
      10. Eva en Sam hebben vorken en lepels.

    • De kinderen hebben nieuwe schoenen.

      De leraren zijn erg vriendelijk.

      De studenten hebben laptops.

      De dokters zijn druk vandaag.

      De ouders hebben drie kinderen.

      De buren zijn op vakantie.

      De vrienden hebben fietsen.

      De vrouwen zijn blij met hun cadeaus.

      De jongens hebben ballen.

      De mannen zijn sterke arbeiders.

    • 1.De leraar heeft studenten.
      2.Mijn vader heeft auto’s.
      3.De vrouw heeft bloemen.
      4.Die buren zijn vrienden.
      5.De kat heeft kittens.
      6.Zijn broers zijn ingenieurs.
      7.Haar zussen zijn verpleegsters.
      8.Die jongens zijn sporters.
      9.De studenten zijn vrienden.
      10. De familie heeft twee huizen.

    • 1. Het zijn schapen.
      2. Ik heb pennen.
      3. Het zijn studenten.
      4. Hij heeft auto’s.
      5. Ze spelen met stokken.
      6. Jij hebt vrienden.
      7. Wij hebben jassen.
      8. Zij werkt met artsen.
      9. Wij hebben bloemen.
      10. Zij zijn ingenieurs.

    • 1) Zij heeft twee kinderen
      2) Wij hebben veel planten
      3) Hij heeft twee ops’s
      4) De jongen heeft veel boeken
      5) Carla heeft drie zonen
      6) Karis en Krisel zijn meisjes
      7) Meagan en Mark zijn vrienden
      8) Zoe en Zorro zijn mijn honden
      9) Mijn bakkerij heeft twee bakkers
      10) De kinderen hebben pennen

    • 1. Een vrouw heeft kaartjes.
      2. Kinderen zijn vrienden.
      3. Ouders hebben kinderen en problemen.
      4. Collega’s hebben auto’s.
      5. Een buurvrouw heeft katten.
      6. Medewerkers zijn mensen.
      7. Een huisarts heeft medicijnen.
      8. Sam en Alex zijn passagiers.
      9. Kopers zijn klanten.
      10. Studenten hebben toetsen.

    • 1. De vrouw heeft de bloemen
      2. Eduard heeft de fietsen
      3. Anna en Maurice hebben 3 keukens
      4. Martijn en Maria zijn studenten
      5. Mijn manager heeft de vakanties
      6.Anna en ik hebben de boeken
      7.Juliana en Bram zijn getrouwden
      8.De buren hebben de auto’s
      9.Daan heeft de kinderen
      10. De man heeft paarden

    • 1- Het meisje heeft twee fietsen.
      2- De jongen heeft pennen.
      3- Pieter en Willem zijn broers.
      4- De opa en de oma hebben kleinkinderen.
      5- De huisarts heeft patiënten.
      6- De ouders hebben twee slapkamers.
      7- De moeder heeft drie kinderen.
      8- De vrouwen hebben mannen.
      9- De baby heeft tanden.
      10- De vader heeft vijf zussen.

    • 1. De man heeft kinderen.
      2. De vrouw heeft huisdieren.
      3. Anton and Maria zijn tweelingen.
      4. Julian and Rafael zijn broers.
      5. Vincent heeft vrienden.
      6. De mensen zijn artsen.
      7. De meisjes hebben schaatsen.
      8. De kinderen hebben dromen.
      9. Vincent and Leon zijn studenten.
      10. De jongen heeft fietsen.

    • 1. De jongen heeft katten
      2. Het meisje heeft honden
      3. De vader heeft twee auto’s
      4. Saskia en Maria zijn vrienden
      5. De werknemers hebben fietsen
      6. De studenten hebben boeken
      7. Het kind heeft drie eieren
      8. De man heeft twee kamers
      9. De mensen hebben handen en benen
      10. Jan en Willem zijn broers

    • 1 – Het meisje heeft twee fietsen
      2- De jongen heeft drie katten
      3- De man heeft appels en peren
      4- Sander heeft bomen
      5- Saskia heeft vier namen
      6- Anna en Maria zijn verpleegsters
      7- Ans en Els zijn zussen
      8- De ouders hebben vijf kinderen
      9- Falke en Michelle zijn grootouders
      10- Marcel heeft twee auto’s

