Dutch Course Eindhoven A1 Homework Answers Group

  • Public Group
  • 2 days, 1 hour ago
  • 105

    Posts

  • 184

    Members

  • Boek. Pagina 85👍
    Opdracht 4 Maak 5-10 zinnen
    Gebruik nummers: 1,2,3…
    Post your answer below:

    111 Comments
    • 1. Het scherm staat voor de bureaus.
      2. De deur staat tegenover het raam.
      3. De lamp hangt aan het plafon
      4. De potloden liggen op de bureaus.
      5. De prullenbak staat naast de deur.

    • 1. De studenten zitten op de stoel.
      2. De pennen en boeken liggen op de tafel.
      3. De leraar staat voor de studenten.
      4. De jassen hangen aan de kapstok.
      5. De tafel staat tussen de muren.

    • 1. De projector hangt aan het plafond.
      2. Het whiteboard staat achter het projectiescherm.
      3. De stoelen staan onder de tafel.
      4. De ventilatoren staan voor het raam.
      5. De kapstok staat naast de deur.

    • 1. De stoelen staan onder de tafel. 
      2. De laptop zit op de tafel.
      3. De gang is achter de deur. 
      4. Het boek ligt op de tafel. 
      5. De lamp staat op de tafel. 
      6. De rugzak zit tegen de muur. 

    • 1. De houten tafel staat tussen de ramen en de deur
      2. De witte stoelen staan bij de tafel
      3. De kapstok staat naast de deur
      4. De zwarte speaker hangt aan de muur
      5. De lampen staan op de tafel

    • 1. De stoelen staan tussen de muur en de tafel.
      2. Zijn laptop staat op de tafel.
      3. De grote scherm staat voor de tafel.
      4. De lange kapstok staat bij de deur.
      5. Veel boeken liggen op de tafel.

    • 1. De studenten zitten aan een grote tafel.
      2. De kapstok staat bij de deur.
      3. De boeken liggen op de tafel.
      4. De jassen hangen aan de kapstok.
      5. Het projectiedoek hangt achter de leraar.

    • 1. De lampen staan op de tafel.
      2. De radiator staat aan de muur.
      3. Het scherm staat achter de leraar.
      4. De stoelen staan ​​naast de tafel.
      5. De studenten zitten op de stoelen.

    • 1. Een grote tafel staat in het klaslokaal.
      2. De stoelen staan bij de tafel.
      3. De boeken liggen op de tafel.
      4. Onze jassen hangen ann de hanger.
      5. De tafellampen staan op de tafel.
      6. De tafel staat tussen de muur en de deur.
      7. De vuilnisbak staat in de hoek van het klaslokaal.

    • 1- de tafels staan naast elkaar
      2- De computer staat voor een stoel
      3- Een pen ligt op een tafel
      4- De ramen zitten aan de muur
      5- De lampen staan op tafel

    • 1. De tafel staat tussen de ramen en de deur
      2. De stoelen staan bij de tafel
      3. De lerarentafel staat voor het projectiescherm
      4. De laptops liggen op de tafel
      5. Mijn tas ligt onder de tafel

    • 1. De tafels staan op de grond.
      2. De stoelen staan bij de tafels.
      3. De projector hangt aan het plafond.
      4. Niets is onder de tafels.
      5. De ramen zitten in de muur.
      6. De leraar zit op de stoel.

    • 1. De tafels staan ​​naast elkaar.
      2. De ramen staan tegenover de deur.
      3. De bureaulampen staan op de tafel.
      4. De stoelen staan ​​onder de tafels.
      5. De kapstok staat naast de deur.

    • 1. De luidspreker hangt aan de muur.
      2. De nepplanten staan bij de ramen.
      3. De tafels staan in de kamer.
      4. De stoelen staan achter de tafels.
      5. De laptops staan op de tafel.

