Dutch Course Eindhoven A1 Homework Answers Group

  • Public Group
  • 1 day ago
  • 105

    Posts

  • 184

    Members

  • Make 10 questions with “Zijn”. Use Recipe on page 48 of the book.👍

    141 Comments
    • 1. Zijn jullie broers?
      2. Zijn zij een dochter?
      3. Ben jij docent?
      4. Ben ik te laat?
      5. Zijn we vrindinnen?
      6. Is hij jouw man?
      7. Ben jij een kind?
      8. Is hij een kleinkind van haar?
      9. Is zij een vrouw van hem?
      10. Zijn jullie mensen?

    • 1. Is Anna een ingenieur?
      2. Zijn zij huisartsen?
      3. Ben jij een student?
      4. Zijn katten huisdieren?
      5. Is boek een ding?
      6. Zijn Izaak en Maria vrienden?
      7. Is Nico een jongen?
      8. Ben jij een passagier?
      9. Zijn jullie vader en moeder?
      10. Is tulp een bloem?

    • 1. Bent u een man?
      2. Is hij een medewerker?
      3. Zijn zij familie?
      4. Is zij een moeder?
      5. Ben jij een leraar?
      6. Ben ik een klant?
      7. Zijn jullie huisdokters?
      8. Is hij een bewaker?
      9. Zijn wij verkopers?
      10. Is zij een konijn?

    • 1. Ben ik te luid?
      2. Is jouw broer een leraar?
      3. Zijn wij studenten?
      4. Ben jij kip aan het eten?
      5. Is ze jouw vriendin?
      6. Is Daan een voetballer?
      7. Zijn Anna en Nina zussen?
      8. Zijn zij jouw buren?
      9. Ben je een huisarts?
      10. Is de auto snel?

    • 1. Ben jij student?
      2. Zijn zij zussen?
      3. Zijn jullie vrienden?
      4. Is hij vrijgezel?
      5. Ben ik geregistreerd?
      6. Zijn wij verwant?
      7. Is zij ingenieur?
      8. Is hij blij?
      9. Ben ik verkeerd?
      10. Ben jij rijk?

    • 1. Ben jij een student?
      2. Zijn jullie leraren?
      3. Is zij jouw dochter?
      4. Zijn jullie de ouders?
      5. Is hij de manager?
      6. Zijn wij vrienden?
      7. Ben ik klaar?
      8. Zijn zij verkopers?
      9. Is hij ziek?
      10. Is zij jouw oma?

    • 1. Ben je klaar?
      2. Zijn jullie studenten?
      3. Bent u docent?
      4. Is de school open?
      5. Zijn we juist?
      6. Is zij aardig?
      7. Is hij ziek?
      8. Ben ik grappig?
      9. Zijn zij ouders?
      10. Is de bus vol?

    • 1. Ben jij jarig?
      2. Is hij laang?
      3. Bent u een docent?
      4. Zijn zij druk?
      5. Ben jij een student?
      6. Is zij vriendin?
      7. Zijn jullie de klanten?
      8. Ben jij een ingenieur?
      9. Is hij een vader?
      10. Zijn zij aardig?

    • 1. Ben je een man?
      2. Is zij een kind?
      3. Zijn jullie boos?
      4. Is Bernard en Izaak vrienden?
      5. Is het mijn hond?
      6. Ben ik mooi?
      7. Zijn wij ouders?
      8. Is dat jouw pen?
      9. Is haar jouw zus?
      10. Zijn jullie hier?

    • 1. Is hij een klant?
      2. Zijn jullie vriendinnen?
      3. Is Susan een huisvrouw?
      4. Zijn kinderen thuis?
      5. Is duo een vogel?
      6. Zijn wij zussen?
      7. Zijn zij collega’s?
      8. Zijn Didem en Ilyas kinderen?
      9. Bent u de schrijver?
      10. Ben je een advocaat?

    • 1. Ben ik een student?
      2. Ben jij een ingenieur?
      3. Bent u een auteur?
      4. Is hij een kind?
      5. Is zij een danser?
      6. Zijn we buren?
      7. Zijn zij spelers?
      8. Zijn jullie familieleden?
      9. Ben jij een vader?
      10. Bent u een koning?

    • 1. Zijn zij vrouwen?
      2. Zijn jullie buren?
      3. Is hij student?
      4. Bent u een vader?
      5. Ben jij een oma?
      6. Is hij een verkoper?
      7. Ben ik werknemer?
      8. Zijn wij collega’s?
      9. Is zij leidinggevende?
      10. Bent u een loper?

    • 1. Ben jij dokter?
      2. Ben jij beter?
      3. Zijn ze studenten ?
      4. Is hij oké?
      5. Ben je nieuw?
      6. Is zij de trainer?
      7. Is dat je broer?
      8. Bent u tandarts?
      9. Zijn ze veilig?
      10. Is alles in orde?

    • 1. Is hij een man?
      2. Zijn jullie broers?
      3. Ben jij een kind?
      4. Zijn wij collega’s?
      5. Is zij bedrijfsjurist?
      6. Zijn zij vrienden?
      7. Is het een kat?
      8. Ben jij een moeder?
      9. Is zij een vrouw?
      10. Zijn jullie bazen?

    • 1. Is hij een man?
      2. Ben ik een vrouw?
      3. Zijn zij kinderen?
      4. Is zij mooi?
      5. Zijn jullie docentes?
      6. Ben ik een student?
      7. Ben jij een ingenieur?
      8. Zijn wij vriendinnen?
      9. Zijn jullie buurmannen?
      10. Zijn jullie een familie?

    • 1. Ben jij een arts?
      2. Zijn jullie ingenieurs?
      3. Is hij een docent?
      4. Is zij een vriendin?
      5. Ben ik een man?
      6. Bent u een schilder?
      7. Is hij een vader?
      8. Is zij een collega?
      9. Zijn jullie vriendinnen?
      10. Bent u een student?

    • 1. Ben je docent?
      2. Zijn jullie ouders?
      3. Is zij een vriend?
      4. Is een voetbal een ding?
      5. Is een varken een dier?
      6. Is Amsterdam een stad?
      7. Ben je student?
      8. Is een tomaat een fruit?
      9. Ben je slager?
      10. Is het een vogel?