    • 1 – de vrouw heeft boeken
      2 – het meisje heeft honden
      3 – de jongen heeft messen
      4 – de man heeft auto’s
      5 – de hond heeft speelgoed
      6 – de kat heeft kinderen
      7 – het kind heeft boeken
      8 – de zus heeft katten
      9 – de jongen heeft appels
      10 – de man heeft jassen

    • 1. De docent heeft zes boeken
      2. De vrouw heeft twee kinderen
      3. Wij hebben drie honden
      4. Anna en Maria hebben twee auto’s
      5. De mannen zijn ingenieurs
      6. De leraar heeft studenten
      7. Mijn vader heeft fietsen
      8. De meisje heeft bloemen
      9. Ik heb vier broers
      10. Ze zijn vrienden

    • 1. Anna en Zaandam hebben twee kinderen.
      2. Kinderen zijn blij.
      3. Leraren hebben boeken.
      4. De jongens en meisjses spelen met de katten.
      5. Kinderen hebben speelgoed.
      6. De meisjes spelen met honden.
      7. De man en de vrouw hebben vier kinderen.
      8. Ouders zijn volwassenen.
      9. Emma en Maria zijn zussen.
      10. Mijn broer en zus zijn kinderen.

    • 1. Mia en Mark zijn vrienden.
      2. zij hebben een voetbal.
      3.kinderen hebben boeken.
      4. De hond heeft vier poten.
      5. mark is een jongen.
      6. mijn broer is jong
      7.hij heeft een auto.
      8. de kleur is wit.
      9.Het is automatisch.
      10.het heeft vier wielen

    • 1. Een man heeft boeken.
      2. Studenten zijn vrienden.
      3. Een docent heeft pennen.
      4. De kinderen hebben telefoons.
      5. De verkoper heeft klanten.
      6. De dokter heeft patienten.
      7. Een vrouw heeft katten.
      8. De buurman heeft honden.
      9. Philippe en Maurice zijn leraren.
      10. Het huis heeft drie kamers.

    • 1. Soheil en ik hebben drie boeken.
      2. De boeken zijn op de tafel.
      3. Maria heeft twee auto’s.
      4. De auto’s hebben twee deuren en vier wielen.
      5. Anna en Peter hebben drie huizen.
      6. De huizen hebben ramen.
      7. U heeft een kind.
      8. Soheil en ik hebben geen kinderen.
      9. De man heeft blauwe ogen.
      10. Kinderen hebben ouders.

    • 1.De leraren zijn vriendelijk.

      2.Mijn vrienden hebben fietsen.

      3.De kinderen zijn vrolijk.

      4.Onze buren hebben honden.

      5.Jullie zijn studenten.

      6.De ouders hebben kinderen.

      7.Zij zijn collega’s.

      8.Mijn broers hebben boeken.

      9.De meisjes zijn sportief.

      10.De mannen hebben auto’s.

    • 1. Kinderen zijn meisjes of Jongens .
      2. Het vrouw heeft twee Auto’s .
      3. De man heeft geen tassen .
      4.Het vrouw is geen Meisje .
      5. Anna en Angeliek zijn vrienden .
      6. Het meisje heeft aardbeien .
      7. De koeien zijn dieren .
      8. Ik heb aardbeien .
      9. Jij hebt groenten .
      10. Hij heeft auto’s

    • Ik heb twee tassen.
      Wij hebben twee huizen.
      De woonkamer heeft vier stoelen.
      Hij heeft de eieren.
      Ze zijn baby’s.
      De familie heeft twee auto’s.
      We zijn de mannen.
      De badkamer heeft twee ramen.
      Maria en Nico zijn bakkers.
      De secretaresse heeft twee kantoren.

    • 1. De man heeft drie katten.
      2. Het kind heeft de boeken.
      3. Milan en Joey zijn studenten.
      4. De buurman heeft pizza’s.
      5. Het meisje heeft twee fietsen.
      6. De vrouw heeft vijf jassen.
      7. Mijn ouders hebben zeven huizen.
      8. Evi en Lili zijn baby’s.
      9. De huisartsen zijn collega’s.
      10. De jongen heeft elf lessen.