    • 1. De computer is op de tafel.
      2. De stoelen staan achter de tafels.
      3. De pen ligt op de tafel.
      4. De boeken liggen op de tafel.
      5. De lampen hangen boven de tafel

    • 1. Een tafel staat in het midden van het klaslokaal.
      2. Een bord hangt aan de muur.
      3. Een radiator hangt aan de muur.
      4. Een computer staat op de tafel.
      5. Stoelen staan onder de tafel.

    • 1. Een kapstok staat naast de deur.
      2. Tafels staan in het midden van het klaslokaal.
      3. De leraar zit achter de computer.
      4. De studenten zit op de stoelen.
      5. Kamerplanten staan op de vensterbank.
      6. Boeken liggen op de tafels.

    • 1. De kleerhanger staat naast de deur.
      2. De lampen hangen aan het plafond.
      3. De deur staat tussen de schakelbaar en de kleerhanger.
      4. De tafels staan voor het projectiescherm.
      5. De studenten zitten niet in het klaslokaal.
      6. De leraar zit tussen het projectiescherm en de tafels.
      7. De boeken liggen op de tafels.
      8. Het raam zit achter de…Read More

    • 1. De tafels staan in het klaslokaal.

      2. De pennen liggen op de tafel.

      3. De tas staat op de stoel.
      
4. De kast staat tegen de muur.

      5. De computer ligt op de tafel.
      6. De lamp hangt boven de tafel.

    • 1. Een computer staat op een tafel.
      2. Een telefoon staat op een tafel.
      3. Een medisch tijdschrift ligt op een tafel.
      4. Een smartphone ligt in de oplader.
      5. Een iPad staat op het bureau.

    • 1. Een ventilator staat bij het raam.
      2. De boeken liggen op de tafel.
      3. Een laptop staat op de tafel.
      4. De stoelen staan op de vloer.
      5. De studenten zijn in het klaslokaal.
      6. Een waterfles zit in een tas.

    • 1. De klaslokaal zit in Dynamo gebouw.
      2. Een grote tafel staat voor een deur.
      3. Een kapstop staat tussen de taffel en een muur.
      4. Stoelen staan onder de taffel.
      5. De laptop staat op de tafel.
      6. Lampen hangen aan het plafond.

    • 1. Een bord hangt aan de muur
      2. Een stoel staat voor een bureau
      3. Een appel staat op het bureau
      4. Een tafel staat onder de lamp
      5. Een tas hangt aan een stoel

    • 1. Een grote tafel staat in de kamer.
      2. De stoelen staan naast de tafel.
      3. Een scherm hangt aan het plafond.
      4. De ventilatoren staan bij het raam.
      5. Een kapstok staat naar de deur.

    • 1. De stoelen staan op de vloer.
      2. De lamp hangt boven de grote tafel.
      3. De ramen zijn in de muur.
      4. De docent staat voor de tafel.
      5. De studenten zitten op de stoelen.
      6. De boeken liggen op de tafel.
      7. De laptop staat op de tafel.
      8. De ventilators staan naast het raam.

    • 1. Een schoolbord hangt aan de muur
      2. Een krijtblokje en een stoffer liggen op een tafel
      3. De tafel staat voor het schoolbord
      4. Een stoel staat tussen het schoolborn en de tafel
      5. De leerlingen zitten voor de tafel op de banken
      6. De potloden zitten in de potlooddozen

    • 1. Een tafel staat tussen de muur en de deur.
      2. Het boek ligt op de tafel.
      3. De projector hangt aan het plafond.
      4. Het bureau staat tegen de muur.
      5. De stoelen staan bij de tafel.
      6. De lamp hangt aan het plafond.
      7. Een deur staat naast de muur.

    • 1. De klok hangt aan de muur.
      2. De stoelen staan achter de tafels.
      3. De boeken liggen op de tafel.
      4. Het bord hangt aan de muur.
      5. De kast staat naast de deur.

