Dutch Course Eindhoven A1 Homework Answers Group

  • Public Group
  • 1 day, 14 hours ago
  • 105

    Posts

  • 184

    Members

  • Boek. Pagina 103👍
    Opdracht 8
    Plaats jouw antwoorden hieronder:

    111 Comments
    • 4..mijn huiswerk afmaken.
      5. na de lunch
      6. without “een”
      10..reservering

    • 2..moeten deze maand …
      4..deze week > ?
      6..kan
      10..voor 8 uur

    • 1. Ik wil in november mijn kerstboom opzetten.
      2. Ze moet om 9 uur op het werk aankomen.
      3. De dokter kan om 7 uur beginnen met werken.
      4. De kinderen mogen in december op vakantie gaan.
      5. Ik wil op zaterdag naar de kapsalon gaan.
      6. Hij mag op zondag zijn kinderen bezoeken.
      7. De juf moet op maandag de toets afnemen.
      8. De boer moet in januari…Read More

    • 1. Ik wil morgen een afspraak maken.
      2. Wij moeten vanavond avondeten eten.
      3. Hij mag om 1 uur een ontmoeting meedoen.
      4. Zij wil voor 8 uur een krant lezen.
      5. U kunt morgen een film kijken.
      6. Jullie zullen rond 20:30 uur zonsondergang zien.
      7. Ik moet in het weekend huiswerk maken.
      8. Zij kan vanavond oefening doen.
      9. Hij wil na de les een…Read More

    • 1. Ik wil op december een vegetarisch dieet staarten. 
      2. Maria moet na de les boodschappen doen.
      3. Ik wil tijdens werk een nieuw project presenteren. 
      4. Jij mag binnen de koffiepauze een verhaal vertellen. 
      5. Jullie moeten in december een marathon rennen. 
      6. Lisa en Tom kunnen tot vakantie een huis huren. 
      7. Hij kan in lente veel vogels hore…Read More

    • 1. Hij wil om 18:00 uur een afspraak maken.
      2. Ik kan na 22:00 uur een taart bakken.
      3. Ik moet voor het diner een tablet eten.
      4. Hij mag in de morgenochtend een telefoontje hebben.
      5. De kinderen mogen vanavond een film kijken.
      6. Pieter kan tot het weekeind een praatje maken.
      7. Jullie kunnen voor de middag een antwoord indienen.
      8. Hij wil van…Read More

    • 1. Hij moet over één maand een belangrijke vergadering hebben
      2. Jij zult om 6 uur thuis zijn
      3. Wij kunnen in het weekend een museum bezoeken
      4. Ik wil binnen volgende week een papierbloem maken
      5. Ik moet morgenochtend boodschappen doen
      6. Zij kan op zaterdag een lekker dessert maken
      7. Hij moet in deze week een pakket ophalen
      8. Hij gaat in v…Read More

    • 1. Ik wil vanavond een documentaire kijken.
      2. Je moet morgen een collega bellen.
      3. Jij mag tijdens de les hapjes eten.
      4. U wilt in de toekomst een manager worden.
      5. Hij wil elke dag een instrument spelen.
      6. Zij kan vanmiddag een museum bezoeken.
      7. Wij willen vanaf september een huisdier adopteren.
      8. Jullie moeten gedurende de ontmoeting…Read More

    • 1. Elke dag wil zij altijd een verse koffie kopen.
      2. Morgen wil hij zijn verjaardag vieren.
      3. Om 8 uur moeten jullie misschien een afspraak maken.
      4. Zij wil van 20 december tot en met 26 december op vakantie gaan.
      5. Jij kunt rond 6 uur een auto brengen.
      6. Ik moet vanavond een vriend bellen.
      7. Gedurende de les kunnen wij vragen stellen.
      8.…Read More

    • 1. Ik wil morgen een boek lezen.
      2. Hij kan in de avond een film kijken.
      3. Wij kunnen op 7 december een diner hebben
      4. Ik moet binnen 2 uur boodschappen kopen.
      5. Hij wil na 20.00 uur een koffie drinken.
      6. Wij willen vanaf 20.00 uur een spel spelen.
      7. Ik wil voor 20.00 uur een audioboek horen.
      8. Je kunt vanmorgen muziek luisteren.
      9. Ik moet…Read More

    • 1. Ik moet vanavond een mail schrijven.
      2. Jullie willen in juli op vakantie gaan.
      3. Wij willen vanavond stamppot eten.
      4. Jij kunt op maandag een schaar kopen.
      5. Zij moet binnen 1 uur thuis zijn.
      6. Hij wilt nu een glas water drinken.
      7. Zij mogen zaterdag naar een feest gaan.
      8. Ik wil om 8 uur naar mijn kamer gaan.
      9. Zij moet om 10 uur naar…Read More

    • 1. Ik kan vanavond een auto huren.
      2. Je wilt ‘s ochtends een marathon lopen.
      3. Hij wil bij zonsondergang een foto maken.
      4. Zij wil deze winter op skivakantie gaan.
      5. De katten willen over het een uur een maaltijd eten.
      6. Wij kunnen rond 6 uur een tenniswedstrijd spelen.
      7. Jullie mogen vanavond een boek lenen.
      8. Ze willen elk weekend een p…Read More

    • 1. Ik moet op maandag een interview meedoen.
      2. Jij wilt tijdens de film popcorn eten.
      3. U mag om 12 uur een klant oproepen.
      4. Hij wil voor het einde van het seizoen een doelpunt maken.
      5. Zij wil in het weekend een auto kopen.
      6. Wij kunnen op vakantie een boot varen.
      7. Jullie moeten morgen een medewerker vragen.
      8. Zij willen binnen 3 jaar…Read More

    • 1. Ik wil morgen een museum bezoeken.
      2. Jij moet vanavond huiswerk maken.
      3. U mag vandaag een markt zien.
      4. Hij wil na de les boodschappen doen.
      5. Zij kan voor het werk een kop koffie drinken.
      6. Wij moeten ‘s avonds een boek lezen.
      7. Jullie willen in het weekend een fiets kopen.
      8. Zij mogen gedurende de vlucht een film kijken.
      9. Hij mag v…Read More

    • 1.Ik wil vanavond in het café een toetje eten.
      2.Jij wilt morgen in de trein een film kijken.
      3.Hij wil vanochtend in zijn huis een boek lezen.
      4.Zij wil op zaterdag in de supermarkt een vriend zien.
      5.Wij willen in het weekend in de tuin een hond zien.
      6.Jullie willen overmorgen in het vliegtuig een broodje eten.
      7.Zij willen vanmiddag op school…Read More