    • 1. Het gezin heeft drie kinderen.
      2. De ouders hebben geen kinderen.
      3. De jongens zijn zonen.
      4. De meisjes zijn dochters.
      5. De opa en oma hebben drie tuinen.
      6. De vaders zijn leraren.
      7. De moeders zijn bankiers.
      8. De kinderen zijn studenten.
      9. De vrouw heeft twee honden.
      10. De mannen zijn obers.

    • 1. Het huis heeft een tuin.
      2. Het bedrijf heeft tien werknemers.
      3. De patiënt heeft een operatie.
      4. Andy en Peter hebben een vergadering.
      5. De buurman heeft twee katten.
      6. De auto heeft vier wielen.
      7. De docent heeft elf studenten.
      8. Het ziekenhuis heeft drie parkeerplaatsen.
      9. Cindy en Anna zijn vrienden.
      10. Mijn ouders hebben twee kinderen.

    • 1. De buren hebben auto’s.
      2. De toeristen zijn Amerikanen.
      3. De agenten hebben wapens.
      4. De patienten hebben afspraken.
      5. De kinderen hebben honger.
      6. De klanten hebben tassen.
      7. De broers zijn bakkers.
      8. De passagiers hebben tickets.
      9. De dokters hebben instrumenten.
      10. De zonen hebben telefoons.

    • 1. De buren hebben auto’s.
      2. De toeristen zijn Nederlands.
      3. De patientenhebben wapens.
      4. De agenten hebben afspraken.
      5. De kinderen hebben honger.
      6. De broers zijn collega’s.
      7. De klanten hebben tassen.
      8. De passagiers hebben tickets.
      9. De dokters hebben auto’s.
      10. Dirk en Anna zijn baby’s.

    • De kinderen zijn moe.

      Het paard is bruin.

      Anna en jij zijn collega’s.

      Het boek is interessant.

      Het meisje is blij.

      Tom en Sara hebben een auto.

      De mannen zijn sterk.

      De appel en de banaan zijn rood en geel.

      Mijn ouders hebben twee fietsen.

      Mijn broer heeft een pen.

    • 1. Het huis heeft vier ramen.
      2. Ze hebben twee auto’s.
      3. Het heeft twee oren.
      4. Zij heeft twee ogen.
      5. Jullie zijn vrienden.
      6. Ze zijn mijn collega’s.
      7. De auto heeft twee deuren.
      8. U heeft drie kinderen.
      9. Hij heeft twee nationaliteiten.
      10. Ik heb twee borden.

    • 1- Maria heeft boeken.
      2- Nina heeft auto’s.
      3- De man heeft vrienden.
      4- Het kind heeft ballen.
      5- De vrouw heeft tassen.
      6- De student heeft boeken.
      7- De leraar heeft leerlingen.
      8- De jongen heeft fietsen.
      9- De moeder heeft kinderen.
      10- De vader heeft banen.

    • 1. Wij hebben twee huizen.
      2. Zij heeft auto’s.
      3. Mijn moeder heeft drie kinderen.
      4. Jij hebt twee boeken.
      5. Mijn appartement heeft twee slaapkamers.
      6. Ayesha en Fatima zijn beste vrienden.
      7. Hij heeft acht tomaten.
      8. Ik heb drie tafels.
      9. Het meisje heeft twee katten.
      10. Ahmed en Abdullah zijn baby’s.

    • 1. Dani heeft auto’s.
      2. Ik heb drie eiren.
      3. Jullie hebben boeken.
      4. Hij heeft aardappelen.
      5. De tafel heeft 4 poten.
      6. Zij heeft vriendinnen.
      7. De moeder heeft twee kinderen.
      8. De Opa heeft drie kleinkinderen.
      9. Jij hebt oren.
      10. Mijn huis heeft drie ramen.

    • 1. Burak heeft een afspraak.
      2. De vrouw heeft een hond.
      3. Het meisje heeft een blauw fiets.
      4.De man is mijn collega.
      5. De buurman heeft een auto.
      6. Lonneke is arts.
      7. De vrouw heeft koffie.
      8. Jarno en Sem zijn Nederlanders.
      9. De opa is gezond.
      10. Het kind heeft een rode speelgoed.

