Dutch Course Eindhoven A1 Homework Answers Group

  • Public Group
  • 1 day, 3 hours ago
  • 105

    Posts

  • 184

    Members

  • Dutchbook huiswerk (homework):👨‍🎓

    Make 10 sentences with -hebben / zijn-.

    Please post your sentences below:

    liked this
    135 Comments
    • 1. Ik ben Krysta
      2. Ik heb een hondje
      3. Hij naam is Milo
      4. Hij woont in Indonesie
      5. Zij heeft een zus
      6. Jullie hebben kinderen
      7. Het kind heeft een muis
      8. Het kind is jong
      9. Ik ben een vrouw
      10. Jij bent een man

    • 1. Ik heb een fiets.
      2. Zij heeft een auto.
      3. Wij zijn leraren.
      4. Ze hebben twee kinderen.
      5. Hij heeft een boek.
      6. U hebt een huis.
      7. Zij is een ingenieur.
      8. Hij is vriendelijk.
      9. Jullie zijn rustige.
      10. De kat is schattig.

    • 1. Ik ben een vrouw
      2. Ik heb een hond
      3. Wij hebben een huis
      4. Zij heeft een auto
      5. Jij bent een kind
      6. Jij hebt kinderen
      7. Leo heeft een vraag
      8. Het is lekker
      9. Jullie hebben een kat
      10. Zij zijn katten

    • 1. Jij hebt de naam.
      2. Ik heb twee tennis rackets.
      3. Wij zijn in de restaurant.
      4. Zij is mijn vreindin.
      5. Hij is mijn broer.
      6. Hij heeft mijn telefoon.
      7. Zij hebben een auto.
      8. Ik heb honger.
      9. Jij hebt een pen?
      10. Zij is een huisarts.

    • 1. Ik heb een naam
      2. Hij heeft een kind
      3. Jij bent een jongen
      4. Zij is een oma
      5. Zij hebben een huis
      6. Ik heb een winkel
      7. Hij heeft een kat
      8. Zij heeft een buurvrouw
      9. Jullie hebben een koe
      10. Ik heb een telefoon

    • 1. Ik heb een huis
      2. Jullie hebben boeken
      3. HIj heeft een buurman
      4. Zij heeft een tuin
      5. Wij hebben kinderen
      6. Wij zijn schrijfsters
      7. Dirk is de baas
      8. Remco heeft een boerderij
      9. ik ben medewerker
      10. Lisa heeft geld

    • 1. Ik ben ontwerper.
      2. Jij bent een meisje.
      3. Hij heeft een hond.
      4. Zij heeft een kind.
      5. Het is een vogel.
      6. Wij zijn mensen.
      7. Jullie hebben een huis.
      8. Zij zijn goed.
      9. Ik heb honger.
      10. Jij bent slim.

    • 1. Ik heb een naam.
      2. Zij heeft een man.
      3. Zij is een vrouw.
      4. Zij hebben een kind.
      5. Jullie hebben een jongen.
      6. Jij hebt het meisje.
      7. Hij is mijn zoon.
      8. Zij is mijn moeder.
      9. Hij is de vader.
      10. Hij is mijn vriend.

    • 1. Ik ben Faruk.
      2. Ik heb een auto.
      3. Jij hebt twee boeken.
      4. Jullie zijn mijn vrienden.
      5. U bent mijn docent.
      6. Hij is mijn buurman.
      7. Zij heeft een fiets.
      8. Wij hebben een problem.
      9. Zij heft een huis.
      10. U heeft een hond.

    • 1. Jij hebt een zoon
      2. Zij is mijn moeder
      3. Wij zijn vrienden
      4. Hij heeft een tafel
      5. Jullie zijn mensen
      6. Zij hebben een hond
      7. Ik heb een kaartje
      8. Hij is een vader
      9. U bent een opa
      10. Jullie hebben twee kinderen

    • 1. Ik heb een hond.
      2. Jullie hebben een school.
      3. Wij zijn studenten .
      4. Hij heeft een pen.
      5. Zij heeft een dochter.
      6. Zij zijn vrouwen.
      7. Wij zijn vrienden.
      8. Je hebt een tuin.
      9. Ik heb een zus.
      10. Het paard heeft suiker.

    • 1. Zij hebben een kat.
      2. Jij bent een student.
      3. Ik heb een fiets.
      4. U bent een huisarts.
      5. Hij heeft een hond.
      6. Zij is een moeder.
      7. Jullie hebben een huis.
      8. Wij zijn jongens.
      9. Ik heb een pen.
      10. Jij hebt een kind.

    • 1. Ik ben een dier
      2. Jij bent een werkgever
      3. Zij is een vogel
      4. Wij zijn vrienden
      5. Jullie zijn leidinggevenden
      6. Ik heb een tafel
      7. U hebt een opa
      8. Hij heeft een buurman
      9. Zij hebben hoofden
      10. Wij hebben koeien

    • 1. Hij heeft een naam.
      2. Jij bent een vrouw.
      3. Zij heeft een zoon.
      4. Hij heeft een opa.
      5. Jullie hebben een winkel.
      7. Ik ben een man.
      8. Jij hebt een kat.
      9. Zij heeft een tafel.
      10. Jij bent een meisje.

    • 1. Ik heb een hond.
      2. Jij bent een ingenieur.
      3. Zij heeft twee jassen.
      4. Julie zijn studenten.
      5. Anna heeft drie jurken
      6. Hij is een huisarts.
      7. De hond heeft een bot
      8. Zij is een meisje.
      9. Wij hebben een huis.
      10. Zij heeft een auto.

    • 1. Hij heeft een naam.
      2. Zij heeft een man.
      3. Ik heb een vrouw.
      4. Jij hebt een kind.
      5. Zij hebben een jongen.
      6. Wij hebben een meisje.
      7. Zij hebben een zoon.
      8. Hij heeft een moeder.
      9. Zij heeft een vader.
      10. Ik heb een vriend.

