Dutch Course Eindhoven A1 Homework Answers Group

  • Public Group
  • 2 days, 2 hours ago
  • 105

    Posts

  • 184

    Members

  • Boek. Pagina 85👍
    Opdracht 3 Maak 5-10 zinnen
    Gebruik nummers: 1,2,3…
    Post your answer below:

    114 Comments
    • 1. De TV staat voor het bed.
      2. De kledingkast staat naast de TV.
      3. De computer staat tegen het raam.
      4. Het bed staat tussen de nachtkastjes.
      5. De lamp hangt aan het plafon.
      6. De schilderij hangt aan de muur

    • 1. De verwarming vastlegt aan de muur.
      2. De bedlamp staat op het nachtkastje.
      3. De matras ligt op het bed.
      4. Het nachtkastje staat tussen de kast en het bed.
      5. De vloermat ligt voor de deur.

    • 1. Een airconditioner staat tussen het bed en de tafel.
      2. De stoel staat onder de lamp.
      3. Het bed staat tegen de muur.
      4. Een poster hangt aan de muur.
      5. De waterfles staat op de tafel.

    • 1. Het bed staat tussen het raam en de kast.
      2. De kleding hangt aan de kledingrek.
      3. De lamp zit op de bedtafel.
      4. De ladekast staat tegen de muur.
      5. Het bed staat tegen de muur.
      6. De kussens liggen op het bed.

    • 1. Het bed staat tussen de witte nachtkastjes
      2. Een klok staat op het nachtkastje
      3. De witte bedovertrek ligt op het bed
      4. Het bed staat tegen de muur
      5. Een grote witte ladekast staat tegenover het bed
      6. De witte kast staat naast de ladekast
      7. De spiegel zit aan de ladekast
      8. De foto staat op het nachtkastje

    • 1. Het grote bed staat tegen de muur.
      2. De mooie schilderij hangt boven het bed.
      3. De lange kast staat naast het bed.
      4. Het nachtlampje staat op het witte nachtkastje.
      5. De truien ligt in de kast.
      6. De gordijnen hangen voor de ramen.
      7. De knedingen zit op de stoel.
      8. Het kattenbed light voor mijn bed.
      9. De lange deken light op het bed.
      10.…Read More

    • 1. De dozen liggen onder het bed.
      2. De lamp hangt boven het tapijt.
      3. De nachtkastjes staan naast het bed.
      4. De kleren liggen in de kast.
      5. Mijn make-up kwasten zitten in een mok.

    • 1. Mijn tafel, mijn bed en mijn kast staan in mijn slaapkamer.
      2. Het bed staat naast het raam.
      3. De tafel staat tegen de muur.
      4. De tafellamp staat op de tafel.
      5. Mijn kast staat tussen mijn bed en de muur.

    • 1. Een bed zit tussen het raam en de make-uptafel.
      2. Het bed staat tegen de muur.
      3. De kledingkast stat voor het bed.
      4. De lade staat naast de make-up tafel.
      5. Het tapijt ligt onder het bed.
      6. De grote lamp hangt ann het plafond.
      7. De gordijnen hangen ann de muur.
      8. De spiegel staat op de make-uptafel.

    • 1- Het bed staat achter de kast
      2- De kleren liggen op de vloer
      3- De boeken staan in de boekenkast
      4- Een lamp staat boven de kamer
      5- Een stoel staat tegen de muur

    • 1. Het bed staat tegen de muur
      2. De lampen hangen aan de muur
      3. De balkondeur zit in de muur
      4. De kledingkast staat tussen twee muren
      5. Het gordijn hangt aan het plafond

    • 1. Het bed staat op de grond.
      2. Het bed staat tussen de lichten.
      3. De lichten hangen boven het nachtkastje aan de muur.
      4. De kledingkast staat tegen de muur.
      5. Het raam zit in de muur.
      6. De deur staat bij het raam.
      7. Het balkon is achter de deur.
      8. De deurklink zit aan de deur.

    • 1. De lamp hangt aan het plafond.
      2. De lade staat tegen de muur.
      3. Het bed staat naast het raam.
      4. Het nachtkastje staat bij het bed.
      5. De klok staat op het nachtkastje.

    • 1. Het bed staat tussen de nachtkasjes.
      2. De gordijnen hangen aan het plafond.
      3. Het tapijt ligt op de vloer.
      4. De spiegel hangt aan de muur.
      5. De fauteuil staat naast het bed.