    • 1. Christina en Maria zijn vrienden.
      2. Het kind heeft twee fietsen.
      3. Mijn familie heeft drie auto’s
      4. George en Ermis hebben boeken.
      5. De man heeft auto’s.
      6. De vrouw heeft tassen.
      7. De dochter heeft dieren.
      8. Het meisje heeft pennen.
      9. De kinderen zijn Grieken.
      10. Mijn ouders zijn dokters.

    • 1. De baas heeft de informatie.
      2. De winkelier heeft de sleutels.
      3. De inbreker heeft geluk.
      4. De dief en de rechter zijn vrienden.
      5. De moordenaar heeft griep.
      6. De patient is bleek.
      7. De tandarts heeft de röntgenfoto.
      8. De boer en de boerin hebben een boerderij.
      9. De gepensioneerde is opgewonden.
      10. De kleuterleidster heeft het speelgoed.

    • 1. Ik heb drie fietsen.
      2. Zij heeft tomaten.
      3. John en Cina hebben wedstrijden.
      4. De man heeft koeien.
      5. Mijn vader heeft boeken.
      6. Ik heb vijf tafelen.
      7. U heeft twee hoofden.
      8. Zij hebben bomen.
      9. De hond heeft kinderen.
      10. Ik heb stoelen.

    • Daniel heeft twee auto’s
      De kinderen hebben boeken
      De kok heeft messen
      Carla en Boris hebben drie kinderen
      De huis heeft deuren
      Lluis heft vrienden
      De boot heeft zeilen
      De mannen hebben hoeden
      Martin en Julia hebben problemen
      De maan hebben kraters

    • 1. De leraar heeft fietsen.
      2. De klanten hebben afspraken.
      3. De vrouw heeft geld.
      4. De kinderen hebben honden.
      5. Het kind heeft honger.
      6. De student heeft een auto.
      7. De vrouwen hebben huizen.
      8. De mannen zijn Portugezen.
      9. De dokters hebben paarden.
      10. De klant heeft een kind.

    • 1. Het meisje heeft vrienden.
      2. De kat heeft vier benen.
      3. De kinderen zijn jongens.
      4. Het land heeft steden.
      5. Anna en Marc hebben drie kinderen.
      6. De studenten hebben brillen.
      7. De fiets heeft wielen.
      8. Mijn ouders zijn docenten.
      9. De stad heeft winkels.
      10. Frank heeft honden.

    • 1. Zij zijn mannen.
      2. Sofia en Maria zijn ingenieurs.
      3. Wij hebben prachtige boeken.
      4. Hij heeft twee honden en vier katten.
      5. Honden en katten hebben grote huizen.
      6. De mannen hebben kinderwagens.
      7. De carnaval meisjes hebben twee armbanden.
      8. Katja en mijn broer hebben twee banen.
      9. Mijn vriend en ik hebben twee glazen wijn.
      10. Zijn…Read More

    • 1. Ik heb twee auto’s.
      2. Zij heeft drie dochters.
      3. Julie hebben huizen.
      4. Hij heeft vijf honden.
      5. Mijn moeder heeft twee zussen.
      6. Hij heeft veel diensten.
      7. Amsterdam heeft zoveel mooie musea.
      8. Mijn kat heeft twee krabpalen.
      9. Ellen en Jan hebben vier jongens
      10. Mijn ouders hebben zes kinderen.

    • 1. Deena en Emma zijn katten
      2. De kinderen hebben een speelplaats
      3. Mijn broers zijn studenteren
      4. Mary en Ineke hebben drie kinderen
      5. We hebben een taart en wijn
      6. De winkels hebben broodvorm
      7. Eindhoven heeft goede bowlingkegels
      8. Mijn katten hebben vier ballen
      9. Mijn huis heeben drie dueren
      10. Mijn katten hebben kattenkruid

    • 1. Linda en Eva zijn de klanten.
      2. Jullie zijn leraren.
      3. Zij heeft twee tassen.
      4. De jongens hebben vijf appels.
      5. Wij zijn studenten.
      6. Ik heb 10 huiswerk.
      7. Julia en Eva zijn vriendinnen.
      8. Jij hebt drie auto’s.
      9. De straat heeft drie bakkerijen.
      10. De school zijn kinderen.

