-
Maak 10 zinnen volgens recept B👍
Voorbeeld: Maria en Peter zijn studenten.
Please post your answers below:139 Comments-
1. De kat heeft twee oren.
2. Het huis heeft ramen.
3. Anna heeft drie kinderen.
4. Mijn buren hebben huisdieren.
5. Eduard heeft twee schoenen.
6. Theo en Ferdinand zijn advocaten.
7. Hendrik en Nico zijn vrienden.
8. Het kind heeft speelgoederen.
9. Jan heeft boeken.
10. De studenten hebben huiswerk. -
1. Isabel heeft auto’s.
2. Mijn broer heeft twee katten en een hond.
3. Lisa en Anna zijn moeders.
4. Dirk en Simon hebben fietsen.
5. Al mijn vrienden hebben kinderen.
6. Mijn broer en zus zijn leraren.
7. Jij hebt twee winkels.
8. Zij hebben twee paarden.
9. Karel is vijf jaar oud.
10. Ik ben in twee groepen. -
1. Anna en Elisa hebben katten.
2. De kopers hebben geld.
3. Niek en Antoon zijn broers.
4. De oma heeft de snoepjes.
5. De politieagenten hebben paarden.
6. Michiel en Donna zijn vrienden.
7. De studenten hebben ideeën.
8. De jongens hebben huisdieren.
9. Het bedrijf heeft medewerkers.
10. De kinderen zijn zussen. -
1. Jasmijn en ik hebben plannen voor het weekend.
2. Moeder en vader hebben twee kinderen.
3. Rudolph en zijn medewerkers zijn hier.
4. Floor en jij hebben twee katten en een hond.
5. De meisjes hebben cursussen.
6. Oma’s hebben tassen.
7. Emma en haar vriendinnen zijn thuis.
8. Mensen hebben gevoelens.
9. Kinderen zijn vrienden.
10. Leraren h…Read More -
1. Mijn buren hebben drie katten
2. Maria en Anna zijn vriendinnen
3. Een huisarts heeft kinderen
4. Anna heeft twee auto’s
5. Mijn vrienden zijn studenten
6. Postboden hebben fietsen
7. Een leidinggevende heeft twee pennen en drie boeken
8. Karel en Jan zijn leraren
9. Mijn zus heeft tien jurken
10. Mijn broer heeft twee huizen -
1. Mijn vader en moeder hebben twee kinderen.
2. De jongens hebben drie fietsen.
3. De studenten hebben pennen.
4. De vissen zijn dieren.
5. Maria en Liza zijn vrouwen.
6. De schoenen hebben schoenveters.
7. Mark en ik zijn vrienden.
8. Jacob en Roze hebben twee auto’s.
9. De paarden hebben staarten.
10. Rotterdam en Amsterdam zijn steden. -
1. De jongens hebben twee auto’s.
2. De man heeft veel kranten.
3. De kinderen zijn studenten.
4. De fiets heeft twee wielen.
5. Het meisje heeft twee katten.
6. Het bedrijf heeft veel ingenieurs.
7. De vrouw heeft twee huizen.
8. De leraar heeft veel studenten.
9. De tafel heeft vier poten.
10. Het team heeft veel managers. -
1. Volwassenen hebben veel dingen
2. Ober heeft een paar borden
3. De tafels zijn meubels
4. De paarden zijn dieren
5. Docent heeft studenten
6. Grootouders hebben kinderen en kleinkinderen
7. De bakker heeft broden
8. We zijn allemaal mensen
9. Haar moeder heeft twee dochters
10. De ondernemer heeft twee telefoons -
1. Cornelis en jij zijn architecten
2. Otto en Simon hebben paspoorten
3. Lodewijk en Rudolf zijn koks
4. Juan en Ik hebben televisies
5. De toeristen hebben camera’s
6. De vrienden zijn muzikanten
7. Xantippe en Gerard hebben telefoons
8. De meisjes zijn danseressen
9. Jan en Pieter hebben kaarten
10. Anna en Bernard zijn verpleegkundigen -