    • 1. Het bed staat tegen de muur.
      2. De commode staat naast het bed.
      3. Het nachtlampje staat op de commode.
      4. De kledingkast staat tegenover het bed.
      5. De lamp hangt boven het bed.

    • 1. Een bed staat tegen de muur.
      2. Een lamp staat in de hoek.
      3. Een schildrij hangt aan de muur.
      4. Een stoel staat in de hoek.
      5. Een raam zit in de muur.
      6. Kussens liggen op het bed.
      7. Een spiegel hangt aan de muur.
      8. Een lamp hangt aan het plafond.
      9. Een donsdeken ligt op het bed.
      10. Een boek ligt op de bedtafel.

    • 1. Een bed staat tegen de muur.
      2. Een schilderij hangt aan de muur boven het bed.
      3. Twee nachtkastjes staan in de slaapkamer.
      4. Het water zit in een glas op het nachtkastje.
      5. Een donsdeken en kussens liggen op het bed.
      6. De lichtschakelaar zit aan de muur bij de deur.
      7. Gordijnen hangen voor het raam.
      8. Er is een balkon achter de…Read More

    • 1. Een bed staat tegen een muur.
      2. Een tv hangt aan een muur.
      3. Kussens liggen op het bed.
      4. Boeken staan op een plank.
      5. Bloemen staan op een vensterbank.
      6. Een kast staat tegen een muur.
      7. Een stoel staat naast de kast.
      8. Het bed staat tussen twee nachtkastjes.
      9. Een boek ligt op het nachtkastje.
      10. Een radiator hangt aan een muur.

    • 1. De spiegel zit in de kledingkast.
      2. Het bed staat tussen de kledingkast en de deur.
      3. De lichtschakelaar is naast de deur.
      4. Het bureau staat onder het raam.
      5. De kleren liggen op de stoel.
      6. Het tapijt ligt onder het bed.
      7. De lamp staat op slaapkastje.
      8. De lamp hangt boven het bed.
      9. Het slaapkastje staat bij het bed.
      10. De stoel…Read More

    • 1. De lamp hangt boven het bed.
      2. Het bed staat tegen de muur.
      3. Het raam zit in de muur.
      4. De boeken staan in de kast.
      5. De Jas hangt aan de deur.

    • 1. Een bed staat naast de muur.
      2. Een kussen ligt op het bed.
      3. Een nachtkastje staat naast het bed.
      4. Een lamp staat op een tafel.
      5. Een kopje staat op een tafel.

    • 1. Een bed staat tegen een muur.
      2. De lamp staat op een nachtkastje.
      3. Een kledingkast staat tegen een muur.
      4. Een pak zit in een kledingkast.
      5. Een stoel staat bij het bed.

    • 1. Een bed staat in de hoek.
      2. Een bureau staat voor het bed.
      3. Een nachtkastje staat bij het bed.
      4. Een spiegel hangt aan de muur.
      5. Een laptop ligt op het bureau.
      6. Kleding staat in een kast.
      7. Pantoffels liggen onder het bed

    • 1. Een ladder staat naast een deur
      2. Een bed staat boven de deur
      3. Een spiegel hangt aan de deur
      4. Een kast staat onder het bed
      5. Een gereedschapstafel staat tussen een kast en een ladder

    • 1. De spiegel staat tegen de muur.
      2. Het bed staat op de vloer.
      3. De kledingkast staat in de kamer.
      4. Een schilderij hangt aan de muur.
      5. Een lamp staat tussen het bed en het raam.
      6. Een boek ligt op het nachtkastje.

    • 1. Het bed staat op de vloer.
      2. De kussens liggen op het bed.
      3. Het bed is tussen een kast en een stoel.
      4. De deken is op het bed.
      5. De lamp hangt aan het plafond.
      6. Het boek is op de kast.
      7. Het vriendje slaapt op de vloer.
      8. Het gordijn hangt aan het raam.
      9. Het glas staat op de tafel.
      10. Het bed staat tegen de muur.

    • 1. De lamp staat naast het bed.
      2. Het bed staat tussen de muur en het schilderij.
      3. De plant staat op de tafel.
      4. De gordijnen hangen aan het plafond.
      5. De televisie hangt aan de muur.
      6. Het boek ligt op de stoel.
      7. De kledingkast staat tegen de muur.