    • 1. Emma en Evi hebben de boeken
      2. Het paard heeft vier benen
      3. De stad heeft winkels
      4. Het land heeft steden
      5. De winkel heeft producten
      6. Michel en Xantippe zijn kinderen
      7. De trein heeft passagiers
      8. Het boek heeft pagina’s
      9. Het huis heeft deuren
      10. Het meisje heeft vriendinnen

    • 1. Ik heb twee fietsen.
      2. Zij heeft drie zussen.
      3. Appels zijn vruchten.
      4. Een student heeft lessen.
      5. De kinderen hebben boeken.
      6. Het meisje heeft twee camera’s.
      7. Ik heb vakanties.
      8. Zij zijn paarden.
      9. Julia en Bart zijn collega’s.
      10. De oma heeft kleinkinderen.

    • 1. Ik heb katten.
      2. We zijn meisjes.
      3. Max en Maria hebben fietsen.
      4. Wij hebben namen.
      5. Ze heeft veel schoenen.
      6. Jullie zijn medewerkers.
      7. Je hebt kippen.
      8. Ik heb oma’s.
      9. Anna heeft tassen.
      10. Jullie zijn vrienden.

    • 1. Mijn broer heeft boeken.
      2. De kassier heeft fietsen.
      3. De vrouwen hebben kinderen.
      4. Wij zijn studenten.
      5. De oma heeft tweelingen.
      6. Mijn moeder heeft twee katten.
      7. Julie en Jan hebben kaartjes.
      8. De leraar heeft veel cursussen.
      9. Mark en Anna zijn vrienden.
      10. Suzan en Julia zijn zussen.

    • 1. Ik heb drie Auto’s
      2. Wij zijn studenten van Taal cursus.
      3. Yagiz en Maurice zijn mannen.
      4. Ik heb Opa’s.
      5. Jullie hebben vijf kinderen.
      6. Zij heeft tien paar schoenen.
      7. Zij hebben veel ideeen.
      8. Wij hebben veel makkelijk huiswerk.
      9. Jij hebt veel problemen.
      10. Het heeft drie wielen.

    • 1. Zij hebben kinderen.
      2. Jullie hebben de lessen.
      3. Wij hebben de tassen.
      4. Zij zijn varkens.
      5. De boot heeft wielen.
      6. Dokters hebben de cursussen.
      7. Konijnen hebben poten.
      8. De winkel heeft klanten.
      9. De koning heeft de dorpen.
      10. Aardbeien en ananassen zijn vruchten.

    • 1. Mark en Tom zijn vrienden.
      2. Wij zijn collega’s.
      3. Zij heeft drie boeken.
      4. De meisjes hebben vier fietsen.
      5. Jullie zijn buren.
      6. Ik heb twee honden.
      7. Anna en Lisa zijn zussen.
      8. Jij hebt vijf pennen.
      9. De winkel heeft drie kassa’s.
      10. De klas heeft studenten.

    • 1. Maria heeft twee katten
      2. Ik heb drie broers
      3. De jongen heeft twee fietsen
      4. De leraar heeft drie boeken
      5. De politieagent heeft twee auto’s
      6. Mijn zus heeft vijf armbanden
      7. jij en Ik zijn studenten
      8. Wij zijn vrienden
      9. Ik heb twee armen
      10. Zij heeft vijf vingers

    • 1. Maria en Peter zijn studenten
      2. Wij zijn vrienden
      3. Maria en Lissa zijn leraren
      4. Willem en Saskia zijn mijn buren
      5. Erwin en ik werken samen
      6. Katten en honden hebben huizen
      7. De docent heeft vijf boeken
      8. De baker heeft taarten
      9. De patient heeft ziekten
      10. De politicus heeft munten

    • 1. Zij hebben zes kinderen
      2. Maria en Simon zijn acteurs
      3. Zij heeft drie auto’s
      4. Het zijn hockeyspelers
      5. Ik heb chocolaatjes
      6. Hij heeft vijf paarden
      7. Zij zijn ouders
      8. Ik heb vier jassen
      9. Ze heeft restaurants
      10. Bogi en Mehtap zijn mijn teamgenoten

    • 1. Ik heb twee boeken.
      2. Joel en Maria hebben drie kinderen.
      3. Ik heb twee auto’s.
      4. Zij heeft vijf armbanden.
      5. Ik heb drie broers en twee zussen.
      6. Mijn moeder heeft vijf kinderen.
      7. Ik heb drie kopjes koffie.
      8.Zij heeft de brieven.
      9. Johny heeft de accu’s.
      10. Susan en Maria zijn meisjes.

