Dutch Course Eindhoven A1 Homework Answers Group

  • Public Group
  • 7 hours, 53 minutes ago
  • 105

    Posts

  • 183

    Members

  • Maak 10-15 vragen met VR✍️
    Gebruik nummers: 1,2,3…
    Post your answer below:

    liked this
    126 Comments
    • 2. Helpt…
      14. Nemen jullie hen aan? >> = Are you hiring them?

    • 1. Hou jij van mij?
      2. Belt Reinier haar?
      3. Is haar moeder een advocaat?
      4. Hebben jullie de telefoon nummer van haar?
      5. Heeft hij de tas van haar?
      6. Loop jij met ons?
      7. Wil jij blijft met hem?
      8. Zijn hen vrienden?
      9. Is Lisa haar moeder?
      10. Waar is de schoen van haar?

    • 1. Luistert Maria jou?
      2. Geloof jij mij?
      3. Kent hij ons?
      4. Aanmoedigen ouders haar?
      5. Helpt zij hem?
      6. Uitlacht hij ons?
      8. Leer jij ons?
      9. Zorgt hij haar?
      10. Vinden jullie hem?
      11. Adviseert Ferdinand jou?
      12. Staart hij ons?
      13. Respecteren kinderen hem?
      14. Knuffelt jongen jou?
      15. Begrijpt Cornelis jou?

    • 1. Ken je jullie?
      2. ziet hij haar?
      3. Hoort hij mij?
      4. Begrijp je ons?
      5. Feliciteer je hem?
      6. Mist Otto ons?
      7. Selecteren jullie me?
      8. Ontmoet u haar?
      9. Bedankt Victor jou?
      10. Stoppen zij ons?

    • 1. Bezoeken jullie ons?
      2. Zie ik mij?
      3. Versta jij hem?
      4. Kennen wij hen?
      5. Belt zij jou?
      6. Vragen wij hen?
      7. Roep jij haar?
      8. Snap jij ons?
      9. Vergeet hij haar?
      10. Help jij mij?

    • 1. Zien jullie ons?
      2. Schrijf jij aan hem?
      3. Belt Pieter jou?
      4. Belt u mij?
      5. Kent zij haar?
      6. Helpt Anna jou?
      7. Bedank je haar?
      8. Bericht ik jou?
      9. Praat zij met jou?
      10. Zoek je mij?
      11. Vind jij mij?
      12. Begrijpt u mij?

    • 1. Hoor je mij?
      2. Begrijpen jullie hen?
      3. Vind jij ze?
      4. Zoekt hij hem?
      5. Zie jij haar?
      6. Vragen jullie ons?
      7. Ken ik jou?
      8. Geloof ik haar?
      9. Helpen wij u?
      10. Teken jij ze?

    • 1. Ken jij mij?
      2. Begrijpen jullie ons?
      3. Praat hij met haar?
      4. Gelooft u mij?
      5. Belt hij haar?
      6. Volgen zij ons?
      7. Hoor je hen?
      8. Trouw jij met hem?
      9. Missen zij ons?
      10. Weiger jij haar?

    • 1. Zie je ons?
      2. Ken je hen?
      3. Help jij ons?
      4. Werken zij met ons?
      5. Gaat hij met haar?
      6. Komen wij met hem?
      7. Is zij bij jou?
      8. Spreekt hij met jou?
      9. Luistert zij naar hem?
      10. Vraagt hij mij?

    • 1. Zie je hem?
      2. Is dat van jouw?
      3. Koopt hij voor haar?
      4. Zijn jullie zijn vriendinnen?
      5. Heeft zij hun tickets?
      6. Drink je onze wijn?
      7. Eet ik jullie soep?
      8. Dans ik met jullie?
      9. Bakken jullie koekjes voor hem?
      10. Leest hij haar boek?

    • 1. Spreek jij met hem?
      2. Nodigen wij haar uit voor het feest?
      3. Woont ze bij hen?
      4. Draagt hij het?
      5. Pakt oma ze op?
      6. Kook jij ze?
      7. Strijken jullie het?
      8. Introduceer jij haar?
      9. Breng je ons naar het station?
      10. Controleert u het?

    • 1. Ken jij haar?
      2. Steunen jullie ons?
      3. Overtuigt zij hem?
      4. Ontmoet ik jou?
      5. Stop jij ze?
      6. Waarschuwen zij ons?
      7. Mag u mij?
      8. Bijt hij haar?
      9. Verstaan zij hem?
      10. Verzorg jij hen?
      11. Beschuldig jij hem?
      12. Gelooft zij haar?

    • 1. Horen jullie haar?
      2. Geloof jij hen?
      3. Bezoekt Maria jou?
      4. Ziet zij mij?
      5. Bedank jij ze?
      6. Mogen jullie hem?
      7. Volgt hij ons?
      8. Bellen Anna en Willem jou?
      9. Kent u ze?
      10. Bereiken zij jou?
      11. Hoor jij mij?
      12. Tekent hij haar?
      13. Helpen zij ons?

    • 1. Kennen jullie hen?
      2. Help jij haar?
      3. Tekenen jullie mij?
      4. Bezoekt u ons?
      5. Mogen de collega’s mij?
      6. Gelooft Eduard hen?
      7. Dien jij ons?
      8. Vraagt Bernard hem?
      9. Vergeet Karel jou?
      10. Verlaten jullie ons?

    • 1. Zie jij haar?
      2. Begrijpt u mij?
      3. Brengen zij hem?
      4. Vragen jullie ons?
      5. Bel jij haar?
      6. Kennen jullie hen?
      7. Volgen wij jullie?
      8. Help jij mij?
      9. Bezoeken jullie haar?
      10. Kus jij hem?
      11. Mis jij mij?
      12. Bedank jij hem?
      13. Waarschuw jij hen?
      14. Corrigeer jij haar?
      15. Beschuldig jij hem?

    • 1. Hoor jij mij?
      2. Koken jullie ze?
      3. Vraagt zij ons?
      4. Belt hij haar?
      5. Zoek jij hen?
      6. Help jij ons?
      7. Vindt zij ze?
      8. Lieg jij ons?
      9. Breken wij ze?
      10. Kennen jullie mij?