    • 1. Ben jij een student?
      2. Ben ik een schildpad?
      3. Zijn zij mensen?
      4. Zijn jullie paarden?
      5. Bent u een jongen?
      6. Is hij een meisje?
      7. Is zij een kind?
      8. Ben ik een ingenieur?
      9. Zijn wij buren?
      10. Bent u een vader?

    • 1. Ben ik een student?
      2. Is Karel een man?
      3. Is hij een vriend?
      4. Zijn wij mensen?
      5. Bent u leraar?
      6. Is het een paard?
      7. Ben jij arts?
      8. Zijn jullie buren?
      9. Zijn ze collega’s?
      10. Bent u de manager?

    • 1. Is het een toestel?
      2. Ben jij ingenieur?
      3. Is hij de winnaar?
      4. Zijn zij collega’s?
      5. Is hij een verkoper?
      6. Is zij een passagier?
      7. Is zij lerares?
      8. Ben jij docent?
      9. Ben jij getrouwd?
      10. Zijn wij vrienden?

    • 1. Ben ik een man?
      2. Ben jij een vrouw?
      3. Is zij een meisje?
      4. Is hij een jongen?
      5. Is het een hond?
      6. Zijn wij studenten?
      7. Zijn jullie ingenieurs?
      8. Zijn zij artsen?
      9. Bent u model?
      10. Bent u leraar?

    • 1. Ben je een student?
      2. Zijn jullie studenten?
      3. Zijn jullie broers?
      4. Is het een kind?
      5. Ben je een man?
      6. Is zij een vrouw?
      7. Zijn jullie neven?
      8. Is zij een man?
      9. Is zij een vrouw?
      10. Zijn Magdalena en Bernardo studenten?
      11. Zijn wij vrienden?

    • 1. Zijn zij ouders?
      2. Ben je een advocaat?
      3. Is hij een huisarts?
      4. Is de hond een huisdier?
      5. Is het een kat?
      6. Is het een elektrische auto?
      7. Ben je moe?
      8. Zijn wij medewerkers?
      9. Is zij een student?
      10. Zijn zij kinderen?

    • 1. Ben jij student?
      2. Is hij een man?
      3. Is zij een vrouw?
      4. Zijn wij vrienden?
      5. Zijn zij dokters?
      6. Is het een boek?
      7. Ben ik leraar?
      8. Zijn jullie broers?
      9. Ben jij een jongen?
      10. Is zij een persoon?

    • 1. Ben je een lerar
      2. Zijn ze de buurmannen?
      3. Is hij in ziekenhuis?
      4. Zijn we klaar?
      5. Is ze een verpleegkundige?
      6. Ben je alleen?
      7. Ben ik ziek?
      8. Zijn zij in de tuin?
      9. Is hij altijd blij?
      10. Zijn jullie thuis?

    • 1. Ben jij een man?
      2. Bent u beschikbaar?
      3. Is het een hond met een kat?
      4. Is zij een danser?
      5. Zijn ze beschikbaar voor een kopje koffie?
      6. Zijn jullie allemaal klaar?
      7. Is hij een werknemer?
      8. Is het de zoon van jouw vriend?
      9. Ben jij de vader van Pieter?
      10. Is het de vogel in de boom?

    • 1. Ben jij de verpleegkundige?
      2. Is hij thuis?
      3. Zijn wij later afspraak maken?
      4. Ben ik jouw buurvrouw?
      5. Zijn jullie voetbal spellen?
      6. Is het boek goed?
      7. Zijn Martin en Marta docenten?
      8. Is zij jouw vriendin?
      9. Bent u de advocaat?
      10. Zijn ze werknemers?

    • 1. Zijn jullie ouders?
      2. Ben ik een student?
      3. Ben jij een baas?
      4. Is hij mijn vriend?
      5. Is het de bioscoop?
      6. Zijn wij mensen?
      7. Is zij een kind?
      8. Ben ik een meisje?
      9. Zijn jullie collega’s?
      10. Ben jij een chef?

    • 1. Is zij een model?
      2. Ben jij een timmerman?
      3. Zijn zij de arbieders?
      4. Zij ze de politie?
      5. zijn jullie collega’s?
      6. Is Jan een jongen?
      7. Is het een eend?
      8. Zijn zij kinderen?
      9. Is zij een serveester?
      10. Is hij een elektricien?

    • 1. Is het een boom?
      2. Zijn jullie collega’s?
      3. Is hij een student?
      4. Zijn eenden vogels?
      5. Zijn docenten vrienden?
      6. Is zij een arts?
      7. Ben jij een buurman?
      8. Is het een product?
      9. Zijn wij kinderen?
      10. Ben jij een opa?

    • 1-Ben ik een baby?
      2-Is zij lang?
      3-Is hij een dokter?
      4-Is de pen blauw?
      5-Is het meisje lerares?
      6-Ben jij druk?
      7-Zijn zij hongerig?
      8-Zijn wij slaperig?
      9-Zijn jullie boos?
      10-Is zij Maria?

    • 1) Zijn ze verkopers?
      2) Is het donker?
      3) Is het een worst?
      4) Is ze een lui meisje?
      5) Zijn we bureaucraten?
      6) Is hij een portier?
      7) ben u de tante van Maria?
      8) ben ik zijn vader?
      9) Is het een zaklamp?
      10) Zijn ze klanten?

    • 1. Is het half elf?
      2. Ben jij docent?
      3. Is zij huisarts?
      4. Zijn zij jongens?
      5. Zijn Dan en Ema studenten?
      6. Is hij ingenieur?
      7. Zijn zij dieren?
      8. Zijn honden huisdieren?
      9. Is een kat een huisdier?
      10. Zijn wij kinderen?

    • 1- Ben je ziek?
      2- Is ze een vriendin?
      3- Ben je klaar?
      4- is een paraplu een ding?
      5- Is hij de baas?
      6- Zijn jullie studenten?
      7- Zijn zij werkgevers?
      8- Bent u een koning?
      9. Zijn de kinderen moe?
      10. Is het huis schoon?

    • Ben jij een vrienden?
      Is hij een arts?
      Zijn wij het studeren?
      Zijn jullie de danser?
      Zijn zij de leraren?
      Is het de auto?
      Is het een pen?
      Is zij de docent?
      Is het een pizza?
      Zijn zij de mensen?