    • 1. Ik ben een man
      2. Ik heb 3 katten
      3. Ik ben getrouwd
      4. Jij bent een leraar
      5. Zij is een vrouw
      6. Hij is een jongen
      7. Wij hebben voetbal schoenen
      8. Jullie zijn studenten
      9. Zij hebben fietsen
      10. Wij hebben huiswerk

    • 1. Het huis heeft een deur.
      2. Hij is een man.
      3. De vrouw heeft een auto.
      4. Zij zijn kinderen.
      5. Zij heeft een fiets.
      6. Dit is mijn pen.
      7. Wij zijn studenten.
      8. De jongen heeft een boek.
      9. Zij hebben een groot huis.
      10. Ik ben een arts.

    • 1. Ik ben Behrouz.
      2. Je bent een vrouw.
      3. Hij is een jongen.
      4. Ze is een meisje.
      5. Het is een hond.
      6. Wij zijn studenten.
      7. Jullie zijn ingenieurs.
      8. Ik heb een computer.
      9. Ze heeft een krant.
      10. Zij hebben een huis.

    • 1. Hij heeft een huis.
      2. Het huis heeft een keuken.
      3. Wij hebben twee kinderen.
      4. Zij hebben een auto.
      5. Een vogel is een dier.
      6. Jullie hebben een afspraak.
      7. Hij is een man.
      8. Jij hebt een telefoon.
      9. Anna heeft een buurvrouw.
      10. Ik heb een boek.

    • 1. Ik ben een man

      2. Jij hebt een huis

      3. Het huis is groot

      4. Wij hebben dorst

      5. Het meisje heeft water

      6. Hij heeft een bal

      7. De bal is rond

      8. Wij zijn studenten

      9. Ik heb een hond

      10. Jij bent een fietser

    • 1. Hij is lang.
      2. Zij zijn broers.
      3. Ziekenhuizen hebben verpleegkundigen.
      4. Zij hebben honden.
      5. Jullie zijn studenten.
      6. Hij is vriendelijk.
      7. Jullie hebben water.
      8. Zij hebben bananen.
      9. Wij hebben huiswerk.
      10. Ik heb tijd.

    • 1. Ik ben belastingadviseur.
      2. Jullie zijn studenten.
      3. Hij is een politieagent.
      4. Zij heeft een mooi huis.
      5. Hij heeft een hond.
      6. De jongen heeft een kat.
      7. Je bent leraar.
      8. Wij zijn oud.
      9. Jullie zijn jong.
      10. Het huis heeft een raam.

    • 1. Ik ben een man
      2. Ik heb een jas
      3. Ze is Nederlands
      4. Jullie hebben twee kinderen
      5. Hij is een jongen
      6. Zij is getrouwd
      7. We zijn broer en zus
      8. Je bent een vrouw
      9. Ik ben alleen
      10. Ze zijn samen

    • 1. Ik heb een huis.
      2. Hij heeft een hond.
      3. Zij heeft een kat.
      4. Zij zijn kinderen.
      5. Jij hebt een vogel.
      6. U bent een vader.
      7. Hij is een werknemer.
      8. Jullie hebben kaartjes.
      9. Wij zijn vrienden.
      10. Wij hebben fietsen.

    • 1. We zijn ouders.
      2. Ik ben een meisje.
      3. Jullie hebben een hond.
      4. Jij bent mijn vriend.
      5. Zij heeft een kind.
      6. U heeft het kaartje.
      7. Het is een vogel.
      8. Ik heb de stoel.
      9. Hij heeft een telefoon.
      10. Wij hebben een tafel.

    • 1.Ik heb een appel
      2.Hij heeft een zoon
      3.Zij heeft een krant
      4.Hij is de man
      5.Zij is het meisje
      6.Wij hebben het eten
      7.Ik ben een vrouw
      8.Jij hebt een hond
      9.Hij heeft een auto
      10.Wij zijn mensen

    • 1. Ik heb een computer
      2. Jij bent een opa
      3. Jullie hebben het boek
      4. Je bent een leraar
      5. Jullie hebben een hond
      6. Wij hebben het geld
      7. Zij zijn accountants
      8. De kat heeft honger
      9. Je hebt drie euro
      10. Wij zijn jong

    • 1. Ik heb een boek.
      2. Jij bent mijn vriend.
      3. Zij heeft honden.
      4. Hij heeft katten en auto’s.
      5. Zij hebben een vliegtuig.
      6. Zij heeft een kaartje.
      7. Zij heeft een auto en een hond.
      8. Hij heeft een tafel.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Jullie hebben geld.

    • 1. Zij is een moeder.
      2. Paarden zijn dieren.
      3.Het huis heeft een keuken.
      4. Ik heb de kamer.
      5. Zij hebben een winkel.
      6. De koe heeft een klok.
      7. Ik ben een werknemer.
      8. Jij hebt de telefoon.
      9. Je bent de buurvrouw.
      10. Jullie zijn ouders.

    • 1. Ik ben een vrouw.
      2.Ik heb een hond.
      3.Hij is docent.
      4.Hij heeft een boek.
      5.Zij hebben een paard.
      6.Zij zijn studenten.
      7.Wij hebben een kat.
      8.Jij hebt een huis.
      9.Jij bent ingenieur.
      10.Jullie hebben kinderen.

    • Ik heb een kat.
      Jij hebt een boek.
      Wij hebben een hond.
      Hij heeft een auto.
      Jullie hebben een fiets.
      Ik ben thuis.
      Jij bent student.
      Hij is dokter.
      Wij zijn ouders.
      Zij zijn vrienden.