    • 1. Leert de vrouw een taal met jou?
      2. Rijdt de broer een auto met jullie?
      3. Leest het kind een boek met hem?
      4. Kookt de moeder een ei met haar?
      5. Leent de vader een fiets van u?
      6. Heeft de student een rugzak van hem?
      7. Koopt de vriend een tulp van ons?
      8. Bouwt het kind een toren met jullie?
      9. Loopt de zus een hond met jou?
      10. Leert de…Read More

    • 1. Ziet hij mij?
      2. Bel ik jou?
      3. Kennen jullie hem?
      4. Willen de mannen hen?
      5. Bezoeken wij jullie?
      6. Hoort het meisje mij?
      7. Wacht ik haar?
      8. Mis je ons?
      9. Help jij mij?
      10. Geeft hij mij geld?
      11. Maakt hij mij een pasta?

    • 1. Spelen zij met ons?
      2. Zien zij ons?
      3. Ken ik hem?
      4. Zingt zij met mij?
      5. Horen zij ons?
      6. Praat hij met mij?
      7. Helpt zij mij?
      8. Werkt hij met mij?
      9. Begrijpt u mij?
      10. Luistert hij naar haar?

    • 1. Zie jij haar?
      2. Begrijpt zij mij?
      3. Horen jullie ons?
      4. Zien zij jullie?
      5. Kent hij jou?
      6. Geloof jij mij?
      7. Volgen zij jou?
      8. Bezoeken jullie ons?
      9. Kust zij jou?
      10. Bereiken jullie hen?

    • 1. Bezoeken jullie ons?
      2. Ga je met mij?
      3. Luisteren jullie naar ons?
      4. Praat hij met haar?
      5. Maak ik huiswerk met jou?
      6. Kijk je tv met ons ?
      7. Zien jullie ze?
      8. Begrijpen jullie me?
      9. Eten jullie met ons?
      10. Zingt zij met haar?

    • 1. Ken jij hem?
      2. Zoekt hij haar?
      3. Steunen we hen?
      4. Begrijp je me?
      5. Geloven wij hem?
      6. Trekt hij jou?
      7. Volg je me?
      8. Helpt hij haar?
      9. Eten jullie ze?
      10. Bezoeken wij hen?
      11. Duwt u haar?
      12. Beschermt u ze?

    • 1. Vinden jullie hem?
      2. Help jij haar?
      3. Begrijpt hij jou?
      4. Ziet u me?
      5. Zorgen zij voor jou?
      6. Wacht hij op haar?
      7. Vraag jij me?
      8. Speelt hij met ons?
      9. Volgen jullie hem?
      10. Vergeet zij jou?
      11. Steunen wij hen?
      12. Tekent hij jullie?

    • 1. Sla je hem?
      2. Zien jullie haar?
      3. Ken je mij?
      4. Helpen we hen?
      5. Vinden jullie ons?
      6. Bel je haar?
      7. Volgen zij jullie?
      8. Hij verliest haar.
      9. Schrijf je naar ze?
      10. Spelen jullie met hem?
      11. Hou je van haar?
      12. Praten jullie met hem?

    • 1. Gaat hij met jou?
      2. Zie jij hem?
      3. Luisteren jullie naar ons?
      4. Praten wij met hem?
      5. Speelt zij met hen?
      6. Vraagt hij ons?
      7. Bedankt hij ons?
      8. Eet hij met haar?
      9. Horen jullie mij?
      10. Kijkt hij televisie met ons?
      11. Studeert zij op school met hem?
      12. Werk jij met hem?
      13. Lopen jullie met hem?
      14. Praat jij met mij?
      15. Drinkt hij…Read More

    • 1. Verstaan jullie mij?
      2. Bezoek jij hem?
      3. Missen zij jullie?
      4. Discrimineert zij jou?
      5. Helpt hij haar?
      6. Tekent zij hem?
      7. Bedank ik jou?
      8. Bijten zij haar?
      9. Bereik jij ons?
      10. Kennen jullie hem?
      11. Feliciteren zij jou?
      12. Beschermen jullie ons?
      13. Vergeten jullie haar?
      14. Hoor jij mij?
      15. Verlaat jij hem?

    • 1. Is het jou boek?
      2. komen jullie naar zijn huis?
      3. Vindt U mijn boek leuk?
      4. Eten jullie in hen restaurant?
      5. Heeft ze mijn sleutels?
      6. Is het kind van jouw?
      7. Klimmen ze op mijn dak?
      8. Kom je mee naar het huis van mijn ouders?
      9. Geef ik hem een potlood?
      10. Zoekt hij haar huis?
      11. Speelt hij met mijn kinderen?
      12. Leer jij nederlands…Read More

    • 1. Bezoek jij haar?
      2. Bellen ze mij?
      3. Speelt hij met haar?
      4. Ziet Pieter ons?
      5. Luisteren de studenten naar hem?
      6. Ga ik naar jullie?
      7. Kent de buurman hen?
      8. Kijkt zij de film met ons?
      9. Werk jij met mij?
      10. Zoek ik jou?

    • 1. Wat is jouw naam?
      2. Is het haar piano?
      3. Heb jij zijn boeken?
      4. Spelen zij met haar?
      5. Heb jij mijn kopje koffie?
      6. Heeft hij haar tas?
      7. Help jij onze moeder?
      8. Is dit haar auto?
      9. Wacht zij op hem?
      10. Mag ik jullie helpen?

    • 1. Bel jij haar?
      2. Hoor jij mij?
      3. Helpt u ons?
      4. Luistert hij naar hen?
      5. Wacht jij op ons?
      6. Kijken jullie naar hen?
      7. Zie jij mij?
      8. Ken jij haar?
      9. Begrijpt hij ons?
      10. Zoek jij mij?

    • 1.Begrijp jij mij?
      2.Zien zij jullie?
      3.Luistert zij hem?
      4.Kom jij met haar?
      5.Praten jullie met hun?
      6.Eet jij met hem?
      7.Horen jullie ons?
      8.Belt zij jou?
      9.Helpen zij jullie?
      10.Denkt hij haar?