    • Recept H
      1. We moeten vrijdag bier drinken.
      2. Ik moet morgen boodschappen doen.
      3. We kunnen volgende maand vakantie nemen.
      4. Jij kan binnen 2 dagen jouw huiswerk maken.
      5. Ik wil elke dag een banaan eten.
      6. Zij kan morgen een nieuwe jurk dragen.
      7. Wij moeten tot 7 uur ons diner eten.
      8. Zij willen nu koffie drinken.
      9. Ik kan op donderdag een…Read More

    • 1. Ik wil over 10 minuten een dokter zien.
      2. Je wilt vanavond in een restaurant eten.
      3. Ze kan binnen 2 uur eten in de keuken.
      4. Hij wil morgen een hond adopteren.
      5. U kunt vanaf 2 uur een vriend zien.
      6. Wij kunnen vanaf maandag e-mails versturen.
      7. Jullie kunnen voor een uur een auto huren.
      8. Ze moeten rond 10 uur vliegen.
      9. Ik zal in het…Read More

    • 1. Ik wil vanavond een film kijken.
      2. Zij gaat om 3 uur een wandeling maken.
      3. Wij moeten vanmiddag een taart bakken.
      4. Hij wil volgende avond een boek lezen.
      5. Jullie zullen morgen een toets maken.
      6. Ik ga deze avond een e-mail schrijven.
      7. Zij moet volgende week een afspraak maken.
      8. Wij willen vanmiddag een koffie drinken.
      9. Hij gaat…Read More

    • 1. Ik wil vanavond een film kijken.
      2. Zij wil vanavond een boek lezen.
      3. Ik wil vanavond een pizza eten.
      4. Hij wil morgen een pen kopen.
      5. Wij willen morgen een klant ontmoeten.
      6. Hij moet in het weekend een baan zoeken.
      7. Hij wil rond 8 uur voetbalschoenen kopen.
      8. Ik mag morgen dieren zien.
      9. Hij wil rond 6 uur zijn ouders bellen.
      10.…Read More

    • 1. Ik wil morgen een brood kopen.
      2. Hij wil over een paar weken een nieuwe baan zoeken.
      3. Hij mag om 3 uur een vriend bezoeken.
      4. Ze wil volgende week bloemen planten.
      5. Hij wil om 4 uur een taart ophalen.
      6. Jij moet op vrijdag een medicijn kopen.
      7. Wij moeten in het weekend een jas kopen.
      8. Ik wil over twee weken een film kijken.
      9. Jullie…Read More

    • 1. Ik wil elke dag een appel eten.
      2. Hij moet elke dag een tablet nemen.
      3. Zij moet vandaag een huiswerk doen.
      4. Je moet vanavond een auto stelen.
      5. Ik mag in de lente een auto kopen.
      6. Wij magen in de zomer op een vakantie gaan.
      7. Jullie moeten in het weekend een marathon renen.
      8. Ik wil vanavond een Italiaan gerecht keuken.
      9. U moet na…Read More

    • 1. Wij hebben morgen een afspraak gepland.
      2. Ik wil nu een aardbei eten.
      3. Wij moeten vanavond huiswerk maken.
      4. Hij wil morgenavond een koffie drinken.
      5. Jullie moeten in volgende week een spreekopdracht maken.
      6. Zij moet nu kinderen helpen.
      7. Wij zullen om drie uur foto’s maken.
      8. Hij wil nu water drinken.
      9. U moet morgen een groot h…Read More

    • 1. Ik wil vanavond een banaan eten.
      2. Hij moet altijd een boek lezen.
      3. Jullie kunnen morgen een film kijken.
      4. Wij mogen nu een koffie drinken.
      5. Jullie kunnen vanmiddag een pad bewandelen.
      6. Zij wil morgen vroeg een ei koken.
      7. Ik moet morgenavond een verjaardagscadeau kopen.
      8. U mag ‘s ochtends een ritje maken op de fiets.
      9. Zij wil v…Read More

    • 1. Ik wil morgen een vis eten
      2. Jij wilt om 7 uur met een vriend afspreken.
      3. Ik moet voor 8 uur huiswerk maken.
      4. Zij moeten in het weekend een auto verkopen.
      5. Hij mag na het avondeten met een bal spelen.
      6. Jullie mogen vandaag tv kijken.
      7. U kunt elke dag iets aardigs zeggen
      8. Wij kunnen om de week een huis schoonmaken.
      9. Jullie willen…Read More

    • 1. Ik wil vanavond naar muziek luisteren.
      2. Jij moet morgen boodschappen doen.
      3. Hij kan elke dag koffie drinken.
      4. U mag na 9 uur een bus nemen.
      5. Zij wil in mei vakantie hebben.
      6. Wij kunnen op maandag een museum bezoeken.
      7. Jullie willen in de zomer ijsjes eten.
      8. Zij moeten tijdens de les zitten.
      9. Jij kunt sinds gisteren een auto…Read More

    • 1. Ik wil vanavond in de bibliotheek lezen
      2. Je kunt op zaterdag in het park rennen
      3. Hij gaat op donderdag met de leraar praten
      4. Wij willen middags een vriend ontmoeten
      5. Ze kunnen in het weekend een museumtentoonstelling zien
      6. Jullie gaan op vrijdag om een film te zien.
      7. Zij wil avonds haar kind helpen
      8. Ik kan morgen brood kopen
      9.…Read More

    • 1. Ik wil vanavond een lekkere pasta eten.
      2. Hij wil morgenochtend koffie drinken.
      3. Jullie moeten vanavond een boek pakken.
      4. Zij moet morgenmiddag een afspraak maken.
      5. Wij moeten morgenochtend met een auto reizen.
      6. Je wilt vanmiddag een appel eten.
      7. Jullie kunnen morgen een boterham eten.
      8. Jullie willen vanmiddag een biertje…Read More

    • 1. Jij kunt vandaag een film kijken.
      2. Ik wil in het park barbeque maken.
      3. Wij mogen deze week dansles geven.
      4. Hij moet nu voor een fiets betalen.
      5. Ik kan een ijsje eten.
      6. Jullie moeten vanavond de trein nemen.
      7. Jij wilt in de avond nieuws luisteren.
      8. Zij kunnen in het weekend een huurhuis bezoeken.
      9. Jij kunt op woensdag…Read More

    • 1. Ik wil morgen een boek lezen.
      2. Hij wil vanavond een maaltijd eten.
      3. Hij moet morgen groenten koken.
      4. Ik wilde gisteren een collega ontmoeten.
      5. Jullie willen vanavond voetbal spelen.
      6. Hij wil morgen naar school gaan.
      7. Zij wilde gisteren in een park slapen.
      8. Ik wil morgen een ijsje eten.
      9. Hij mag morgen een spel spelen.
      10. Ik mag…Read More