    • 1- Een vliegtuig ligt boven de stad
      2- Een schip ligt voor de haven
      3- Een telefoon zijn in de zak
      4- Een bril ligt op de tafel
      5- De schoenen staan achter de deur

    • 1. De grote tafel staat op de grond.
      2. De stoelen staan rond de tafel.
      3. De docent zit op de stoel tussen de tafel en het projectiescherm.
      4. De studenten zitten op de stoelen rond de tafel.
      5. De boeken en de pennen liggen op de tafel.
      6. De tassen liggen op de grond.
      7. De ventilatoren staan voor de ramen.
      8.De waterkoker staat op de kleine…Read More

    • 1) De boeken ligt op de tafel.
      2) De klok hangt aan de muur.
      3) Het potlood zit binnen de tas.
      4) De ventilator hangt boven de tafel.
      5) De stoel staat achter de tafel.

    • 1. Een whiteboard hangt aan de muur.
      2. Een grote tafel staat op de vloer.
      3. De stoelen staan ​​voor de grote tafel.
      4. De computer staat op tafel.
      5. De boeken liggen op tafel.

    • 1. De stoelen staan naast de tafels.
      2. Het bord hangt aan de muur.
      3. De leraar zit voor de klas.
      4. De boeken liggen op de tafel.
      5. De klok hangt boven de deur.

    • 1. De ventilatoren staan ​​voor de ramen.
      2. De tafels staan ​​tussen de deur en het raam.
      3. De stoelen staan ​​naast de tafels.
      4. Een whiteboard hangt aan het plafond.
      5. De leraar zit voor de tafel.
      6. De computer staat op de tafel.

    • 1. Het boek ligt op deze tafel.
      2. De stiften zitten in die doos.
      3. De pennen liggen naast het boek.
      4. Het paneel hangt aan de muur.
      5. De schakelaar zit naast de deur.

    • 1. De stoel staat achter het bureau.
      2. Het boek staat in de boekenkast.
      3. De lamp staat boven het bureau.
      4. De pen ligt naast het potlood.
      5. Het schildersbord staat voor het raam.
      6. Het potlood zit in het etui.

    • 1. De leraar zit voor de studenten.
      2. Ik zit tussen Krithi en Sogol.
      3. Ebru zit bij het raam.
      4. De computer ligt op de tafel.
      5. De leraar zit achter de computer.
      6. De fans staan voor de ramen.

    • 1. De lamp hangt aan het plafond.
      2. De stoelen staan voor de tafels.
      3. De leraar zit achter de computer.
      4. Ik zit naast een tafel, tussen de leraar en mijn klasgenoot.
      5. Het grote scherm hangt aan het plafond, achter de leraar.
      6. Boeken en pennen liggen op de tafel.
      7. Gordijnen hangen voor de ramen.

    • 1. De boeken liggen op de tafel.
      2. Het raam staat achter de tafel.
      3. De stoelen staan voor de tafel.
      4. De tas staat onder de tafel.
      5. De lamp hangt aan het plafond.
      6. De pen ligt naast het boek.

    • 1. De ventilatoren staan voor de ramen.
      2. De stoelen staan in het klaslokaal.
      3. De leraar zit voor het grote scherm.
      4. De grote tafel staat in het klaslokaal.
      5. De studenten zitten op de stoelen.

    • 1. Het schoolbord hangt aan de muur.
      2. De leraar zit voor het schoolbord.
      3. De tafels staan in het klaslokaal.
      4. De stoelen staan onder de tafels.
      5. De studenten zitten rond de tafel.
      6. De kapstok staat naast de deur.

    • 1. De leraar zit achter de computer.
      2. De computer staat op de tafel.
      3. De stoelen staan achter de tafel.
      4. De boeken en de pennen liggen ​​op de tafel.
      6. De lamp hangt aan het plafond.
      7. De ventilatoren staan ​​voor de ramen.
      8. De tafel staat ​​tussen de deur en het raam.
      9. De leraar zit voor de studenten.
      10. De andere pennen zitten in de tassen.