    • 1-Missen zij hem?
      2-Vergeeft hij haar?
      3-Zie je mij?
      4-Wachten jullie hen?
      5-Hoort zij ons?
      6-Helpt hij haar?
      7-Geef je ze geld?
      8-Glimlacht hij jou?
      9-Begrijpen jullie hem?
      10-Bel jij ons?
      11-Ken jij mij?
      12-Schrikken zij jou af?
      13-Vang ık hem?
      14-Vertelt zij hun?
      15-Kijkt hij naar hun?

    • 1. Geliefd jou hem?
      2. Vertrouw jou hen?
      3. Ziet hij jou?
      4. Praat hij met je?
      5. Belt ze jou?
      6. Zie jij de hond?
      7. Waar is haar huis?
      8. Heb je mijn potlood?
      9. Begiftig je hem?
      10. Begrijp je mij?
      11. Kook voor mij?

    • 1- Kun je mij mailen?
      2- Bezoekt hij haar?
      3- Zal ze mij spreken?
      4- Geven wij haar de bloemen?
      5- Speel je Golf met ons?
      6- Hoor je mij?
      7- Maak je een shawarma voor mij?
      8- Zie je de kracht in hem?
      9- Zullen wij hen wachten?
      10- Praat ze met haar?
      11- Kijk jij de film met ons?

    • 1. Begrijp jij mij?
      2. Zie jij hem?
      3. Luistert u haar?
      4. Komen wij bij hem huis?
      5. Houdt zij haar koffie.
      6. Loop jij met haar?
      7. Luistert hij naar haar?
      8. Veranderen zij haar naam?
      9. Helpt hij haar?
      10. Houd ik haar?

    • 1. Ken je mij?
      2. Help jij hem?
      3. Ziet hij haar?
      4. Horen zij jullie?
      5. Geloven jullie ons?
      6. Bel ik u?
      7. Praten jullie met ons?
      8. Zoeken ze haar?
      9. Begrijp je ons?
      10. Luistert hij naar haar?
      11. Wacht zij ze.
      12. Spelen ze voetbal met jou?

    • 1. Begrijp je mij?
      2. Luistert zij naar hem?
      3. Volg jij ze?
      4. Waardeer je mij?
      5. Bel ik hem?
      6. Vergeef ik haar?
      7. Horen zij jullie?
      8. Hebben ze hem ontslagen?
      9. Mag je met ze spelen?
      10. Vergeef ik hem?

    • 1. Volg jij ons?
      2. Ken ik jou?
      3. Bezoeken zij hem?
      4. Vind jij haar leuk?
      5. Bel ik jou?
      6. Vergeeft hij haar?
      7. Hebben jullie hen nodig?
      8. Tekent hij hem?
      9. Geloof jij mij?
      10. Vertrouwen wij hen?
      11. Vermijdt zij haar?
      12. Hoor ik hem?
      13. Waarderen wij haar?
      14. Kies jij haar?
      15. Onderschatten jullie hem?

    • 1. Beloof jij ons?
      2. Helpt hij jou?
      3. Beoordeel jij hem?
      4. Steunt hij haar?
      5. Slaat Maria ons?
      6. Duwt hij hen?
      7. Bedanken zij mij?
      8. Corrigeert zij jou?
      9. Pakken zij je?
      10. Kiezen jullie mij?

    • 1. Hoor jij mij?
      2. Ontmoet hij ons?
      3. Kennen wij jou?
      4. Helpt zij ons?
      5. Bezoeken zij hem?
      6. Zie jij haar?
      7. Vertelt hij hen?
      8. Vindt u ons?
      9. Leren zij ons?
      10. Bedank jij hem?
      11. Belt zij ons?

    • 1. Helpt zij jullie?
      2. Ken jij haar?
      3. Slaat hij hem?
      4. Belt u mij?
      5. Breng ik ze?
      6. Bereik jij haar?
      7. Ontvangt hij ze?
      8. Verstaan jullie ons?
      9. Bescherm jij ons?
      10. Volgt hij u?
      11. Gelooft hij jou?
      12. Gebruiken zij ze?
      13. Stuur jij ze?
      14. Zien jullie hen?
      15. Duwt hij ze?

    • 1. Help jij haar?
      2. Ontmoeten wij hem?
      3. Ken jij ons?
      4. Feliciteert hij ons?
      5. Bedreigt de leraar mij?
      6. Bijt de hond jou?
      7. Duwt de sumoworstelaar jou?
      8. Selecteert de baas haar?
      9. Kust Antonia mij?
      10. Bezoekt zij hen?

    • 1. Bel jij mij?
      2. Horen jullie hem?
      3. Kent hij haar?
      4. Helpen wij hen?
      5. Gelooft zij hem?
      6. Wachten zij op ons?
      7. Bedank ik hem?
      8. Zoeken jullie mij?
      9. Volgen zij haar?
      10. Begrijpt u mij?

    • 1- Begrijp jij mij?

      2- Ken jij haar?

      3- Zie jij hem?

      4- Help jij ons?

      5- Hoor jij ze?

      6- Bezoekt hij jullie?

      7- Wacht jij op hem?

      8- Vertrouw jij haar?

      9- Belt zij jou?

      10- Kent hij hen?

    • 1. Zien jullie haar?
      2. Breng jij hem?
      3. Belt u hem?
      4. Geloven jullie mij?
      5. Gebruik jij ons?
      6. Helpen jullie ons?
      7. Ontvangt Lodewjik hen?
      8. Verlaat Jan ons?
      9.Dient Victor jou?
      10. Bezoekt Simon jou?
      11.Versta jij mij?
      12 Selecteren wij haar?

    • 1. Begrijp jij alles?
      2. Ontmoet jij hem?
      3. Bezoek jij haar?
      4. Verlaat hij ons?
      5. Vertrouw jij ze?
      6. Luister jij naar mij?
      7. Ontvangt zij hem?
      8. Bescherm jij haar?
      9. Vergeet jij ons?
      10. Nodigt hij jou uit?

    • 1. Verstaat Pieter hen?
      2. Discrimineert u ze?
      3. Dien je mij?
      4. Geven de ouders ons het geld?
      5. Bezoeken we jou?
      6. Corrigeert een vriend hem?
      7. Beschermt Simon haar?
      8. Verzorgt de vrouw u?
      9. Weigert Richard jou?
      10. Waarschuwt ze jullie?