    • 1.Ik heb een elektrische fiets
      2.Zij is mijn moeder
      3.Hij is alleenstaand
      4.Wij hebben morgen les
      5.Zij zijn een stel
      6.Hebben julie postzegels?
      7.Je hebt een vliegticket
      8.Zij hebben een grote keuken
      9.Hij heeft een auto
      10.Zij zijn werknemers

    • 1. Ik ben heel moe.
      2. Ik heb een baan.
      3. Jij bent mijn vriend.
      4. Je hebt mijn pen
      5. Hij is een lerar.
      6. Hij heeft een auto.
      7. Ze is een vrouw.
      8. Ze heeft een mooie jas.
      9. Jullie zijn getrouwd.
      10. Jullie hebben allemaal mooie huizen.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij heeft kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik heb chocolade.
      2. Het is een keuken.
      3. Ik ben fotograaf.
      4. Jij bent mijn broer.
      5. Wij zijn vrienden.
      6. Het is mijn hond.
      7. Hebben jullie bier?
      8. U hebt de kaartjes.
      9. Zij zijn de buren.
      10. Hij heeft een fiets.

    • Jij bent een kind
      Zij is een receptionist.
      Jullie zijn een ploeg.
      Hij is een opa.
      Ik ben een psycholoog.

      Ik heb een hond.
      Jij hebt een regenjas.
      Ik heb een moeder.
      Wij hebben Nederland les.
      Zij hebben een festival.

    • 1. Ik ben een man.
      2. Ik heb een huis.
      3. Jij bent een kind.
      4. Wij zijn vrienden.
      5. Zij heeft een hond.
      6. Hij heeft een auto.
      7. Jij hebt de telefoon.
      8. Zij hebben een afspraak
      9. Wij hebben een kat en een vogel.
      10. Ik heb een moeder en een vader.

    • 1. Ik ben een vrouw
      2. Ik heb een naam
      3. Hij is een man
      4. Hij heeft een auto
      5. Wij hebben een tafel en een stoel
      6. Zij hebben een kat en een hond
      7. U hebt een vogel
      8. Hij is een collega
      9. Wij hebben een fiets
      10. Zij heeft een afspraak

    • 1. Ik heb een auto
      2. Jij bent een ingineur
      3. Zij is een leraar
      4. Hij heeft een kat
      5. Het is een boom
      6. Jullie hebben fietsen
      7. Hij heeft een kaartje
      8. Zij is een meisje
      9. Zij hebben een hond
      10. Zij is Emma

    • 1. Ik heb honger.
      2. Ik ben tweeëndertig jaar oud.
      3. Ik heb een vriendin.
      4. Zij is ingenieur.
      5. Wij zijn gelukkig samen.
      6. Hij is een konijn.
      7. Mijn moeder is achtenvijftig jaar oud.
      8. Jij hebt twee bananen.
      9. Jullie hebben elf boeken.
      10. Zij heeft een kat.

    • 1. Ik ben een man.
      2. Ik heb een computer.
      3. Jij bent in Brabant!
      4. Jij hebt een huis.
      5. Hij is een vader.
      6. Zij heeft een hond.
      7. Wij zijn PSV-fans.
      8. Jullie hebben avondeten.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Zij hebben fietsen.

    • 1. Hij heeft twee katten.
      2. Het meisje heeft vier boeken.
      3. U bent een ingenieur.
      4. Wij hebben een tuin.
      5. Jij bent een kind.
      6. Ik ben een vrouw.
      7. Wij hebben een zwarte kat.
      8. Het is een rode bal.
      9. Zij heeft zes honden.
      10. Jullie zijn kinderen.

    • 1. Ik ben een ingenieur.
      2. Jij hebt geld.
      3. Ik heb een huis.
      4. U heeft een boek.
      5. Wij hebben geld.
      6. Hij heeft een laptop.
      7. Het is een hond.
      8. Ik heb een mobiele telefoon.
      9. Hij heeft een fiets
      10. U bent een mens

    • 1. Ik heb een boek.
      2. Wij zijn studenten.
      3. Anneke is een vrouw.
      4. Zij heeft kort haar.
      5. Wij hebben een afspraak.
      6. Hij heeft een hond.
      7. Ik ben in Eindhoven.
      8. Eindhoven is een stad.
      9. Jij hebt een vriend.
      10. Jullie zijn kinderen.

    • 1. Ik ben een meisje.
      2. Je bent een jongen.
      3. Hij heeft een huis.
      4. Zij heeft een jas.
      5. Ik heb honger.
      6. Zij hebben een hond.
      7. Zij heeft een zus.
      8. Ik heb een broodje.
      9. Hij heeft een nieuwe auto.
      10. Wij hebben geluk.

    • 1. Jullie wonen in Nederland.
      2. Wij zijn blij.
      3. Zij zijn op vakantie
      4. Zij is mijn vriendin
      5. Jij hebt een mooi huis
      6. Ik heb twee katten.
      7. Jullie boeken zijn groot.
      8. Zij is moe
      9. Het is koud vandaag.
      10. Jullie zijn op tijd

    • 1. Ik ben moe.
      2. Jij bent blij.
      3. Wij zijn vrienden.
      4. Hij heeft een auto.
      5. Zij heeft een kat.
      6. Jullie hebben een huis.
      7. Ik heb een boek.
      8. Jij bent leraar.
      9. Wij hebben vakantie.
      10. Het is koud vandaag.

    • 1. Ik ben een vrouw.
      2. Zij is een zangeres.
      3. Hij heeft een hond.
      4. Wij hebben een auto.
      5. Zij zijn acteurs.
      6. Zij heeft een vriend.
      7. Wij zijn blij.
      8. Ik ben Rucha
      9. Het is lekker!
      10. U bent een jongen

    • 1. Ik heb een auto.
      2. De auto is blauw en klein.
      3. Jij hebt een kast en een stoel.
      4. Jij bent een vriendelijk persoon.
      5. Hij is een ingenieur.
      6. Zij heeft een huisdier.
      7. Wij hebben een bordspel.
      8. Jullie zijn hardwerkende mensen.
      9. Zij hebben een zwembad.
      10. U hebt een voetbal.