    • 1. De leraar zit achter de computer.
      2. De computer staat op de tafel.
      3. De stoel staat achter de tafel.
      4. De televisie staat op de tafel.
      5. De bank staat tegen de muur.

    • 1- De stoel staat naast de tafel
      2- De kast staat bij de muur
      3- De klok hangt op de muur
      4- Het bord staat naast de kast
      5- De tafel staat op de vloer

    • 1. De tafel staat tussen de stoelen.
      2. Het scherm hangt aan de muur.
      3. De speaker staat op de tafel.
      4. De stoelen staan achter de tafel.
      5. De papieren liggen op de tafel.
      6. Het gordijn hangt aan het raam.
      7. De laptop ligt op het bureau.

    • 1. Het bed staat tegen de muur.
      2. De kast staat naast het bed.
      3. Het tapijt ligt onder het bed.
      4. De lamp hangt boven de tafel.
      5. De spiegel staat tegen de kast.
      6. Het schilderij hangt boven het bed.
      7. De stoel staat voor het bureau.

    • 1.De gang is achter de deur.
      2.De leraar zit voor de computer.
      3.De studenten zitten rond de tafel.
      4.Het boek ligt op de tafel.
      5.De telefoon ligt in de tas.

    • 1. De boeken liggen op het bureau.
      2. De leraar zit achter de computer.
      3. De tafels staan in het klaslokaal.
      4. Het bord staat tussen de tafel en de muur.
      5. De stoelen staan onder de tafels.
      6. De studenten zitten rond de tafel.
      7. De kapstok staat naast de deur.

    • 1. De leraar zit achter de computer
      2. De kapstok staat naast de deur.
      3. De tafels staan in het klaslokaal.
      4. De stoelen staan achter de tafels.
      5. De tafel staat tussen de deur en het raam.
      6. De computer staat op de tafel.

    • 1. De tafel staat tussen de muur en de deur.
      2. De stoel staat bij de tafel.
      3. De kleerhanger staat bij de deur.
      4. Een pen ligt op de tafel.
      5. De boeken liggen op de tafel.
      6. De tafelventilatoren staan tegen de raam.
      7. Het bord staat tussen de tafel en de muur.
      8. De tafel staat tegen de muur.
      9. De kabels liggen boven de tafel.
      10. De hal is…Read More

    • 1. Het bord hangt aan de muur.
      2. Een tafel staat voor het bord.
      3. De stoelen staan naast de tafels.
      4. Een plant staat bij het raam.
      5. De computer staat op het bureau.

    • 1. De leraar zit voor de computer.
      2. De computer staat op de tafel.
      3. De studenten zitten op de stoelen.
      4. De boeken liggen ​​op de tafel.
      5. De lamp hangt aan het plafond.

    • 1. De klok hangt boven het bord.
      2. De boeken liggen op het bureau.
      3. De leraar staat voor de studenten.
      4. De boeken staan ​​in de boekenkast.
      5. De kaart hangt naast de deur.

    • 1. De leraar zit achter de computer.
      2. De computer staat op de tafel.
      3. De stoel staat achter de tafel.
      4. De televisie staat op de tafel
      5. De bank staat tegen de muur

    • 1. De computers staan op de tafel.
      2. De lamp hangt boven de tafel.
      3. Het bord hangt aan de muur
      4. Het raam zit achter de ventilator.
      5. De pennen liggen op de tafel.