    • 1. Jan en Anna zijn vrienden.
      2. Tom en Lisa hebben boeken.
      3. De kinderen zijn studenten.
      4. De mannen hebben fietsen.
      5. De vrouwen hebben auto’s.
      6. De studenten hebben boeken.
      7. De docenten zijn collega’s.
      8. De buren hebben katten.
      9. De jongens zijn broers.
      10. De meisjes hebben tassen.

    • 1. Zij hebben twee kinderen.
      2. Zij en ik zijn zussen.
      3. De meisjes spelen voetbal.
      4. Maria heeft tien tassen.
      5. Katten en honden zijn dieren.
      6. Ik heb twee fietsen.
      7. Jullie hebben vijftien minuten.
      8. Wij hebben twee docenten.
      9. Hij heeft veel schoenen.
      10. De straat heeft grote bomen.

    • 1. Leo and ik zijn buren.
      2. Evi en Lea hebben honden.
      3. De keuken heeft stoelen
      4. De collega heeft twee katten
      5. Het lichaam heeft ledematen
      6. De meisjes hebben rokken
      7. De moeder heeft afspraken
      8. De honden zijn dieren
      9. Het vliegtuig heeft stoelen
      10. De oma heeft kinderen

    • 1.Mehtap en Oguzhan zijn engineers
      2.Istanbul en Eindhoven zijn steden
      3.De kinderen hebben telefoons
      4.Het telefoonnummer heeft tien cijfers in Nederland
      5.Honden hebben twee ogen
      6.De studenten hebben boeken
      7.De vrouwen zijn moeders
      8.Het huis heeft drie kamers
      9.Ik heb twee kaartjes
      10.De boom heeft appels

    • 1. Anna heeft goede boeken
      2. Phillipe heeft studenten.
      3. Meisje heeft twee katten.
      4. Maria heeft twee fietsen.
      5. María en Nico hebben drie kinderen.
      6. Anna heeft vier tafels.
      7. De buren hebben twee honden.
      8. Ik heb twee teamleden.
      9. De vrouw heeft twee kopjes.
      10. De man heeft 3 flessen.

    • Wij zijn studenten.
      Christien en Ulrik zijn vrienden.
      Ali en Veli zijn leraren.
      Tom en Lisa zijn collega’s.
      De kinderen zijn leerlingen.
      Onur en Can zijn buren.
      Eva en Mila zijn zussen.
      Jij en ik zijn studenten.
      De mannen zijn politieagenten.
      De vrouwen zijn docenten.

    • 1. Tijn heeft twee computers.
      2. De studenten zijn Eindhovenaren!
      3. Francien en René hebben veel honden.
      4. Tijn en Dirk zijn broers.
      5. De baas heeft miljoenen.
      6. Frans en Ineke zijn grootouders.
      7. De caissière heeft drie klanten.
      8. De mannen zijn privédetectives.
      9. Ineke heeft vier kinderen.
      10. Deze jongens zijn neven.

    • 1. Het winkel heeft kleren
      2. Mijn moeder heeft twee oren
      3. We zijn zieken
      4. De vrouw hebben drie zonen
      5. Saskia and ik hebben fietsen
      6. De fiets heeft twee wielen.
      7. Mijn man heeft brillen
      8. Zij zijn docenten
      9. De schoenen zijn blauw
      10. Mijn man and ik hebben twee hondjes

    • 1. Ik heb drie honden
      2. Jij hebt twee boeken
      3. Ze hebben vijf katten
      4. We hebben twintig bloemen
      5. Wij zijn collega’s
      6. Jullie zijn werknemers.
      7. Theo en Lodewijk zijn paarden
      8. Het zijn honden
      9.De kinderen hebben fietsen.
      10. Anna en Karel hebben zes koeien

    • 1. Anna en Dirk zijn mijn buren.
      2. Bernard en Cornelis hebben kinderen.
      3. Eduard en ik zijn koks.
      4. Gerard en ik hebben katten.
      5. Hendrik en jij zijn docenten.
      6. Izaak en zij hebben auto’s.
      7. Lodewijk en ik zijn ingenieurs.
      8. Karel en ik hebben bloemen.
      9. Otto en Nico hebben bedrijven.
      10. Pieter en ik hebben eieren.