    • 1. Ik kan morgen een appel kopen
      2. Je moet om 9.00 uur een vergadering beginnen
      3. Hij mag vandaag een sinaasappel eten
      4. Zij willen om 8 uur een afspraak maken
      5. Hij wil vanavond een taart bakken
      6. Wij willen op zaterdag een film kijken
      7. Ik wil op dinsdag huiswerk maken
      8. Zij moet over 1 uur naar thuis komen
      9. Hij moet binnen twee dagen…Read More

    • 1. Ik wil vanavond een boek lezen.
      2. Jij moet morgen een presentatie geven.
      3. Hij kan volgende week een collega bellen.
      4. Wij mogen vandaag appels kopen.
      5. Zij wil vanmiddag een nieuwe jas passen.
      6. Jullie kunnen straks een film kijken.
      7. Ik moet overmorgen een e-mail schrijven.
      8. Zij kunnen vannacht collega’s ontmoeten.
      9. Hij mag d…Read More

    • 1. Ik zal elke dag een appel eten.
      2. Hij wil vanavond pizza eten.
      3. Zij zal om 4 uur sollicitatiegesprek hebben.
      4. Wij zullen morgen een berg klimmen.
      5. Ik wil volgende week een afspraak maken.
      6. Jullie kan volgend jaar op vakantie gaan.
      7. U kunt rond 3 uur een bus verwachten.
      8. Wij kunnen morgen een uil zien.
      9. Hij moet over morgen een…Read More

    • 1. Ik moet elke dag een medicijn innemen.
      2. Wij willen morgen pizza eten.
      3. Jij kunt om 3 uur een tas kopen.
      4. Zij mag vanavond een spijkerbroek naaien.
      5. Hij wil nu een tosti eten.
      6. Jullie kunnen later een film kijken.
      7. Wij moeten morgen vroeg de trein nemen.
      8. Hij kan vanavond een huiswerk maken.
      9. Zij wil om 7 uur een kop koffie…Read More

    • 1. Ik ga morgen een pizza bakken.
      2. Wij willen vanavond de schoenen poetsen.
      3. Ik wil morgen lunch meenemen.
      4. Ik wil vanavond in het restaurant eten.
      5. Ik wil morgenochtend huiswerk maken.
      6. Wij willen vandaag een brood kopen.
      7. Ik ga vanavond een film kijken.
      8. Wij mogen morgenochtend koffie zetten.
      9. Ik moet nu een brief schrijven.
      10.…Read More

    • 1. Jij kunt morgen chocolade kopen.
      2. Wij zullen op zondagmiddag kip koken.
      3. Ik mag na de lunch documenten ondertekenen.
      4. Jullie moeten op vrijdag een tas brengen.
      5. Jij wilt over een uur soep maken.
      6. Wij kunnen volgende lente bloemen planten.
      7. Jij mag elke dag een boek lezen.
      8. Zij zullen vandaag nog een fiets repareren.
      9. Ik moet elk…Read More

    • 1. Ik wil morgen een appel eten.
      2. Ik wil vanavond een buurman bezoeken.
      3. De man wil om 3 uur een afspraak maken.
      4. De collega wil ‘s morgens de kranten lezen.
      5. De buurvrouw wil om 9 uur een kop koffie drinken.
      6. Arzu wil in het weekend een boek lezen.
      7. De studenten willen tijdens de pauze een bal spelen.
      8. Zij wil in de zomer een jurk…Read More

    • 1. Ik wil in november mijn kerstboom opzetten.
      2. Ze moet om 9 uur op het werk aankomen.
      3. De dokter kan om 7 uur beginnen met werken.
      4. De kinderen mogen in december ga naar vakantie.
      5. Ik wil op zaterdag naar de kapsalon gaan.
      6. Hij mogen op zondag zijn kinderen bezoeken.
      7. De juf moet op mandaag de toets geven.
      8. De boer moet in January…Read More

    • 1. Ik wil om 5:00 een film zien.
      2. Je moet voor dinsdag fruit kopen.
      3. Hij kan vanmorgen appels verkopen
      4. Zij mag om de week een taal spreken.
      5. Wij zullen vanaf 2025 een huis huren.
      6. Jullie gaan morgen e-mails schrijven.
      7. Zij willen over 1 uur een boek lezen.
      8. Viktor moet binnen 1 uur een stem horen.
      9. Issak en Nico kunnen sinds 1…Read More

    • 1. Ik eet vanavond een appel.
      2. Ik lees vanochtend een boek.
      3. Ik kijk volgende week een film.
      4. Zij kan vanavond kranten lezen.
      5. Jij moet volgende maand een laptop zoeken.
      6. Jij ziet nu duidelijk een bij.
      7. Ik kan een puzzel oplossen.
      8. Zij kan vandaag een horloge kopen.
      9. Zij kunnen morgen op de bank slapen.
      10. Ik kan vanavond een film kijken.

    • 1. Zij willen vanavond een film kijken.
      2. Ik kan vanavond een broodje eten.
      3. Zij kan vanavond een kamer schoonmaken.
      4. Wij kunnen morgen een auto wassen.
      5. Hij wil morgen een vriend bellen.
      6. Jij mag morgen een afspraak maken.
      7. Ik kan morgen een kamer schoonmaken.
      8. Zij willen om 3 uur een spel spelen.
      9. Jullie mogen vanavond pizza’s e…Read More

    • 1. Ik wil in Januari een afspraak maken.
      2. Zij wil morge een taart bakken.
      3. Ik kan vanavond een film kijken.
      4. Jullie willen elke dag een foto maken.
      5. Wij moeten volgende week een rekening openen.
      6. Ik kan morgen een boek lezen.
      7. Ik moet op dinstag een e-mail schrijven.
      8. Zij willen in de lente een bloem planten.
      9. Jij kan over twee…Read More

    • 1. Ik wil in the ochtend een maaltijd eten.
      2. Jij moet morgen een fiets hebben.
      3. Hij kan ‘s avonds een grote maaltijd eten.
      4. Zij mag morgen een jas dragen.
      5. U wilt volgende week een afspraak maken.
      6. Wij moeten vanavond huiswerk maken.
      7. Jullie moeten morgen een cadeau kopen.
      8. Zij kunnen om 3 uur een tv-serie kijken.
      9. Ik wil elke dag…Read More