      6. De studenten zitten op de stoelen.
      7. De leraar zit tussen het bord en de tafel.

    • 1.De leraar zit achter de computer.
      2.De studenten zitten rond de tafel.
      3.De kapstok staat naast de deur.
      4.De tafelventilatoren staan tegen het raam.
      5.De boeken en het potlood liggen op tafel

    • 1. De tafels staan in het midden van de kamer.
      2. De stoelen staan naast de tafels.
      3. De boeken liggen op de tafels.
      4. De lampen hangen aan het plafond.
      5. Het bord hangt aan de muur.
      6. De computer staat tegen de projector.
      7. De kast staat in de hoek van de kamer.
      8. De deurklink zit aan de deur.
      9. Het deurslot zit in de deur.
      10. De kapstok…Read More

    • 1- De televisie staat achter de leraar.
      2- De stoelen staan ​​bij de tafel.
      3- De kast staat bij de computer.
      4- De kledinghanger hangt naast de deur.
      5- De pen zit in de tas.

    • 1- De leraar zit achter de computer.
      2- Een kapstok staat bij de deur.
      3- De deur opent naar de gang.
      4- De computer staat op een tafel.
      5- De stoelen staan om de tafels

    • 1. Het bord hangt aan de muur.
      2. De lessenaar staat voor het bord.
      3. De ramen zitten in de muur.
      4. De collegebanken staan tegenover de lessenaar.
      5. Het briefpapier ligt op de bureaus.
      6. De citaten van de schrijvers hangen aan de muur.
      7. De lampen hangen boven de bureaus.
      8. De bloempotten staan ​​naast de lessenaar.
      9. De deur is achter de…Read More

    • 1. De pennen zitten in de tas.
      2. Het whiteboard hangt aan de muur.
      3. De papieren liggen op de tafel.
      4. De studenten zitten op school.
      5. De stoel staat achter de tafel.

    • 1. Een tafel staat tussen de muren.
      2. De boeken liggen op de tafel.
      3. De leraar zit op een stoel.
      4. De stoel staat achter de tafel.
      5. Een projector hangt aan de muur.

    • 1. De computers staan op de tafel.
      2. Het bord hangt aan de muur.
      3. De leraar zit achter de computer.
      4. De studenten zitten op de stoelen.
      5. De pennen liggen op de tafel.

      6. De boeken liggen op de tafel.

    • 1. Ik heb een afspraak.
      2. Jij hebt een boodschap.
      3. Wij hebben tijd.
      4. Zij hebben een probleem.
      5. Wij hebben een plan.
      6. Jullie hebben documenten.
      7. Zij hebben een vergadering.
      8. Ik heb een idee.
      9. Wij hebben een pauze.
      10. Zij hebben een project.

    • 1. De stoelen staan bij de tafel.
      2. De tafel staat tussen de deur en de ramen.
      3. De kapstok staat naast de deur, achter de stoelen.
      4. Het bureau staat voor het bord.
      5. Een smalle boekenkast staat achter de stoelen.
      6. Een radiator staat tegen de muur.

    • 1. De deurknop zit aan de deur.
      2. Het bureau staat voor de stoel.
      3. Het bord hangt bij de klok.
      4. Het licht hangt boven het bord.
      5. Het boek ligt op de tafel.
      6. De pen ligt onder de tafel.
      7. De marker ligt op de tafel.
      8. De waterfles staat in de tas.
      9. De leraar staat voor het bord.

    • 1. De stoelen staan bij de tafel.
      2. De laptop staat op de tafel.
      3. De jas hangt aan de stoel.
      4. De kapstok staat bij de deur.
      5. De lamp staat boven de tafel.

    • 1. De kledinghanger staat naast de deur.
      2. De kleine tafel is tegen de lange tafel.
      3. De ramen hangen aan de muur.
      4. De stopcontacten zitten in de muur.
      5. De camera staat op de lange tafel.

    • 1.De televisie staat tegenover de bank.
      2.Het kleed ligt tussen de stoelen.
      3.De foto hangt boven het bed.
      4.De pennen liggen in de la.
      5.De fiets staat achter het huis.
      6.De borden staan in de kast.