1. Maria en Julia zijn vrienden.
2. De vrouwen hebben kinderen.
3. De kamers hebben de mannen.
4. De stoelen hebben vier poten.
5. De winkels hebben de beds.
6. De vader heeft zes kinderen.
7. De opa heeft veel buurmans
8. Het bedrijf heeft werknemers.
9. Het lichaam heeft twee arms.
10. De katten zijn dieren. -
1. De jongens hebben fietsen
2.Het meisje heeft mooi jurken
3. De vrouw heeft mooi jassen
4. De man heeft twee auto’s
5. Het kind heeft veel speelgoed
6. Mijn ouders hebben twee huizen
7. Julia heeft vier planten
8. Jansen heeft twee stoelen
9. Pieter heeft de waterflessen
10. Maria heeft mooi tassen -
1. Auto heeft wielen
2. Fruittuin heeft vruchten
3. Zij hebben pennen
4. In Nederland, ingenieur en docent zijn grootste beroepen
5. Paardenstal hebben vijf paarden
6. Rudolf en Maria hebben drie honden
7. Het boek heeft tien lessen
8. Ze zijn arbeiders
9. De Nederland hebben zevenentachtig snelwegen
10. Het gebouw heeft zes vloeren -
1. Morpheus heeft de pillen.
2. De buren hebben auto’s.
3. De ingenieurs hebben de pennen.
4. Tom en Jerry zijn geen vrienden.
5. Naruto heeft de boeken.
6. De familie heeft twee broers.
7. De kinderen hebben de broodjes.
8. De man heeft de aardappelen.
9. De broers zijn collega’s.
10. De verkoper heeft de huizen. -
1. Bernard en Hendrik zijn collega’s
2. Phillipe en Maurice zijn leraren
3. Jij en ik zijn vrienden
4. Paul en Kim hebben een kind
5. Maria en ik hebben geen auto
6. Hij en zij zijn ziek
7. Loes en Simon hebben en aafspraak
8. Maria en mike zijn zussen
9. Peter en Tom zijn broers
10. Hij en zij zijn mijn ouders -
1. Anton en Anna zijn collega’s.
2. De hond heeft vier benen.
3. De mensen hebben tien vingers.
4. De kinderen zijn vrolijk.
5. De werkgevers hebben werknemers.
6. De klanten hebben producten.
7. De fabrieken hebben arbeiders.
8. De kinderen hebben paraplu’s.
9. De gebouwen hebben bewoners
10. De jongens hebben ouders. -
1. Niranjan en Christian zijn mijn vrienden.
2. Peter heeft drie honden.
3. Pizza en bitterballen zijn zij favorieten.
4. Hij heeft wit en rode penen.
5. Xaden heeft oma’s auto.
6. Zij zijn werknemers bij ASML.
7. Rhysand heeft veel stripboeken.
8. Ik lees vier boeken op dinsdag.
9. Zij leest vier kranten alle daags.
10. Zij hebben drie paraplu’s. -
1. Bram en Dirk zijn advocaten.
2. De vrouwen hebben tassen.
3. De mannen hebben computers.
4. De honden hebben speelgoed.
5. De katten zijn dieren.
6. Maria en Anna zijn huisarts.
7. De kinderen hebben boeken.
8. Simon en Niels zijn broers.
9. Mark en Lewis zijn buren.
10. Anna en Maria hebben testen. -
1. Bani is mijn konijn.
2. Filip heeft een halsketting.
3. Draken zijn eng.
4. Koeien zijn dieren.
5. Paula is mijn zus.
6. Philippe en Maurice hebben studenten.
7. Antonia en ik hebben planten.
8. Pieter is slaperig.
9. Het raam is mooi.
10. Mijn collega’s hebben huiswerk. -
1. De man heeft pennen.
2. De jongens zijn studenten.
3. Het bedrijf heeft medewerkers.
4. De chefs zijn deskundigen.
5. De collega’s hebben werk.
6. De vrouwen zijn moeders.
7. De docenten hebben cursussen.