    • 1. Ik wil vanavond een appel eten.
      2. Ik wil vandaag een lied zingen.
      3. Hij wil morgen een mango eten.
      4. Zij willen vandaag een collega ontmoeten.
      5. Jij moet vandaag een boek afmaken.
      6. Ik wil vanavond een kamer schoonmaken.
      7. Zij moet morgenochtend een ontbijt koken.
      8. Wij moeten vanmiddag een taart bakken.
      9. Hij kan vanavond muziek…Read More

    • 1. Ik wil voor april een cursus inschrijven.
      2. Hij wil vanavond een lekkere appel eten.
      3. Je mag morgen een collega zien.
      4. Wij kunnen dit jaar Nederlands leren.
      5. Zij wil elke dag een vogel horen.
      6. Ik wil om 2 uur een warm kopje koffie drinken.
      7. Hij mag vanaf juli een fiets kopen.
      8. Wij mogen in de zomer naar een ander land gaan.
      9. Wij…Read More

    • 1. Ik wil in de middag een broodje eten.
      2. Jij moet vandaag een boek lezen.
      3. Hij kan ‘s ochtends een kop koffie drinken.
      4. Zij mag morgen een rok dragen.
      5. U wilt volgende maand een reis maken.
      6. Wij moeten vanmiddag de kamer schoonmaken.
      7. Jullie moeten morgen een brief schrijven.
      8. Zij kunnen om 8 uur een film kijken.
      9. Ik wil e…Read More

    • 1. Jij wilt vanavond een groot diner eten.
      2. Hij zal om 9 uur een collega bellen.
      3. Ik wil morgen les hebben.
      4. Ik moet volgende week een film kijken.
      5. Zij mag morgen een chocomel drinken.
      6. Hij moet om 9 uur een oefening afmaken.
      7. Ik wil op maandag pasta maken.
      8. Hij moet in december een artikel presenteren.
      9. Ik wil in november een…Read More

    • 1. Ik wil om 7 uur een appel eten.
      2. Jij kunt op maandag een boek lezen.
      3. Hij moet in de ochtend een brief schrijven.
      4. Wij mogen voor de lunch een spel spelen.
      5. Zij kunnen na school een project maken.
      6. Jullie willen in de avond een film bekijken.
      7. Ik kan binnen een uur een maaltijd koken.
      8. Hij mag rond 8 uur een taart bakken.
      9. Hij…Read More

    • 1. Jij wilt morgen een appel eten.

      2. Hij moet vanavond appels eten.

      3. Wij kunnen straks een collega zien.

      4. Zij mag morgen collega’s zien.

      5. Jullie willen vandaag een tas kopen.

      6. Ik kan morgen groente kopen.

      7. Zij moeten straks een film kijken.

      8. Hij mag vanmiddag een boek lezen.

      9. Wij kunnen morgen een fiets repareren.

      10. Jij m…Read More

    • 1. Ik wil morgen huiswerk doen.
      2. Wij willen vanavond een spel spelen.
      3. Jullie willen vandaag pizza eten.
      4. Zij wil vanmiddag koffie drinken.
      5. Jullie moeten dit weekend een opdracht maken.
      6. Zij kan vandaag in een park wandelen.
      7. Hij mag morgen tv kijken.
      8. Zij moet overmorgen boodschappen doen.
      9. Ik moet deze maand op vakantie…Read More

    • 1. Ik wil morgen een appel eten.

      2. Ik wil vandaag appels eten.

      3. Ik wil straks een collega zien.

      4. Ik wil vanavond collega’s zien.

      5. Ik wil morgenavond een broodje eten.

      6. Ik wil nu koffie drinken.

      7. Ik wil vandaag een boek lezen.

      8. Ik wil straks water drinken.

      9. Ik wil vanmiddag een pizza eten.

      10. Ik wil morgen vrienden zien.

    • 1. Ik wil vanavond een collega zien.
      2. Jij moet morgen een presentatie maken.
      3. Zij kan straks een koffie drinken.
      4. Wij willen later een serie kijken.
      5. Ik ga vandaag een afspraak plannen.
      6. Jij kunt vanmiddag een boodschap doen.
      7.Hij zal morgen een e-mail schrijven.
      8. Wij mogen vanavond een film kijken.
      9. Jij wilt deze week een vriend…Read More

    • 1. Ik kan morgen het huiswerk maken.
      2. Zij kan deze week de auto rijden.
      3. Hij moet deze maand de bus nemen.
      4. Wij willen vandaag een computer kopen.
      5. Jij mag vanavond het diner koken.
      6. Ik wil morgen een vriend zien.
      7. Hij wil vanavond soep eten.
      8. Zij wil vanmorgen een boek lezen.
      9. Jij mag dit weekend een feestje organiseren.
      10. Zij…Read More

    • 1. Jij wilt mijn tas vandaag in de klas zoeken.
      2. Hij moet de auto morgen in de garage repareren.
      3. Wij kunnen deze tekst nu in de les lezen.
      4. Zij wil de kinderen vanavond in de woonkamer helpen.
      5. Jullie mogen die documenten straks op kantoor bekijken.
      6. Mijn moeder wil de groenten morgen in de keuken snijden.
      7. Anna kan haar boek vandaag…Read More

    • 1. Jij wilt morgen een boek lezen.
      2. Hij kan vanavond een bloem planten.
      3. Wij moeten vandaag een oefening doen.
      4. Zij mag vanmiddag een tekening maken.
      5. Jullie willen dit weekend een film kijken.
      6. Ik kan morgen een taart bakken.
      7. Hij moet vanavond een auto wassen.
      8. Zij wil overmorgen een wandeling maken.
      9. Wij willen vandaag een brief…Read More

    • 1. Ik wil in de ochtend een kop koffie drinken.
      2. Hij moet vanavond pasta maken.
      3. Zij kan ‘s middags een film kijken.
      4. Wij mogen overmorgen boodschappen doen.
      5. Ik mag in het weekend een kamer schoonmaken.
      6. Jij wil om 16.00 uur een boek lezen.
      7. Jullie kunnen morgen een ontbijtje maken.
      8. Ik wil om 17:00 uur een vriend bellen.
      9. Wij w…Read More

    • 1.Ik wil vanavond een pizza eten.
      2.Jij moet 2 dagen per week een taal leren.
      3.Hij kan elke dag een tafel vinden.
      4.Zij wil morgen naar muziek luisteren.
      5.Jullie kunnen vandaag een dier helpen.
      6.Wij moeten vanavond een les leren.
      7.Ik mag morgen een koffie drinken.
      8.Jij wil dit weekend een boek lezen.
      9.Wij kunnen elke dag een maaltijd…Read More

    • 1. Ik kan morgen een boek lezen.

