Dutch Course Eindhoven A1 Homework Answers Group

  • Public Group
  • 22 hours, 7 minutes ago
  • 105

    Posts

  • 183

    Members

  • Maak 10 zinnen volgens recept A👍
    Voorbeeld: Wij zijn studenten.
    Please post your answers below:

    139 Comments
    • 2. leest
      3. kijkt
      7. hebben

    • 1. ik heb een man.
      2. Jullie hebben een konijn.
      3. Hij heeft een leukke laptop.
      4. ik heb een schoonmoeder.
      5. Zij heeft mooi haar.
      6. Zij heeft een groote keuken.
      7. Ik heb een kleine koelkast.
      8. We hebben het water.
      9. Reinier en ik hebben geen kinderen.
      10. Jij hebt ouders.

    • 1. Ik heb een boek.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij is een zanger.
      4. Hij heeft mooie auto.
      5. Wij hebben twee kinderen.
      6. Zij zijn politieagenten.
      7. U bent een getalenteerd kok.
      8. Jullie hebben fietsen.
      9. Zij heeft een kat.
      10. Wij zijn collega’s.

    • 1. Ik heb honden
      2. Jij hebt de pen
      3. Jullie zijn kinderen
      4. Wij zijn dochters
      5. Wij hebben fietsen
      6. Het is een fiets
      7. Hij is een man
      8. Hij heeft de tas
      9. Zij heeft het huis
      10. Wij hebben huizen

    • 1. Ik heb twee katten.
      2. Zij is een docent.
      3. Wij zijn studenten.
      4. Hij heeft een zoon en een dochter.
      5. Zij hebben twee kinderen.
      6. Hij is mijn vriend.
      7. Wij hebben een auto.
      8. U hebt een telefoon.
      9. Je bent huisarts.
      10. Ik ben aan het tennissen.

    • 1. We zijn een stel.
      2. Jullie zijn werknemers.
      3. Ik heb de boeken.
      4. Zij hebben paarden.
      5. Hij is de echtgenoot.
      6. Wij hebben katten.
      7. Zij heeft geld.
      8. Hij is een egel.
      9. Jij hebt een afspraak.
      10. Wij zijn medewerkers.

    • 1. Ik heb een kat.
      2. Ik ben student.
      3. Zij heeft een huisdier.
      4. Hij is mijn werkgever.
      5. Jij hebt een kind.
      6. Jullie zijn laat.
      7. Wij hebben een zoon.
      8. Zij zijn docentent.
      9. Jullie hebben een hond.
      10. Jij hebt twee auto’s.

    • 1. Hij is docent
      2. Zij heeft een boek
      3. Wij hebben een klant
      4. Hij is een man
      5. Ik heb een fiets
      6. Zij is een vriendin
      7. Jij bent een manager
      8. Zij is een huisdier
      9. Hij heeft een baas
      10. Jullie hebben een auto

    • 1. Ik heb een fiets.
      2. Je bent docent.
      3. Hij heeft drie kinderen.
      4. Zij is vriendelijk.
      5. Het heeft vier poten.
      6. Wij zijn drie zussen.
      7. Jullie hebben een huis.
      8. Zij zijn thuis.
      9. Zij heeft acht tassen.
      10. Het is tien uur eenendertig.

    • 1. Hij is docent
      2. Zij heeft een boek
      3. Wij hebben een klant
      4. Hij is een man
      5. Ik heb een fiets
      6. Zij is een vriendin
      7. Jij bent een manager
      8. Zij is een huisdier
      9. Hij heeft een baas
      10. Jullie hebben een auto

    • 1. Ik ben een docent
      2. Jij hebt twee computers
      3. U bent een manager
      4. Zij heeft een kat.
      5. Hij heeft drie zussen.
      6. Het heeft twee oren.
      7. Wij zijn vriendinnen.
      8. Jullie hebben kinderen.
      9. Zij zijn ingenieurs.
      10. Zij hebben huisdieren.

    • 1. Jij hebt een zoon
      2. Wij zijn ouders
      3. Ik ben een vrouw
      4. Het is een konijn
      5. Zijn hebben twee kinderen
      6. U hebt een afspraak
      7. Ik heb een nieuwe tafel
      8. Zij is mijn vriendin
      9. Hij is een vader
      10. Zij heeft een fiets

    • 1. Zij heeft een kat
      2. Wij zijn studenten
      3. Hij is docent
      4. Jullie zijn kinderen
      5. U hebt een hond
      6. Ik heb een huisdier
      7. Jij hebt een kind
      8. Zij zijn buren
      9. Ik heb een huisarts
      10. Zij hebben een leraar

    • 1. Hij heeft een uil.
      2. Zij zijn mensen.
      3. We zijn huisartsen.
      4. Ik heb een kind.
      5. Zij is student.
      6. We hebben buurmannen.
      7. Jij bent leraar.
      8. U heeft een medewerker.
      9. Ik ben mens.
      10. Zij heeft een konijn.

    • 1. Ik heb een kat.
      2. Jij bent een meisje.
      3. Wij hebben een hond.
      4. Hij heeft een moeder.
      5. Zij hebben een kind.
      6. Wij hebben een jongen.
      7. Ik heb een naam.
      8. Jullie zijn jongens.
      9. Zij Zijn buren.
      10. Ik heb een zoon.

    • 1. Ik ben bioloog.
      2. Hij is vet.
      3. Wij hebben een huis.
      4. Jullie zijn studenten.
      5. Zij zijn vrouwen.
      6. Markus heeft een fiets.
      7. Het huis heeft een tuin.
      8. De kat heeft de staart.
      9. Jullie hebben zes boeken.
      10. Wij zijn huisartsen.

    • 1. Hij heeft een baas.
      2. Ik ben een student.
      3. Zij hebben kinderen.
      4. Jij hebt een kat.
      5. Zij heeft een auto.
      6. Jij bent een klant.
      7. Hij heeft een moeder.
      8. Zij hebben een zoon.
      9. Ik heb een boek.
      10. Jij hebt een pen.