    • 1. Het gum en het potlood liggen op de tafel.
      2. De stoel staat voor het raam.
      3. De klok hangt aan de muur.
      4. De plant staat tussen de deur en de stoel.
      5. De tas ligt op de grond.

    • 1. Een bord hangt aan de muur
      2. Een stoel staat voor een bureau
      3. Een appel staat op het bureau
      4. Een tafel staat onder de lamp
      5. Een tas hangt aan een stoel

    • 1. De kast staat tussen de muur en het raam.
      2. De tafel staat voor de deur.
      3. De stoelen staan achter de tafel.
      4. De laptop staat op de tafel.
      5. Het bordje hangt aan de deur.
      6. De lamp hangt aan het plafond.

    • 1. De bureaus staan ​​op de grond.
      2. Het hor zit tussen de deur en het raam.
      3. De lampen hangen boven de bureaus.
      4. De kast staat naast de achterwand.
      5. Het scherm staat voor het raam.
      6. De boeken liggen op de bureaus.

    • 1. De pennen en de boeken liggen op de tafel.
      2. De leraar zit achter de laptop.
      3. De televisie hangt aan de muur achter de leraar.
      4. De tas ligt op de grond.
      5. De jas hangt aan de stoel.

    • 1. De pen ligt tussen een boek en een gum .
      2. De stoelen staan achter de tafels.
      3. Het schoolboard hangt aan de meur .
      4. De boeken liggen op de tafels .
      5. Het potlood zit in de zak .
      6. De grafiek hangt aan de muur .
      7. De tas ligt onder de tafel .

    • 1. De stoelen staan achter de tafels.
      2. De boeken staan op de tafels.
      3. De projectie staat boven de tafels.
      4. De kast staat tegen de muur.
      5. De kleidingboom staat naast de deur.
      6. De tafels zijn in de klas.
      7. De laptop is op de tafel.

    • 1. De boeken liggen op de tafel.
      2. De tafel staat op de grond.
      3. De projector hangt aan de muur.
      4. De leraar zit achter de laptop.
      5. De ramen staan aan de muur.
      6. De kapstok staat voor de deur.
      7. De stoelen staan naast de tafels.

    • 1. Het klaslokaal is boven in het gebouw.
      2. stoelen staan op de grond.
      3. Een tafel staat tussen de stoelen.
      4. Een laptop is op de tafel.
      5. En de leraar zit achter de laptop.
      6. Lampen hangen aan het plafond.
      7. Een kledingboom staan bij de tafel en de stoelen.

    • 1. De leraar zit achter de laptop.
      2. De laptop staat op de tafel.
      3. Het beeldscherm hangt aan de muur.
      4. De lampen hangen aan het plafond.
      5. De stoelen staan rond de tafel.
      6. De boeken en de pennen liggen op de tafel.
      7. De laptop staat tussen de leraar en de studenten.

    • 1-De boeken liggen op de tafel
      2-De studenten staan bij de tafels
      3-De leraar staat achter de pc
      4-De lamp hangt aan het plafond
      5-De ramen staan in de muur
      6-De kapstok staat bij de deur

    • 1. De laptop ligt op de tafel.
      2. De tassen staan tegen de muur.
      3. De studenten zitten op de stoelen.
      4. De jas hangt aan de kapstok.
      5. De lamp staat boven de tafel.
      6. Het potlood ligt in het boek.

    • 1. De kast staat tussen de muur en het raam.
      2. De tafel staat voor de deur.
      3. De stoelen staan achter de tafel.
      4. De laptop staat op tafel.
      5. Het bordje hangt aan de deur.
      6. De lamp hangt aan het plafond.

    • 1. De ramen staan achter de tafel.
      2. De boeken staan op de tafel.
      3. De kapstok staat naast de deur.
      4. De projector hangt aan de muur.
      5. De computer staat voor de leraar.

    • 1. De tafel staat tussen de deur en het raam.
      2. De stoel staat achter de tafel.
      3. De boeken liggen op de tafel.
      4. Het potlood ligt naast het boek.
      5. De studenten zitten in het klaslokaal.