    • 1. Een bed staat in het midden
      2. Een kast staat in de hoek
      3. Een balkon staat bij de achterdeur
      4. Dingen zitten in de kast
      5. Een nachtkastje staat tussen de bed en de deur
      6. Een stoel staat naast de kast

    • 1. De lamp staat naast het bed.
      2. Het bed staat tegen de muur.
      3. Planten staan op de ladekast.
      4. De spiegel staat naast de kledingkast.
      5. Het boek ligt op het bed.

    • 1-De computer staat op de tafel
      2-Een kat zit voor het raam
      3- Een foto hangt aan de muur in de slaapkamer
      4- Het water zit in de fles
      5- Een speelgoed ligt in de kinderkamer
      6- Een spiegel hangt tussen de kasten
      7- De jongen zit op de stoel
      8-De fiets staat tegen de muur

    • 1. Het bed staat tussen het raam en de kledingkast.
      2. De kledingkast staat tegen de muur.
      3. De lamp hangt aan het plafond.
      4. De schilderijen hangen aan de muur.
      5. De staande lamp staat op de grond.
      6. De bloemen en de vaas staan ​​op de plank.
      7. De boeken staan op de plank.
      8. De spiegels hangen in de kledingkast.
      9. Het bed van de…Read More

    • 1) Een wekker staat naast het bed.
      2) Een lamp staat naast het bed.
      3) Een kast staat achter het bed.
      4) De gordijnen hangt achter het raam.
      5) Het bed staat boven het tapijt.
      6) De radiator staat tegen de muur.

    • 1. Het bed staat op de grond.
      2. Het nachtkastje staat naast het bed.
      3. Het bed staat tussen link en richt nachtkastje.
      4. Een nachtlampje staat op het nachtkasje.
      5. Een kledingkast staat voor het bed.
      6. De spiegel hangt aan de kastdeur.
      7. De plant staat bij het raam.
      8. De gordijnen hangen boven de raam.

    • 1. Het tapijt ligt op de vloer.
      2. Het bed ligt op het tapijt.
      3. Het laken ligt op het bed.
      4. De lamp staat naast het bed.
      5. De spiegel hangt aan de muur.
      6. De schilderijen hangen aan de muur voor het bed.

    • 1. Het bed staat naast de duur.
      2. De kledingkast staat tegen de muur.
      3. De stoel staat voor het raam.
      4. De boekenkast staat naast het bed.
      5. De lamp ligt op het nachtkastje.
      6. Het nachtkastje staat tussen de muur en het bed.
      7. De lade staat tussen de ramen.

    • 1. De televisie staat achter het bed.
      2. De computer staat op de tafel.
      3. De lamp hangt aan het plafond.
      4. De lamp hangt boven de bank.
      5. De jas ligt op de bank.
      6. De stoel staat voor de tafel.

    • 1. De stoel staat onder de tafel.
      2. De deken ligt op het bed.
      3. De tv staat boven deze tafel.
      4. De lamp hangt aan het plafond.
      5. Het speelgoed ligt op de vloer.
      6. De posters hangen aan de muur.

    • 1. Het bed staat naast de bank.
      2. De telefoon staat op tafel.
      3. De boekenkast staat tegen de muur.
      4. De spiegel hangt aan de muur.
      5. Het bureau staat achter de deur.
      6. De ventilator hangt aan de muur.

    • 1. Het bureau staat tegen de muur.
      2. Een stoel staat bij het bureau.
      3. Het bed staat in de hoek.
      4. De kussens liggen op het bed.
      5. De kledingkast staat tegen de andere muur.
      6. Een gitaar staat in de gitaarstandaard.
      7. De dozen staan bij de kledingkast.

    • 1. Het grote bed staat op de vloer.
      2. De gitaar ligt onder de bed.
      3. De nastkastje staat tegen de muur.
      4. De lamp staat op de nastkastje.
      5. De kledingkast ligt naast de deur.

    • 1. De kast staat naast het bed.
      2. De spiegel hangt aan de muur.
      3. De kussens liggen op het bed.
      4. Het bureau staat tegen de muur.
      5. De stoel staat bij het bureau.
      6. Het tapijt ligt op de vloer.
      7. Het gordijn hangt voor het raam.

    • 1. Mijn bed staat tegen de muur.
      2. Een stoel staat naast mijn bed.
      3. Mijn ladekast staat naast mijn bed.
      4. De kapstok hangt aan de muur, naast mijn bed.
      5. De lamp staat bij mijn bed.

