-
Dutchbook huiswerk:👍
Oefening 12 (pagina 11)
Plaats jouw antwoorden hieronder:169 Comments - Load More Posts
DutchCourseEindhoven
Dutchbook huiswerk:👍
Oefening 12 (pagina 11)
Plaats jouw antwoorden hieronder:
1 Dit is een noot
2 Dat zijn aardbeien
3 Dat is een huis
4 Dit zijn huizen
5 Dit zijn wolken
6 Dat is een roos
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot
2. Dat zijn aardbeien
3. Dat is een huis
4. Dit zijn huizen
5. Dit zijn wolken
6. Dat is een roos
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
Dit is een noot.
Dat zijn aardbeien.
Dat is een huis.
Dit zijn huizen.
Dit zijn wolken.
Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Said zijn huizen.
5. Said zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1 Dit is een noot.
2 Dat zijn aardbeien.
3 Dat is een huis.
4 Dit zijn huizen.
5 Dit zijn wolken.
6 Dat is een roos.
1. Dit is een noot
2. Dat zijn aardbeien
3. Dat is een huis
4. Dit zijn huizen
5. Dit zijn wolken
6. Dat is een roos
1 Dit is een noot.
2 Dat zijn aardbeien.
3 Dat is een huis.
4 Dit zijn huizen.
5 Dit zijn wolken.
6 Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3 Dat is een huis.
4 Dit zijn huizen.
5 Dit zijn wolken.
6 Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3 Dat is een huis.
4 Dit zijn huizen.
5 Dit zijn wolken.
6 Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1) Dit is een noot
2) Dat zijn aardbeien
3) Dat is een huis
4) Dit zijn huizen
5) Dit zijn wolken
6) Dat is een roos
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3 Dat is een huis.
4 Dit zijn huizen.
5 Dit zijn wolken.
6 Dat is een roos.
1. Dit is een noot
2. Dat zijn aardbeien
3 Dat is een huis
4 Dit zijn huizen
5 Dit zijn wolken
6 Dat is een roos
1. Dit is een noot
2. Dat zijn aardbeien
3. Dat is een huis
4. Dit zijn huizen
5. Dit zijn wolken
6.Dat is een roos
1. Dit is een noot.
2. dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot
2. Dat zijn aardbeien
3. Dat is een huis
4. Dit zijn huizen
5. Dit zijn wolken
6.Dat is een roos
1.Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6.Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1 Dit is een noot.
2 Dat zijn aardbeien.
3 Dat is een huis.
4 Dit zijn huizen.
5 Dit zijn wolken.
6 Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeinen.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot
2. Dat zijn aardbeien
3. Dat is een huis
4. Dit zijn huizen
5. Dit zijn wolken
6.Dat is een roos
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1 Dit is een noot.
2 Dat zijn aardbeien.
3 Dat is een huis.
4 Dit zijn huizen.
5 Dit zijn wolken.
6 Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1) Dit is een noot.
2) Dat zijn aardbeien.
3) Dat is een huis.
4) Dit zijn huizen.
5) Dit zijn wolken.
6) Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4.Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3 . Dat is een huis.
4 Dit zijn huizen.
5 Dit zijn wolken.
6 Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4.Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1 Dit is een noot.
2 Dat zijn aardbeien.
3 Dat is een huis.
4 Dit zijn huizen.
5 Dit zijn wolken.
6 Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen
5. Dit zijn wolken
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2 . Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot
2. Dat zijn aardbeien
3. Dat is een huis
4. Dit zijn huizen
5. Dit zijn wolken
6. Dat is een roos
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot
2. Dat zijn aardbeien
3. Dat is een huis
4. Dit zijn huizen
5. Dit zijn wolken
6. Dat is een roos
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1 Dit is een noot.
2 Dat zijn aardbeien.
3 Dat is een huis.
4 Dit zijn huizen.
5 Dit zijn wolken.
6 Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1- Dit is een noot.
2- Dat zijn aardbeien.
3- Dat is een huis.
4- Dit zijn huizen.
5- Dit zijn wolken.
6- Dat is een roos.
1- Dat is een noot.
2- Dat zijn aardbeien.
3- Dat is een huis.
4- Dit zijn huizen.
5- Dit zijn wolken.
6- Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1 Dit is een noot.
2 Dat zijn aardbeien.
3 Dat is een huis.
4 Dit zijn huizen.
5 Dit zijn wolken.
6 Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is onze trein
2. Dat zijn elementen
3. Dat is een fiets
4. Dit zijn kook recepten
5. Dat is mijn vriendin
6. Dit is jullie vader
1. Dit is een noot
2. Dat zijn aardbeien
3. Dat is een huis
4. Dit zijn huizen
5. Dit zijn wolken
6. Dat is een roos
1. Dit is een noot
2. Dat zijn aardbeien
3. Dat is een huis
4. Dit zijn huizen
5. Dit zijn wolken
6. Dat is een roos
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot
2. Dat zijn aardbeien
3. Dat is een huis
4. Dit zijn huizen
5. Dit zijn wolken
6. Dat is een roos
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1) Dit is een noot.