    • 1- De pennen liggen in de la.
      2- De televisie staat tegenover de bank.
      3- De foto hangt boven het bed.
      4- Het kleed ligt tussen de stoelen.
      5- De borden staan in de kast.
      6- De fiets staat achter het huis.

    • 1. De studenten zitten op de stoelen
      2. De boeken liggen op de tafel
      3. De kapstok staat bij de deur
      4. De videoprojector hangt aan het plafond en boven de tafel
      5. De computer staat naast de andere computer
      6. De ventilator staat op het tafeltje

    • 1. De docent staat voor de klas.
      2. Een projectiescherm hangt aan de muur.
      3. De computer staat op de tafel van de docent.
      4. De studenten zitten op de stoelen.
      5. Een kapstok staat bij de deur.
      6. Mijn tas ligt onder de tafel.

    • 1.De tafels staan onder de ramen.
      2.Het bord hangt boven de stoelen.
      3.De rugzak ligt onder de tafel.
      4.De leraar staat voor het bord.
      5.De klok hangt boven de deur.
      6.De kast staat achter de deur.
      7.De posters hangen achter de stoelen.

    • 1. Een lange tafel staat in het klaslokaal.
      2. De tafel staat tussen de deur en de ramen.
      3. De studenten zitten op de stoelen.
      4. De leraar zit voor de studenten.
      5. De studenten zitten bij elkaar.
      6. Een groot scherm staat achter de leraar.

    • 1. De projector hangt aan het plafond.
      2. De Nederlandse leraar zit achter de computer.
      3. De kleine camera ligt voor mij.
      4. Het gangpad is achter de deur.
      5. Aeky zit naast Anne.
      6. Paula is in het videogesprek.

    • 1. De stoelen staan bij de lange tafel.
      2. De lange tafel staat voor de computer.
      3. De lange tafel staat tussen het raam en de deur.
      4. De studenten zitten in het klaslokaal.
      5. De boeken liggen op de tafel.

    • 1. De kapstok staat naast de deur.
      2. De tafel staat in het midden van de kamer.
      3. De docent staat tussen de deur en het raam.
      4. Het tekstboek ligt op de tafel.
      5. De docent zit achter de computer.
      6. Het plantje staat naast het raam.
      7. De kast staat achter de docent.

    • 1. Het schoolbord hangt tegen de muur.
      2. De studenten zitten in het klaslokaal.
      3. De docent staat voor de studenten.
      4. De boeken liggen op de tafels.
      5. De tassen liggen bij de studenten.

    • 1. De studenten zitten op jullie stoelen
      2. De docent staat voor de studenten
      3. De tafel staat in het klaslokaal
      4. De laptop ligt op de tafel
      5. De stoelen staan naast de tafel
      6. De kledinghanger staat naast de deur
      7. De docent schrijft op het whiteboard

    • 1. De studenten zitten voor de docent.
      2. De docent staat naast het bord.
      3. Het bord hangt aan de muur.
      4. De tafel is tussen het raam en de deur.
      5. Het boek zit in de tas.

    • 1. Het bord hangt aan de muur.
      2. De klok hangt boven het bord.
      3. De boeken staan in de kast.
      4. De prullenbak staat onder het bord en tegen de muur.
      5. Het boek ligt op de tafel.
      6. De pen ligt naast het boek.

    • 1. De tafels staan in het klaslokaal.
      2. De stoelen staan bij de tafels.
      3. Het projectiescherm hangt aan de muur.
      4. De docent staat voor de klas.
      5. De boeken liggen op de tafel.

    • 1. De tafel staat in de kamer.
      2. De stoelen staan bij de tafel.
      3. De ramen zijn tegenover de deur.
      4. De projector hangt aan het plafond.
      5. Het projectiescherm hangt aan de muur.

