-
Boek. Pagina 85

Opdracht 4 Maak 5-10 zinnen
Gebruik nummers: 1,2,3…
Post your answer below:111 Comments-
1. De kleerhanger staat naast de deur.
2. De lampen hangen aan het plafond.
3. De deur staat tussen de schakelbaar en de kleerhanger.
4. De tafels staan voor het projectiescherm.
5. De studenten zitten niet in het klaslokaal.
6. De leraar zit tussen het projectiescherm en de tafels.
7. De boeken liggen op de tafels.
8. Het raam zit achter de…Read More -
1. De grote tafel staat op de grond.
2. De stoelen staan rond de tafel.
3. De docent zit op de stoel tussen de tafel en het projectiescherm.
4. De studenten zitten op de stoelen rond de tafel.
5. De boeken en de pennen liggen op de tafel.
6. De tassen liggen op de grond.
7. De ventilatoren staan voor de ramen.
8.De waterkoker staat op de kleine…Read More -
1. De lamp hangt aan het plafond.
2. De stoelen staan voor de tafels.
3. De leraar zit achter de computer.
4. Ik zit naast een tafel, tussen de leraar en mijn klasgenoot.
5. Het grote scherm hangt aan het plafond, achter de leraar.
6. Boeken en pennen liggen op de tafel.
7. Gordijnen hangen voor de ramen. -
1. De leraar zit achter de computer.
2. De computer staat op de tafel.
3. De stoelen staan achter de tafel.
4. De boeken en de pennen liggen op de tafel.
6. De lamp hangt aan het plafond.
7. De ventilatoren staan voor de ramen.
8. De tafel staat tussen de deur en het raam.
9. De leraar zit voor de studenten.
10. De andere pennen zitten in de tassen. -
1. De tafel staat tussen de muur en de deur.
2. De stoel staat bij de tafel.
3. De kleerhanger staat bij de deur.
4. Een pen ligt op de tafel.
5. De boeken liggen op de tafel.
6. De tafelventilatoren staan tegen de raam.
7. Het bord staat tussen de tafel en de muur.
8. De tafel staat tegen de muur.
9. De kabels liggen boven de tafel.
10. De hal is…Read More -
1. De tafels staan in het midden van de kamer.
2. De stoelen staan naast de tafels.
3. De boeken liggen op de tafels.
4. De lampen hangen aan het plafond.
5. Het bord hangt aan de muur.
6. De computer staat tegen de projector.
7. De kast staat in de hoek van de kamer.
8. De deurklink zit aan de deur.
9. Het deurslot zit in de deur.
10. De kapstok…Read More -
1. Het bord hangt aan de muur.
2. De lessenaar staat voor het bord.
3. De ramen zitten in de muur.
4. De collegebanken staan tegenover de lessenaar.
5. Het briefpapier ligt op de bureaus.
6. De citaten van de schrijvers hangen aan de muur.
7. De lampen hangen boven de bureaus.
8. De bloempotten staan naast de lessenaar.
9. De deur is achter de…Read More -
1. De leerlingen zitten in het klaslokaal.
2. De leraar zit achter de computer.
3. De stoelen staan tussen de tafel en de muur.
4. De kledingkast staat naast de deur.
5. Het naambordje hangt voor de leerling.
6. De tafelventilator staat op de tafel.
7. De tas ligt onder de stoel.
8. Het projectiescherm staat langs de muur.
9. De pen zit in de…Read More -
1. Een grote tafel staat in een kleine kamer.
2. Achter de grote tafel hangt een projectiescherm aan het plafond.
3. Stoelen voor de studenten en de docent staan rondom de grote tafel.
4. De computer van de docent staat op de grote tafel.
5. In een muur zitten veel ramen.
6. In de muur tegenover de ramen zit een deur.
7. Bij de deur staat een…Read More
- Load More Posts

1. Het scherm staat voor de bureaus.
2. De deur staat tegenover het raam.
3. De lamp hangt aan het plafon
4. De potloden liggen op de bureaus.
5. De prullenbak staat naast de deur.