    • 1. Ik heb honger.
      2. Zij hebben twee honden.
      3. Jij bent een vrouw.
      4. Hij is een student.
      5. Wij hebben vier fietsen.
      6. Zij is een hardloper.
      7. U heeft een nieuw huis.
      8. Het is leuk hier.
      9. Jullie zijn vrienden.
      10. Ik ben blij.

    • 1. Ik ben een vrouw.
      2. Hij is een man.
      3. Zij heeft een kind.
      4.Zij hebben een jongen.
      5.Ik heb een tafel.
      6. zij is een meisje.
      7. De Kat is een dier.
      8. Hij heeft een fiets.
      9. Ik heb een vriendin.
      10. Jij hebt een auto.

    • Ik ben een vrouw.
      Hij heeft een fiets.
      Zij heeft een hond.
      Hij is een huisarts.
      Zij is een leraar.
      Wij zijn collega’s.
      Jullie hebben een pen.
      Zij zijn mijn vrienden.
      Wij hebben een auto.
      Zij hebben een appelboom.

    • 1. Ik heb een schildpad
      2. Ik heb een motor
      3. Zij zijn spelen
      4. Wij hebben een auto
      5. Jullie hebben fietsen
      6. Zij zijn sterk
      7. Ik ben een man
      8. Ik heb twee fietsen
      9. Jullie zijn aardig
      10. Wij zijn in A1

    • 1. Ik ben een man
      2. Zij is een kind
      3. Hij heeft een paard
      4. Jij hebt een auto
      5. Ze zijn jongens
      6. Het is een menu
      7. Wij hebben een boek
      8. Ik heb een hond
      9. Hij heeft een zoon
      10. Zij is Klara

    • 1. Ik ben een man
      2. Zij is een kind
      3. Hij heeft een paard
      4. Jij hebt een auto
      5. Ze zijn jongens
      6. Het is een menu
      7. Wij hebben een boek
      8. Ik heb een hond
      9. Hij heeft een zoon
      10. Zij is Klara

    • 1. Ik heb een Auto
      2. U hebt een fiets
      3. Jij bent een leraar
      4. Hij heeft een boerderij
      5. Zij is een advocaat
      6. Ze zijn een band
      7. Wij zijn studenten
      8. Jullie zijn expats
      9. Jij bent een danser
      10. Ik heb twee katten

    • 1. De zon heeft de hond.
      2. Het huis heeft een keuken.
      3. De jongen is het kind.
      4. Ik heb een oma.
      5. Eduard is een huisarts.
      6. Hendrik heeft het geld.
      7. Je hebt de kat.
      8. U bent een leraar.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Jullie hebben het bedrijf.

    • 1. Ik heb vandaag een afspraak .
      2. Mijn man heeft een auto.
      3. Ik heb twee zonen.
      4. Ik ben getrouwd.
      5. We hebben een hond.
      6. Zij is blij.
      7. Mijn buren hebben een groot huis.
      8. Wij zijn bezig.
      9. Jullie hebben veel vragen.
      10. U heeft een geweldige dochter.

    • 1. Ik heb dorst
      2. Zij heeft een nieuwe kast
      3. Hij is een werknemer
      4. Ik heb een oude fiets
      5. Het huis heeft een tuin
      6. Wij hebben een afspraak
      7. Jullie hebben een zoon
      8. U bent een werkgever
      9. Jij hebt een vriendin
      10. Zij zijn jongens

    • 1. Ik heb een auto
      2. Ik ben een man
      3. Wij hebben een zoon
      4. Hij is 6 jaar
      5. Het huis heeft tien deuren
      6. Zij zijn kinderen
      7. Zij hebben een fiets
      8. Ze heeft een werk
      9. De zoon is een student
      10. Zij hebben een leraar

    • 1.Ik heb een huis
      2.Ik ben een man
      3.Jij hebt een vrouw
      4. Hij is mijn oma
      5. De winkel is gesloten
      6. Zij hebben een kat
      7. U heeft drie vrienden
      8. Het is een tafel
      9. Jullie hebben een kind
      10. Wij zijn studenten

    • 1- We hebben een auto
      2- We hebben een appartement
      3- Ik ben ingenieur
      4- U bent getrouwd
      5- Ik heb een broer en een zus
      6- Ik ben Turks
      7- Zij hebben drie honden
      8- Zij heeft lang haar
      9 Zij hebben twee kinderen
      10- Zij zijn vriendinnen

    • 1. Ik heb een huis
      2. Ik ben een man
      3. We zijn getrouwd
      4. Een auto heeft vier deuren
      5. Het boek heeft een naam
      6. Ik heb een oma
      7. Het huis heeft drie kamers
      8. Zij hebben twee kinderen
      9. Wij hebben een winkel
      10. U bent een werknemer

    • 1.Zij is een vrouw
      2.De Vogel heeft geen arm.
      3. Ik heb geen auto.
      4.Zij hebben een kind.
      5.Hij is mijn Opa
      6.Hij is 70 jaar oud man.
      7.Het huis heeft 3 slaapkamer.
      8.Jij hebt de hond.
      9.De auto is wit.
      10. De bus is vol.

    • 1- Ik heb een huis.
      2- Jij hebt een hond.
      3- Hij heeft een auto.
      4- Zij heeft een tas.
      5- Wij hebben een aaspraak.
      6- Ik heb geen problem.
      7- Hij is mijn collega.
      8- Wij zijn moe.
      9- De winkel is open.
      10- Zij is vriendelijk.

    • 1. Ik ben een engineer
      2. Hij is een verzekeringsadviseur
      3. We hebben een huis
      4. Zij heeft een koe
      5. De boterham is niet lekker
      6. Ik ben getrouwd
      7. Mijn vriend is heel koppig
      8. Ik heb een afspraak met de huisarts
      9. Wij zijn kinderen
      10. Je hebt een auto

    • 1. Het water is koud
      2. Jullie zijn laat
      3. Zij hebben geld
      4. Wij zijn blij
      5. U bent de leraar
      6. Heb jij honger
      7. Ik heb tijd
      8. Ben jij thuis
      9. De vrouw heeft dorst
      10. Jullie hebben een kat

    • 1. Ik heb een huis.
      2. Jij hebt een vriendin.
      3. Hij is mijn broer.
      4. Zij heeft geen kinderen.
      5. Het is een hond.
      6. Wij zijn studenten.
      7. Jullie hebben drie pennen.
      8. Zij hebben de tafel.
      9. Hij heeft een appel.
      10. Ik heb het koud.