    • 1. De leerlingen zitten in het klaslokaal.
      2. De leraar zit achter de computer.
      3. De stoelen staan tussen de tafel en de muur.
      4. De kledingkast staat naast de deur.
      5. Het naambordje hangt voor de leerling.
      6. De tafelventilator staat op de tafel.
      7. De tas ligt onder de stoel.
      8. Het projectiescherm staat langs de muur.
      9. De pen zit in de…Read More

    • 1. Een grote tafel staat in een kleine kamer.
      2. Achter de grote tafel hangt een projectiescherm aan het plafond.
      3. Stoelen voor de studenten en de docent staan rondom de grote tafel.
      4. De computer van de docent staat op de grote tafel.
      5. In een muur zitten veel ramen.
      6. In de muur tegenover de ramen zit een deur.
      7. Bij de deur staat een…Read More

    • 1. De tafel en de stoelen staan in de kamer
      2. De stoelen staan bij de tafel
      3. Een paar stoelen staan voor het raam
      4. Een projectiescherm hangt aan het plafond achter de docent
      5. De ventilator staat voor het raam
      6. De lichtschakelaar zit aan de muur bij de deur

    • 1. Een bureau staat voor het bord.
      2. Een pen ligt op de tafel.
      3. Een klok hangt aan de muur.
      4. Een poster hangt in de klas.
      5. Een tas staat naast de stoel.

    • 1. De studenten zitten aan de grote tafel.
      2. De docent zit achter de laptop en voor de ijverige studenten.
      3. De tafelmicrofoon van de docent ligt op de tafel.
      4. De tafelmicrofoon ligt tussen de docent en de studenten.
      5. De deur zit altijd achter onze klasgenoot Stefan.

    • 1. De camera ligt altijd voor de docent op de tafel.
      2. De helm hangt soms aan de kapstok.
      3. De docent zit tussen het projectiescherm en de laptop.
      4. De kapstok staat achter de deur in de hoek.
      5. De gordijnen hangen aan het raam.

    • 1. De tafel staat midden in de kamer.
      2. De stoelen staan ​​rond de tafel.
      3. Het bord hangt aan de muur.
      4. De kapstok staat bij de deur.
      5. De kast staat tegen de muur.
      6. De lamp hangt boven de tafel.

    • 1. De tafel staat voor het bord.
      2. De stoel staat naast de tafel.
      3. De tas ligt onder de tafel.
      4. De klok hangt aan de muur.
      5. De computer staat op de tafel.

    • 1. Het bord staat voor de stoel.
      2. Het potlood ligt op de tafel.
      3. Het raam staat onder het plafond.
      4. De klok hangt boven de deur.
      5. Het tapijt ligt op de vloer.
      6. De camera staat achter de kast.
      7. De boeken staan naast de computer.

    • 1. De grote tafel staat midden in het klaslokaal.
      2. De stoelen staan ​​naast de tafel.
      3. Het whiteboard hangt aan de muur.
      4. Het bureau van de docent staat voor de tafel.
      5. De ramen zijn naast de stoelen.

    • 1.De computer staat op de tafel.
      2.Het raam is naast de deur.
      3.De kaart hangt aan de muur.
      4.De klok hangt boven het bord.
      5.De boeken liggen in de kast.
      6.De prullenbak staat bij de deur.
      7.Het potlood ligt onder de tafel.

    • 1. De studenten zijn in het klaslokaal.
      2. De auto rijdt buiten het klaslokaal.
      3. De docent wandelt door de deur.
      4. De stoel staat onder de lamp.
      5. De boeken liggen op de tafel.

    • 1 De kantoorstoelen staan voor de ramen tegen de tafels
      2 De koffiemachine staat in het hal.
      3 De wasbak zit boven een kleine keukenkast
      4 Het tapijt zit op alle grond
      5 De koelkast zit naast de wasbak

  • Load More Posts