    • 1. Bent u de politie?
      2. Is Optimus een robot?
      3. Zijn wij goed?
      4. Zijn jullie de studenten?
      5. Zijn Steve en Woz werknemers?
      6. Is het een regenboog?
      7. Ben jij thuis?
      8. Zijn zij broers?
      9. Is het een tafel?
      10. Zijn Jekyl en Hyde één man?

    • 1) Zijn ze werknemers?
      2) Is het een olifant?
      3) Is het een tas?
      4) Is ze een kennis?
      5) Zijn ze collega’s?
      6) Is ze een weduwe?
      7) Zijn ze zakenmannen?
      8) Ben u een ouder?
      9) Is het een boek?
      10) Is hij een neef?

    • 1. Ben ik een meisje?
      2. Ben je een dochter?
      3. Is hij een huisarts?
      4. Zijn ze een werkgever?
      5. Is ze een psycholoog?
      6. Is het een jas?
      7. Zijn jullie vriendinnen?
      8. Is hij een chef?
      9. Is het een appel?
      10. Ben ik een assistent?

    • 1- Ben jij mijn vriend?

      2- Is hij jouw broer?

      3- Is zij je lerares?

      4- Zijn jullie studenten?

      5- Zijn wij op tijd?

      6- Is dit jouw boek?

      7- Zijn de kinderen buiten?

      8- Is de man een dokter?

      9- Zijn Eindhoven en Tilburg steden?

      10- Zijn de vrouwen jouw collega’s?

    • 1. Bent u een advocaat?
      2. Is Viktor het kind?
      3. Zijn ze klanten?
      4. Ben jij getrouwd?
      5. Is het een hond?
      6. Zijn jullie studenten?
      7. Ben jij de verhuurder?
      8. Is Maria jouw vriendin?
      9. Zijn wij ingenieurs?
      10. Zijn jullie accountants?

    • 1. Ben je de man?
      2. Zijn dat de kinderen?
      3. Is zij de muzikante?
      4. Is hij degene op het concert?
      5. Zijn wij er klaar voor?
      6. Is George een dokter?
      7. Ben je al oud?
      8. Is dat een muis?
      9. Ben jij de leraar?
      10. Ben je te jong om te rijden?

    • 1. Is de deur open?
      2. Ben je druk?
      3. Is hij je broer?
      4. Ben ik te laat?
      5. Is het je boek?
      6. Zijn de appels vers?
      7. Is het je tas?
      8. Is het eten klaar?
      9. Zijn de winkels open?
      10. Is het vandaag maandag?

    • 1. Is Bani een konijn?
      2. Zijn koeien dieren?
      3. Is Paula een student?
      4. Is de maaltijd lekker?
      5. Ben jij mijn vriendin?
      6. Is zij docent?
      7. Zijn wij mannen?
      8. Is hij vrolijk?
      9. Ben ik uit Chili?
      10. Is Pieter slaperig?

    • 1. Ben jij een student?
      2. Ben jij mijn buurman?
      3. Is hij een boer?
      4. Zijn wij een team?
      5. Is zij een lerares?
      6. Is hij een collega?
      7. Is de deur open?
      8. Zijn jullie broers?
      9. Zijn zij gelukkig?
      10. Is de kat klein?

    • 1. Ben ik een man?
      2. Ben jij een kunstenaar?
      3. Is hij een medewerker?
      4. Is zij een verpleegkundige?
      5. Zijn wij kinderen?
      6. Zijn jullie deskundigen?
      7. Zijn zij collega’s?
      8. Bent u een huisarts?
      9. Is het een voorstel?
      10. Zijn zij vriendinnen?

    • 1. Is Ana een klant?
      2. Is hij een passagier?
      3. Is Tilburg een stad?
      4. Is zij een huisarts?
      5. Zijn honden en vogels dieren?
      6. Zijn Tom en Saskia collega´s?
      7. Ben jij een boer?
      8. Ben ik getrouwd?
      9. Is het een boek?
      10. Zijn jullie ziek?

    • 1. Is Lotje een kat?
      2. Zijn jullie collega’s?
      3. Bent u een baas?
      4. Is de winkel open?
      5. Is het boek interessant?
      6. Zijn wij verloren?
      7. Is het station ver weg?
      8. Ben jij ziek?
      9. Is de hond vriendelijk?
      10. Zijn zij vrienden?

    • 1. Ben ik hoorbaar?
      2. Zijn zij dieren?
      3. is hij een acteur?
      4. Bent U de baas?
      5. is zij een dokter?
      6. Ben jij een schilder?
      7. is het je auto?
      8. Zijn wij de winnaars?
      9. is Anna jouw vriendin?
      10. Ben je blij?

    • 1. Is hij een werknemer?
      2. Is zij een klant?
      3. Zijn jullie een team?
      4. Zijn zij de buren?
      5. Zijn zij vrienden?
      6. Ben ik laat?
      7. Ben ik vroeg?
      8. Ben je moe?
      9. Bent u een leraar?
      10. Zijn wij klaar?

    • 1. Ben jij klaar?
      2. Is dit jouw huis?
      3.Is hij youw vreind ?
      4. Ben jij moe vandaag?
      5. Bent jij ziek?
      6. Zijn julie nieuw hier ?
      7. Zijn dat jouw boeken?
      8. Zijn zij gelukkig?
      9. Zijn de winkels open vandaag ?
      10. Is zij een huisarts?

    • 1. Zijn zij een passagier?
      2. Ben ik een leraar?
      3.Ben jij een jongen?
      4. Is zij een meisje?
      5. Is hij een student?
      6. Zijn we vrienden?
      7. Is het een hond?
      8. Zijn jullie collega’s?
      9. Is Eindhoven een stad?
      10. Zijn zij buren?

    • 1. Zijn jullie moe?
      2. Is het duur?
      3. Is hij thuis?
      4. Zijn zij jong?
      5. Zijn jullie op vakantie?
      6. Is hij ziek?
      7. Is het koud?
      8. Is hij een student?
      9. Ben je klaar?
      10. Bent u de nieuwe buurman?

    • 1. Ben jij goed?
      2. Ben jij een kind?
      3. Ben ik moe?
      4. Is hij de dokter?
      5. Is zij een lerares?
      6. Is het een kat?
      7. Zijn wij studenten?
      8. Zijn jullie klanten?
      9. Zijn zij winkeliers?
      10. Ben jij een vriend?