    • 1. Begrijpt hij haar?
      2. Hoort zij hem?
      3. Kent hij ons?
      4. Zoekt hij hen?
      5. Volgen zij jullie?
      6. Bezoekt hij ons?
      7. Vergeeft hij jou?
      8. Zie je mij?
      9. Ken jij hem?
      10. Vertrouw jij hem?
      11. Help jij ons?
      12. Roept hij ons?
      13. Belt zij jou?
      14. Leert zij mij?
      15. Gelooft hij haar?

    • 1. Zien jullie ons?
      2. Schrijf jij aan hem?
      3. Belt Pieter jou?
      4. Belt u mij?
      5. Kent zij haar?
      6. Helpt Anna jou?
      7. Bedank je haar?
      8. Bericht ik jou?
      9. Praat zij met jou?
      10. Zoek je mij?

    • 1. Begrijpt u mij?
      2. Kennen wij hem?
      3. Zie je haar?
      4. Help jij hen?
      5. Vertrouw jij hem?
      6. Bezoekt zij jullie?
      7. Roep jij hem?
      8. Herkent zij jou?
      9. Ontmoet jij hen?
      10. Zoekt zij ons?

    • 1. Kiest zij hem?
      2. Geneest hij jou?
      3. Begrijp jij hen?
      4. Denk jij aan mij?
      5. Tekent zij hem?
      6. Betalen zij haar?
      7. Beloven zij jou?
      8. Belt hij haar?
      9. Missen zij ons?
      10. Kiezen zij hem?

    • 1. Bellzen ze ons?
      2. Hoor jij hem?
      3. Ken ik jou?
      4. Hou je van mij?
      5. Zie jij mij?
      6. Zoekt zij hen?
      7. Reist zij het hen?
      8. Help jij ons?
      9. Begrijp jij mij?
      10.Wacht zij op jou?

    • 1. Hoor jij mij?
      2. Belt de vriend jou?
      3. Kent buurman mij?
      4. Begrijp jij haar?
      5. Geloven jullie hen?
      6. Overtuig jij hem?
      7. Mis jij haar?
      8. Helpen jullie ze?
      9. Bezoeken wij hen?
      10. Dien jij ons?
      11. Selecteer jij hem?
      12. Bedanken zij u?
      13. Herkent u mij?
      14. Ziet Anna ons?
      15. Steunt hij haar?

    • 1. Kent hij haar?
      2. Bel jij mij?
      3. Zien jullie ons?
      4. Helpt Karel hem?
      5. Geloven jullie hen?
      6. Bedank jij mij?
      7. Herkent u haar?
      8. Volgt Gerard jou?
      9. Bezoeken wij hen?
      10. Controleer jij mij?
      11. Mist Otto ons?
      12. Verzorgen jullie haar?

    • 1. Kun je me zien?
      2. Ken je hem?
      3. Helpt hij je?
      4. Gaan we naar hen toe?
      5. Geloof je haar?
      6. Mag ik bij hem langskomen?
      7. Kennen we hen?
      8. Helpen ze hen?
      9. Kun je hen zien?
      10. Gaan we naar haar toe?

    • 1.Hoor jij mij?
      2.Begrijp je hem?
      3.Kent u hem?
      4.Feliciteert hij ons?
      5.Stop jij mij?
      6.Helpt zij hem?
      7.Ontmoeten wij haar?
      8.Lachen ze jou?
      9.Blijven jullie met hem?
      10.Woon jullie met hen?
      11.Kom jij met ons?
      12.Wens jij haar?

    • 1. Blijft Nico bij jou?
      2. Versta jij hem?
      3. Helpen zij jullie?
      4. Kussen jullie haar?
      5. Begraven ze hem?
      6. Herken je hen?
      7. Beschermt hij ze?
      8. Waarschuwt de vrouw ons?
      9. Zorg jij voor haar?
      10. Volgen ze jou?
      11. Troost Maria jullie?
      12. Stopt hij haar?

    • 1. Schrijft de uitgever u?
      2. Redt de officier hen??
      3. Belt de huiseigenaar haar?
      4. Irriteert hij je?
      5. Geloof je hem?
      6. Volgt de hond je?
      7. Schildert de schilder haar?
      8. Ontmoet de manager ze?
      9. Steunt het team ons?
      10. Overtuigt hij je?
      11. Veroordelen de grootouders jou?
      12. Feliciteert de commissie hen?
      13. Ruiken de honden haar?
      14.…Read More

    • 1. Gelooft zij hem?
      2. Bellen jullie ons?
      3. Kent u mij?
      4. Bereik je hen?
      5. Slaat hij jou?
      6. Versta je me?
      7. Beschermen zij ons?
      8. Dien ik jullie?
      9. Verzorg je haar?
      10. Beoordeelt u ze?
      11. Beschuldigen we je?
      12. Bedreigt zij mij?
      13. Dwingen zij jullie?
      14. Overtuig je hem?
      15. Waarschuwt u hen?

    • 1.Zoek jij ons ?
      2. Bezoeken wij haar ?
      3.Teken jij hem ?
      4.Wacht hij haar ?
      5.Kopen jullie ze ?
      6.Begrijpen jullie hen?
      7. Vind ik hem ?
      8.Bel jij ons ?
      9. Mis jij mij ?
      10. Kent zij ons ?
      11. Bijten jullie hen ?
      12. Tegenkom jij hem ?
      13.Waarschuwen jullie ons ?
      14.Verwar ik jou ?
      15. Vertrekt U mij ?

    • 1- Zie jij mij?
      2- Helpt hij jou?
      3- Kijkt zij hem?
      4- Bellen wij haar?
      5- Luistert hij ons?
      6- Kent u hen?
      7- Vindt zij mij leuk?
      8- Studeert hij ons?
      9- Brengt hij mij iets?
      10- Helpen zij jou?

    • 1. Begrijp jij me?
      2. Hoort u haar?
      3. Ken jij me?
      4. Helpt u hem?
      5. Vergeten jullie ons?
      6. Neemt zij ze?
      7. Vraagt hij haar?
      8. Beschermen jullie ons?
      9. Tekent zij me?
      10. Bezoek jij ons?
      11. Bellen wij hem?
      12. Brengt hij haar?
      13. Volgen jullie ons?
      14. Geloof jij hen?
      15. Versta jij me?

