Dutch Course Eindhoven A1 Homework Answers Group

  • Public Group
  • 1 day, 4 hours ago
  • 105

    Posts

  • 184

    Members

  • Dutchbook huiswerk (homework):👨‍🎓

    Fill in: hebben of zijn?

    1. Ik ………… een mens.
    2. Jij ..………… een hond.
    3. Zij ………….. een fiets.
    4. Hij ….………. Philippe.
    5. Philippe .………….. een leraar.
    6. Philippe ..………… een hond.
    7. Philippe ..………… een huis.
    8. Het huis …………… een deur.
    9. Zij ….………… kinderen…Read More

    +2 liked this
    134 Comments
    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      
2. Jij hebt een hond.
      
3. Zij heeft een fiets.
      
4. Hij is Philippe.
      
5. Philippe is een leraar.

      6. Philippe heeft een hond.

      7. Philippe heeft een huis.

      8. Het huis heeft een deur.

      9. Zij heeft kinderen.

      10. Wij zijn studenten.

      11. Jij bent een vrouw.

      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij heeft kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn kinderen
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij hebben/zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij hebben/heeft/zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik heb een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij heeft kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij hebben/heeft/zijn kinderen.
      10. Wij zijn students.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1.Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij hebben kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U hebt een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij hebben kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U hebt een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft / hebben een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij heeft / hebben / zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij hebt / bent een vrouw.
      12. U hebt / bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft/hebben een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij heeft/hebben/zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent/hebt een vrouw.
      12. U hebt/bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij hebben kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij hebt een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      
2. Jij hebt een hond.

      3. Zij heeft een fiets.

      4. Hij is Philippe.
      
5. Philippe is een leraar.

      6. Philippe heeft een hond.

      7. Philippe heeft een huis.

      8. Het huis heeft een deur.

      9. Zij hebben kinderen.

      10. Wij zijn studenten.

      11. Jij bent een vrouw.

      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij hebben een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij hebt een vrouw.
      12. U heeft een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft/hebben een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij heeft/hebben kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U hebt/heeft een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij hebben kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis hebt een deur.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U is een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij heeft kinderen
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij hebben kinderen.
      10. Wij zij studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heefts een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn/heeft kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik heb een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij heeft Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij heeft kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U hebt een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij heeft Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij heeft kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U hebt een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij hebben kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij hebben kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij hebben kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij heeft kinderen. / Zij hebben kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      
2. Jij hebt een hond.

      3. Zij heeft een fiets.
      
4. Hij is Philippe.
      
5. Philippe is een leraar.
      
6. Philippe heeft een hond.
      
7. Philippe heeft een huis.
      
8. Het huis heeft een deur.
      
9. Zij zijn kinderen.
      
10. Wij zijn studenten.
      
11. Jij bent een vrouw.
      
12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Wij hebben studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij heeft kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij hebben kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij heeft kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij hebben kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • Ik ben een mens.
      Jij hebt een hond.
      Zij heeft een fiets.
      Hij is Philippe.
      Pjilippe is een leraar.
      Philippe heeft een hond.
      Philippe heeft een huis.
      Het huis heeft een deur.
      Zij hebben kinderen.
      Wij zijn studenten.
      Jij bent een vrouw.
      U bent een huisarts

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij heeft kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij hebben kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij hebt een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij hebben kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets
      4. Hij is Philippe
      5.Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond
      7.Philippe heeft een huis
      8. Het huis heeft een deur
      9.Zij zijn kinderen
      10.Wij zijn studenten
      11. Jij bent een vrouw
      12.U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn kinderen.
      10.Wij zijn studenten.
      11.Jij bent een vrouw.
      12.U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij hebben kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij hebben kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U heeft een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij hebben kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij heeft kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij hebben kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrow.
      12. U bent een huisarts.

    • 1.Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij heeft kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij heeft kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik be een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heef een deur.
      9. Zij hebben kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik … ben……… een mens.
      2. Jij ..…hebt……… een hond.
      3. Zij ……heeft…….. een fiets.
      4. Hij ….is………. Philippe.
      5. Philippe .……is…….. een leraar.
      6. Philippe ..……heeft…… een hond.
      7. Philippe ..…heeft……… een huis.
      8. Het huis ……heeft……… een deur.
      9. Zij ….…zijn……… kinderen.
      10. Wij ……zijn………..studenten.
      11. Jij ……bent……….. een vrouw.
      12.…Read More