    • 1. Mijn oom heeft drie broeken.
      2. Ik heb twee bekers.
      3. Jia Rong en Zaibu zijn klasgenoten.
      4. Je opa heeft vissen.
      5. Mijn baas heeft kranten.
      6. De verkoper heeft klanten
      7. Je collega´s hebben hemden.
      8. Haar zus en ik zijn koks.
      9. Zijn broer heeft taarten.
      10. De kinderen hebben bloemen.

    • 1. Cornelis en Nico zijn vrienden
      2. De vrouwen hebben bloemen
      3. De kinderen hebben taarten
      4. Zij heeft baby’s
      5. De auto heeft vier wielen
      6. De leeuw heeft vier poten
      7. Eindhoven en Utrecht zijn grote steden.
      8. Ik heb kluisjes
      9. Je hebt drie zussen
      10. Ze hebben kaartjes

    • 1. Anna heeft schoenen.
      2. De docent heeft pennen.
      3. De moeder heeft kinderen.
      4. Karol en Theo zijn monteurs.
      5. Jan en Leo zijn vrienden.
      6. De bakker heeft broden.
      7. Vriendinnen hebben armbanden.
      8. De jongen heeft kaarten.
      9. Maria en Gerard zijn accountants.
      10. Een kat en een hond zijn dieren.

    • 1. Ik heb auto’s.
      2. Jullie zijn professoren.
      3. Wij hebben paraplu’s.
      4. Zij heeft glazen.
      5. De wetenschapper heeft prijzen.
      6. Kinderen hebben huizen.
      7. Ada en Veena zijn meisjes.
      8. Vriendinnen hebben drankjes.
      9. De koning heeft paleizen.
      10. De koningin heeft werknemers.

    • De fietser heeft een fiets
      2. Eduard en Ferdinand zijn buurmannen
      3. Sam is een passagier
      4. Stefan en Thomas zijn collega’s
      5. De oma heeft vier kinderen
      6. De opa heeft drie kleinkinderen
      7. De verkoper heeft vier auto’s
      8. De buurman heeft twee buurmannen
      9. Een contactpersoon is een medewerker
      10. De cursist is mens

    • 1. Anna heeft drie boeken.
      2. Oliwia heeft twee fietsen.
      3. De winkel heeft veel kleren.
      4. De man heeft een auto.
      5. De vrouw heeft vier kopjes.
      6. Maria en Francois hebben twee kinderen.
      7. De buren hebben een hond.
      8. Philippe en Maurice hebben twee fietsen.
      9. Wij hebben twee boeken.
      10. De schoenen hebben veters.

    • 1. Het bedrijf heeft werknemers
      2. Zij hebben pizza’s.
      3. Joe heeft drie fietsen.
      4. Hij heeft tien afspraken.
      5. Susan heeft vijf kinderen.
      6. Zij zijn dieren.
      7. Jullie hebben koeien.
      8. De oma heeft twee vogels.
      9. De buurvrouw heeft tien katten.
      10. Hij heeft auto’s

    • 1. Ik heb twee tafels.
      2. Ik heb boeken.
      3. Jij hebt kinderen.
      4. Mark en Jullia hebben kinderen.
      5. De winkel heeft kiwis.
      6. Hij heeft twee appels.
      7. Zij hebben auto’s.
      8. Wij hebben vier dieren.
      9. Jullie hebben vrienden.
      10. hij en zij zijn vrienden.