    • 1. Ik ben Filareti.
      2. Ik heb een zus.
      3. Mijn huis is groot.
      4. Hij heeft een auto.
      5. Mijn vrienden zijn blij.
      6. Zij hebben les.
      7. Anna en Theo zijn op school.
      8. U heeft twee boeken.
      9. Jij hebt de kleine pen.
      10. Julllie zijn op vakantie.

    • 1. Ik heb geen kinderen
      2. Het meisje heeft een blauwe fiets
      3. Theo is een docent
      4. Jij hebt twee honden
      5. De man is leuk
      6. Ik ben een wetenschapper
      7. Zij zijn in de keuken
      8. Jij bent rustig
      9. Wij hebben het koud
      10. De boom heeft drie appels

    • 1. De man heeft een belangrijke vrouw.
      2. De jongen heeft honger.
      3. Ik heb dorst.
      4. De vrouw heeft een winkel.
      5. De bank is heel mooi.
      6. Het meisje is leuk.
      7. Het kind heeft een kat.
      8. De telefoon is goedkoop.
      9. De oma heeft twee benen.
      10. Een vogel is een dier.

    • 1. Ik ben een vrouw
      2. Wij hebben een kind.
      3. Hij is een jongen.
      4. Hij heeft een boek.
      5. Jij bent een docent
      6. Zij hebben een auto.
      7. Het is de pen.
      8. Wij zijn studenten.
      9. Ik heb een fiets.
      10. Het heeft een fietszadel.

    • 1. Zij hebben geen kinderen
      2. Ze zijn Jongens
      3.We hebben het menu.
      4. Ik ben een man.
      5. Zij bent studenten.
      6. ik heb een hond.
      7. De vogel heeft geen staart.
      8. Ik heeft het menu.
      9. zij zijn mens
      10. Hij is geen meijse .

    • 1. Ik heb een tas.
      2. Jij hebt een pen.
      3. Hij heeft een hond.
      4. Wij hebben een huis.
      5. Zij hebben twee appels.
      6. Ik ben blij.
      7. Wij zijn thuis.
      8. Zij zijn in de klas.
      9. Hij is mijn vriend.
      10. Jij bent heir.

    • 1. Ik ben een ingenieur
      2. Zij zijn studenten
      3. Jullie hebben een groot huis
      4. hij heeft groene ogen
      5. Jij hebt een hond
      6. Jouw naam is Philippe
      7. Wij hebben geen kinderen
      8. het huis heeft twee slaapkamers
      9. Ik heb een fiets
      10. Ze is een docent

    • 1. Ik ben een student.
      2. Ik heb een kat.
      3. Mijn moeder heeft een auto.
      4. Hij is mijn vriend.
      5. Zij heeft twee kinderen.
      6. Wij zijn vrienden.
      7. Ik heb een huis.
      8. Jij bent een leraar.
      9. Zij is een vrouw.
      10. Wij hebben een hond.

    • 1. Jullie zijn studenten.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Het heeft een dierenarts.
      4. Wij zijn meisjes.
      5. Zij is een vrow.
      6. Hij is een man.
      7. Wij hebben huiswerk.
      8. Zij heeft een kat.
      9. Jullie zijn jongens.
      10. Wij zijn blij.

    • 1. Ik heb een boek.
      2. Jij hebt een nieuwe fiets.
      3. Hij heeft twee broers.
      4. Wij hebben veel tijd.
      5. Zij hebben een groot huis.
      6. Ik ben moe.
      7. Jij bent mijn vriend.
      8. Hij is leraar.
      9. Wij zijn studenten.
      10. Zij zijn thuis.

    • 1. Het is de auto.
      2. Hij is mijn vriend.
      3. Het is een huis.
      4. Ik heb een bed.
      5. Ik heb het geld. (the specific bag of)
      6. U heeft het werk. (congratulations)
      7. Zij hebben een been.
      8. Jullie hebben een kamer.
      9. Ik heb een hoofd.
      10. Zij is een moeder.

    • 1. Ik heb een kat
      2. Ik heb een auto
      3. Jij hebt een zoon
      4. Het is mijn boek
      5. Zij zijn mijn familie
      6. Zij is mijn vrouw
      7. Hij is mijn broer
      8. Ik ben Ahmad
      9. Zij hebben een hond
      10. Ze heeft honger

    • 1. Ik ben getrouwd.
      2. Wij hebben een huis.
      3. Zij hebben een auto.
      4.Ik heb lang haar.
      5. Zij is gelukkig.
      6. Hij heeft een hond.
      7. Zij heeft een boek.
      8. De appel is lekker.
      9. Zij zijn rijk
      10.Hij heeft vijf vrienden.

    • 1- Hij is een man
      2- Ik ben een student
      3- Ik heb een vriendin
      4- Zij hebben een boek
      5- Wij zijn een team
      6- U hebt een werk
      7- Ik heb honger
      8- Wij zijn de kampioenen
      9- Zij is de leraar
      10- De restaurant heeft kip

    • 1. Ik heb een belangrijke vergadering.
      2. Zij hebben twee kinderen.
      3. Mijn vrouw is mooi.
      4. Hij heeft donker haar.
      5. Zij heeft een auto.
      6. Je hebt een zoon.
      7. Ons huis heeft drie kamers.
      8. Ze zijn vrienden.
      9. U bent docent.
      10. Het dier heeft vier benen.