    • 1. Ik heb een vriendin.
      2. Jij bent een man.
      3. Jullie hebben een huis.
      4. Zij zijn mannen.
      5. Hij is een vader.
      6. We hebben kinderen.
      7. Zij heeft een motorfiets.
      8. Ik heb zussen.
      9. Jullie zijn kinderen.
      10. U heeft een hond.

    • 1.Ik heb een tas.
      2. Wij zijn studenten.
      3. İk ben een man.
      4. Hij heeft een pen.
      5. Je hebt glazen.
      6. U bent een vrouw.
      7. Ik heb twee boeken.
      8. Jullie zijn ingenieurs.
      9. Ze is een student.
      10. Je hebt een paard.

    • 1. Ik heb een pen.
      2. Zij is een lerares.
      3. Jij hebt een auto.
      4. Hij is een student.
      5. Anna heeft vijf kinderen.
      6. Jan is een man.
      7. Mijn buurman heeft een hond.
      8. Zij is arts.
      9. Jij hebt een fiets.
      10. Ik heb een huisarts.

    • 1. Ik ben softwarearchitect.
      2. Jij hebt twee auto’s.
      3. U bent een ingenieur.
      4. De fiets heeft twee wielen.
      5. Zij is een meisje.
      6. Ze heeft een huis.
      7. Het is een kat.
      8. Wij zijn studenten.
      9. Jullie hebben een krant.
      10. Zij hebben twee kinderen.

    • 1. Zij heeft een paard.
      2. We hebben een vakantiehuis.
      3. Jij bent een kind.
      4. Hij heeft kleinkinderen.
      5. Het is een schilderij.
      6. Anna heeft een auto.
      7. Jullie hebben fietsen.
      8. Hij heeft een broer.
      9. Zij is een oma.
      10. Jan is postbode.

    • Ik heb katten.
      Zij hebben vogels.
      Jullie zijn broers.
      Hij is een man.
      Wij hebben honden.
      Zij is een vrouw.
      Wij zijn neven.
      Jullie hebben schildpadden.
      Ik ben een kind.
      Zij hebben paarden.

    • 1. Zij is lerares
      2. Hij heeft een hond
      3. Ik ben ingenieur
      4. Jij hebt een auto
      5. Zij hebben een kind
      6. U bent een vrouw
      7. Wij hebben een telefoonnummer
      8. Ik heb een pannenkoek
      9. Het is een dier
      10. Ik heb de oefening

    • 1. Ik heb honger.
      2. Wij hebben een huis.
      3. Zij heeft een auto.
      4. Jullie hebben boeken.
      5. Zij is oud.
      6. Zij zijn vrienden.
      7. Zij heeft een camera.
      8. Hij is een jongen.
      9. Wij hebben honger.
      10. Jullie zijn studenten.

    • 1.Ik ben ziek
      2. Zij heeft een konijn
      3. Jullie hebben veel hobby’s
      4. Ze zijn mijn beste vrienden
      5. Ik heb maar een opa en twee oma’s
      6. Ik ben de hele week erg boos
      7. Hij is Nederlands
      8. Ze heeft dorst
      9. Het is makkelijk/moeilijk
      10. We zijn moe

    • 1. Ik ben een student
      2. Je hebt een auto
      3. Hij is een vriend
      4. Wij zijn thuis
      5. Zij heeft een kat
      6. Jullie zijn broers
      7. Zij hebben een fiets
      8. Zij heeft een boek
      9. Jij hebt werk
      10. Wij hebben een vraag

    • 1. Jij bent de vader.
      2. Jullie zijn werknemers.
      3. Ik ben getrouwd.
      4. Zij hebben een huis.
      5. Hij is een collega.
      6. Wij hebben het geld.
      7. Zij heeft een auto.
      8. Ik heb een kamer.
      9. Hij heeft een bus.
      10. Zij hebben dieren.

    • 1. Ik ben en maan.
      2. Jij hebt het bed.
      3.Hij heeft een vriendin.
      4.Zij is de moeder.
      5.Wij hebben honden.
      6. Jullie zijn werknemers.
      7.U bent een werkgever.
      8.Ze heeft een opa.
      9.Hij heeft een kind en een koe.
      10.Je bent een maan met een kind.

    • 1. Jullie hebben de kaartjes.
      2. Ik ben de leidinggevende.
      3. Hij heeft twee honden.
      4. Wij zijn familie.
      5. Jij bent ziek.
      6. Zij zijn laat voor de trein.
      7. De auto is snel.
      8. Ze is een huisarts.
      9. U bent mijn gast.
      10. Het kinderen hebben dorst.

    • 1. Hij heeft een boek.
      2. Jullie hebben honden.
      3. Ik heb een fiets.
      4. Het is een boom.
      5. Jullie zijn studenten.
      6. Ik heb het idee.
      7. Je bent docent.
      8. Zij is een student.
      9. Jullie hebben het antwoord.
      10. U hebt een idee.

    • 1. Wij zijn mensen
      2. Jullie hebben fietsen
      3. Ik ben een klaant
      4. Je hebt een huis
      5. Ik heb een boterham
      6. We hebben de kranten
      7. Hij heeft een hond
      8. Zij heeft een paard en een koe
      9. Jullie hebben kinderen
      10. Hij is de broer

    • 1. Ik ben een vrouw.
      2. Ik heb een hond.
      3. Jij hebt een broer.
      4. Hij is docent.
      5. Zij hebben kinderen.
      6. Wij zijn jongens.
      7. Wij hebben een kat.
      8. Zij heeft een paard.
      9. Ik heb een konijn.
      10. Hij heeft een vriendin.

    • 1.Ik ben een werknemer
      2.Rudolf is mijn baas
      3.We zijn werken bij ASML
      4.Het is een Nederlands bedrijf
      5.Rudolf en zijn vrouw hebben een zoon
      6.Hij zoon is 4 ans
      7.Ze zijn wonen samen in een huis
      8.Rudolf heeft een auto
      9.Ze zijn gelukkig
      10.Zijn vrouw is een lerares

    • 1. Zij is mijn vriendin.
      2. Zij zijn fotografen.
      3. Ik heb een vogel.
      4. Hij is mijn opa.
      5. Het is een hond.
      6. U bent mijn tandarts.
      7. Wij hebben de muis.
      8. Jullie hebben een leraar.
      9. Jij hebt een draak.
      10. Wij zijn buren.