      2. Ik mag vandaag appels kopen.

      3. Ik moet straks een collega bellen.

      4. Ik zal vanmiddag collega’s ontmoeten.

      5. Ik kan morgenavond een film kijken.

      6. Ik mag vandaag water drinken.

      7. Ik moet vanavond muziek luisteren.

      8. Ik zal straks een appel eten.

      9. Ik kan morgen brood kopen.
      10. Ik mag vanmiddag e…Read More

    • 1. Jij kunt morgen chocolade kopen.
      2. Wij zullen op zondagmiddag kip koken.
      3. Ik mag na de lunch documenten ondertekenen.
      4. Jullie moeten op vrijdag een tas brengen.
      5. Jij wilt over een uur soep maken.
      6. Wij kunnen volgende lente bloemen planten.
      7. Jij mag elke dag een boek lezen.
      8. Zij zullen vandaag nog een fiets repareren.
      9. Ik moet elk…Read More

    • 1) Ik moet ’s ochtends naar het werk gaan.
      2) Zij kunnen vanavond een kat spelen.
      3) Hij mag om 7 uur de bus nemen
      4)Zij moet om 10 uur naar huis gaan.
      5) Ik kan elke middag boeken lezen
      6) Ze wil vanavond liedjes zingen
      7) Hij kan vanaf 9 uur een doos kiezen.
      8) Jij moet om 6 uur eten maken.
      9) Hij kan na 5 uur een film zien
      10) Ze mag na 10 u…Read More

    • 1. Ik moet elke dag kinderen voeden.
      2. Je kunt op elk moment een controle verliezen.
      3. Jij mag na een week een app verwijderen.
      4. U kunt binnen vijf seconden een formulier invullen.
      5. Hij wil na tien maanden een vrouw verlaten.
      6. Zij kan ’s avonds schapen tellen.
      7. We mogen vandaag water leveren.
      8. Jullie moeten zo snel mogelijk m…Read More

    • 1. Wij willen vandaag een besluit nemen.
      2. Ze kunnen vandaag een taart bakken.
      3. Hij wil volgende week een appartement huren.
      4. Ik wil volgend jaar een berg beklimmen.
      5. Zij moet vanmiddag plastic verzamelen.
      6. Jullie mogen tijdens de pauze een telefoon gebruiken.
      7. Ik moet om 9 uur een taak afmaken.
      8. We moeten in december een strategie…Read More

    • 1- Ik wil vanavond een beetje boterham eten.
      2- Wij gaan morgen met een vrienden zwemmen.
      3- Ze gaat aanstaande vrijdag boodschappen doen.
      4- Ik ga na het werk een maaltijd koken.
      5- Je mag voor 20:00 uur een banaan eten.
      6- Ze gaan rond 13:00 uur een boom omhakken.
      7- Jullie gaan om 14:00 uur een man ontmoeten.
      8- Ik moet volgend weekend boeken…Read More

    • 1- Ik kan vanavond een vis eten.
      2- Zij wil morgen een vriendin bezoeken.
      3- Jullie kunnen morgen fossielen zien.
      4- Zij kunnen tijdens de rit boeken lezen.
      5- Hij moet vandaag een EHBO kit kopen.
      6- Wij kunnen om 5 uur thee drinken.
      7- Zij moet op donderdag huiswerk doen.
      8- Ik wil morgen Nederlands studeren.
      9- Jullie moeten in het weekend een…Read More

    • 1. Ik wil vanavond vis koken.
      2. Ik kan in het weekend een taart bakken.
      3. Ik moet vandaag een antwoord geven.
      4. Ik kan met kerst een cadeau krijgen.
      5. Hij kan vandaag een biertje drinken.
      6. Zij kan op haar eerste dag een collega bellen.
      7. Wij moeten in de winter winterkleren dragen.
      8. Zij moeten deze maand een wedstrijd winnen.
      9. Jullie…Read More

    • 1- Ik wil vanavond een boek lezen.
      2- Jij kan morgen een taart bakken.
      3- Hij moet om 3 uur een brief schrijven.
      4- Wij willen morgen een film kijken.
      5- Zij moeten vanmiddag een foto maken.
      6- Wij willen morgen een puzzel oplossen.
      7- Wij willen morgen een poster hangen.
      8- Ik kan morgen een nieuwe app installeren.
      9- Jullie moeten om 3 uur een…Read More

    • 1. Ik moet over een uur een afspraak maken.
      2. Je wil vanmorgen ontbijt eten.
      3. Hij moet morgen opdrachten maken.
      4. Zij wil om 5 uur een boek lezen.
      5. Hij kan binnen 5 minuten een boterham eten.
      6. Ik mag morgen een dokter bellen.
      7. Wij willen op zaterdag een picknick hebben.
      8. Ik kan in februari een concert gaan.
      9. Je wil na 6 uur een…Read More

    • 1) Ik moet ’s ochtends naar het werk gaan.
      2) Zij kunnen vanavond een kat spelen.
      3) Hij mag om 7 uur de bus nemen
      4)Zij moet om 10 uur naar huis gaan.
      5) Ik kan elke middag boeken lezen
      6) Ze wil vanavond liedjes zingen
      7) Hij kan vanaf 9 uur een doos kiezen.
      8) Jij moet om 6 uur eten maken.
      9) Hij kan na 5 uur een film zien
      10) Ze mag na 10 u…Read More

    • 1.Wij willen morgenavond koffie drinken
      2.Hij wil in het weekend een film kijken
      3.Ik moet in juli op vakantie gaan
      4. Hij mag in de ochtend ontbijt maken
      5.Jullie moeten elke week bloemen kopen
      6.Zij zullen om de week op vakantie gaan
      7.Ik wil rond 7 uur een krant lezen
      8.Je moet tot 4 juni een auto huren
      9.Wij kunnen na het avondeten een…Read More

    • 1- Ik wil dit weekend een stad in Belgie bezoeken.
      2- Ik moet vandaag een e-mail op het werk schrijven.
      3- Ik mag vandaag een vriend in het ziekenhuis bezoeken.
      4- Ik mag morgen een dag thuis werken.
      5- Ik moet straks een pakket bij de buren ophalen.
      6- Ik kan vanavond een maaltijd thuis koken.
      7- Ik wil dit weekend een museum in de stad…Read More

    • 1. Ik wil maandag studenten ontmoeten.
      2. Je kunt rond elf uur ontbijten.
      3. Ze kan na haar werk bloemen kopen.
      4. Hij moet voor 20:00 uur sporten.
      5. Ik kan binnen twee uur autorijden.
      6. We willen om 10:00 uur op het station zijn.
      7. Je moet volgend jaar Nederlands leren.
      8. We kunnen tot tweeënhalf uur boeken lezen.
      9. Ze kan van 8:00 uur tot…Read More