    • 1. Het bed staat tegen de muur.
      2. De nachtkastjes staan naast het bed.
      3. Het bed staat tussen de nachtkastjes.
      4. De kledingkast staat tegen het bed.
      5. Het tapijt ligt voor het bed op de vloer.
      6. De lamp hangt aan het plafond.

    • 1. De kledingkast staat tegen de muur.
      2. De lamp hangt aan het plafond.
      3. Het bed staat tussen het raam en de kledingkast.
      4. De kussens liggen op het bed.
      5. Het tapijt ligt op de vloer.
      6. De nachtkastjes staan naast het bed.
      7. De boeken liggen op het nachtkastje.
      8. De spiegel hangt aan de kledingkast.

    • 1. Het bed staat naast de bank.
      2. De telefoon staat op tafel.
      3. De boekenkast staat tegen de muur.
      4. De spiegel hangt aan de muur.
      5. Het bureau staat achter de deur.
      6. De lamp hangt aan het plafond.

    • 1- Het bed staat bij de muur
      2- De Kast staat voor het bed
      3- Het bureau staat naast het bed
      4- De lamp hangt van het plafond
      5- De stoel staat bij het bureau

    • 1. De kussens liggen op het bed.
      2. Het behang zit aan de muur.
      3. De matras ligt op de vloer.
      4. De bloem staat naast het bed.
      5. De stoel staat voor het bed.
      6. Het bed staat tussen de muur en de kast.
      7. De nachtlamp staat op het nachtkastje.

    • 1. Het bed staat tegen de muur.
      2. De kast staat naast het bed.
      3. Het tapijt ligt onder het bed.
      4. De lamp hangt boven de tafel.
      5. De spiegel staat tegen de kast.
      6. Het schilderij hangt boven het bed.
      7. De stoel staat voor het bureau.

    • 1. Onze kledingkast staat tegen de muur.
      2. De foto staat op het nachtkastje.
      3. De plant staat naast het bed.
      4. De lamp hangt boven het bed.
      5. Mijn platenspeler staat in de hoek.
      6. De kussens liggen op het bed.
      7. De spiegel hangt aan de muur.
      8. Onze boeken liggen op de vloer.

    • 1. De tv staat voor de bank.
      2. De stoel staat naast de tv.
      3. De tafel staat achter de bank.
      4. De pot staat tussen de boekenkast en de tv.
      5. De koffietafel staat tussen de bank en de tv.

    • 1. Het bed staat tegen de muur
      2. De kast staat voor het bed.
      3. De computertafel staat tegen de muur.
      4. De lamp staat op de computertafel.
      5. De stoel staat tussen het bed en de tafel.
      6. Het gordijn hangt voor het raam.
      7. Het schrift ligt op de tafel.
      8. De kussen liggen op het bed.

    • 1. De lamp hangt boven het bed.
      2. De gordijnen hangen aan het raam.
      3. De spiegel hangt aan de muur.
      4. Het bed staat op de vloer.
      5. Het kussen ligt op het bed.
      6. De kledingkast staat tegen de muur.
      7. Het bed staat onder de lamp.
      8. De tapijt ligt tussen de muur en het bed.
      9. Het nachtkastje staat bij het bed.
      10. De jas hangt in de kledingkast.

    • 1. Het bed staat tegen de muur.
      2. Een nachtlampje staat op het nachtkastje.
      3. Die kledingkast staat naast het bed.
      4. De spiegel hangt aan de muur.
      5. Een tapijt ligt onder de stoel.
      6. Het kussen ligt op het bed.

    • 1. Een meubelstuk staat tegen de muur
      2. Het bed staat voor het meubelstuk
      3. De kast staat naast het bed
      4. Een lamp hangt aan het plafond
      5. De spiegel staat naast het meubelstuk

    • 1. De kussens liggen op het bed.
      2. Het bed staat tussen twee nachtkastjes.
      3. Het nachtkastje staat naast het raam.
      4. Het schilderij hangt boven het bed.
      5. De lamp staat op het nachtkastje.

    • 1. Het bed staat tegen de muur
      2. De kast staat voor het bed.
      3. De computertafel staat tegen de muur.
      4. De lamp staat op de computertafel.
      5. De stoel staat tussen het bed en de tafel.
      6. Het gordijn hangt voor het raam.
      7. Het schrift ligt op de tafel.
      8. De kussen liggen op het bed.