    • 1. Ze zijn studenten
      2. U bent leraar
      3. Wij hebben een les
      4. Hij is werkloos.
      5. Zij heeft een kind
      6. Jij hebt een fiets
      7. Jullie hebben maandag geen les
      8. Je hebt een afspraak
      9. U heeft een computer
      10. Ik heb werk.

    • 1. Ik heb een sinaasappel.
      2. Jij bent moe.
      3. Hij is een zakenman.
      4. Zij is een actrice.
      5. Het is een olifant.
      6. Wij zijn werknemers.
      7. Zij hebben een bedrijf.
      8. Zij heeft een boekhandel.
      9. Wij zijn buitenlanders.
      10. Hij is een gast.

    • 1. Het is een tafel
      2. Zij zijn mijn opa en oma
      3. Ik heb en kat een twee houden
      4. Hij heeft het boek
      5. Zij is en meisje
      6. Jij hebt twee huis
      7. Wij hebben twee kinderen
      8. Jullie zijn vrienden
      9. Ik heb en laptop
      10. Zij huisnummer is drieëntwintig

    • 1. Ik heb een huis.
      2. Ik ben een psycholoog.
      3. Zij heeft een vriend.
      4. Jij hebt een computer.
      5. Jullie zijn medewerkers.
      6. Hij heeft een dochter.
      7. Jullie hebben een chocoladetaart.
      8. Zij heeft kers.
      9. Jij bent een vader.
      10. Zij zijn advocaten.

    • 1.Hij is een student.
      
2.Zij is mijn dochter.
      
3.Ik heb twee konijnen.

      4.Jij hebt een groot huis.

      5.Het is een vogel.

      6.Jullie hebben schoenen.

      7.Ik ben universitair docent.
      
8.Wij hebben huiswerk.
      
9.Hij heeft een gitaar.
      
10.Jij bent mijn vriend.

    • 1. Ik heb twee zussen.
      2. Jij bent een vrouw.
      3. Hij heeft een hond.
      4. Zij is mijn buurvrouw.
      5. U heeft een afspraak.
      6. Wij zijn huisartsen.
      7. Jullie hebben cursussen.
      8. Zij zijn kinderen.
      9. Ik ben een man.
      10. Jij hebt vijf katten.

    • 1. Hij is een man.
      2. Zij heeft een kat.
      3. Wij hebben een hond.
      4. Ik heb een broer.
      5. Zij hebben een auto.
      6. Ik heb een tafel.
      7. Jullie hebben een afspraak.
      8. Zij is verdrietig.
      9. Zij zijn mijn collega’s.
      10. Jij hebt een huis.

    • 1. Ik ben een vrouw.
      2. Jij hebt een hond en een kat.
      3. Hij is een astronaut.
      4. Wij hebben een auto en een motorfiets.
      5. Zij is een president.
      6. Zij hebben een boot.
      7. Ik heb een vogel.
      8. Hij heeft een vriend.
      9. Wij zijn collega’s.
      10. Jullie hebben een huis.

    • 1. Ik heb een fiets
      2. Zij is een vrouw
      3. Zij hebben een auto
      4. Zij heeft een kat
      5. Ik ben en ingenieur
      6. Hij is een jongen
      7. Zij zijn artsen
      8. Het is een boek
      9. Jullie zijn leraren
      10. Jij hebt een hond

    • 1. Ik ben een ingenieur.
      2. Jij hebt kinderen.
      3. Hij is een docent.
      4. Wij hebben lepels.
      5. Julie zijn mijn collega’s.
      6. Ik heb eieren.
      7. Jij bent mijn tante.
      8. Zij heeft twee auto’s
      9. Wij zijn vrienden.
      10. Zij hebben honden.

    • 1. Lotje is een kat.
      2. Ik heb twee oma’s.
      3. Zij zijn zussen.
      4. Jullie hebben een huis.
      5. Wij zijn collega’s.
      6. Hij is mijn baas.
      7. Jij hebt hoofdpijn.
      8. U bent een professor.
      9. Zij heeft dertig rozen.
      10. Jij bent een moeder.

    • 1. Hij heeft een auto.
      2. Je bent een man.
      3. Zij is mijn dochter.
      4. Zij hebben een hond.
      5. Hij heeft twee dochters en een zoon.
      6. Jullie hebben een winkel.
      7. Wij hebben tijd.
      8. Hij is mijn buurman.
      9. Zij zijn mijn ouders.
      10. Zij is een vriendin.

    • 1. Ik ben een vrouw.
      2. Ik heb een broer.
      3. Jullie zijn dansers.
      4. Hij is een goede vriend.
      5. Zij heeft een huis.
      6. Wij hebben een paard.
      7. Zij zijn buren.
      8. Wij zijn buitenlanders.
      9. Jullie hebben fietsen.
      10. Jij bent een kind.

    • 1. Zij is op vakantie.
      2. Hij is moe vandaag.
      3. Jullie zijn op tijd.
      4. Het is koud buiten.
      5. Jij bent een goede student.
      6. Ik ben thuis.
      7. Zij is blij.
      8. Het is donker.
      9. Zij heeft een auto.
      10. Hij heeft twee katten

    • 1. Ik heb een auto.
      2. Ik heb een boek.
      3. Hij heeft een hond.
      4. Wij zijn een huis.
      5. Zij hebben een meisje.
      6. Zij is een vrouw.
      7. Het is een telefoon.
      8. Jij bent een leraar.
      9. Jullie zijn studenten.
      10. Ik ben een jongen.