8. De receptionist heeft afspraken.
9. Eindhoven en Tilburg zijn steden.
10. Philippe en Maurice zijn leraren. -
1. Jupiter en Venus zijn planeten.
2. Nuenen en Geldrop zijn dorpen.
3. De timmerman heeft gereedschap.
4. Harry en Ron zijn vrienden.
5. Het meisje heeft pennen.
6. Wij zijn studenten.
7. Robert heeft appels.
8. Eindhoven en Rotterdam zijn steden.
9. De student heeft boeken.
10. De vader heeft honden. -
1. Peter en ik zijn vrienden.
2. De man heeft drie boeken.
3. Het meisje heeft twee paarden.
4. Franky heeft vier auto´s.
5. De jongens hebben cadeaus.
6. Saskia en Anna hebben hobby’s.
7. De bakkers hebben twee tafels.
8. Joanna heeft eieren.
9. Mijn zoon heeft twee zwarte tassen.
10. Peter en zij zijn collega´s. -
1. Corné en Lin zijn ingenieurs.
2. Isaak en Nico hebben kinderen.
3. Het huis heeft 3 kamers.
4. Victor en Ik zijn collega’s.
5. Jij hebt mango’s.
6. Pieter en Willem zijn studenten.
7. De studenten hebben pennen.
8. Amsterdam en Eindhoven zijn steden.
9. De school heeft studenten.
10. Zij hebben auto’s. -
1. Tymo en Yannick zijn broers.
2. Marja heeft drie kinderen.
3. Henk en Philippe hebben twee computers.
4. De kinderen zijn vrienden.
5. Helene heeft drie paraplu’s.
6. De student heeft boeken.
7. Dirk en Xantippe zijn ouders van twee dochters.
8. De oma heeft vier katten.
9. Anna en ik hebben twee huizen.
10. Mijn vrienden zijn kunstenaars. -
1. De docent heeft twee boeken
2. Mijn vrienden heeft twee huisdieren
3. Zij hebben vier honden
4. Anton en Simon heeft twee huizen
5. Hendrik en Willem zijn vrienden
6. Isaak en Nico zijn ouders
7. Dirk heeft vijf fietsen
8. Collen en Wout zijn collega’s
9. Anna heeft drie dochters
10. Maria heeft drie kinderen -
1. Het meisje heeft drie honden.
2, De man heeft twee auto’s.
3. Jan en ik hebben vijf paarden.
4. De kinderen hebben speelgoed.
5. Jesse en Maria hebben vier kinderen.
6. Zij heeft pennen.
7. Je hebt twee huizen.
8. De leerlingen hebben boeken.
9. Wij hebben zwarte auto’s.
10. Eva en Sam hebben vorken en lepels. -
De kinderen hebben nieuwe schoenen.
De leraren zijn erg vriendelijk.
De studenten hebben laptops.
De dokters zijn druk vandaag.
De ouders hebben drie kinderen.
De buren zijn op vakantie.
De vrienden hebben fietsen.
De vrouwen zijn blij met hun cadeaus.
De jongens hebben ballen.
De mannen zijn sterke arbeiders.
-
1. Een vrouw heeft kaartjes.
2. Kinderen zijn vrienden.
3. Ouders hebben kinderen en problemen.
4. Collega’s hebben auto’s.
5. Een buurvrouw heeft katten.
6. Medewerkers zijn mensen.
7. Een huisarts heeft medicijnen.
8. Sam en Alex zijn passagiers.
9. Kopers zijn klanten.
10. Studenten hebben toetsen. -
1. De vrouw heeft de bloemen
2. Eduard heeft de fietsen
3. Anna en Maurice hebben 3 keukens
4. Martijn en Maria zijn studenten
5. Mijn manager heeft de vakanties
6.Anna en ik hebben de boeken
7.Juliana en Bram zijn getrouwden
8.De buren hebben de auto’s
9.Daan heeft de kinderen
10. De man heeft paarden -
1- Het meisje heeft twee fietsen.
2- De jongen heeft pennen.
3- Pieter en Willem zijn broers.
4- De opa en de oma hebben kleinkinderen.