    • 1. Ben jij een student?
      2. Is Maria een klant?
      3. Zijn Dirk en Theo vrienden?
      4. Is zij de buurvrouw?
      5. Zijn jullie een gezin?
      6. Bent u moe?
      7. Is hij een werkenemer?
      8. Zijn jullie klaar?
      9. Zijn wij een team?
      10. Ben jij een meisje?

    • 1. Ben ik een bezoeker?
      2. Ben je een speler?
      3. Bent u een goochelaar?
      4. Is hij een kunstenaar?
      5. Is ze een sporter?
      6. Is het een schilderij?
      7. Zijn we deelnemers?
      8. Zijn wij muzikanten?
      9. Zijn jullie kandidaten?
      10. Zijn ze vrijwilligers?

    • 1. Ben je moe?
      2. Zijn jullie oud?
      3. Is zij saai?
      4. Ben je een werknemer?
      5. Is zij de lerares?
      6. Is hij boos?
      7. Zijn zij de klanten?
      8. Ben je bezig?
      9. Is hij grappig?
      10. Ben je veilig?

    • 1- Ben jij moe?

      2- Is hij thuis?

      3- Is zij ziek?

      4- Zijn jullie klaar?

      5- Ben ik te laat?

      6- Zijn we op tijd?

      7- Is het koud vandaag?

      8- Zijn zij vrienden?

      9- Is dit jouw huis?

      10- Ben jij blij?

    • 1. Ben ik laat?
      2. Ben jij moe?
      3. Is hij ziek?
      4. Is zij blij?
      5. Is het koud?
      6.Zijn wij klaar?
      7. Zijn jullie thuis?
      8. Zijn zij boos?
      9. Ben ik te vroeg?
      10. Zijn jullie vrienden?

    • 1. Ben jij blij?
      2. Is zij jouw zus?
      3. Zijn jullie in Nederland?
      4. Ben je student?
      5. Is het ver?
      6. Zijn zij getrouwd?
      7. Is hij jouw vriend?
      8. Ben ik te laat?
      9. Is het interessant?
      10. Zijn jullie klaar?

    • 1. Ben jij een leraar?
      2. Zij wij studenten?
      3. Ben Ik een ingunier?
      4. Is het lekker?
      5. Zijn zij thuis?
      6. Is hij op school?
      7. Is ze een arts?
      8. Zijn ze jouw gezin?
      9. Is het goed?
      10. Is dat jouw auto?

    • 1.Ben je thuis?
      2. Is het koud?
      3. Ben jij alleen?
      4. Is een kat een huisdier?
      5. Zijn jullie blij?
      6. Waar ben je?
      7 Is zij een dokter?
      8 Ben ik op tijd?
      9. Zijn jullie klaar?
      10. Zijn Pieter en Jan leraren?

    • 1. Ben ik de moeder?
      2. Ben je de visboer?
      3. Bent u de werktuigbouwkundige?
      4. Is hij het kind?
      5. Is zij een verkoper?
      6. Is het een huis?
      7. Zijn we mensen?
      8. Zijn jullie klanten?
      9. Zijn ze vrienden?
      10. Zijn zij arbeiders?

    • 1. Ben Jij gelukkig ?
      2. Is Daan ingenieur ?
      3.Zijn de brieven kwijt ?
      4.Zijn de studenten te laat ?
      5.Zijn wij klaar voor de les ?
      6. Is hij jouw buurman?
      7. Is de fiets kapot ?
      8. Zijn de bloemen violet ?
      9. Is mijn pakket onderweg ?
      10.Is jouw huiswerk moelijk ?

    • 1. Is hij werktuigbowkundige?
      2. Is zij een model?
      3. Ben je een lid van de group?
      4. Zijn ze arbeiders?
      5. Bent u de werkgever?
      6. Is hij technicus?
      7. Zijn we de bestuurders?
      8. Ben je leerar?
      9. Ben je docent?
      10. Zijn jullie advocaten?

    • 1. Ben jij ingenieur?
      2. Is hij de doelman?
      3. Bent u docent?
      4. Is hij slager?
      5. Is zij een moeder?
      6. Is het een spiegel?
      7. Zijn wij buren?
      8. Zijn jullie studenten?
      9. Zijn zij zussen?
      10. Ben jij een fietser?

    • 1. Is ze slager?
      2. Zijn Saskia en Sander grootouders?
      3. Is het een neushoorn?
      4. Zijn deze appels?
      5. Is hij opa?
      6. Zijn ze ingenieurs?
      7. Bent u timmerman?
      8. Ben jij arts?
      9. Zijn jullie advocaten?
      10. Is Eindhoven een stad?

    • 1- Is je huiswerk makkelijk?
      2- Is het een hond of een kat?
      3- Is het je auto?
      4- Zijn zij getrouwden?
      5- Is je trein vol?
      6- Is zij mijn docent?
      7- Zijn zij de studenten?
      8- Zijn de meisjes de modellen?
      9- Is het kind een voetballer?
      10- Zijn de zonen tweelingen?

    • Ben ik een leraar?
      Ben jij dokter?
      Bent u bakker?
      Is hij accountant?
      Is zij chauffeur?
      Is het de directeur?
      Zijn wij studenten?
      Zijn jullie ingenieurs?
      Zijn zij architecten?

    • 1. Is hij een vriend?
      2. Is het een pen?
      3. Zijn zij collega’s?
      4. Ben je een student?
      5. Bent u de buurman?
      6. Is hij een baas?
      7. Ben je de vader?
      8. Zijn we vrienden?
      9. Is het de winkel?
      10. Is zij het meisje?

    • 1. Is het een hond?
      2. Zijn wij studenten?
      3. Zijn jullie verpleegkundigen ?
      4. Ben jij architect?
      5. Is het een boek?
      6. Zijn zij de klanten?
      7. Bent U ingenieur?
      8. Is zij een meisje?
      9. Zijn zij collega’s?
      10. Zijn jullie meisjes?

    • 1. Zijn jullie vrienden?

      2. Is zij ziek vandaag?

      3.Is hij in de tuin?

      4. Bent u dokter?

      5.Ben jij moe?

      6.Is zij jouw vrouw?

      7.Zijn wij morgen vrij?

      8.Is zij je zus?

