-
Dutchbook huiswerk (homework):👨🎓
Fill in: hebben of zijn?
1. Ik ………… een mens.
2. Jij ..………… een hond.
3. Zij ………….. een fiets.
4. Hij ….………. Philippe.
5. Philippe .………….. een leraar.
6. Philippe ..………… een hond.
7. Philippe ..………… een huis.
8. Het huis …………… een deur.
9. Zij ….………… kinderen…Read More134 Comments-
1. Ik ben een mens.
2. Jij hebt een hond.
3. Zij heeft een fiets.
4. Hij is Philippe.
5. Philippe is een leraar.
6. Philippe heeft een hond.
7. Philippe heeft een huis.
8. Het huis heeft een deur.
9. Zij hebben/heeft/zijn kinderen.
10. Wij zijn studenten.
11. Jij bent een vrouw.
12. U bent een huisarts. -
1. Ik ben een mens.
2. Jij hebt een hond.
3. Zij heeft een fiets.
4. Hij is Philippe.
5. Philippe is een leraar.
6. Philippe heeft een hond.
7. Philippe heeft een huis.
8. Het huis heeft een deur.
9. Zij hebben/heeft/zijn kinderen.
10. Wij zijn students.
11. Jij bent een vrouw.
12. U bent een huisarts. -
1. Ik ben een mens.
2. Jij hebt een hond.
3. Zij heeft / hebben een fiets.
4. Hij is Philippe.
5. Philippe is een leraar.
6. Philippe heeft een hond.
7. Philippe heeft een huis.
8. Het huis heeft een deur.
9. Zij heeft / hebben / zijn kinderen.
10. Wij zijn studenten.
11. Jij hebt / bent een vrouw.
12. U hebt / bent een huisarts. -
1. Ik ben een mens.
2. Jij hebt een hond.
3. Zij heeft/hebben een fiets.
4. Hij is Philippe.
5. Philippe is een leraar.
6. Philippe heeft een hond.
7. Philippe heeft een huis.
8. Het huis heeft een deur.
9. Zij heeft/hebben/zijn kinderen.
10. Wij zijn studenten.
11. Jij bent/hebt een vrouw.
12. U hebt/bent een huisarts. -
1. Ik ben een mens.
2. Jij hebt een hond.
3. Zij heeft/hebben een fiets.
4. Hij is Philippe.
5. Philippe is een leraar.
6. Philippe heeft een hond.
7. Philippe heeft een huis.
8. Het huis heeft een deur.
9. Zij heeft/hebben kinderen.
10. Wij zijn studenten.
11. Jij bent een vrouw.
12. U hebt/heeft een huisarts. -
1. Ik ben een mens.
2. Jij hebt een hond.
3. Zij heeft een fiets.
4. Hij is Philippe.
5. Philippe is een leraar.
6. Philippe heeft een hond.
7. Philippe heeft een huis.
8. Het huis heeft een deur.
9. Zij heeft kinderen. / Zij hebben kinderen.
10. Wij zijn studenten.
11. Jij bent een vrouw.
12. U bent een huisarts. -
1. Ik … ben……… een mens.
2. Jij ..…hebt……… een hond.
3. Zij ……heeft…….. een fiets.
4. Hij ….is………. Philippe.
5. Philippe .……is…….. een leraar.
6. Philippe ..……heeft…… een hond.
7. Philippe ..…heeft……… een huis.
8. Het huis ……heeft……… een deur.
9. Zij ….…zijn……… kinderen.
10. Wij ……zijn………..studenten.
11. Jij ……bent……….. een vrouw.
12.…Read More -
1. Ik ……ben…… een mens.
2. Jij ..…hebt……… een hond.
3. Zij ……heeft…….. een fiets.
4. Hij ….…is……. Philippe.
5. Philippe .……is…….. een leraar.
6. Philippe ..…heeft……… een hond.
7. Philippe ..…heeft……… een huis.
8. Het huis ………heeft…… een deur.
9. Zij ….…heeft……… kinderen.
10. Wij ………zijn……..studenten.
11. Jij ……bent……….. een vrouw.
12.…Read More -
1. Ik ……Ben…… een mens.
2. Jij ..……hebt…… een hond.
3. Zij ……heeft…….. een fiets.
4. Hij ….…is……. Philippe.
5. Philippe .……is…….. een leraar.
6. Philippe ..……heeft…… een hond.
7. Philippe ..……heeft…… een huis.
8. Het huis ………heeft…… een deur.
9. Zij ….…heeft……… kinderen.
10. Wij ………zijn……..studenten.
11. Jij ………bent…….. een vrouw.
12.…Read More -
1. Ik ben een mens.
2. Jij hebt een hond.
3. Zij heeft een fiets.
4. Hij is Philippe.
5. Philippe is een leraar.
6. Philippe heeft een hond.
7. Philippe heeft een huis.
8. Het huis heeft een deur.
9. Zij zijn/hebben kinderen.
10. Wij zijn studenten.
11. Jij bent/hebt een vrouw.
12. U bent een huisarts. -
1. Ik ben een mens.
2. Jij hebt een hond.
3. Zij heeft een fiets.
4. Hij is Philippe.
5. Philippe is een leraar.
6. Philippe heeft een hond.
7. Philippe heeft een huis.
8. Het huis heeft een deur.
9. Zij zijn kinderen.
10. Wij zijn studenten.
11. Jij bent een vrouw.
12. U bent een huisarts. -
1. Ik ………… een mens. (ben)
2. Jij ..………… een hond. (hebt)
3. Zij ………….. een fiets. (heeft)
4. Hij ….………. Philippe. (is)
5. Philippe .………….. een leraar. (is)
6. Philippe ..………… een hond. (heeft)
7. Philippe ..………… een huis. (heeft)
8. Het huis …………… een deur. (heeft)
9. Zij ….………… kinderen. (zijn)
10. Wij ……………..studenten. (zijn)
11. Jij…Read More
- Load More Posts

1. Ik ben een mens.
2. Jij hebt een hond.
3. Zij heeft een fiets.
4. Hij is Philippe.
5. Philippe is een leraar.
6. Philippe heeft een hond.
7. Philippe heeft een huis.
8. Het huis heeft een deur.
9. Zij zijn kinderen.
10. Wij zijn studenten.
11. Jij bent een vrouw.
12. U bent een huisarts.