5- De huisarts heeft patiënten.
6- De ouders hebben twee slapkamers.
7- De moeder heeft drie kinderen.
8- De vrouwen hebben mannen.
9- De baby heeft tanden.
10- De vader heeft vijf zussen. -
1. De man heeft kinderen.
2. De vrouw heeft huisdieren.
3. Anton and Maria zijn tweelingen.
4. Julian and Rafael zijn broers.
5. Vincent heeft vrienden.
6. De mensen zijn artsen.
7. De meisjes hebben schaatsen.
8. De kinderen hebben dromen.
9. Vincent and Leon zijn studenten.
10. De jongen heeft fietsen. -
1. De jongen heeft katten
2. Het meisje heeft honden
3. De vader heeft twee auto’s
4. Saskia en Maria zijn vrienden
5. De werknemers hebben fietsen
6. De studenten hebben boeken
7. Het kind heeft drie eieren
8. De man heeft twee kamers
9. De mensen hebben handen en benen
10. Jan en Willem zijn broers -
1 – Het meisje heeft twee fietsen
2- De jongen heeft drie katten
3- De man heeft appels en peren
4- Sander heeft bomen
5- Saskia heeft vier namen
6- Anna en Maria zijn verpleegsters
7- Ans en Els zijn zussen
8- De ouders hebben vijf kinderen
9- Falke en Michelle zijn grootouders
10- Marcel heeft twee auto’s -
1. Anna en Zaandam hebben twee kinderen.
2. Kinderen zijn blij.
3. Leraren hebben boeken.
4. De jongens en meisjses spelen met de katten.
5. Kinderen hebben speelgoed.
6. De meisjes spelen met honden.
7. De man en de vrouw hebben vier kinderen.
8. Ouders zijn volwassenen.
9. Emma en Maria zijn zussen.
10. Mijn broer en zus zijn kinderen. -
1. Soheil en ik hebben drie boeken.
2. De boeken zijn op de tafel.
3. Maria heeft twee auto’s.
4. De auto’s hebben twee deuren en vier wielen.
5. Anna en Peter hebben drie huizen.
6. De huizen hebben ramen.
7. U heeft een kind.
8. Soheil en ik hebben geen kinderen.
9. De man heeft blauwe ogen.
10. Kinderen hebben ouders. -
1. De man heeft drie katten.
2. Het kind heeft de boeken.
3. Milan en Joey zijn studenten.
4. De buurman heeft pizza’s.
5. Het meisje heeft twee fietsen.
6. De vrouw heeft vijf jassen.
7. Mijn ouders hebben zeven huizen.
8. Evi en Lili zijn baby’s.
9. De huisartsen zijn collega’s.
10. De jongen heeft elf lessen. -
1. Het gezin heeft drie kinderen.
2. De ouders hebben geen kinderen.
3. De jongens zijn zonen.
4. De meisjes zijn dochters.
5. De opa en oma hebben drie tuinen.
6. De vaders zijn leraren.
7. De moeders zijn bankiers.
8. De kinderen zijn studenten.
9. De vrouw heeft twee honden.
10. De mannen zijn obers. -
1. Het huis heeft een tuin.
2. Het bedrijf heeft tien werknemers.
3. De patiënt heeft een operatie.
4. Andy en Peter hebben een vergadering.
5. De buurman heeft twee katten.
6. De auto heeft vier wielen.
7. De docent heeft elf studenten.
8. Het ziekenhuis heeft drie parkeerplaatsen.
9. Cindy en Anna zijn vrienden.
10. Mijn ouders hebben twee kinderen. -
1. De buren hebben auto’s.
2. De toeristen zijn Amerikanen.
3. De agenten hebben wapens.
4. De patienten hebben afspraken.
5. De kinderen hebben honger.
6. De klanten hebben tassen.