    • 1. Wij hebben nieuwe auto’s

      2. De jongelui hebben drie baby’s

      3. Jullie hebben vandaag lessen

      4. De mevrouw heeft slechte buren

      5. Lisbeth en Dayo zijn kinderen

      6. De tweeling heeft drie kaartjes

      7. Maurice en Phillipe hebben veel studenten

      8. Zij hebben chocolaatjes

      9. Jing en Divo zijn mijn beste vrienden

      10. De weduwe en ik hebben plaatjes

    • 1. Maria en Peter zijn studenten.
      2. Anna en Tom zijn vrienden.
      3. Mijn broer en ik hebben kinderen.
      4. Jij en Lisa zijn collega’s.
      5. De kinderen hebben veel ballen.
      6. Wij zijn paarden.
      7. Hij en zijn vader zijn dokters.
      8. Zij en haar vriendin zijn appels.
      9. Jullie zijn katten.
      10. De mannen kennen honden.

    • 1. Maria en Selvi zijn vrienden.
      2. Ik en mijn broer zijn studenten.
      3. Kiran en Lisa zijn collega’s.
      4. k en mijn vriend hebben auto’s.
      5. Anna en ik hebben paraplu’s.
      6. De kinderen hebben boeken.
      7. Ik en Brandon zijn docenten.
      8. De kinderen hebben foto’s.
      9. Brandon and ik zijn een stel.
      10. Lisa en Anna hebben bedrijven.

    • 1.Mijn broer en mijn zus zijn studenten
      2. De kinderen hebben speelgoed
      3. Jij bent twee broers
      4. Het huis hebben vijf mensen
      5. Zij zijn docentes
      6. De kat heeft vier poten
      7.Het meisjes hebben kinderen
      8.De buurman heeft kats
      9. De keukens heeft drie tafels
      10. Doğa en Ik hebben boeken

    • 1. Wij zijn studenten
      2. Nico and Maria hebben de Auto’s
      3. Zij Zijn kinderen
      4. Anna en ik zijn vrienden
      5. Ik heb twee pennen.
      6. Je en ik hebben fietsen.
      7. Ik heb mobieltjes
      8. Anna en maria hebben de tassen
      9. Hij heeft boeken
      10. Je en ik habben huiswerk

    • 1. Ik heb auto’s.
      2. Jullie zijn professoren.
      3. Wij hebben paraplu’s.
      4. Zij heeft glazen.
      5. De wetenschapper heeft prijzen.
      6. Kinderen hebben huizen.
      7. Ada en Veena zijn meisjes.
      8. Vriendinnen hebben drankjes.
      9. De koning heeft paleizen.
      10. De koningin heeft werknemers.

    • 1. Sara heeft tien katten
      2. Bernard en Anna hebben twee auto’s
      3. De dokter heeft drie patienten
      4. Honden en kippen zijn dieren
      5. De boer heeft vijftig eieren
      6. Wij zijn studenten
      7. Jullie hebben drie slaapkamers
      8. Ik heb twee boeken
      9. Ingenieurs zijn deskundigen
      10. Sara en Tobias zijn vrienden

    • 1. Mark en ik hebben dieren
      2. Mijn broer en mijn zus zijn vrienden.
      3. De jongens hebben honden.
      4. De vaders hebben zonnen.
      5. Ik heb zes zussen.
      6. Hij heeft acht winkels.
      7. Jij en jouw dochter zijn studenten.
      8. Zij heeft vier koeien.
      9. De mannen zijn vriendens.
      10. Ik heb vijftien olifanten.

    • 1. Jullie zijn vrienden
      2. Wij hebben twee fietsen
      3. Jullie zijn tandartsen
      4. De auto heft vier baden
      5. Zij hebben twee kinderen
      6. Het huis heeft deuren
      7. De jongens zijn groot
      8. De huizen zijn mooi
      9. Anna en Maria hebben drie honden
      10. Zij heeft twee benen

    • 1. Wij zijn vrienden.
      2. Zij hebben vier kranten.
      3. De mannen zijn politie.
      4. Het bed heeft vijf kussens.
      5. De stoelen zijn kapot.
      6. Jan heeft drie benen.
      7. Wij hebben negen planten.
      8. Dat zijn yogurts.
      9. Zij hebben drieendertig tassen.
      10. Dat zijn twee bureaus.

    • Ik heb twee glazen
      Jij leest drie boeken
      Hij ziet vijf tafels
      wij schrijven vier notitieboeken
      ik vraag zes vragen
      Zij eet zeven pizza’s
      Het heeft vier benen
      Tolunay en Aytun zijn Turks
      Het huis heeft acht ramen
      Jullie hebben tien katten

  • Load More Posts