    • 1- Bel jij hen?
      2- Is het van hem?
      3- Begrijpt hij ons?
      4- Kennen ze jou?
      5- Schrijf ze een brief voor hem?
      6- Maak jij een vraag voor hen?
      7- Lezen de studenten een krant voor jou?
      8- Ontmoet je met hen?
      9- Spelen jullie me?
      10- Kom jij ons?

    • 1- Luistert hij ons?
      2. Kent hij haar?
      3- Geloof je hen?
      4- Vindt zij mij leuk?
      5- Studeert hij ons?
      6. Zoekt zij jullie?
      7. Begrijp jij mij?
      8. Help jij ons?
      9. Bezoek jij ons?
      10. Bellen wij haar?

    • 1. Houd ik van jou?
      2. Haat jij mij?
      3. Bel je hem?
      4. Mist hij haar?
      5. Zoekt ze mij?
      6. Kookt zij avondeten voor mij?
      7. Schrijft u hen een brief?
      8. Vinden wij hem?
      9. Weten we jou?
      10. Zien jullie haar?

    • 1. Wie kent mij?
      2. Hoe helpt de buurman ons?
      3. Kun je haar horen?
      4. Kun je hem Nederlands leren?
      5. Houdt Anna van hem?
      6. Hebben ze hun paspoorten?
      7. Is dit huis van jou of van hen?
      8. Zijn zij jouw ouders?
      9. Woon je bij hem?
      10. Zie je haar vandaag?

    • 1. Gebruikt Ferdinanand hen ?
      2. Roep jij haar ?
      3. Verstaan je ons?
      4. Zwaaien jullie ze ?
      5. Helpt u mij ?
      6.Dient u ons ?
      7.Vergeet je me?
      8.Teekt u haar?
      9. Bezoekt zij ons ?
      10 .Bereikt Dirk jou ?

    • 1. Zie je mij?
      2. Help ik jou?
      3. Brengen zij ons?
      4. Versta je hem?
      5. Bellen jullie ons?
      6. Tekent hij haar?
      7. Geloof je hen?
      8. Selecteren wij jullie?
      9. Ruik ik ze?
      10. Missen jullie mij?

    • 1. Brengt hij hen van school?
      2. Hoor je haar?
      3. Bel je me?
      4. Kennen de vrouwen ze?
      5. Snapt hij hem?
      6. Gelooft Maria ons?
      7. Zoeken de mannen hem?
      8. Gebruikt u ze?
      9. Kijkt het kind naar haar?
      10. Stel je hen een vraag?
      11. Bereikt de vader jou?

    • 1. Horen jullie ze?
      2. Kijk ik naar jou?
      3. Help je haar?
      4. Zeg je mij?
      5. Bellen wij hem?
      6. Zoekt u haar?
      7. Spreek jij ons?
      8. Weten zij u?
      9. Ziet hij hen?
      10. Luistert zij naar hem?

    • 1.Speelt hij met ons?
      2.Zingt zij met hem?
      3.Leest u met ons?
      4.Loop ik met jouw hond?
      5.Danst hij met haar?
      6.Fietst zij met hem?
      7.Schildert ik met u?
      8.Zingen jullie met ons?
      9.Speelt hij met jouw kat?
      10.Springt zij met hem?
      11.Tekent u met haar zus?
      12.Leert ik met jullie?
      13.Lachen zij met ons?
      14.Zingt hij met haar?

    • 1. Zie ik hen bij de bus?
      2. Belt de baas haar nu?
      3. Helpen wij hen met het werk?
      4. Begrijpt de leraar mij?
      5. Hoor ik jou niet?
      6. Spreekt de arts u?
      7. Zoeken zij ons?
      8. Bedankt hij jullie?
      9. Ziet het kind ze?
      10. Ken ik hem van school?

    • 1. Zie je ons?
      2. Hoor je hem?
      3. Luisteren jullie me?
      4. Begrijpt u ons?
      5. Zoek je mij?
      6. Bellen jullie haar?
      7. Spreek je hen?
      8. Geloof je mij?
      9. Missen jullie ons?
      10. Kook je voor mij?

    • 1. Zie je mij?
      2. Speel je bij ons?
      3. Zitten ze bij ons?
      5. Dans je met mij?
      6. Vertel je het mij?
      7. Kennen ze jou?
      8. Zien ze het?
      9. Zit je bij mij in de buurt?
      10. Bel je ze?

    • 1. Vragt Philippe mij?
      2. Ramt koe jou?
      3. Lacht jij hem?
      4. Kust hij haar?
      5. Helpen wij hen?
      6. Bel ik je? (I woke up forgetting what happened last night)
      7. Til je het?
      8. Drinkt zij het?
      9. Luister je hen?
      10. Kop je hij? (He was on sale)

    • 1. Ziet u hem?
      2. Kijken ze haar?
      3. Ken je ze?
      4. Horen ze ons?
      5. Kust zij jou?
      6. Bellen jullie mij?
      7. Vraagt u mij?
      8. Bezoeken we hen?
      9. Bedankt hij haar?
      10. Dans je met mij?

    • 1. Weet jij haar?
      2. Spreekt Nico jou?
      3. Helpen jullie hem ?
      4. Bezoekt zij ze?
      5. Praat zij met hen?
      6. Mis je ons?
      7. Kennen jullie haar?
      8. Zoek jij hem?
      9. Volgen zij ons?
      10. Belt ze mij?

    • 1- Hoor ik haar?
      2- Ziet hij hem?
      3. Luistert de hond ons?
      4- Begrijpen wij hem?
      5- Spreek je mij?
      6- Wandelt het paard naar haar toe?
      7- Begrijpt zij jou?
      8- Ben jij hem?
      9- Ziet de uil ze?
      10- Praat hij ons?

    • 1. Vragen jullie hem?

      2. Hoort u haar?

      3. Bel je de vriend?

      4. ⁣Kent de buurman hen?