      9.Is hij boos op mij?

      10.Ben jij mijn collega ?

    • 1. Zijn zij vrienden?
      2. Ben je docent?
      3. Is zij mooi?
      4. Is dit jouw auto?
      5. Zijn jullie thuis?
      6. Bent u een baas?
      7. ben jij John?
      8. Is hij hier?
      9. Ben je klaar?
      10. Ben ik ziek?

    • 1. Is hij een kind?
      2. Ben ik docent?
      3. Ben jij Peter?
      4. Is zij een meisje?
      5. zijn wij buitenlanders?
      6. Ben ik Kavya?
      7. Ben Jij ingenieur?
      8. Is hij mijn manager?
      9. Is zij een artiest?
      10. zijn wij studenten?

    • 1. Ben ik goed?
      2. Ben jij hier?
      3. Is hij boos?
      4. Is zij klaar?
      5. Is het ver?
      6. Zijn wij thuis?
      7. Is het koud?
      8. Zijn zij studenten?
      9. Is de klas groot?
      10. Is het examen moeilijk?

    • 1. Is hij jouw man?
      2. Zijn jullie getrouwd?
      3. Ben je mijn vriend?
      4. Bent u haar docent?
      5. Is Eindhoven een mooie stad?
      6. Is het weer koud?
      7. Ben jij een moeder?
      8. Ben jij blij?
      9. Zijn jullie klanten?
      10. Is zij een werknemer?

    • 1. Is hij de manager?
      2. Is de computer een toestel?
      3. Ben ik een vreemde vriend?
      4. Zijn jullie vriendinnen?
      5. Zijn we collega’s?
      6. Zijn ze buurmannen?
      7. Ben je docent?
      8. Is Opel een auto?
      9. Ben ik klaar?
      10. Ben je van Eindhoven?

    • 1 Is dit een boek?

      2 Zijn de kinderen in de klas?

      3 Ben jij moe?

      4 Is het kind groot?

      5 Zijn wij klaar?

      6 Ben jij een leerling?

      7 Is de school open?

      8 Zijn de boeken nieuw?

      9 Ben ik jouw vriend?

      10 Is zij een leraar?

    • 1. Zijn het kleren ?
      2. Zijn we mensen ?
      3. Zijn een schilpad en een paard dieren ?
      4. Leeren wij nederlands of engles ?
      5. Leest jij het krant ?
      6. Is hij een student?
      7. Ben jij naam geen Micheal?
      8. Ete je een boterham
      9. Is het een menu?
      10. Is het geen meisje ?

    • 1. Is hij de docent?
      2. Zijn jullie blij?
      3. Zijn we druk?
      4. Is hij een jongen?
      5. Bent u de buurman?
      6. Is het een tafel?
      7. Zijn jullie collega’s?
      8. Is zij een verkoper?
      9. Ben jij Maurice?
      10. Ben ik een student?

    • 1. Ben je blij?
      2. Zijn jullie studenten?
      3. Bent u getrouwd?
      4. Is hij een vader?
      5. Is het een blauw jas?
      6. Zijn wij baby’s?
      7. Ben jij enig kind?
      8. Is zij een zus?
      9. Ben ik de baas?
      10. Is een kat een dier?

    • 1. Is ze leuk?
      2. Zijn ze mooi?
      3. Zijn zij dieren?
      4. Is hij een wetenschapper?
      5. Ben ik blij?
      6. Ben je/jij belangrijk?
      7. Bent u treurig?
      8. Zijn we ouders?
      9. Zijn wij een gezin?
      10. Zijn jullie een team?

    • 1. Ben ik een student?
      2. Ben jij laat?
      3. Is hij een wetenschapper?
      4. Is zij jouw vriendin?
      5. Is het een nieuwe auto?
      6. Zijn wij in Eindhoven?
      7. Zijn jullie klaar?
      8. Zijn zij collega’s?
      9. Bent u mevrouw Plamena?
      10. Zijn de boeken duur?

    • 1. Ben je een klant?
      2. Is hij jouw vriend?
      3. Is de fiets blauw?
      4. Zijn zij jouw buren?
      5. Is zij mooi?
      6. Zijn jullie docenten?
      7. Is de auto handgeschakeld?
      8. Zijn zij rijk?
      9. Is het konijn groot?
      10. Ben jij Wilma?

    • 1. Ben jij leraar?
      2. Is het een boek?
      3. Zijn ze getrouwd?
      4. Zijn jullie vriendinnen?
      5. Bent u klaar?
      6. Is het een konijn?
      7. Is zij jouw manager?
      8. Is hij jouw vader?
      9. Zijn ze jouw ouders?
      10. Ben jij Richard?

    • 1- Ben je een student?
      2- Ben je sterk?
      3- Is het lekker?
      4- Zijn wij studenten?
      5- Is hij getrouwd?
      6- Ben ik uitgenodigd?
      7- Ben je een kind?
      8- Ben je een vrouw?
      9- Ben ik slim?
      10- Is zij slim?

    • 1. Ben ik een docent?
      2. Ben jij een dier?
      3. Is het een tafel?
      4. Zijn Wij mooi?
      5. Zijn jullie een groep?
      6. Zijn zij een gezin?
      7. Is hij mijn vader?
      8. Is ze een studente?
      9. Ben jij vier jaar?
      10. Zijn jullie ouder?

    • 1. Ben ik een docent?
      2. Ben jij een dier?
      3. Is het een tafel?
      4. Zijn Wij mooi?
      5. Zijn jullie een groep?
      6. Zijn zij een gezin?
      7. Is hij mijn vader?
      8. Is ze een studente?
      9. Ben jij vier jaar?
      10. Zijn jullie ouder?

    • Ben ik een man?
      Ben je een kind?
      Is hij een leider?
      Is zij een vrow?
      Is het een auto?
      Zijn wij slim?
      Zijn jullie koks?
      Ben jij een studen?
      Is het kaas?
      Zijn wij goed?

    • 1. Ben je groot?
      2. Is de auto nieuw?
      3. Zijn jullie Iraniërs?
      4. Ben ik vriendelijk?
      5. Is hij Ahmad?
      6. Is de kaas lekker?
      7. Ben jij ziek?
      8. Zijn wij rijk?
      9. Is zij mijn buurvrouw?
      10. Ben ik duidelijk?