7. De broers zijn bakkers.
8. De passagiers hebben tickets.
9. De dokters hebben instrumenten.
10. De zonen hebben telefoons. -
1. De buren hebben auto’s.
2. De toeristen zijn Nederlands.
3. De patientenhebben wapens.
4. De agenten hebben afspraken.
5. De kinderen hebben honger.
6. De broers zijn collega’s.
7. De klanten hebben tassen.
8. De passagiers hebben tickets.
9. De dokters hebben auto’s.
10. Dirk en Anna zijn baby’s. -
1. Wij hebben twee huizen.
2. Zij heeft auto’s.
3. Mijn moeder heeft drie kinderen.
4. Jij hebt twee boeken.
5. Mijn appartement heeft twee slaapkamers.
6. Ayesha en Fatima zijn beste vrienden.
7. Hij heeft acht tomaten.
8. Ik heb drie tafels.
9. Het meisje heeft twee katten.
10. Ahmed en Abdullah zijn baby’s. -
1. Christina en Maria zijn vrienden.
2. Het kind heeft twee fietsen.
3. Mijn familie heeft drie auto’s
4. George en Ermis hebben boeken.
5. De man heeft auto’s.
6. De vrouw heeft tassen.
7. De dochter heeft dieren.
8. Het meisje heeft pennen.
9. De kinderen zijn Grieken.
10. Mijn ouders zijn dokters. -
1. De baas heeft de informatie.
2. De winkelier heeft de sleutels.
3. De inbreker heeft geluk.
4. De dief en de rechter zijn vrienden.
5. De moordenaar heeft griep.
6. De patient is bleek.
7. De tandarts heeft de röntgenfoto.
8. De boer en de boerin hebben een boerderij.
9. De gepensioneerde is opgewonden.
10. De kleuterleidster heeft het speelgoed. -
1. Zij zijn mannen.
2. Sofia en Maria zijn ingenieurs.
3. Wij hebben prachtige boeken.
4. Hij heeft twee honden en vier katten.
5. Honden en katten hebben grote huizen.
6. De mannen hebben kinderwagens.
7. De carnaval meisjes hebben twee armbanden.
8. Katja en mijn broer hebben twee banen.
9. Mijn vriend en ik hebben twee glazen wijn.
10. Zijn…Read More -
1. Ik heb twee auto’s.
2. Zij heeft drie dochters.
3. Julie hebben huizen.
4. Hij heeft vijf honden.
5. Mijn moeder heeft twee zussen.
6. Hij heeft veel diensten.
7. Amsterdam heeft zoveel mooie musea.
8. Mijn kat heeft twee krabpalen.
9. Ellen en Jan hebben vier jongens
10. Mijn ouders hebben zes kinderen. -
1. Deena en Emma zijn katten
2. De kinderen hebben een speelplaats
3. Mijn broers zijn studenteren
4. Mary en Ineke hebben drie kinderen
5. We hebben een taart en wijn
6. De winkels hebben broodvorm
7. Eindhoven heeft goede bowlingkegels
8. Mijn katten hebben vier ballen
9. Mijn huis heeben drie dueren
10. Mijn katten hebben kattenkruid -
1. Mijn broer heeft boeken.
2. De kassier heeft fietsen.
3. De vrouwen hebben kinderen.
4. Wij zijn studenten.
5. De oma heeft tweelingen.
6. Mijn moeder heeft twee katten.
7. Julie en Jan hebben kaartjes.
8. De leraar heeft veel cursussen.
9. Mark en Anna zijn vrienden.
10. Suzan en Julia zijn zussen. -
1. Ik heb twee boeken.
2. Joel en Maria hebben drie kinderen.
3. Ik heb twee auto’s.
4. Zij heeft vijf armbanden.
5. Ik heb drie broers en twee zussen.
6. Mijn moeder heeft vijf kinderen.
7. Ik heb drie kopjes koffie.
8.Zij heeft de brieven.