2) Dat zijn aardbeien.
3) Dat is een huis.
4) Dit zijn huizen.
5) Dit zijn wolken.
6) Dat is een roos.
1. Dit is een noot
2. Dat zijn aardbeien
3. Dat is een huis
4. Dit zijn huizen
5. Dit zijn wolken
6. Dat is een roos
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot
2. Dat zijn aardbeien
3. Dat is een huis
4. Dit zijn huizen
5. Dit zijn wolken
6. Dat is een roos
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1 Dit is een noot.
2 Dat zijn aardbeien.
3 Dat is een huis.
4 Dit zijn huizen.
5 Dit zijn wolken.
6 Dat is een roos.
1 Dit is een noot.
2 Dat zijn aardbeien.
3 Dat is een huis.
4 Dit zijn huizen.
5 Dit zijn wolken.
6 Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dat zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1 Dit is een noot.
2 Dat zijn aardbeien.
3 Dat is een huis.
4 Dit zijn huizen.
5 Dit zijn wolken.
6 Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
Dit is een noot.
Dat zijn aardbeien.
Dat is een huis.
Dit zijn huizen.
Dit zijn wolken.
Dat is een roos.
Dit is een noot.
Dat zijn aardbeien.
Dat is een huis.
Dit zijn huizen.
Dit zijn wolken.
Dat is een roos.
1 Dit is een noot.
2 Dat zijn aardbeien.
3 Dat is een huis.
4 Dit zijn huizen.
5 Dit zijn wolken.
6 Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dat zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1.Dit is een noot.
2.Dat zijn aardbeien.
3.Dat is een huis.
4.Dit zijn huizen.
5.Dit zijn wolken.
6.Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1 Dit is een noot.
2 Dat zijn aardbeien.
3 Dat is een huis.
4 Dit zijn huizen.
5 Dit zijn wolken.
6 Dat is een roos.
1. Dit is een noot
2. Dat zijn aardbeien
3. Dat is een huis
4. Dit zijn huizen
5. Dit zijn wolken
6. Dat is een roos
1. Dit is een noot
2. Dat zijn aardbeien
3. Dat is een huis
4. Dit zijn huizen
5. Dit zijn wolken
6. Dat is een roos
1 – Dit is een noot
2 – Dat zijn aardbeien
3 – Dat is een huis
4 – Dit zijn huizen
5 – Dit zijn wolken
6 – Dat is een roos
1 Dit is een noot.
2 Dat zijn aardbeien.
3 Dat is een huis.
4 Dit zijn huizen.
5 Dit zijn wolken.
6 Dat is een roos.
1 Dit is een noot.
2 Dat zijn aardbeien.
3 Dat is een huis.
4 Dit zijn huizen.
5 Dit zijn wolken.
6 Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1- Dit is een noot.
2- Dat zijn aardbeien.
3- Dat is een huis.
4- Dit zijn huizen.
5- Dit zijn wolken.
6- Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1 – Dit is een noot.
2 – Dat zijn aardbeien.
3 – Dat is een huis.
4 – Dit zijn huizen.
5 – Dit zijn wolken.
6 – Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot
2. Dat zijn aardbeien
3. Dat is een huis
4. Dit zijn huizen
5. Dit zijn wolken
6. Dat is een roos
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1 Dit is een noot.
2 Dat zijn aardbeien.
3 Dat is een huis.
4 Dit zijn huizen.
5 Dit zijn wolken.
6 Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1 Dit is een noot.
2 Dat zijn aardbeien.
3 Dat is een huis.
4 Dit zijn huizen.
5 Dit zijn wolken.
6 Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot
2. Dat zijn aardbeien
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen
5. Dit zijn wolken
6. Dat is een roos
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1 – Dit is een noot.
2 – Dat zijn aardbeien.
3 – Dat is een huis.
4 – Dit zijn huizen.
5 – Dit zijn wolken.
6 – Dat is een roos.
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1. Dit is een noot
2. Dat zijn aardbeien
3. Dat is een huis
4. Dit zijn huizen
5. Dit zijn wolken
6. Dat is een roos
1. Dit is een noot
2. Dat zijn aardbeien
3. Dat is een huis
4. Dit zijn huizen
5. Dit zijn wolken
6. Dat is een roos
Oefening 12 (pagina 11)
1. Dit is een noot.
2. Dat zijn aardbeien.
3. Dat is een huis.
4. Dit zijn huizen.
5. Dit zijn wolken.
6. Dat is een roos.
1 Dit is een noot.
2 Dat zijn aardbeien.
3 Dat is een huis.
4 Dit zijn huizen.
5 Dit zijn wolken.
6 Dat is een roos.