    • 1.Zijn Christina en Elen buren?
      2.Is Eindhoven een stad?
      3.Zijn honden dieren?
      4.Ben jij een baas?
      5.Zijn zij kinderen?
      6.Zijn zij een gezin?
      7.Is hij een student?
      8.Zijn jullie ouders?
      9.Ben ik een ingenieur?
      10.Is zij een werknemer?

    • 1. Is hij bouwvakker?
      2. Ben jij verpleegkundige?
      3. Zijn jullie weeskinderen?
      4. Ben ik gezagvoerder?
      5. Zijn zij werkloos?
      6. Is hij psycholoog?
      7. Ben jij timmerman?
      8. Is zij boerin?
      9. Zijn we tandartsen?
      10. Bent u kleuterleidster?

    • 1) Ben jij een docent?
      2) Zijn ze getrouwd?
      3) Is een vogel een dier?
      4) Is zij een klant?
      5) Zijn wij studenten?
      6) Is dit jouw auto?
      7) Zijn jongens jong?
      8) Ben ik een vrouw?
      9) Is Anna werkloos?
      10) Zijn dit pennen?

    • Is hij leraar?
      Ben jij een student?
      Is zij getrouwd?
      Zijn Michael en Edward vrienden?
      Ben jij econoom?
      Is Utrecht een stad?
      Is paard en dier?
      Ben je baas?
      Is Maria een vrouw?
      Is het jouw auto?

    • Ben ik student?
      Ben ik de klant?
      Zijn wij ingenieurs?
      Zijn jullie verkoper?
      Is hij docent?
      Is zij architect?
      Bent u burgemeester?
      Bent u zanger?
      Is hij een vader?
      Is zij een moeder?

    • 1. Is hij een leraar?
      2. Zijn wij vrienden?
      3. Zijn jullie studenten?
      4. Is het een boek?
      5. Is hij de docent?
      6. Zijn jullie de buren?
      7. Ben ik een student?
      8. Zijn wij een team?
      9. Is zij een vrouw?
      10. Is zij een klant?

    • 1. Is een kat een dier?
      2. Is het een koekje?
      3. Is hij een student?
      4. Is het een paard?
      5. Ben je een collega?
      6. Is Lucas zanger?
      7. Zijn zij zussen?
      8. Is een fiets snel?
      9. Ben ik een jongen?
      10. Is ze Koreaans?

    • 1. ​Is de hond groot?
      ​2. Ben jij een kok?
      3. ​Is dit de auto?
      4. ​Is zij een baby?
      ​5. Zijn het jouw schoenen?
      ​6. Is de kat zwart?
      ​7. Is hij een dokter?
      8. ​Is het een appel?
      ​9. Zijn de bloemen mooi?
      ​10. Is dat je vader?

    • 1. Ben je een student?
      2. Is jouw huis nieuw?
      3. Is hij een ingenieur?
      4. Zijn zij familie?
      5. Ben je een huisarts?
      6. Is zij jouw vriendin?
      7. Is het een huisdier?
      8. Is het een boek?
      9. Ben je een leraar?
      10. Zijn jullie vrienden?

    • 1. Ben ik de vader?
      2. Bent u de buurvrouw?
      3. Zijn jullie de assistenten?
      4. Is het de prijs?
      5. Is ze de dochter?
      6. Zijn jullie een gezin?
      7. Is hij de vriend?
      8. Ben je een opa?
      9. Is het het huis?
      10. Zijn wij de koks?

    • 1. Ben ik de buurman?
      2. Ben jij een meisje?
      3. Bent u een meneer?
      4. Is hij een jongen?
      5. Is het een boek?
      6. Is zij een vrouw?
      7. Zijn wij studenten?
      8. Zijn jullie vriendinnen?
      9. Zijn zij ouders?
      10. Ben jij een oma?

    • I missed the part using “zijn”…
      1. Ben jij de baas?
      2. Zijn Frand en Sander een bazen?
      3. Zijn jullie vrienden?
      4. Zijn appels en peren vruchten?
      5. Is een BMW een auto?
      6. Is het een dier?
      7. Zijn zij Nederlanders?
      8. Is een hond een huisdier?
      9. Zijn Daan en Lisa kinderen?
      10. Is hij een docent?

    • 1. is zij een vrouw?
      2. is de hond wit?
      3. zijn zij vriendinnen?
      4. ben jij gelukkig?
      5. is de tafel groot?
      6. ben ik een studente?
      7. zijn wij dokters?
      8. is het een auto?
      9. is de salade lekker?
      10. zijn zij Nederlanders?

    • 1. Ben jij een brandweerman?
      2. Ben ik een giraf
      3. Zijn zij hardlopers?
      4. Is dit een luipaard? Of een jaguar?
      5. Bent u advocaat?
      6. Zijn zij vrienden?
      7. Is zij een kapster?
      8. Ben ik een projectmanager bij ASML?
      9. Is dit een schroevendraaier?
      10. Is hij een grappenmaker?

    • 1. Ben jij een Ingeniuer?
      2. Is de pen rood?
      3. Is de buurman een man?
      4. Zij zijn Nederlands leren?
      5. Is de Auto groot?
      6. Zijn hij een docent?
      7. Zijn jouw jongens lang?
      8. Is de buurman vriendelijk?
      9. Is dit een problem?
      10. Is zijn Opa leven?

    • 1.Ben je moe?
      2.Is hij thuis?
      3. Zijn jullie klaar?
      4. Is zij ziek?
      5. Ben je blij?
      6. Zijn zij in de klas?
      7. Is het koud?
      8. Ben je in de stad?
      9. Zijn jullie buren?
      10. Is hij je broer?

    • 1. Ben je goed?
      2. Is hij lang?
      3. Is Eindhoven een stad?
      4. Zijn ze een manager?
      5. Zijn Maris en Sophie zussen ?
      6. Bent u klaar voor de meeting? (Are you ready for the meeting)
      7. Bent u vandaag beschikbaar? (Are you available today)
      8. Is hij jouw vriend ?
      9. Zijn ze jouw ouders ?
      10. Ben je een docent ?

    • 1. Zijn kraaien vogels?
      2. Is Jan een man?
      3. Is Ellen een vrienden?
      4. Is hij docent?
      5. Ben jij engenieur?
      6. Is een paard een dier?
      7. Is ze de dochter?
      8. Ben je een oma?
      9. Zijn Hans en Erwin collega’s?
      10. Is jouw buurman een taxichauffeur?