9. Johny heeft de accu’s.
10. Susan en Maria zijn meisjes. -
1.Mehtap en Oguzhan zijn engineers
2.Istanbul en Eindhoven zijn steden
3.De kinderen hebben telefoons
4.Het telefoonnummer heeft tien cijfers in Nederland
5.Honden hebben twee ogen
6.De studenten hebben boeken
7.De vrouwen zijn moeders
8.Het huis heeft drie kamers
9.Ik heb twee kaartjes
10.De boom heeft appels -
1. Tijn heeft twee computers.
2. De studenten zijn Eindhovenaren!
3. Francien en René hebben veel honden.
4. Tijn en Dirk zijn broers.
5. De baas heeft miljoenen.
6. Frans en Ineke zijn grootouders.
7. De caissière heeft drie klanten.
8. De mannen zijn privédetectives.
9. Ineke heeft vier kinderen.
10. Deze jongens zijn neven. -
1. Anna en Dirk zijn mijn buren.
2. Bernard en Cornelis hebben kinderen.
3. Eduard en ik zijn koks.
4. Gerard en ik hebben katten.
5. Hendrik en jij zijn docenten.
6. Izaak en zij hebben auto’s.
7. Lodewijk en ik zijn ingenieurs.
8. Karel en ik hebben bloemen.
9. Otto en Nico hebben bedrijven.
10. Pieter en ik hebben eieren. -
1. Anna heeft schoenen.
2. De docent heeft pennen.
3. De moeder heeft kinderen.
4. Karol en Theo zijn monteurs.
5. Jan en Leo zijn vrienden.
6. De bakker heeft broden.
7. Vriendinnen hebben armbanden.
8. De jongen heeft kaarten.
9. Maria en Gerard zijn accountants.
10. Een kat en een hond zijn dieren. -
De fietser heeft een fiets
2. Eduard en Ferdinand zijn buurmannen
3. Sam is een passagier
4. Stefan en Thomas zijn collega’s
5. De oma heeft vier kinderen
6. De opa heeft drie kleinkinderen
7. De verkoper heeft vier auto’s
8. De buurman heeft twee buurmannen
9. Een contactpersoon is een medewerker
10. De cursist is mens -
1. Anna heeft drie boeken.
2. Oliwia heeft twee fietsen.
3. De winkel heeft veel kleren.
4. De man heeft een auto.
5. De vrouw heeft vier kopjes.
6. Maria en Francois hebben twee kinderen.
7. De buren hebben een hond.
8. Philippe en Maurice hebben twee fietsen.
9. Wij hebben twee boeken.
10. De schoenen hebben veters. -
1. Wij hebben nieuwe auto’s
2. De jongelui hebben drie baby’s
3. Jullie hebben vandaag lessen
4. De mevrouw heeft slechte buren
5. Lisbeth en Dayo zijn kinderen
6. De tweeling heeft drie kaartjes
7. Maurice en Phillipe hebben veel studenten
8. Zij hebben chocolaatjes
9. Jing en Divo zijn mijn beste vrienden
10. De weduwe en ik hebben plaatjes
-
1. Maria en Peter zijn studenten.
2. Anna en Tom zijn vrienden.
3. Mijn broer en ik hebben kinderen.
4. Jij en Lisa zijn collega’s.
5. De kinderen hebben veel ballen.
6. Wij zijn paarden.
7. Hij en zijn vader zijn dokters.
8. Zij en haar vriendin zijn appels.
9. Jullie zijn katten.
10. De mannen kennen honden. -
1. Maria en Selvi zijn vrienden.
2. Ik en mijn broer zijn studenten.
3. Kiran en Lisa zijn collega’s.
4. k en mijn vriend hebben auto’s.
5. Anna en ik hebben paraplu’s.
6. De kinderen hebben boeken.
7. Ik en Brandon zijn docenten.
8. De kinderen hebben foto’s.
9. Brandon and ik zijn een stel.
10. Lisa en Anna hebben bedrijven. -
1. Sara heeft tien katten
2. Bernard en Anna hebben twee auto’s
3. De dokter heeft drie patienten
4. Honden en kippen zijn dieren
5. De boer heeft vijftig eieren
6. Wij zijn studenten
7. Jullie hebben drie slaapkamers
8. Ik heb twee boeken
9. Ingenieurs zijn deskundigen
10. Sara en Tobias zijn vrienden
- Load More Posts

2. Zij zoeken de boeken.
4. ik
8. ik