    • 1) Ik ben Lara
      2) Ik heb drie katten
      3) Zij heeft een huis
      4)Hij is een vader
      5) Zij hebben een kind
      6) Zij is mijn moeder
      7) Mijn huis heeft vier kamers
      8) Wij zijn getrouwd.
      9) Zij zijn mijn buurmans.
      10) Jij hebt een auto.

    • 1.Ik ben Christina
      2.Jullie hebben een kat
      3.Hond is een dier.
      4.Wij hebben een auto.
      5.Zij hebben twee honden.
      6.Hij heeft veel boeken.
      7.Wij zijn een familie.
      8.Het Kind is goed.
      9.Ik heb drie zoons.
      10.Mijn huis heeft vijf bomen.

    • 1. Hij heeft een vrouw
      2. Hij is arts
      3. Zij hebben twee meisjes
      4. Wij zijn vrienden
      5. Wij hebben een huis
      6. Zij heeft een hond
      7. Zij is zanger
      8. Hij heeft drie katten
      9. Jullie hebben geen kind
      10. Ik heb een restaurant

    • Ik ben Ayesha.
      Zij heeft een fiets.
      Wij hebben twee honden.
      Hij is een jongen.
      Ik heb een dochter.
      Mijn appartement heeft twee kamers.
      Wij zijn vrienden.
      Zij is een vrouw.
      Ik heb twee broers.
      U bent docent.

    • 1. Wij hebben een vuilnisbak.
      2. Jij hebt een broodrooster.
      3. Zij heeft het bestek.
      4. Hij is een bouwvakker.
      5. Jullie hebben het gebouw.
      6. Jij bent de postbode.
      7. Ik ben een advocaat.
      8. Ik heb honger.
      9. Zij is een zuster.
      10. Jij hebt een gaatje.

    • 1. Jij heb een auto.
      2. De fiets heeft een stuur.
      3. Ik ben op school.
      4. Jij ben vrij.
      5. Julie zijn moe.
      6. Hij heeft een vriendin.
      7. We hebben een opdracht.
      8. Lea is een lerares.
      9. Jan is een man.
      10. Jan en Ellen hebben een afsraak.

    • 1. Het is een auto.
      2. Ik ben Anne.
      3. Wij zijn studentan.
      4. Zij is mijn vriend.
      5. Hijn is een maan.
      6. Ik heb een feits.
      7. Wij hebben het boek.
      8. Jullie hebben jasjes.
      9. Zij heeft een hond.
      10. Ik heb een nuiw huis.

    • 1. Ik ben een onderzoeker.
      2. Ik heb een vriend.
      3. Hij is een CFD ingenieur.
      4. Wij hebben een huis.
      5. Ons huis heeft een deur.
      6. Het huis heeft een keuken.
      7. Ik heb twee appels.
      8. De appels zijn lekker.
      9. Ik heb een broer.
      10. Hij is lang.

    • 1. Ik ben de buurman
      2. Jij hebt de stoel
      3. jullie hebben een huis
      4. Wij hebben de kast
      5. zij is het meisje
      6. jij bent de vader
      7. hij heeft een fiets
      8. Wij hebben een vogel
      9. jij hebt een koe
      10. het huis heeft een keuken

    • 1. Zij hebben twee katten.
      2. Ik ben een werknemer.
      3. Jullie zijn de buren.
      4. Jij hebt een bedrijf.
      5. Jij hebt een vogel.
      6. Zij heeft het huis.
      7. Zij hebben een meisje.
      8. Jij bent een goede vriendin.
      9. Ik heb een afspraak.
      10. Wij hebben het kaartje.

    • 1. Zij is een dokter.
      2. Jullie hebben kinderen.
      3. Ik ben een vrouw.
      4. Wij zijn studenten.
      5. Het is makkelijk.
      6. Jij bent een oma.
      7. Zij hebben het geld.
      8. U bent de buurman.
      9. Hij heeft katten.
      10. Ik heb een afspraak.

    • 1. Hij heeft een fiets.
      2. Wij hebben een koe.
      3. Zij is de kat.
      4. Hij is de buurman.
      5. Zij hebben de vogel.
      6. Het is het hoofd.
      7. Ik hebben een afspraak.
      8. Het huis heeft een bed.
      9. De kamer heeft een tafel.
      10. De werknemer heeft een salaris.

    • 1- Ik ben een ingenieur.
      2- Mijn vriend heeft een kat.
      3- Zij hebben auto en huis.
      4- Wij zijn een stel.
      5- Jij bent zo mooi.
      6- Zij is een zwemster.
      7- Ik ben een gelukkig mens.
      8- Hij heeft een hond.
      9- Jij hebt een rode trui.
      10- Wij zijn kinderen.

    • 1. Zij is een meisje.
      2. Wij zijn een familie.
      3. Ik ben moe.
      4. Jij bent lief.
      5. Hij is groot.
      6. Zij is een zangeres.
      7. Ik heb een muis.
      8. Jij hebt een telefoon.
      9. Hij heeft een baan.
      10. Wij zijn studenten.

    • 1. Zij hebben een klein ballentje
      2. Zij zijn voetballers
      3. Zij heeft een slang
      4. Hij is mijn buurman
      5. U hebt een diploma
      6. Jij bent een huisarts
      7. Ik heb een auto
      8. Ik ben een ingenieur
      9. Jullie hebben speelgoed
      10. Zij zijn schilders

    • 1. Ik ben Muhammad.
      2. Ik heb een fiets.
      3. U bent een goede leraar.
      4. Hij is een ingenieur.
      5.Zij hebben kinderen.
      6. Ik heb een notitieboekje.
      7. Zij heeft twee katten.
      8. Zij hebben tien boeken.
      9. Jij hebt een huis.
      10. Jij bent een kok.

    • 1. Ik ben Natalie
      2. jij hebt een fiets
      3. Hij is Blij
      4. Zij is moe
      5. Jullie hebben veel werk
      6. Ik heb een boek
      7. Zij hebben twee ouders
      8. Wij Zijn Vrienden
      9. Jij bent goed
      10. Het is een goede dag!