    • 1.Ben jij een student?
      2.Is hij een docent?
      3.Is zij een vrouw?
      4.Is het een konijn?
      5.Zijn wij vrienden?
      6.Zijn jullie werknemers?
      7.Zijn zij doktoren?
      8.Bent u een vrouw?
      9.Is hij een jongen?
      10.Zijn ze kinderen?

    • 1. Ben je moe?
      2. Ben jij vrij in de avond?
      3. Bent u buren?
      4. Bent u werkzaam?
      5. Is Michel de baas?
      6. Is zij jouw zus?
      7. Zijn we klaar?
      8. Zijn jullie Studeren?
      9. Zijn Tom en Margo collega’s?
      10. Is de winkel nieuw?

    • 1. Ben jij een ingenieur?
      2. Is dat een lamp?
      3. Zijn zij gelukkig?
      4. Ben jij moe?
      5. Zijn wij klaar?
      6. Is dat een strijkijzer?
      7. Zijn zij studenten?
      8. Is het een fles?
      9. Is zij de topper?
      10. Is dat een horloge?

    • 1. Is zij een lerares?
      2. Ben ik blij?
      3. Ben je te laat?
      4. Zijn zij in Amsterdam?
      5. Is hij mijn vriend?
      6. Zijn jullie moe?
      7. Is het warm vandaag?
      8. Zijn wij hier?
      9. Ben jij erg lang?
      10. Zijn zij kinderen?

    • 1. Is zij een lerares?
      2. Ben ik blij?
      3. Ben je te laat?
      4. Zijn zij in Amsterdam?
      5. Is hij mijn vriend?
      6. Zijn jullie moe?
      7. Is het warm vandaag?
      8. Zijn wij hier?
      9. Ben jij erg lang?
      10. Zijn zij kinderen?

    • 1. Ben jij een ouder?
      2. Ben jij moe?
      3.Ben jij een meisje?
      4.Is hij een vader?
      5. Is zij een docent?
      6.Zijn zij kinderen?
      7.Is het mooi?
      8.Zijn zij katten?
      9. Ben jij Maria?
      10. Is het een pen?

    • 1. Ben ik te laat?
      2. Ben jij moe?
      3. Is zij thuis?
      4. Is hij docent?
      5. Is het koud buiten?
      6. Zijn wij studenten?
      7. Zijn jullie vrienden?
      8. Zijn zij op vakantie?
      9. Zijn de boeken nieuw?
      10. Zijn jullie klaar?

    • 1. Ben jij een student?
      2. Is zij een mama?
      3. Is hij een docent?
      4. Zijn jullie vrienden?
      5. Zijn wij grootouders?
      6. Is een hond een dier?
      7. Ben jij een manager?
      8. Is hij een ingenieur?
      9. Is zij een zus?
      10. Zijn jullie buren?

    • 1. Ben ik Eindhovenaar?
      2. Ben jij mijn vriend?
      3. Bent u een baas?
      4. Is hij Amerikaan?
      5. Is zij een oma?
      6. Is het jouw kat?
      7. Zijn wij bakkers?
      8. Zijn jullie studenten?
      9. Zijn zij mijn kleinkinderen?
      10. Ben ik een meisje?

    • 1. Is het boek nieuw?
      2. Is het huis groot?
      3. Is de tas zwart?
      4. Is de fiets oud?
      5. Zijn de katten lief?
      6. Is het kind moe?
      7. Is de stoel klein?
      8. Zijn de bloemen mooi?
      9. Is het eten lekker?
      10. Zijn de kinderen blij?

    • 1. Is dit van u?
      2. Is dit nu in de aanbieding?
      3. Zijn zij zijn vrienden?
      4. Is Nederlands een moeilijke taal?
      5. Ben je de bewaker bij dit warenhuis?
      6. Ben je de serveerster bij dit restaurant?
      7. Is zij een vrijwilliger bij de bibliotheek?
      8. Ben ik te laat?
      9. Ben je de werkgever bij dit bedrijf?
      10. Ben je eerlijk?

    • 1. Ben je moe?
      2. Bent u een kennis van meneer Jansen?
      3. Is hij een model?
      4. Is ze je vriendin?
      5. Zijn we vrienden?
      6. Zijn de voorstellen goed?
      7. Is dit jouw adres?
      8. Zijn de toestellen nieuw?
      9. Is het een ongeluk?
      10. Zijn de sterren mooi vanavond?

    • 1. Ben je te laat?
      2. Is zij verpleegkundige?
      3. Is hij een lange man?
      4. Zijn Anna en Nico vrienden?
      5. Zijn jullie klasgenoten?
      6. Zijn we er al?
      7. Ben je klaar voor de toets?
      8. Zijn het advocaten?
      9. Is de hond gezond?
      10. Zijn paarden en leeuwen dieren?

    • 1. Ben je een student?
      2. Ben ik een kat?
      3. Is hij een konijn?
      4. Is zij een vogel?
      5. Zijn jullie vriendinnen?
      6. Zijn wij bananen?
      7. Is het een auto?
      8. Zijn ze moeders?
      9. Ben jij een man?
      10. Is ze een meisje?

    • 1. Ben ik cursant?
      2. Bent u docent?
      3. Is hij een medewerker?
      4. Zijn zij de moeders?
      5. Is ze de dochter?
      6. Ben jij ingenieur?
      7. Ben ik de expert?
      8. Is zij een hondeneigenaar?
      9. Zijn jullie de duikinstructeurs?
      10. Zijn wij het besten?

    • 1 Zijn zij dieren?
      2 Is hij de man?
      3 Is zij een fietser?
      4 Ben jij een piloot?
      5 Zijn jullie collega’s?
      6 Is zij een buurvrouw?
      7 Zijn wij modellen?
      8 Bent u een verkoper?
      9 Zijn Pieter en Otto buurmannen?
      10 Ben je thuis?

    • 1 Ben jij een student?
      2 Bent u een verkoper?
      3 Is hij een huiseigenaar?
      4 Is Maria een verpleegkundige?
      5 Is het een poedel?
      6 Zijn wij een stel?
      7 Zijn jullie huurders?
      8 Zijn Jan en Jeroen atleten?
      9 Zijn zij spelers?
      10 Ben ik een autobestuurder?