    • 1. Ik heb een koe
      2. Zij is een ingenieur
      3. Wij hebben brood en kaas
      4. Hij heeft een olifant
      5. Het is een Menu
      6. Zij zijn werknemers
      7. Jullie hebben Katten
      8. Wij zijn vrienden
      9. jij bent mijn collega
      10. Jullie zijn schilders

    • 1. Ik ben Data Analist.
      2. Jij bent een goede leraar.
      3. Hij is een werknemer.
      4. Zij is een klant.
      5. Wij hebben een cursus.
      6. Jullie zijn een team.
      7. Zij zijn de buren.
      8. U heeft een afspraak.
      9. Je hebt een idee.
      10. Ik heb een krant.

    • 1. Ik heb een hond.
      2. Jij bent een man.
      3. Wij zijn vrienden.
      4. Zij heeft een paard.
      5. Jullie hebben een rode auto.
      6. Ik ben een student.
      7. Hij is sportief.
      8. Ze hebben dorst.
      9. Jij bent een leraar.
      10. Zij is een meisje.

    • Ik heb een hond
      Hij heeft een auto
      Zij heeft een boek
      Wij hebben een huis
      jullie hebben brood
      Ik heb een bal
      Hij heeft drie fietsen
      Zij hebben een kind
      Ik ben blij
      Zij zijn zussen

    • 1. Ik heb een motor
      2. Jij hebt een kat
      3. U bent een vrouw
      4. Hij heeft een boek
      5. Zij is een lerares
      6. Het is een dier
      7. Wij hebben een hond
      8. Jullie zijn mensen
      9. Zij zijn kinderen
      10. Ik ben een ingenieur

    • 1. Ik ben gewond.
      2. Ik heb een blessure aan mijn rechterpols.
      3. Het is erg pijnlijk.
      4. Je hebt drie fysiotherapiesessies.
      5. U bent volgeboekt.
      6. Ze heeft een heel goede hond.
      7. Wij zijn volwassenen.
      8. Jullie hebben gelijk.
      9. Ze hebben het mis.
      10. Zij zijn niet behulpzaam.

    • 1. Ik ben Ethiopische.
      2. Hij is leraar.
      3. Wij zijn collega’s.
      4. Hij heeft een vogel.
      5. Zij is ingenieur.
      6. Jullie hebben een kat.
      7. Wij zijn studenten.
      8. Ik ben kunstenares.
      9. Jij hebt een goudvis.
      10. Zij is danseres.

    • 1. Ik heb een auto.
      2. Jij bent een jongen.
      3. Hij is moe.
      4. Wij hebben honger.
      5. Zij is grappig.
      6. Ik ben een vrouw.
      7. Je bent oud.
      8. Zij hebben geld.
      9. Je hebt een mooi huis.
      10. Zij zijn atletisch

    • Ik ben een vrouw
      Jij hebt werk
      Zij heeft een boek
      Jij bent een leraar
      Hij is een man
      Maria is een manager
      Michel heeft een Auto
      Julia heeft een huis
      Simon is een vriend
      De pen is een ding

    • 1. Ik heb een fiets.
      2. Zij is een kind.
      3. Hij is een jongen.
      4. Wij hebben voedsel.
      5. Zij zijn toeristen.
      6. Het is een falafel
      7. Jij hebt het boek
      8. Ik ben een vrouw.
      9. U heeft een auto.
      10. Wij hebben een hond.

    • 1. Ik ben een man.
      2. Het is een hond.
      3. Het zijn kinderen.
      4. Het is jouw jas.
      5. Het meisje speelt spelletjes.
      6. Hij is mijn zoon.
      7. Ik ben op kantoor.
      8. Ze heeft een gezin.
      9. Ze heeft twee jongens.
      10. Het is koud.

    • 1.Wij hebben een huis.
      2. Wij hebben een tafel en stoel
      3.Ik ben een vrouw.
      4. Hij is een Huisarts
      5. Jij hebt een auto
      6. Zij heeft een boek
      7.Je hebt een baby
      8. Zij hebben een slaapkamer
      9.Ik ben een ingenieur
      10. Zij heeft een bloem

    • 1. Ik ben een docent
      2. Hij is mijn zoon
      3. Zij is mijn vrouw
      4. Jij hebt twee auto’s
      5. Zij hebben drie kinderen
      6. Het is mijn kamer
      7. Ze heeft een jongen
      8. Zij is mijn buurvrouw
      9. Wij hebben vijf boeken
      10. Jullie hebben een hond

    • 1- Jij hebt kinderen
      2- Ik heb een fiets
      3- Ik heb een baan
      4- Hij heeft een auto
      5- Zij hebben een auto
      6- Het is een park
      7- Zij heeft een boek
      8- Hij heeft een hond
      9- Wij hebben katten
      10- Zij zijn vrienden

    • 1. Ik heb zonen.
      2. Jij hebt een fiets.
      3. U bent een leraar.
      4. U hebt een potlood.
      5. Zij is een vrouw.
      6. Hij heeft een hond.
      7. Het is een huis.
      8. We zijn studenten.
      9. Jullie zijn vrienden.
      10. Ze hebben een auto.

    • 1- Ik heb een winkel
      2- Het is een boom
      3- De kamer heeft een tafel
      4- Zij is ingenieur
      5- Hij heeft een fiets
      6- Wij hebben twee kinderen
      7- Jullie zijn grootouders
      8- Ze hebben een grote tuin
      9- Je bent de verkoper
      10- U hebt een BMW

    • 1. Ik heb een auto
      2. Ik ben software-ingenieur
      3. Hij is kunstenaar
      4. Hij heeft een fles
      5. Jullie hebben een huis
      6. Jullie zijn kinderen
      7. U hebt een afspraak
      8. U bent een werknemer
      9. Zij heeft een vriend
      10. Het is een vogel

    • 1. Ik heb een hond.
      2. Hij heeft een papegaai.
      3. Hij is financieel manager.
      4. Ze is een meisje.
      5. We hebben een huis.
      6. Ze hebben een boek.
      7. Je bent een goede danser.
      8. Ik heb een televisie.
      9. Hij heeft een hoofdtelefoon.
      10. U bent een baas.