      5. Geloof je hen?

      6. Volgen we jullie?

      7. Vergeet Karel ons?

      8. Gebruikt Ferdinard jou?

      9. Bezoekt Theo haar?

      10. Dient Victor jou?

      11. Duwt Bernard mij?

      12. Corrigeert een vriend mij?

      13. Geven de ouders j…Read More

    • 1. Bellen jullie ons?
      2. Zoek jij hen?
      3. Spreekt zij met hem?
      4. Luistert hij naar mij?
      5. Hoor jij haar?
      6. Helpt u hen?
      7. Zoek jij hen?
      8. Belt hij jou?
      9. Kookt hij voor jullie?
      10. Spreek jij met ons?

    • 1. Staart hij ons?
      2. Steunen jullie ons?
      3. Overtuigt zij hem?
      4. Ontmoet ik jou?
      5. Knuffelt jongen jou?
      6. Waarschuwen zij ons?
      7. Mag u mij?
      8. Bijt hij haar?
      9. Verstaan zij hem?
      10. Verzorg jij hen?
      11. Beschuldig jij hem?
      12. Gelooft zij haar?
      13. Aanmoedigen ouders haar?

    • 1. Hoor je mij?
      2. Helpt hij jou?
      3. Bezoeken de kinderen jullie?
      4. Ken jij haar goed?
      5. Lachen zij mij?
      6. Slaat de jongen hem?
      7. Spreken jullie hen?
      8. Ziet u haar?
      9. Mist zij ons?
      10. Heb ik ze?

    • 1. Zien jullie haar?
      2. Begrijp jij hem?
      3. Hoort u haar?
      4. Helpt hij jou?
      5. Bezoeken wij hem?
      6. Vraagt hij ze?
      7. Reopen wij hem?
      8. Ontmoeten wij jou?
      9. Bedank jij ze?
      10. Kookt zij ons ontbijt?

    • 1. Zie jullie me?
      2. Hoor je mij?
      3. Ken ik jullie?
      4. Knuffel je haar?
      5. Spreekt hij met jou?
      6. Geeft zij ons?
      7. Bezoeken wij haar?
      8. Kussen jullie hem?
      9. Rijd jij hen?
      10. Luistert zij naar ons?

    • 1. Geef jij mij het boek?
      2. Zie jij haar vandaag?
      3. Luistert hij naar ons?
      4. Bel jij hem?
      5. Wachten jullie op mij?
      6. Helpt zij jou?
      7. Vinden zij ons?
      8. Kent hij hen?
      9. Nodigen wij haar uit?
      10. Horen jullie mij?

    • 1. Zie jij haar?
      2. Kennen wij hem?
      3. Bereikt zij ons?
      4. Helpen jullie haar?
      5. Bezoekt u ons?
      6. Roept u hen?
      7. Verstaan jullie mij?
      8. Volgt zij hem?
      9. Geloven ze jou?
      10. Hoort oma je?

    • 1. Bedank jij haar?
      2. Feliciteren wij u?
      3. Waarschuw jij ons?
      4. Corrigeer jij ons?
      5. Controleert Cornels haar?
      6. Verstaat Pieter ons?
      7. Dient zij jou?
      8. Discrimineert de buurvrouw haar?
      9. Slaat Maria jou?
      10. Helpen jullie mij?

    • 1. Zie je hem?
      2. Bellen jullie ons?
      3. Ken jij mij?
      4. Spreekt Maria met jou?
      5. Bijten zij jullie?
      6. Gelooft hij mij?
      7. Beloof jij hem?
      8. Roep jij haar?
      9. Bezoeken wij hen?
      10. Begraaf jij hem?

    • 1. Help jij haar?
      2. Verkopen wij ze?
      3. Vraagt zij jou?
      4. Nemen wij hen?
      5. Volgt zij haar?
      6. Ken jij hem?
      7. Bellen jullie ons?
      8. Verliest zij ze?
      9. Geneest de dokter jou?
      10. Sturen wij ze?

    • 1.Zie jij mij?
      2.Helpt hij jou?
      3.Kent zij hem?
      4.Belt hij haar?
      5.Begrijpen jullie ons?
      6.Zien wij hen?
      7.Nodig jij mij uit?
      8.Volgt hij jou?
      9.Horen jullie haar?
      10.Spreken wij hem?

    • 1. Zie jij mij?
      2. Hoort zij hem?
      3. Bellen jullie ons?
      4. Is deze fiets van jou?
      5. Geef jij je boek?
      6. Heeft hij zijn pen?
      7. Zoekt zij hem?
      8. Wachten we op jou?
      9. Gebruik ik haar telefoon?
      10. Hebben we ons huis?

    • 1. Brengt Lodewijk haar?
      2. Hoort de oma jou?
      3. Vraagt Bernard hem?
      4. Bellen jullie ons?
      5. Mag jij ze?
      6. Bedoelt Cornelis haar?
      7. Bereikt Dirk jullie?
      8. Geloven jullie mij?
      9. Volgt Gerard hen?
      10. Helpen wij jou?

    • 1. Zie ik hem?
      2. Hoort ze ons?
      3. Kijken jullie naar me?
      4. Luisteren zij naar hen?
      5. Eet hij met ons?
      6. Begrijp je haar?
      7. Wachten wij op hem?
      8. Blijft ze bij haar?
      9. Gaat u met mij?
      10. Borrelen jullie met ons?
      11. Bel ik met jou?

    • 1. Ken jij hem?
      2. Houd jij van haar?
      3. Helpt zij mij?
      4. Praten wij met hen?
      5. Ziet hij jou?
      6. Luisteren zij naar mij?
      7. Kijk je naar hen?
      8. Bellen wij haar?
      9. Beloof ik jou iets?
      10. Geloof jij haar?

    • 1. Wie werkt hier?
      2. Kun je het me leren?
      3. Maak je je bed op?
      4. Zien jij hem?
      5. Bel jij mij?
      6. Mag jij je collegas?
      7. Vind je je boek leuk?
      8. Gebruik wij ons tafel?
      9. Help je je vriend?
      10. Kennen wij hem?

    • 1.Ken je haar?
      2.Zie je hem?
      3.Vindt hij mijn boek?
      4.Bel jij me?
      5.Spreekt zij over ons?
      6.Zwaait ze naar mij?
      7.Speel je met mij?
      8.Gaan jullie naar hem?
      9.Hoor je het?
      10.Vergeet je haar?