    • 1. Is hij lang?
      2. Is zij vrolijk?
      3. Is hij een kat?
      4. Is zij je vriendin?
      5. Is het vandaag maandag?
      6. Is de kat zwart?
      7. Is je docent aardig?
      8. Is zij een manager?
      9.Is Nederland een land?
      10. Zijn jullie studenten?

    • 1. Ben ik een mens?
      2. Ben jij een buschauffeur?
      3. Bent u een koper?
      4. Is hij een bewaker?
      5. Is zij een huisvrouw?
      6. Is hij een timmerman?
      7. Is het een bedrijf?
      8. Zijn wij huisartsen?
      9. Zijn jullie secretaresses?
      10. Zijn de collega’s de opzichters?

    • Ben ik een hond?
      Ben je een vrouw?
      Ben jij een student?
      Is hij mooi?
      Is de auto duur?
      Is jouw kat klein?
      Zijn jullie vrienden?
      Zijn wij collega’s?
      Zijn ze boekend?
      Is zij zijn vrouw?

    • 1. Ben jij alleenstaand?
      2. Is Philippe de docent?
      3. Zijn jullie studenten?
      4. Bent u de leidinggevende?
      5. Is het fruit?
      6. Is hij een vriend?
      7. Zijn wij mensen?
      8. Zijn ze klaar?
      9. Is ze een collega?
      10. Is het warm?

    • 1. Is de winkel open?

      2. Zijn zij thuis?

      3. Is het morgen?

      4. Is het boek goed?

      5. Ben je ziek?

      6. Zijn wij klaar?

      7. Is het koud?

      8. Zijn ze vriendinnen?

      9. Is ze een goed mens?

      10. Zijn wij een stel?

    • 1. Is Albert een baas?
      2. Zijn Tom en Alice collega’s?
      3. Zijn Wilma en Tom buren?
      4. Is Nederland een land?
      5. Is Eindhoven een stad?
      6. Is een hond een huisdier?
      7. Zijn Daan en Alice kinderen?
      8. Is zij een manager?
      9. Is een paard een dier?
      10. Zijn Emman en Eva vriendinnen?

    • 1. Is hij jouw broer?
      2. Zijn zij vriendinnen?
      3. Is dat duur?
      4. Is hij een docent?
      5.Is glas op de tafel?
      6. Schildpad en koe zijn huisdier?
      7. Ben je ingenieur?
      8. Is dat moeilijk?
      9. Is dat makkelijk voor jou?
      10. Is zij hier?

    • 1. Ben jij jarig?
      2. Is hij laang?
      3. Bent u een docent?
      4. Zijn zij druk?
      5. Ben jij een student?
      6. Is zij hier?
      7. Zijn zij thuis?
      8. Ben jij een ingenieur?
      9. Is zij een manager?
      10. Zijn zij aardig?

    • 1. Ben ik lang of kort?
      2. Is Tom een teamleider?
      3. Is het brood droog of vers?
      4. Zijn jullie een team?
      5. Zijn zij op de markt?
      6. Is zij een student?
      7. Ben jij de beheerder?
      8. Bent u de directeur?
      9. Ben ik grappig?
      10. Zijn wij blij?

    • 1. Ben ik een student?
      2. Is Amish een docent?
      3. Ben jij een klant
      4. Is jordi een baas?
      5. Zijn Anna en Maria collega’s?
      6. Is India een land?
      7.zijn zij managers?
      8. Is een hond een dier?
      9. Is Bart een passagier?
      10. is koen de buurman?

    • 1. Ben jij een fotograaf?
      2. Zijn wij een familie?
      3. Is zij jouw docent?
      4. Zijn zij een team?
      5. Is zij een advocaat?
      6. Ben jij een kind?
      7. Is hij haar vriend?
      8. Is zij jouw vrouw?
      9. Zijn jullie studenten?
      10. Ben jij een astronaut?

    • 1. Bent jij een kind?
      2. Bent U Charlie?
      3. Is hij jouw broeder?
      4. Is zij de docent?
      5. Zijn jullie in de auto?
      6. Ben Ik geregistreerd ?
      7. Is hij komen voor de avondmaaltijd?
      8. Is zij zoeken voor de hond?
      9. Bent jullie op school?
      10. Bent jij hier voor lang tijd?

    • 1. Is het goed?
      2. Zijn jullie vrij?
      3. Bent u indiaas?
      4. Is zij anna’s vriend?
      5. Bent u een tandarts?
      6. Ben je getrouwd?
      7. Is aparna ingenieur?
      8. Bent u thuis?
      9. Zijn wij laat?
      10. Zijn zij studenten?

    • 1. Is het een boom?
      2. Zijn jullie een gezin?
      3. Heeft Peter het toestel?
      3. Heeft hij de kennis?
      4. Ben jij een oma?
      5. Heb jij een buurman?
      5. Zijn jullie getrouwd?
      6. Hebben zij de sleutel?
      7. Zie je de tas?
      8. Is de olifant een zoogdier?
      9. Hebben zij een woning?
      10. Wil zij een thee?

    • 1. Ben ik een vrouw?
      2. Is het een banaan?
      3. Ben ik de psycholoog en de docent?
      4. Ben jij de journalist?
      5. Zijn jullie de politici?
      6. Is het de trein?
      7. Zijn wij een gezin?
      8. Zijn zij de ingenieurs?
      9. Is hij een politieagent?
      10. Is zij de architect?

    • 1. Ben jij een vriend?
      2. Zijn jullie blijven?
      3. Is hij huisarts?
      4. Ben ik een schildpad?
      5. Is hij een vriend van haar?
      6. Zijn hem mannen of vrouwen?
      7. Is zij docent van deze les?
      8. Zijn jullie interessant van de meneer met het schaap?
      9. Is het kip voor het avondeten?
      10. Zijn zij een docenten?

    • 1) Is hij een buurman?
      2) Ben ik een docent?
      3) Is Maria een vrouw?
      4) Is het huis groot?
      5) Zijn zij ouders?
      6) Is de kat een dier?
      7) Bent u de broer?
      8) Ben jij de zus?
      9) Is de tafel van hout?
      10) Ben ik onbeleefd?

  • Load More Posts