    • 1 – Ik heb een fiets
      2 – Wij hebben een klas
      3 – Jij bent een student
      4 – Zij heeft een bus
      5 – Het is een trein
      6 – Jullie zijn een politieagent
      7 – Zij heeft een pen
      8 – Hij heeft een potlood
      9 – U bent een dokter
      10 – Zij heeft kaarten

    • 1. Jij bent mijn vriend.
      2. Ik ben haar klant.
      3. Wij hebben paarden.
      4. Ik heb een Nederlands boek.
      5. Hij is docent.
      6. Ik ben een Nepalees.
      7. Zij heeft een fiets.
      8. Ze hebben een groot huis.
      9. Ik heb twee honden.
      10. We hebben geen auto.

    • 1. Jij hebt een tas.
      2. Hij is winkelier.
      3. Wij zijn mensen.
      4. Ik heb een hond.
      5. Hij heeft een boek.
      6. Ik ben een moeder.
      7. jij bent een docent
      8. wij hebben het huis.
      9.het heeft een deur.
      10. het is een tafel.

    • 1. Ik heb een huis.
      2. Wij hebben een pen.
      3. Ik ben een man.
      4. Hij is een docent.
      5. Je hebt een auto.
      6. Zij heeft een boek.
      7. Je hebt een baby.
      8. Jullie hebben een winkel.
      9. Het is een tafel.
      10. Wij hebben een telefoon.

    • 1. Wij zijn vrouwen.
      2. Ik heb een kat en een hond.
      3. Hij heeft een kind.
      4. Zij en ik hebben een rode auto.
      5. het heeft vier deuren en vier wielen.
      6. Je hebt twee boeken.
      7. het is blauw.
      8. Jullie hebben twee huizen.
      9. Zij hebben ramen
      10. Ik ben een student.

    • 1.Ik ben een student.

      2.Jij bent een leraar.

      3.Hij is een man.

      4.Zij is een vrouw.

      5.Wij zijn vrienden.

      6.Jullie zijn kinderen.

      7.Zij zijn studenten.

      8.Ik heb een hond.

      9-.Wij hebben een kat.

      10.Zij hebben twee paarden.

    • 1.Jullie hebben kinderen .
      2. Jij hebt een hond .
      3. Ze zijn geen dieren .
      4. Je bent het meijse .
      5. hij is een jongen .
      6. Ze zijn mensen.
      7.Ik heb kinderen .
      8. Ik heb een kat .
      9.Ik ben een man.
      10.Ze zijn geen mensen

    • Ik heb een fiets.
      Ik ben een ingenieur.
      Jij hebt de pen.
      Jij bent het meisje.
      Ze is een meisje.
      Hij is een jongen.
      We hebben een huis.
      Jullie zijn blij.
      Ze hebben een tuin.
      Ze heeft een tas.

    • 1. Ik heb twee vrienden.
      2. Je bent een ingenieur.
      3. Zij heeft het boek.
      4. Wij zijn familie.
      5. Zij hebben drie huizen.
      6. Hij is mijn man.
      7. U hebt een appel.
      8. Jullie zijn blij.
      9. Het is een gele auto.
      10. Hij heeft een vogel.

    • 1. Jij bent een serveerster.
      2. Zij heeft boterhammen.
      3. Ze zijn vrienden.
      4. Hij heeft schoenen.
      5. Ze hebben een dak.
      6. Ik heb klanten.
      7. Wij hebben vruchten.
      8. Zij is de buurvrouw.
      9. Jullie hebben vier benen.
      10. U hebt geen product.

    • 1. Ik heb een knappe man.
      2. Jullie hebben een schattige baby.
      3. Ik heb een afspraak.
      4. U bent mijn klant.
      5. Je bent een docent.
      6. Ik heb een kat.
      7. Wij hebben een mooi huis.
      8. Zij is een vrouw.
      9. Wij hebben geen kinderen.
      10. Hij is blij.

    • 1. Zij hebben een boek.
      2. Jij hebt een fiets.
      3. Wij hebben pauze.
      4. Hij is in Eindhoven.
      5. Zij is blij.
      6. Jullie zijn laat.
      7. Ik heb een vraag.
      8. Hij is een man.
      9. Wij hebben een afspraak
      10. Ik ben thuis

    • 1. Ik ben architect.
      2. U bent verpleegkundige.
      3. Jullie hebben een huis.
      4. Jullie zijn studenten.
      5. Het is een hond.
      6. U heeft huiswerk.
      7. Wij hebben een tafel.
      8. Hij is een man.
      9. Wij hebben een afspraak.
      10. Hij heeft een fiets.

    • Ik heb een boek.
      Ik ben moe.
      Jij bent blij.
      Zij is dokter.
      Jij hebt een pen.
      Hij heeft een fiets.
      Wij zijn thuis.
      De kat is groot.
      Wij hebben een hond.
      Zij hebben veel vrienden.

    • 1. Wij hebben een hond.
      2. Een hond is een huisdier.
      3. Zij heeft drie kinderen.
      4. Ze hebben een auto.
      5. Het heeft een staart.
      6. Jullie hebben een zoon.
      7. Je bent een vrouw.
      8. Je hebt een bril.
      9. Ik heb een jas.
      10. Hij heeft een huis.

    • 1- Ik heb een vrouw
      2- je hebt een hund
      3- jullie hebben een kat
      4- Ik heb een fiets
      5- ik heb een auto
      6- je hebt een pen
      7- hij heeft een tafel
      8- ze heeft een kind
      9- Ik ben een man
      10- Ik heb een kind

    • 1. Ik ben een vrouw.
      2. Zij heeft een fiets.
      3. Wij hebben twee kinderen.
      4. U bent een leraar.
      5. Mijn moeder heeft drie kinderen.
      6. Hij is een man.
      7. Jij hebt een tafel.
      8. Hij is in Utrecht.
      9. Wij zijn een familie.
      10. Zij heeft een hond.

    • 1. Wij hebben een huis.
      2. Ik heb lang haar.
      3. Mijn fiets is zwart.
      4. Hij is blij.
      5. Zij zijn mijn buren.
      6. Zij hebben twee kinderen.
      7. Ik heb carnavalskleren.
      8. Hij heeft een auto.
      9. Jij hebt bonnetje.
      10. U heeft een tas.