    • 1. Ik ben Amal.
      2. Ik ben een ingenieur.
      3.Ik heb een fiets.
      4. Jij hebt een hond.
      5. Hij is een architect.
      6.Jullie hebben een auto.
      7. Zij hebben twee kinderen.
      8. Hij is een goed luisteraar.
      9. Het is rood.
      10. Wij Zinj een team.

    • 1. Ik ben een Architect
      2. Hij is mijn docent.
      3. Zij heeft twee honden
      4. U bent slim
      5. Wij zijn vrienden
      6. Jullie hebben de boeken
      7. Zij zijn kinderen
      8. Ik heb een fiets
      9. Jullie zijn studenten
      10. Wij hebben tien appels

    • 1. Ik heb een naam
      2. Jij bent een kind
      3. Hij heeft een moeder
      4. Jij hebt een fiets
      5. Het huis heeft een keuken
      6. Zij heeft een afspraak
      7. Zij is een oma
      8. Ik heb een hond
      9. Hij is een jongen
      10. Hij is mijn buurman

    • 1.Ik ben een ingenieur
      2.Ik heb een computer
      3.Hij is een jongen
      4.Hij heeft een krant
      5.Zij is een vrouw
      6.Het is een hond
      7.Het heeft een naam
      8.Wij hebben een fietsen.
      9.Jullie hebben een vogel
      10.Zij hebben een huis

    • 1. Ik ben Onur.
      2. Ik ben getrouwd.
      3. Ik heb een kind.
      4. Hij is een jongen.
      5. Zij is een computeringenieur.
      6. Hij heeft een fiets.
      7. Wij hebben een huis.
      8. Wij zijn gelukkig.
      9. Zij hebben een dier.
      10. Jij bent perfect.

    • 1. Wij hebben twee katten.
      2. De les is makkelijk.
      3. De koffie is warm.
      4. Hij heeft een fiets.
      5. Zij zijn vrienden
      6. Ik heb geen fiets.
      7. Het is koud.
      8. Wij zijn thuis.
      9. Mijn kat is zwart.
      10. Ik heb geen vraag

    • 1. Ik ben Frans.
      2. Jij hebt een jaszak.
      3. U bent een ingenieur.
      4. Hij heeft een krant.
      5. Zij is een vrouw.
      6. Het is een huis.
      7. Wij hebben geen kinderen.
      8. Wij zijn studenten.
      9. Jullie zijn gelukkig.
      10. Ze hebben een auto.

    • 1- Ik ben Boubaker
      2. Jij hebt een tas.
      3. Wij hebben een hond.
      4. Zij heeft een fiets.
      5. Zij hebben water.
      6. Ik ben moe.
      7. Jij bent thuis.
      8. Hij is blij.
      9. Wij zijn vrienden.
      10. Zij zijn op school.

    • 1. Ik heb een boek.
      2. Ik ben leren Nederlands.
      3. Hij heeft lang haar.
      4. Zij hebben twee kinderen.
      5. Het is een deur.
      6. Hij heeft èèn miljoen.
      7. Het heeft vier wielen.
      8. Wij hebben een huis.
      9. U bent een docent.
      10. Zij zijn een film kijken.

    • 1. Ik ben Hilal
      2. Ik ben een planner
      3. Ik heb twee katten en een hond
      4. Mijn katten is oranje
      5. Ik heb een man
      6. Hij is een ingenieur
      7. We hebben een auto
      8. Dit is een fiets
      9. De fiets is rood
      10. De fiets heeft twee fietswielen

    • 1. Ik ben een vrouw
      2. Hij heeft een auto
      3. U bent een meijse
      4.Zij heeft een brodje
      5. Wij hebben de ball
      6. U hebt de hond
      7. Zij is een student
      8. Jullie hebben het boek
      9. Hij is John
      10. Jij bent een jongen

    • 1. Jij bent een buurvrouw.
      2. Het is een boom.
      3. Ik ben een laboratoriummanager.
      4. De kamer is klein.
      5. Jullie hebben honden.
      6. Wij zijn kinderen.
      7. Het werk is moeilijk.
      8. Zij heeft een auto.
      9. Hij heeft een fiets.
      10. Zij zijn mensen.

    • 1. Ik heb een kat.
      2. Je bent een medewerker.
      3. Hij is oud.
      4. Zij heeft twee kinderen.
      5. Jullie zijn getrouwd.
      6. We hebben een huis.
      7. Monika heeft een pen.
      8. Bob is jong.
      9. Ik heb een relatie.
      10. Hij is alleenstaand.

    • 1. Ik ben Felice
      2. Ik ben in Eindhoven
      3. Ik heb een kat
      4. Ik heb een zus
      5. Jij bent een slager.
      6. Jij hebt vlees.
      7. Mijn moeder is een oppas.
      8. Mijn vader is een bewaker.
      9. Mijn zus heeft een dochter.
      10. Het park heeft bomen.

    • 1. Mijn kat heeft een auto.
      2. De auto heeft vier wielen.
      3. Jullie zijn ouders.
      4. Zij hebben drie paarden.
      5. De hond heeft een huis.
      6. Het huis heeft een huiskamer.
      7. Zijn broer is een badmeester.
      8. Hij heeft twee lepels.
      9. De boom heeft vier bloemen.
      10. Je bent een leraar.

    • 1. Ik ben een onderzoeker
      2. U bent een dokter
      3. Het is een berg
      4. Hij is een adviseur
      5. Jullie zijn advocaten
      6. Zij zijn indringers.
      7. Ik heb een bank
      8. Wij hebben eten
      9. Jullie hebben de boeken
      10. De muur heeft een vlek

    • 1. Ik ben Jing.
      2. Ik heb een auto.
      3. De auto is klein.
      4. Wij zijn studenten.
      5. Zij heeft een boek.
      6. Wij hebben katten.
      7. Hij heeft een hond.
      8. Jij bent een kind.
      9. Jullie zijn een gezin.
      10. Jij hebt een vriend.