    • 1. Ik wil vanavond pasta maken.
      2. Jij wil morgen een ijsje kopen.
      3. Hij wil op maandag gordijnen hangen.
      4. Ik moet voor de lunch boeken lezen.
      5. Jullie moeten van 10:00 uur tot 18:00 uur geen sigaretten roken.
      6. Jij kan nu een sollicitatiegesprek voorbereiden.
      7. Wij kunnen in het weekend vrienden ontmoeten.
      8. Ik mag ‘s avonds boodschappen d…Read More

    • 1. Ik wil ’s ochtends een douche nemen.
      2. Je mag altijd een vraag stellen.
      3. Jij wilt om de dag boodschappen doen.
      4. U kunt elke maandag een appel eten.
      5. Hij zal elke avond een verhaal lezen.
      6. Zij wil vanmiddag een dutje doen.
      7. Ze wil ’s avonds een kamer schoonmaken.
      8. Jullie mogen ’s middags geen sport doen.
      9. We kunnen om de week…Read More

    • 1. Ik wil vanavond een wandelen maken.
      2. Jij moet morgen Nederlands leren.
      3. U mag vandaag medicatie nemen.
      4. Hij wil om de week boodschappen doen.
      5. Zij wil vanmiddag een boek lezen.
      6. Ik moet morgenavond een kat zien.
      7. Wij willen volgende week een stad bezoeken.
      8. Zij mogen in het weekend een film kijken.
      9. Jullie willen op zondag een…Read More

    • 1. Ik kan vanavond een lunch maken.
      2. Wij willen morgen boodschappen doen.
      3. Ik moet morgenavond vrienden zien.
      4. Jullie moeten voor vrijdag een auto kopen.
      5. Ik moet morgenochtend een boete betalen.
      6. Ik kan morgen boeken lezen.
      7. Zij kunnen middags in een park spelen.
      8. We willen vanavond pizza eten.
      9.Ik wil morgen in een bibliotheek…Read More

    • 1. Hij wil vandaag een broek kopen.
      2. Ik mag om 8 uur een afspraak maken.
      3. Jij kan tijdens de film kersen eten.
      4. Wij moeten om 12 uur films kijken.
      5. Zij wil vanavond een baby bezorgen.
      6. Ze willen voor 9 uur veerwerk zien.
      7. Ik kan morgen aan een project werken.
      8. Hij moet tot 11 uur een boek lezen.
      9. Je mag na 5 uur huiswerk maken,
      10.…Read More

    • 1. Je moet nu een afspraak maken.
      2. Hij wil over twee weken resultaten bekendmaken.
      3. U kunt/kan van maandag tot woensdag boeken lenen.(Both correct)
      4. Ik moet morgen nieuwe schoenen kopen.
      5. Jullie willen tot eind deze maand een verjaardag vieren.
      6. Wij mogen deze week auto’s wassen.
      7. Zij wil in de herfst een feest organiseren.
      8. Hij m…Read More

    • 1.Hij wil vanmiddag een boek lezen.
      2.Zij wil morgen een brief schrijven.
      3.Ik moet vanavond mijn tas pakken.
      4.Wij willen zaterdag in het park spelen.
      5.Zij mogen zondag een film kijken.
      6.Ik wil vandaag een appel eten.
      7.Jij moet morgen water drinken.
      8.U mag vandaag een stoel gebruiken.
      9.Jullie willen morgen een cadeau geven.
      10.Ik moet na…Read More

    • 1. Ik wil morgen een pizza eten.
      2. Jij mag vonavond een concert gaan.
      3. Hij kan op 7 iuni een auto te koop.
      4. Zij moet voor 20 uur een appel eten.
      5. Ik zal morgen een liedje zingen.
      6. Wij moeten tijdens de les een opdracht maken.
      7. Jullie zullen overmorgen een arts zeen.
      8. De honden moeten vonavond een appel eten.
      9. Zij kunnen morgen een…Read More

    • 1. Ik wil vanavond een film kijken.
      2. Jij moet morgen een toets maken.
      3. Dirk kan straks een brood kopen.
      4. Wij gaan maandag een auto huren.
      5. Jullie mogen vrijdag een bier drinken.
      6. Zij wil nu een appel eten.
      7. U wilt dit weekend een museum bezoeken.
      8. Ik moet vandaag een pakket bezorgen.
      9. Jij kunt later een laptop gebruiken.
      10.…Read More

    • 1. Ik wil morgen drie eieren eten.
      2. Je gaat over drie dagen een brief ontvangen.
      3. Jullie kunnen na de les een afspraak maken.
      4. Mijn ouders willen binnen een jaar een klein kind hebben.
      5. Mijn vrouw wil morgen een dure tas kopen.
      6. Mijn collega moet om 3 uur een medicijn nemen.
      7. Ik moet in het weekend een klant bezoeken.
      8. De kinderen…Read More

    • 1. Jij moet morgen vroeg brood kopen.
      2. Hij kan vanochtend koffie drinken.
      3. Zij mag vanmiddag een boek lezen.
      4. Wij willen vanavond pizza bestellen.
      5. Jullie moeten morgen huiswerk maken.
      6. Zij kunnen straks een film kijken.
      7. Ik mag nu een pauze nemen.
      8. Jij wilt later een auto kopen.
      9. Hij moet volgende week naar de dokter…Read More

    • 1. Ik wil de pasta in de keuken maken.
      2. Ze kan haar vrienden in het centrum ontmoeten.
      3. Hij wil de marathon in de stad rennen.
      4. Ze kan de afspraak van de kapster maken.
      5. De buurman wil de barbecue in de tuin maken.
      6. Wij willen deze appels in de supermarkt kopen.
      7. Ze wil de jurk in de winkel proberen.
      8. Ik mag met mijn collega op…Read More

    • 1. Ik wil om 3 uur een afspraak maken.
      2. Ik wil vanavond een biertje drinken.
      3. Ik wil in het weekend een film kijken.
      4. Jullie mogen morgen een kamer schoonmaken.
      5. Wij kunnen vanavond een maaltijd maken.
      6. Hij mag om 8 uur een vriend zien.
      7. Zij mag na maandag een collega ontmoeten.
      8. Wij willen in juni op excursie gaan.
      9. Ik wil in de…Read More

    • 1- Ik mag vandaag de auto schoonmaken
      2- Ik moet morgen de vrien zien
      3- Hij moet vandaag de groenten kopen
      4- Ik moet vanavond mijn huiswerk doen
      5- Ik kan vandaag mijn dokter zien
      6- Je moet morgen jouw auto repareren
      7- Ik moet morgen een huis zoeken
      8- Hij moet vandaag een melk drinken
      9- Zij moet morgen een jas dragen
      10- Hij wil vanavond een…Read More