    • 1.Ik heb een hond.
      2.Hij heeft een boek.
      3.Zij is een student.
      4.Jullie hebben een vriend.
      5.De kat is een dier.
      6.Wij hebben een huis.
      7.Zij hebben twee kinderen.
      8.Het is een fiets.
      9.Jij hebt een zoon.
      10.Ik ben een vrouw.

    • 1. Ik heb een potlood.
      2. Ik heb een tijdschrift.
      3. Jij bent hoogleraar.
      4. Wij hebben het bonnetje.
      5. Hij is een weeskind.
      6. Zij heeft de verblijfsvergunning.
      7. Jij bent gezagvoerder.
      8. Wij hebben een vakbond.
      9. Ik ben werkloos.
      10. Jij bent timmerman.

    • 1. Zij is een collega.
      2. Het is een vogel.
      3. Hij heeft het kaartje.
      4. Ik ben een werknemer.
      5. Het is een bank.
      6. Wij hebben een leidinggevende.
      7. De kat is een dier.
      8. Het is een vliegtuig.
      9. Ik heb een kast.
      10. Je hebt de afspraak.

    • Ik ben een man
      Je bent een kind
      Hij is een leider
      Zij is een vrouw
      Het is een auto
      Wij zijn slim
      Jullie zijn koks
      Ik heb een pen
      Je hebt een vork
      Jullie hebben honden

    • 1. Ik heb een auto.
      2. Hij heeft een huis.
      3. Wij hebben een hond.
      4. Ik ben een man.
      5. Zij hebben een collega.
      6. De hond is een dier.
      7. Ik heb een pen.
      8. Jij hebt een stoel.
      9. We hebben een docent.
      10. jij hebt een kind.

    • 1. Wij hebben drie katten.
      2. Hij heeft een auto.
      3. Ik ben getrouwd.
      4. Jullie hebben een boek.
      5. Jij bent een vrouw.
      6. Zij zijn ziek.
      7. Het is een ziekenhuis.
      8. Zij heeft twee kinderen.
      9. Ik heb honger.
      10. Hij is een docent.

    • 1. Ik heb een kat.
      2. Hij heeft een broer.
      3. Wij hebben een moeder.
      4. Zij hebben kinderen.
      5. Jullie hebben olifanten.
      6. Jij hebt paarden.
      7. Wij hebben vijf konijnen.
      8. Zij heeft drie uil.
      9. Ik heb een hond.
      10. Je bent piloot.

    • 1. Ik heb een kat.
      2. Zij heeft een hond
      3. Hij heeft geen auto.
      4. Julie hebben een cursus.
      5. Wij zijn thuis.
      6. Ik ben getrouwd.
      7. Je hebt geen tijd.
      8. U heeft een afspraak.
      9. Ik heb zin.
      10. Wij hebben honger.

    • 1. Ik heb twee katen
      2. Wij zijn studenten
      3. Ik heb een afspraak
      4. Ik heb vijf fietsen
      5. Wij hebben taart
      6. Wij zijn vrouwen
      7. Je hebt een otto
      8. U heeft een fiets
      9. Ik heb een foon
      10. Ze hebben voetballen

    • 1. Ik heb donker haar.
      2. Wij hebben een taart.
      3. Zij is een studente.
      4. Hij heeft schoenen.
      5. Het is een kat.
      6. Zij heeft een portemonnee.
      7. Hij heeft wit haar.
      8. Zij heeft een vriend.
      9. U heeft een boek.
      10. Zij is een meisje.

    • 1. Ik ben een man
      2. Jij bent een vrouw
      3. Hij is een ingenieur
      4. Zij is een kind
      5. Wij zijn volwassenen
      6. Jullie hebben een hond
      7. Zij hebben een huis
      8. Ik heb een fiets
      9. Hij heeft oren
      10. Zij heeft een boek

    • 1. Ik heb een boekje.
      2. Hij is een docent.
      3. Wij hebben vruchten.
      4. Jullie zijn mannen.
      5. Jij hebt een paraplu.
      6. Ik heb een fiets.
      7. Zij is een meisje.
      8. Zij hebben een oma.
      9. Jij bent een manager.
      10. Wij zijn studenten.

    • 1. Je bent een jongen.
      2. Ze heeft een wijn.
      3. Het is lente.
      4. Jullie hebben eieren.
      5. We zijn huisartsen.
      6. Hij heeft een vogel.
      7. U bent de baas.
      8. Ik heb het ijs.
      9. Ze hebben kranten.
      10. Ik ben een dochter.

    • 1. Ik ben onderzoeker.
      2. Ik heb een kat.
      3. Jij hebt een auto.
      4. We hebben een huis.
      5. Het is een konijn.
      6. Hij heeft aardbeien.
      7. Zij heeft kinderen.
      8. Ik heb een broer.
      9. Jullie hebben een hond.
      10. Zij zijn zussen.

    • 1. Ik heb een kat.
      2. Jij heeft een hond.
      3. Hij is een leraar.
      4. Zij is een vogel.
      5. Het is een dier.
      6. Wij hebben een dokter.
      7. Jullie hebben een koe.
      8. Zij hebben een kind.
      9. Ik heb een vis.
      10. Hij heeft een buurman.

    • 1. Ik heb een telephone.
      2. Ik heb geen kinder.
      3. Jij hebt een problem.
      4. Hij is een Koning
      5. Het is de Koningsdag!
      6. Wij hebben een huis.
      7. Jullie zijn Buitenlander.
      8. Zij hebt een pen.
      9. Zij hebben Taal les.
      10. Jullie zijn dramatisch.

    • 1. Ik heb een huisdier.
      2. Zij heeft een konijn.
      3. Hij is de koning.
      4. Wij hebben een oma.
      5. Het huis heeft een dak.
      6. Ik ben een huisarts.
      7. Jij hebt een dochter.
      8. Hij heeft het wiel.
      9. Jij bent de zus.
      10. Zij hebben een vakantie.