    • 1.Zie jij mij?
      2.Help jij mij?
      3.Belt hij haar?
      4.Kijkt zij naar hem?
      5.Ontmoeten wij jou?
      6.Horen jullie mij?
      7.Kent hij mij?
      8.Vindt zij hem leuk?
      9.Geeft hij mij een boek?
      10.Stelt zij jou een vraag?

    • 1. Ziet zij mij?
      2. Neemt hij mijn boek?
      3. Weet hij jou?
      4. Reist zij met uw gezin?
      5. Begint hij zijn les?
      6. Kiest zij voor hem?
      7.Mag ik haar tas gebruiken?
      8. Betaalt hij voor ons?
      9. Is het boek van ons?
      10. Vergeet ik jullie adres?
      11. Vindt zij hun jassen?
      12. Zullen wij hen bellen?

    • 1. Bel jij haar?
      2. Steunen jullie ons?
      3. Begraaft Lodewijk hem?
      4. Bijt zij jou?
      5. Overtuigt u mij?
      6. Selecteert Hendrik jullie?
      7. Ontmoet Pieter jou?
      8. Slaat Maria hem?
      9. Dient Viktor u?
      10. Feliciteer jij hem?
      11. Kent de buurman haar?
      12. Dwingt Nico hem?

    • 1. Vind jij haar?
      2. Kennen zij hem?
      3. Speel jij met haar?
      4. Kom jij met ons aan?
      5. Bellen zij hem?
      6. Stoppen jij hem?
      7. Bak je met haar?
      8. Verhuur jij een huis met haar?
      9. Kust hij haar?
      10. Bedoel jij haar?
      11. Kijk jij naar hem?

    • 1. Hoor jij mij?
      2. Ken jij hem?
      3. Bel jij haar?
      4. Help jij ons?
      5. Begrijp jij hem?
      6. Horen zij jou?
      7. Zien jullie haar?
      8. Kent hij ons?
      9. Helpt zij jou?
      10. Bellen wij hem?
      11. Begrijpen jullie mij?
      12. Hoort hij haar?
      13. Kent zij jou?
      14. Helpen zij ons?
      15. Belt hij mij?

    • 1. Zien jij me?
      2. Kent zij hem?
      3. Helpt hij ons?
      4. Houden zij van haar?
      5. Bel jij hun?
      6. Schilder jij mij?
      7. Irriteer ik jou?
      8. Begrijpen jullie hem?
      9. Vetrouwt zij mij?
      10. Geeft hij mij het boek?
      11. Hoor jij ons?
      12. Bezoeken wij jullie?

    • Zie ik jou?
      Bel jij hem?
      Roept hij haar?
      Mag zij mij?
      Help ik jullie?
      Volgen jullie ons?
      Bezoeken zij mij?
      Kennen wij hem?
      Begrijpt hij ons?
      Ruikt een hond haar?

    • 1. Bel jij mij?
      2. Brengen zij haar?
      3. Spreek jij Engels?
      4. Vindt hij haar?
      5. Kijkt zij mij?
      6. Ken hij haar?
      7. Help u mij?
      8. Hoort hij ons?
      9. Bezoeken zij hem?
      10. Ziet zij haar?

    • 1. Hoor jij haar?
      2. Bel jij ons?
      3. Zoek jij mij?
      4. Ken jij hen?
      5. Help jij hem?
      6. Mis jij ons?
      7. Sla jij het?
      8. Vind jij haar?
      9. Begrijp jij mij?
      10. Groet jij hen?

    • 1. Kent jij haar broer?
      2. Belt hij haar?
      3. Vind jij hem leuk?
      4. Helpen jullie ons?
      5. Zoekt zij haar?
      6. Sprekt hij met jullie?
      7. Volg jij hem?
      8. Hoort zij me?
      9. Zien wij hen?
      10. Begrijp jij haar?

    • 1. Zie jij mij?
      2. Helpt u hem?
      3. Kent zij jou?
      4. Bel jij haar?
      5. Hoor jij mij?
      6. Begrijpt hij je?
      7. Ken je hem?
      8. Herinnert hij zich nog?
      9. Hebben ze jou nodig?
      10. Bezoek je ze wel eens?
      11. Herinnert hij zich haar nog?
      12. Vertrouw jij haar?

    • 1. Begrijpt u mij?
      2. Kennen jullie ons?
      3. Bezoeken kinderen haar?
      4. Bel jij mij?
      5. Helpen de arts hen?
      6. Vragen de student hem?
      7. Blijf ik bij jou?
      8. Kennen wij jullie?
      9. Vergeet hij haar?
      10. Tekent zij ze?
      11. Bescherm jij mij?
      12. Volgen jullie mij?
      13. Verstaan wij jou?

    • 1. Zie jij mij?
      2. Hoor ik jou?
      3. Kent hij haar?
      4. Helpt zij hem?
      5. Bezoekt u ons?
      6. Bellen jullie hen?
      7. Vertrouwen wij jullie?
      8. Begrijpen zij mij?
      9. Vind je hem?
      10 Groet hij haar?
      11. Volgt zij ons?
      12. Ontmoet ik hen?
      13. Bedankt u hen?
      14. Mist zij hem?
      15. Houdt hij van me?

    • 1. Bijt jij haar?
      2. Ruikt Gerard haar?
      3. Begraaft Lodewijk ze?
      4. Feliciteert Theo ons?
      5. Herkent Jan jou?
      6. Beschuldigt Jan u?
      7. Verzorg jij ons?
      8. Steunt Willem jou?
      9. Ontmoet jij Pieter?
      10. Gelooft zij jullie?
      11. Overtuigt Richard haar?
      12. Vervang jij hem?