    • 1. Wij moeten vandaag een afspraak maken.
      2. Ik moet deze week een paspoort aanvragen.
      3. Zij wil op zaterdag een taart bakken.
      4. Ze moeten morgen een oplossing zoeken.
      5. Hij wil volgend jaar een nieuwe auto kopen.
      6. Jullie moeten om acht uur thuis komen.
      7. Ze kunnen tot dinsdag een assignment inleveren.
      8. Ik moet morgen een pakketje…Read More

    • 1. Ik mag morgen jurken kopen.
      2. Hij moet vanavond een film kijken.
      3. Ik kan in de zomer vrienden bezoeken.
      4. Wij willen in het weekend met kinderen spelen.
      5. Jullie mogen op zaterdag ontbijt maken.
      6. Ik moet rond 18:00 uur groenten snijden.
      7. U moet morgen een afspraak maken.
      8. Zij willen rond 19:00 uur naar een restaurant gaan.
      9. Ik mag…Read More

    • 1. Ik wil vanmorgen een vriend zien
      2. We willen om 3 uur een kopje koffie drinken .
      3. Wij moeten vanavond kopen tomaat.
      4. Ze kunnen om 12 uur een stroopwaffel eten.
      5. Hij mog vanmorgen een taart zien.
      6. Ze willen volgende woensdag bieren drinken.
      7. Ik moeten in twee weeken belasting betalen.
      8. We willen om 16 uur lasagna eten.
      9. Hij mog in…Read More

    • 1. Ik wil morgen een taart eten
      2. Jij moet ‘s middags huiswerk maken
      3. Hij mag om 3 uur een boek schrijven
      4. Zij kan vanavond een serie kijken
      5. Wij willen op zondag boodschappen doen
      6. Jullie kunnen in maart regenbuien zien
      7. Zij mogen nu nieuwe Nederlandse woorden leren
      8. Ik kan na de film meer popcorn kopen
      9. Hij wil op woensdagavond m…Read More

    • 1. Ik wil morgen een afspraak maken.
      ​2. Jij moet ‘s ochtends de auto wassen.
      ​3. Hij mag om 4 uur de trein nemen.
      4. ​Zij kan vanavond een jurk dragen.
      ​5. Wij willen op zaterdag naar muziek luisteren.
      6. ​Jullie kunnen in april mooi weer verwachten.
      7. ​Zij mogen nu een pauze nemen.
      8. ​Ik kan na de les een vraag stellen.
      9. ​Hij wil op vri…Read More

    • 1. Ik wil morgenavond een film kijken.
      2. Jij moet na school je kamer opruimen.
      3. Zij wil op maandag een nieuwe cursus beginnen.
      4. Wij mogen vanavond pizza bestellen.
      5. Jij wilt vanochtend een taart bakken.
      6. Hij wil later een groot huis bouwen.
      7. Jullie kunnen tijdens de les Nederlands spreken.
      8. Ik wil om 8 uur koffie drinken.
      9. Wij…Read More

    • 1. Ik wil vanavond een pizza eten.
      2. Wij kunnen nu een huis kopen.
      3. Jullie moeten morgen een afspraak maken.
      4. Je mag straks een vriend bellen.
      5. Ze kan soms Nederlandse kranten lezen.
      6. Jij moet elke dag een hond uitlaten.
      7. Wij moeten vandaag een toets maken.
      8. Zij willen dit weekend kleren kopen.
      9. Hij mag volgende maand een…Read More

    • 1.Ik wil morgen een boek lezen.
      2.Jij wilt vanavond een film zien.
      3.Hij moet morgen een appel eten.
      4.Zij kan vandaag om 7 uur taarten eten.
      5.Wij mogen morgen een vriend zien.
      6.Jullie willen vanavond vriendinnen zien.
      7. Zij willen morgen koffie drinken.
      8.Ik moet vanavond thee drinken.
      9. Hij kan morgen huiswerk maken.
      10. Zij mag vandaag een…Read More

    • 1. Wij kunnen morgen een fiets kopen.
      2. Ik wil in de lente een marathon lopen.
      3. Jij moet nu koffie drinken.
      4. Ik kan nooit een insect doden.
      5. Zij moet altijd rode lippenstift gebruiken.
      6. Zij moeten soms ballen lenen.
      7. Ik moet vandaag een tas kopen.
      8. Dolores kan nu een jurk gebruiken.
      9. Ik wil altijd pizza eten.
      10. Hij moet soms een…Read More

    • 1. Ik wil vanavond een boek lezen.
      2. Jij moet morgen een e-mail verzenden.
      3. Hij kan vandaag een dokter bellen.
      4. Wij willen vanavond een film kijken.
      5. Jullie kunnen morgen een vergadering bijwonen.
      6. Zij moeten vandaag een pizza bestellen.
      7. Ik wil dit weekend nieuwe vrienden ontmoeten.
      8. Jij kunt vanavond een vraag stellen.
      9. Hij kan…Read More

    • 1. Je wil na het werk boodschappen doen
      2. Ik kan morgen een nieuwe jas kopen
      3. Jij moet om 12 uur jouw huiswerk afmaken.
      4. Hij kan in de loop van de dag een e-mail sturen.
      5. Zij wil in de zomer een nieuwe auto kopen.
      6. Wij moeten op zondag een boek lezen.
      7. Jullie mogen voor het eten een spel spelen.
      8. U wilt over een uur een meeting…Read More

    • 1. Ik wil om 08:00 uur vandaag een afspraak maken.
      2. We kunnen morgen een kopje koffie drinken.
      3. Ik wil morgen thuiswerken.
      4. We kunnen vanavond een film kijken.
      5. Ze moet morgen een boek in de bibliotheek lezen.
      6. Ik moet om 9:00 uur ‘s ochtends een vriend bellen.
      7. Ik moet voor dinsdag huiswerk maken.
      8. Ik wil morgen kleding k…Read More

    • 1. Ik wil volgende maand een nieuwe fiets kopen.
      2. Je kunt vóór vrijdag een groot project afmaken.
      3. Hij moet vanmiddag een warme hoed dragen.
      4. Wij kunnen dit weekend een muur schilderen.
      5. Zij moeten vóór morgen een rapport schrijven.
      6. Zij wil dit jaar een goede baan vinden.
      7. Jullie mogen na het eten een spel kiezen.
      8. Ik wil in de len…Read More