    • 1.Ik ben een vrouw.
      2.Jij bent een man.
      3. Hij is een chauffeur.
      4. Zij is een student.
      5. Wij zijn mensen.
      6. Jullie zijn studenten.
      7. Zij zijn dieren.
      8. Ik heb een hond.
      9. Jij hebt een kat.
      10. Hij heeft een vis.

    • 1. Ik ben een vrouw
      2. Hij is een man
      3. Wij zijn mensen
      4. Ze heeft een hond
      5. Zij hebben een paard
      6. Je hebt een kangaroo
      7. jullie hebben een kind
      8. Ik heb een vriend
      9. ik ben een Jordaniër
      10. Zij hebben twee katten

    • 1. Ik ben een ingenieur
      2. Hij is een man
      3. Ze is een lerares
      4. Wij zijn studenten
      5. Hij heeft een vogel
      6. U bent een manager
      7. Ze hebben een huis
      8. Jij hebt honden
      9. Ik heb een auto
      10. Hij is een Koning

    • 1. Ik ben een zus
      2. Ik heb een tas
      3. Hij is een leraar
      4. Wij zijn vrienden
      5. Jullie hebben een huis
      6. Zij heeft een pen
      7. Zij hebben een kat
      8. Hij is een arts
      9. Zij is een Amerikaans
      10. U bent een held

    • 1. Zij is een meisje.
      2. Jij hebt een hond.
      3.Ik ben een ingenieur.
      4. Zij zijn kinderen.
      5. De jongen heeft een apple.
      6.De meisje heeft boeken.
      7. Wij zijn studenten.
      8. Het heeft wielen.
      9. Zij heeft een opa en een oma.
      10.De jongen heeft een fiets.

    • 1. Ik ben een avonturier.
      2. Jij hebt een rode fiets.
      3. Hij is een goede vriend.
      4. Zij heeft een kleine hond.
      5. Wij zijn buren.
      6. Jullie hebben een groot geheim.
      7. De kat is zwart.
      8. Mijn huis heeft drie ramen.
      9. De koffie is warm.
      10. Wij hebben twee katten.

    • 1. Ik heb honger.
      2. Jij bent sterk.
      3. Zij is mooi.
      4. We hebben plezier.
      5. Zij zijn zangers
      5. Jullie hebben een auto.
      6. Hij heeft een grote hond.
      7. Wij zijn studenten.
      8. De tulp is een mooie bloem.
      9. Het huis heeft een kleine tuin.
      10. Ik ben Indiaas.

    • 1. Ik heb een fiets.
      2. Jij hebt een auto.
      3. Zij heeft een huis.
      4. Zij hebben kinderen.
      5. De koe is een dier.
      6. Hij heeft een computer.
      7. Ik heb een boek.
      8. Jij bent een student.
      9. Jullie hebben een hond.
      10. Jij hebt een naam.

    • 1. Ik heb een auto
      2. Zij heeft het bed
      3. Het is een huis
      4. Zij zijn kinderen
      5. Wij hebben de fietsen
      6. Jullie zijn vriendinnen
      7. Zij zijn de vaders
      8. Zij heeft de kat
      9. Ik ben het meisje
      10. Het heeft het hoofd

    • 1. Hij is een goede vriend.
      2. Ze heeft een fiets.
      3. Zij hebben twee katten en een hond.
      4. Zij zijn goede studenten.
      5. Ik ben een engineer.
      6. Ze heeft een boek.
      7. Hij is een docent.
      8. Jij bent een klant.
      9. Zij hebben werk.
      10. De fiets heeft wielen.

    • Wij zijn studenten.
      Zij zijn vrienden.
      Ik ben moe.
      Jij bent mijn buurman.
      Jullie zijn heel aardig.
      Hij is een docent.
      Wij zijn op vakantie.
      Zij zijn thuis.
      U bent welkom.
      De kinderen zijn blij.

    • 1. Ik ben een vrouw.
      2. Je hebt een kind.
      3. U bent een vader.
      4. Hij heeft een kat.
      5. Ze is een meisje.
      6. Het is een koe.
      8. We hebben kippen.
      9. Jullie zijn mannen
      10. Zij hebben twee paarden.

    • 1. Hij heeft twee katten
      2. Zij is een docent
      3. Zij heeft drie zussen
      4. Ik ben ziek
      5. Hij heeft kleren
      6. De kat is oranje
      7. Het winkel heeft borden en bestek
      8. De koffie is koud
      9. Mijn broer heeft een vrouw
      10. Het kind is goed

    • 1. Ik ben HR-Manager
      2. Hij is een man
      3. Je bent een kind
      4. Zij heeft een koe
      5. Wij hebben de honden
      6. Ik heb een meisje
      7. Zij is de moeder
      8. Zij heeft de vogels
      9. Hij is de opa
      10. Jij hebt een kat

    • 1. Zij is aardig.
      2. Zij heeft een vriend.
      3. Hij is uit India.
      4. Zij hebben een relatie.
      5. Zij zijn mijn vrienden.
      6. Ik ben een student.
      7. Jullie zijn vriendelijk.
      8. Jullie zijn mijn klasgenoten.
      9. Je bent onze docent.
      10. Je hebt een vrouw.

    • 1. Wij hebben huiswerk.
      2. Hij is een leraar.
      3. Zij is een studente.
      4. Ik heb een bloempot.
      5. Jullie hebben een bedrijf.
      6. Zij hebben fietsen.
      7. Hij heeft een huisdier.
      8. Zij heeft snoep.
      9. Jij hebt drie schapen.
      10. Ik heb een gezin.

    • 1. Ik ben een meisje.
      2. Jij hebt de boeken.
      3. Ze is een zangeres.
      4. Hij heeft een motorfiets.
      5. Het is een giraffe.
      6. We hebben de pennen.
      7. Jullie zijn artsen.
      8. Zij hebben schoenen.
      9. Ik heb vliegtuigen.
      10. Je bent een vriend.