    • 1. Helpt zij hem met het huiswerk?
      2. Geef je haar het boek?
      3. Belt hij mij na de vergadering?
      4. Nodigen ze ons uit voor het feestje?
      5. Stuurt ze hun een e-mail?
      6. Bezoeken wij hem in het ziekenhuis?
      7. Brengt hij haar een cadeau?
      8. Laat je mij de foto zien?
      9. Vertelt zij ons het verhaal?
      10. Kopen ze een kaartje voor hem?
      11. Leest hij de…Read More

    • 1. Ken jij haar?
      2. Gaan mijn oma en ik vandaag met hem kaas eten?
      3. Kookt mijn tante voor haar echtgenoot?
      4. Werkt hij voor hem?
      5. Koopt jouw moeder iets voor mij in de supermarkt?
      6. Rijden jullie met hem in onze auto?
      7. Brengen wij hun naar de ouders?
      8. Hoor jij haar?
      9. Heeft hij iets voor mij?
      10. Komen jullie naar ons huis met jou?
      11.…Read More

    • 1. Discrimineert zij haar?
      2. Corrigeer jij mij?
      3. Verzorgt de vrouw hen?
      4. Waarschuwt de man hem?
      5. Herken jij mij?
      6. Steunen jullie mij?
      7. Overtuigt Richard haar?
      8. Dwingt Nico jou?
      9. Troost jij mij?
      10. Begraaft Lodewijk haar?
      11. Bedreigt u mij?
      12. Beschuldigt Jan jou?
      13. Beoordeelt Izzak ons?
      14. Selecteert Hendrik hem?
      15. Kust Dirk haar?

    • 1. Ken ik jou?
      2. Eet hij met hen?
      3. Lees jij zonder haar?
      4. Belt zij hem?
      5. Spreekt zij u?
      6. Koop jij hem?
      7. Maken jullie hem?
      8. Helpt u hen?
      9. Bel jij ons?
      10. Gaat hij naar jullie?
      11. Luister je naar hem?
      12. Werkt zij met jullie?
      13. Rijdt hij naar haar?
      14. Schrijf je naar haar?
      15. Luistert hij naar hem?

    • 1 Tekent hij mij?
      2 Schift zij jullie?
      3 Wassen zij jou haar?
      4 Luistert hem mij?
      5 Zoekt zij hen?
      6 Gooien wij ze?
      7 Praten jullie jou?
      8 Schudt u ze?
      9 Ruik jij haar kleding?
      10 Vergelijkt u hen?
      11 Krab jij mij?
      12 Staren jullie hem?

    • 1. Ken jij hem?
      2. Bel jij haar?
      3. Hoor jij hem?
      4. Help jij hen?
      5. Zie jij me?
      6. Begrijp jij haar?
      7. Vraag jij me?
      8. Rijd jij met ons?
      9. Spelen jullie tegen ons?
      10. Kook jij voor haar?
      11. Koop jij cadeautjes voor hem?
      12. Komen we naar jullie?

    • 1. Slaat jij haar hond?
      2. Appt hij haar?
      3. Mis jij hem erg?
      4. Vertrouwen jullie ons?
      5. Redt zij haar?
      6. Lacht hij met jullie?
      7. Ken jij hem?
      8. Roept zij me?
      9. Kennen wij hen?
      10. Geloof jij haar?

    • 1. Zijn de honden van hen?
      2. Geven bomen ons schaduw?
      3. Spreekt Jan met je?
      4. Horen wij bij hen?
      5. Is de kat van jou?
      6. Is het huis van haar?
      7. Is de telefoon van hem?
      8. Kookt hij voor jullie?
      9. Begrijpen jullie ons?
      10. Zien wij jullie?
      11. Mis ik ze?
      12. Vinden jullie hem?
      13. Hoor jij mij?
      14. Vergeef jij haar?
      15. Kennen zij hen?

    • 1. Zie jij mij?
      2. Helpt u hem?
      3. Kent zij jou?
      4. Bel jij haar?
      5. Kennen wij jullie?
      6. Begrijpt hij je?
      7. Ken je hem?
      8. Vertrouw jij haar?
      9. Hebben ze jou nodig?
      10. Bezoek je ze wel eens?

    • 1. Kent zij hem?
      2. Zie jij haar?
      3. Helpt hij ons?
      4. Spreekt u mij?
      5. Begrijpen jullie jou?
      6. Horen zij hem?
      7. Belt zij haar?
      8. Vinden jullie ons?
      9. Zoekt hij mij?
      10. Wachten zij jou?

    • 1. Helpt zij mij?
      2. Ziet de man hem?
      3. Hoor jij ons?
      4. Zoekt de vrouw haar?
      5. Bedrijven jullie hen?
      6. Kent hij mij?
      7. Volgt het meisje hen?
      8. Gelooft zij hem?
      9. Bedankt de man ons?
      10. Mis jij hem?

    • 1. Heb ik haar?
      2. Mocht Dirk jullie?
      3. Geloof jij ons?
      4. Helpen Julie ze?
      5. Snap jij hem?
      6. Horen zij ons?
      7. Bellen wij ze?
      8. Volg jij mij?
      9. Helpt hij haar?
      10. Verstaat zij jullie?
      11. Dien ik jou?
      12. Weigeren zij ons?
      13. Vergeten jullie mij?
      14. Bereikt hij ze?
      15. Roept zij jou?

    • 1. Feliciteer jij haar?
      2. Zwaait Willem jullie?
      3. Steunt Victor hem?
      4. Gelooft de journalist haar?
      5. Mogt de collega’s jou?
      6. Beschermen jullie ons?
      7. Waarschuwt de man jou?
      8. Missen jullie haar?
      9. Rijd ze hem auto?
      10. Zeilen wij ze boot?

    • 1.Horen zij ons?
      2. Zoekt de politie hem?
      3.Vinden zij jou?
      4.Ken je haar?
      5.Mis je ze?
      6.Geeft u ze een tas?
      7.Praten zij met me?
      8.Volgt de leraar hen?
      9.Pak je een pakket?
      10.Merkt de klant haar?

    • 1. Helpt u mij / me?
      2. Vindt zij jullie?
      3. Hoor jij haar?
      4. Missen jullie ons?
      5. Bezoekt hij hem?
      6. Volgt u hen?
      7. Vraagt zij haar?
      8. Bedanken jullie ons?
      9. Kust zij hem?
      10. Geloof ik jou?

    • 1. Praat jij hem?
      2. Loop ik met haar?
      3. Lacht zij ons?
      4. Denken jullie ze?
      5. Maak jij een taart voor mij?
      6. Gelooft hij ons verhaal?
      7. Vinden jullie hem?
      8. Zoekt hij haar?
      9. Kunt u hen?
      10. Ken jij mij?

  • Load More Posts