    • 1. Ik wil morgen een boek kopen.
      2. Jij moet vandaag jouw slaapkamer schoonmaken.
      3. U kan volgende week een museum bezoeken.
      4. Hij mag vanavond een film kijken.
      5. Zij moet vanmiddag een brief schrijven.
      6. Wij kunnen om twaalf uur een boterham eten.
      7. Jullie willen elke ochtend een krant lezen.
      8. Zij kunnen na school een bus nemen.
      9. Ik mag…Read More

    • 1. Ik wil vanavond een sinaasappel eten.
      2. Wij willen vanmorgen een ui kopen.
      3. Ik wil om 10 uur sap drinken.
      4. Zij wil op maandag een nieuwe cursus beginnen.
      5. Wij willen op woensdag een film kijken.
      6. Jullie willen om 18 uur pasta eten.
      7. Hij wil volgende maand Duitsland bezoeken.
      8. Ik wil volgende week mijn ouders bezoeken.
      9. We willen…Read More

    • 1. Wij willen vanavond een film kijken.
      2. Mijn kat wil morgen natvoer eten.
      3. Mijn moeder en ik willen morgenochtend boodschappen doen.
      4. Ik moet tot morgenavond mijn huiswerk doen.
      5, Onze buren willen op zondag hun keuken renoveren.
      6. Jullie moeten tot vanavond op een taxi wachten.
      7. Haar man wil ‘s morgens melk drinken.
      8. Ik wil m…Read More

    • 1. Ik moet in de ochtend een rapport schrijven.
      2. Hij kan in het weekend een boek lezen.
      3. Wij mogen op zondag voetballen.
      4. Zij wil in de zomer boodschappen doen.
      5. Ik kan na het eten koffie drinken.
      6. Hij moet elke dag huiswerk maken.
      7. Wij willen in de avond een rondje fietsen.
      8. Zij kan in de pauze vragen stellen.
      9. Ik mag in de avond…Read More

    • 1. Ik wil vanavond een vriend uitnodigen.
      2. U wilt morgen een buurman helpen.
      3. Ik wil volgende week een dokter spreken.
      4. Ik moet vanmiddag een leraar bellen.
      5. U moet vandaag een specialist bezoeken.
      6. Ik moet morgen een monteur ontvangen.
      7. Mag ik vanavond een gast meenemen?
      8. U mag morgen een familielid meebrengen.
      9. Ik kan vanmiddag…Read More

    • 1. Ik wil vanavond een pizza eten.
      2. Ik moet morgen een e-mail schrijven.
      3. Ik kan vanmiddag een boek lezen.
      4. Ik mag vanmorgen koffie drinken.
      5. Ik wil morgen een vriend zien.
      6. Ik moet vanavond Nederlands leren.
      7. Ik kan vanmiddag soep eten.
      8. Ik mag morgen een computer gebruiken.
      9. Ik wil zaterdag schoenen kopen.
      10. Ik kan vanavond een…Read More

    • 1.Ik wil morgen een film kijken.
      2.Zij moet vanavond eten koken.
      3.Hij kan vandaag een boek lezen.
      4.Wij willen morgen naar school gaan.
      5.Jullie mogen in de ochtend koffie drinken.
      6.Zij moeten elke dag werken.
      7.Ik kan na het werk boodschappen doen.
      8.Hij wil op zondag voetballen.
      9.Wij moeten vanavond het huis schoonmaken.
      10Zij kan in het…Read More

    • 1. Je kunt in een maand een paard temmen.
      2. Jullie mogen om 10.00 uur een loodgieter bellen.
      3. Ik moet over 3 dagen een project afhebben.
      4. U kunt op 29 november een verjaardag vieren.
      5. Je wilt in oktober een dag verlof aanvragen.
      6. Zij wil na de afspraak ijs kopen.
      7. Hij moet tijdens de vergadering een rapport sturen.
      8. We mogen in de…Read More

    • 1. Ik wil op 2 mei een cadeau brengen.
      2. Je wilt in juni een jas aantrekken.
      3. Mijn moeder kan na het eten een liedje zingen.
      4. Hij kan rond 6 uur een spelletje spelen.
      5. Ik moet over 2 uur boodschappen doen.
      6. Jij moet voor de les een identiteitskaart meenemen.
      7. Hij mag tot morgen een snackje eten.
      8. Jij mag tijdens de les water…Read More

    • 1. Ik wil vanavond een film kijken.
      2. Hij wil morgen een boek lezen.
      3. Zij mag vandaag een appel eten.
      4. Wij moeten vanmiddag een brief schrijven.
      5. Ze kunnen morgen een fiets kopen.
      6. Ik wil vanmorgen een koffie drinken.
      7. Hij moet vanavond een oefening maken.
      8. Zij wil volgende week een jas kopen.
      9. Wij kunnen zaterdag een pizza…Read More

    • 1. Ik wil morgen een appel eten.
      2. Jij moet vanavond soep koken.
      3. Hij kan vandaag een auto huren.
      4. Zij mag ‘s middags een pauze nemen.
      5. U wilt straks koffie drinken.
      6. Wij kunnen dit weekend een feest vieren.
      7. Jullie moeten binnenkort pizza bestellen.
      8. Zij willen vanavond een film kijken.
      9. Ik mag morgen bier drinken.
      10. Hij moet e…Read More

    • 1. Ik wil ‘s avonds een appel eten.
      2. Jij moet op het werk de foto verwijderen.
      3. U moet om 6 uur de boeken verzamelen.
      4. Hij kan sinds 1996 de hond voeden.
      5. Zij mag na 9 uur de vraag stellen.
      6. Wij willen vanaf 9 uur het eten koken.
      7. Jullie moeten morgen op het strand wachten.
      8. Zij mogen in het weekend op school leren.
      9. Jij wilt ‘…Read More

    • 1 Ik wil om 6 uur een kangoeroe vechten.
      2 Jij gaat rond 8 uur een luier veranderen.
      3 Je gaat over drie uur een oplossing uitleggen
      4 U wilt sinds vijf jaar iets schieten
      5 Hij wil om ‘s ochtends een croissant ruiken
      6 Zij wil jaarlijks een stad overvallen
      7 Wij willen rond Kerstmis geschenken nemen
      8 Jullie gaan over de zomer een taak missen
      9 Z…Read More

    • 1.Jij wilt vanavond naar muziek luisteren.
      2.Wij willen morgen een krant lezen.
      3.Hij mag vandaag een banaan eten.
      4.Zij moeten vanmiddag een e-mail schrijven.
      5.Ik kan morgen een nieuwe telefoon kopen.
      6.U wilt vanmorgen thee drinken.
      7.Jullie moeten vanavond een opdracht maken.
      8.Ik wil volgende week nieuwe schoenen kopen.
      9.Hij kan zaterdag een…Read More

  • Load More Posts