    • 1. Ik ben een onafhankelijke vrouw
      2. Je bent loodgieter
      3. Je hebt een vrachtwagen
      4. Hij heeft een duif
      5. Ze heeft een nichtje
      6. Het kind is ziek
      7. Wij zijn de kampioenen
      8. Jullie zijn mijn broers
      9. Ze zijn geweldige mensen
      10. Wij hebben groenten

    • 1. Jij hebt een potlood.
      2. Hij is een docent.
      3. Jullie hebben een baby.
      4. Zij zijn kinderen.
      5. Hij heeft een banaan,
      6. Ik heb een computer.
      7. Ik ben een zus.
      8. Jij bent een vader.
      9. Wij hebben huisdieren.
      10. Wij zijn dochters.

    • 1. Wij zijn studenten.
      2. Ik ben leerling.
      3. Jij bent dokter.
      4. Philippe is leraar.
      5. Zij is verpleegkundige.
      6. Wij zijn vrienden.
      7. Ik heb een fiets.
      8. Jij hebt een huis.
      9. Hij heeft een hond.
      10. Zij hebben een auto.

    • 1. Ik heb een koe
      2. Jij hebt een telefoon
      3. Hij is een opa
      4. Zij heeft een dier
      5. Wij zijn leidinggevenden
      6. Jullie hebben een bank
      7. U bent de man
      8. U hebt de boom
      9. Zij zijn de buurvrouwen
      10. Hij heeft de koe

    • 1. Ik ben Divo.
      2. Ik heb een buurman.
      3. Jullie zijn werknemers.
      4. Zij heeft een bed.
      5. Hij heeft een auto.
      6. Zij hebben een werkgever
      7. Het is een hond.
      8. Wij hebben armen.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Jullie hebben een moeder

    • 1. Ik heb een kat.
      2. Ik ben student.
      3. Jij hebt een huis.
      4. Jij bent docent.
      5. Hij heeft een auto.
      6. Hij is kind.
      7. Zij heeft een hond.
      8. Zij is engineering.
      9. Jullie hebben huizen.
      10. Jullie zijn kinderen.

    • 1. Ik heb een schaap

      2. Ik heb een auto

      3, Zij heeft een kind

      4. Zij hebben een kinderwagen

      5. Wij zijn mensen

      6. Jij hebt een kat

      7. Ik heb een boek

      8. Wij zijn buren

      9. Jij hebt de vogel

      10. Hij is een oom

    • 1. Ik ben een vrouw
      2. We hebben een groot huis
      3. Jullie zijn kinderen
      4. Hij is een aardbei
      5. Ze heeft een auto
      6. Je bent een man
      7. Ik heb een kat
      8. Wij zijn vogels
      9. Jullie hebben een boek
      10. Je bent een paard

    • 1. Ik ben ingenieur.
      2. Ik heb een dog.
      3. Jullie hebben de tafel.
      4. Hij heeft de auto.
      5. Ik heb het geld.
      6. Jij bent de woman.
      7. Jullie hebben het bedrijf.
      8. De kat is het dier.
      9. U heeft de vriendin.
      10. Het huis heeft de kamers.

    • 1.Ik ben scheikundige
      2.De hond is een dier
      3.Zij hebben vriendin
      4. Wij zijn mevrouw
      5. jij hebt de tafel
      6.Hij heeft een hond
      7.Het huis heeft een tuin
      8. Jij bent ingenieur
      9.Hij is een mens
      10. Ik heb de auto.

    • 1. Hij is docent
      2. Ik heb een auto
      3. Zij hebt een tafel
      4. Hij heeft een Kind
      5. Wij zijn studenten
      6. jij bent leraar
      7. u hebt een huis
      8. Zij heeft een hond.
      9. Jullie hebben een fiets
      10. Ik heb een apparaat.

    • 1. Ik ben een student
      2. Ik woon in Eindhoven.
      3. Het eten is lekker.
      4. Ik zoek de supermarkt.
      5. Jullie hebben een hond
      6. Zij zjin geweldig.
      7. Ik heb een buurman.
      8. Jij hebt een telefoon
      9. Hij is een opa
      10. Het is mooi weer vandaag

    • 1. Ik ben een vrouw
      2. Jij hebt een auto
      3. Wij hebben kinderen
      4. Jullie hebben een hond
      5. Ze heeft een boek
      6. Hij is een automonteur
      7. Zij hebben een huis
      8. Ik heb een stoel
      9. Jij bent een vlinder
      10. wij zijn een muziekgroep

    • 1. Sara heeft tien katten
      2. Bernard en Anna hebben twee auto’s
      3. De dokter heeft drie patienten
      4. Honden en kippen zijn dieren
      5. De boer heeft vijftig eieren
      6. Wij zijn studenten
      7. Jullie hebben drie slaapkamers
      8. Ik heb twee boeken
      9. Ingenieurs zijn deskundigen
      10. Sara en Tobias zijn vrienden

    • 1. Hij heeft een moeder.
      2. Zij is mijn vriendin.
      3. Ik ben studenten.
      4. We hebben appels.
      5. Wij zijn buitenlanders.
      6. Hij is ingenieur.
      7. Jij heeft een konijn.
      8. Jullie zijn jongens.
      9. Ik heb twee enkels.
      10. Zij heeft katten.

    • 1. Ik ben een ingenieur
      2. Jij hebt een fiets
      3. Het is goed weer
      4. Zij zijn vrienden
      5. Zij is mooi
      6. Wij zijn bezig
      7. Jullie zijn lief
      8. Het is een boek
      9. Wij hebben een afspraak
      10. Hij heeft pijn

    • 1. Ik heb een hond.
      2. Jij hebt een pard.
      3. U bent een ingenieur.
      4. Hij is een kind.
      5. Zij is mijn buurvrouw.
      6. Het heeft een mes.
      7. wij hebben kippen
      8. Zij zijn geweldig.
      9. Ik heb een kast.
      10. Jij hebt de vogel

    • ik hoor blaffen
      jij schrijft een boek
      Hij begrijpt Nederlands
      Wij luisteren naar muziek
      Ik help mijn moeder
      Zij slaapt in het huis
      wij kijken naar een film
      ik praat Engels
      Jij eet pizza

  • Load More Posts