    • 1. Jullie zijn geweldig
      2. Je hebt een paard.
      3. Hij heeft een neushoorn
      4, Het is makkelijk
      5. Ik heb een boterham
      6. Wij zijn geen kinderen
      7. Jullie zijn ouderen
      8. Ik heb een slaapkamen
      9. Je bent niet blij
      10. Ik ben dorst en honger

    • 1. Ik ben een student.
      2. Ik heb geen hond.
      3. Zij is moeder.
      4. Jullie hebben een huis.
      5. Het is warm buiten.
      6. Hij is Nederlands.
      7. Zij heeft mijn sleutels.
      8. Zij zijn laat.
      9. U hebt mijn geld.
      10. Jullie zijn de beste.

    • 1. Ik heb een kat
      2. Jij bent een werknemer
      3. Hij heeft een baan
      4. Wij zijn medewerkers
      5. Jullie hebben het geld
      6. Zij zijn vriendinnen
      7. Ik heb een auto
      8. Jij bent een opa
      9. Hij is een vader
      10. Zij heeft een vogel

    • 1. Ik ben een manager.
      2. Wij hebben een auto.
      3. Hij is mijn vriend.
      4. Zij heeft een fiets.
      5. Het is koud vandaag.
      6. Jullie zijn thuis.
      7. U bent welkom.
      8. Wij zijn moe.
      9. Ik heb een nieuwe tas.
      10. Zij zijn in de tuin.

    • 1. Ik ben student.
      2. Jij bent moe.
      3. Hij is dokter.
      4. Wij zijn thuis.
      5. Zij zijn vrienden.
      6. Ik heb een fiets.
      7. Jij hebt een boek.
      8. Hij heeft een hond.
      9. Wij hebben een huis.
      10. Zij heeft een auto.

    • 1. Ik ben een vrouw
      2. Je hebt een auto
      3. We hebben een kind
      4. Ik ben tandarts
      5. Zij heeft een hond
      6. Hij is een appel
      7. Jullie zijn studenten
      8. Ze hebben vrienden
      9. We hebben een huis
      10. Jullie zijn politieagenten

    • 1. Zij hebben een fiets.
      2. Zij zijn vrienden.
      3. Wij hebben een moeder.
      4. Wij zijn in Eindhoven.
      5. We hebben een huis.
      6. Zij hebben twee paarden.
      7. Wij zijn studenten.
      8. Zij hebben boeken.
      9. Jullie hebben honden.
      10. Zij zijn mensen.

    • 1. Ik ben een Manager
      2. Zij hebben een auto
      3. hij is een vriend
      4. zij heeft een boek
      5. zij zijn kinderen
      6. Ik heb een moeder
      7. ik ben zo moe
      8. zij is leuk
      9. we hebben een huis
      10. hij hebt een vrienden.

    • 1. Ik heb een camera.
      2. Jij ziet de kat.
      3. Ze hebben een tafel.
      4. We zien een auto.
      5. We hebben acht kinderen.
      6. Je hebt mijn nummer.
      7. U bent hier.
      8. Ik heb een pen.
      9. Ik zijn drie studenten.
      10. Ze zien vier paarden.

    • 1. Ik ben ingenieur.
      2. Ik heb een dog.
      3. Jullie hebben de tafel.
      4. Hij heeft de auto.
      5. Ik heb het geld.
      6. Jij bent de woman.
      7. Jullie hebben het bedrijf.
      8. De kat is het dier.
      9. U heeft de vriendin.
      10. Het huis heeft de kamers.

    • 1. Ik heb een huis
      2. Hij is de baas
      3. Het is goed weer
      4. Zij zijn vrienden
      5. Zij is mooi
      6. Wij zijn bezig
      7. Jullie zijn lief
      8. Het is een boek
      9. Wij hebben een afspraak
      10. Hij heeft pijn

    • 1. Wij hebben de kat.
      2. Zij is een oma.
      3. Ik ben leraar.
      4. Hij heeft een hond.
      5. Jij hebt een huis.
      6. De kueken heeft tafels
      7. Zij is een leidinggevende
      8. Het is een boek
      9. Zij zijn vogels
      10. Jullie hebben fiets

    • 1. Ze heeft zes tulpen.
      2. Wij hebben een huis.
      3. Ik ben een advocat.
      4. Zij hebben een bloemenwinkel.
      5. Jij bent een kind.
      6. jullie zijn een familie.
      7. Hij is een politicus.
      8. Ik heb een tas.
      9. Wij zijn een voetbalteam.
      10. Jij hebt negen snoepjes.

    • 1. Ik heb een tafel
      2. Wij hebben het boek
      3. Ik heb een fiets
      4. Jij hebt een appel
      5. Hij heeft een hond
      6. Zij heeft een tas
      7. Wij hebben een huis
      8. Jullie hebben een auto
      9. Zij hebben een kat
      10. Ik heb een pen

    • 1. Ik ben een man.
      2. Jij bent een jongen.
      3. Ze zijn huisarts.
      4. Hij is een sterke man.
      5. Ik heb katten.
      6. U heeft een maaltijd.
      7. We hebben paarden.
      8. Jullie zijn blijven.
      9. Ze zijn mijn dieren.
      10. Zij is een meisje.

    • Ik heb een zoon
      jij hebt een auto
      Zij heeft een man
      Wij hebben een huis
      Ik ben ingenieur
      jij bent een vrouw
      hij is een buurman
      wij zijn studenten
      Het huis heeft een keuken
      De hond is een dier

    • 1. Ik heb een hond.
      2. Zij heeft een buurman.
      3. Wij hebben een keuken.
      4. Jij bent een oma.
      5. Zij hebben een tafel.
      6. Het heeft de kast.
      7. Jij hebt het ding
      8. U heeft het been.
      9. Zij zijn het dieren
      10. Jullie zijn de werknemers.

  • Load More Posts