    • 1. Ik ……ben…… een mens.
      2. Jij ..…hebt……… een hond.
      3. Zij ……heeft…….. een fiets.
      4. Hij ….…is……. Philippe.
      5. Philippe .……is…….. een leraar.
      6. Philippe ..…heeft……… een hond.
      7. Philippe ..…heeft……… een huis.
      8. Het huis ………heeft…… een deur.
      9. Zij ….…heeft……… kinderen.
      10. Wij ………zijn……..studenten.
      11. Jij ……bent……….. een vrouw.
      12.…Read More

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ……Ben…… een mens.
      2. Jij ..……hebt…… een hond.
      3. Zij ……heeft…….. een fiets.
      4. Hij ….…is……. Philippe.
      5. Philippe .……is…….. een leraar.
      6. Philippe ..……heeft…… een hond.
      7. Philippe ..……heeft…… een huis.
      8. Het huis ………heeft…… een deur.
      9. Zij ….…heeft……… kinderen.
      10. Wij ………zijn……..studenten.
      11. Jij ………bent…….. een vrouw.
      12.…Read More

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij hebt een vrouw.
      12. U heeft een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij heeft kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij heeft kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij heeft kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij heeft kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij heeft kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U heeft een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij hebben kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij hebben kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens. 

      2. Jij hebt een hond.

      3. Zij heeft een fiets.

      4. Hij is Philippe.

      5. Philippe is een leraar.

      6. Philippe heeft een hond.

      7. Philippe heeft een huis.

      8. Het huis heeft een deur.

      9. Zij zijn kinderen.

      10. Wij zijn studenten.

      11. Jij hebt een vrouw.

      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij hebben kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1- Ik ben een mens
      2- Jij hebt een hond
      3- Zij hebben een fiets
      4- Hij is Philippe
      5- Philippe is een leraar
      6- Philippe heeft een hond
      7- Philippe heeft een huis.
      8- Het huis heeft een deur
      9- Zij zijn kinderen
      10- Wij zijn studenten
      11- Jij bent een vrouw.
      12- U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij hebben kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij hebben kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij hebt een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij hebt een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij hebben kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij hebt een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij hebben kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij hebben kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij hebt een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens
      2. Jij hebt een hond
      3. Zij heeft een fiets
      4. Hij is Philippe
      5. Philippe is een leraar
      6. Philippe heeft een hond
      7. Philippe heeft een huis
      8. Het huis heeft een deur
      9. Zij hebben kinderen
      10. Wij zijn studenten
      11. Jij bent een vrouw
      12. U bent een huisarts

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij bent een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn/hebben kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent/hebt een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • Ik ben een mens.
      2. Jij bent een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij bent een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ………… een mens. (ben)
      2. Jij ..………… een hond. (hebt)
      3. Zij ………….. een fiets. (heeft)
      4. Hij ….………. Philippe. (is)
      5. Philippe .………….. een leraar. (is)
      6. Philippe ..………… een hond. (heeft)
      7. Philippe ..………… een huis. (heeft)
      8. Het huis …………… een deur. (heeft)
      9. Zij ….………… kinderen. (zijn)
      10. Wij ……………..studenten. (zijn)
      11. Jij…Read More

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij bent een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij hebben kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij bent een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij hebben kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij bent een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij hebben kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een vrouw.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij heeft kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2.Jij hebt een hond.
      3.Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5.Philippe is een leraar.
      6.Philippe heeft een hond.
      7.Philippe heeft een huis.
      8.Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn kinderen.
      10.Wij zijn studenten.
      11. Jij hebt een vrouw.
      12.U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij hebt een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij hebben een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij zijn een vrouw.
      12. U hebt een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.

      2. Jij hebt een hond.

      3. Zij heeft een fiets.

      4. Hij is Philippe.

      5. Philippe is een leraar.

      6. Philippe heeft een hond.

      7. Philippe heeft een huis.

      8. Het huis heeft een deur.

      9. Zij zijn kinderen.

      10. Wij zijn studenten.

      11. Jij bent een vrouw.

      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij hebben kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij hebben kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij hebt een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij heft kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe heeft een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij heeft kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij zijn kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij bent een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

    • 1. Ik ben een mens.
      2. Jij hebt een hond.
      3. Zij heeft een fiets.
      4. Hij is Philippe.
      5. Philippe is een leraar.
      6. Philippe heeft een hond.
      7. Philippe heeft een huis.
      8. Het huis heeft een deur.
      9. Zij hebben kinderen.
      10. Wij zijn studenten.
      11. Jij hebt een vrouw.
      12. U bent een huisarts.

  • Load More Posts