    • 1. De gordijnen hangen voor het raam.
      2. De bank staat in de hoek.
      3. De lamp hangt boven het bed
      4. De dekens liggen in de kast.
      5. De kussens liggen bovenop het bed.

    • 1. De lamp is boven het bed
      2.De kaptafel staat tegen de muur.
      3.De commode staat achter het bed.
      4.De gordijnen hangen voor het raam.
      5.De boeken liggen op het bijzettafeltje

    • 1. Het bed staat tussen twee nachtkastjes.
      2. De kussens en het dekbed liggen op het bed.
      3. Het nachtlampje staat op het nachtkastje.
      4. Het boek ligt naast het nachtlampje.
      5. De spiegel staat tegen de muur.
      6. De gordijnen hangen voor het raam.
      7. De klok hangt aan de muur.
      8. De lamp hangt aan het plafond.
      9. De deurklink zit aan de deur.
      10.…Read More

    • 1- De kledingkast staat in de slaapkamer.
      2- De spiegel hangt aan de kledingkast.
      3- Het tapijt ligt voor de kledingkast.
      4- Het kleine kastje staat naast de deur.
      5- De kussens liggen op het bed.

    • 1- Een tafellampje staat op een nachtkastje.
      2- Een lamp hangt aan het plafond.
      3- Een bed staat tussen de twee nachtkasjes.
      4- Een van de twee nachtkastjes staat naast een kast.
      5- Een stoel staat bij het raam.
      6- Een ladekast staat tegenover het bed.
      7- Een tapijt ligt tussen het bed en de ladekast.
      8- Een gordijn hangt aan het plafond.
      9- Een…Read More

    • 1. Het bed staat tegen de muur.
      2. Het witte dressoir staat tegen de muur.
      3. Het krukje staat bij het dressoir.
      4. De trouwfoto hangt aan de muur.
      5. De dekbedovertrek ligt op het bed.
      6. De inloopkast is in de slaapkamer.
      7. De tassen staan ​​in de schappen.
      8. De sokken liggen in de lades.
      9. De boeken staan ​​op de boekenplanken.
      10. De lamp…Read More

    • 1. Het bureau staat tegen de muur.
      2. De computer staat op het bureau.
      3. Het raam staat boven de radiator.
      4. Het bed staat tussen twee nachtkastjes.
      5. De kleding hangt in de kast.

    • 1. Een bed staat op de vloer.
      2. Een bijzettafel staat naast het bed.
      3. Een kast staat tegen de muur.
      4. De bijzettafel staat tussen het bed en de kast.
      5. Een laken ligt op het bed.

    • 1. De grote ladekast staat tegenover de bed
      2. De schilderijen zitten op de ladekast
      3.De bed staat tussen de spiegel en kleine ladekast
      4.De spiegel zit naast de bed
      5. De luchtreiniger staat tussen de deur en de grote ladekast

    • 1- Het bed staat tegen de muur.
      2- De lamp staat naast het bed.
      3- De gordijnen hangen voor het raam.
      4- Het kussen ligt op het bed.
      5- De deken ligt op het bed.

    • 1. Het tapijt ligt op de vloer.
      2. Het bed staat tussen twee nachtkastjes.
      3. De nachtkastjes staan tegen de muur.
      4. De kast staat voor het bed.
      5. Het gordijn hangt voor het raam.
      6. De schilderijen hangen aan de muur naast de deur.
      7. De deken en kussens liggen op het bed.
      8. De lamp hangt aan het plafond.
      9. De dekens en kussens liggen in de…Read More

    • 1. De laptop ligt op de tafel.
      2. De bloem staat in de pot.
      3. De klok hangt aan de muur.
      4. De deken ligt op het bed.
      5. De foto hangt naast de deur.
      6. Het tapijt ligt op de vloer.
      7. De tas ligt op de stoel.
      8. De thee zit in de theepot.
      9. De stoel staat naast de kast.
      10. Het raam zit tussen de deur en de kast.

    • 1. De foto’s hangen aan de muur.
      2. Het licht hangt boven het bed.
      3. De plant staat tussen de loopband en het nachtkastje.
      4. De kledingkast staat tegen de muur.
      5. De radiator staat voor de kledingkast.

    • 1. Het bed staat tegen de muur en tussen de nachtkastjes.
      2. De kussens liggen op het bed.
      3. De lampen staan op de nachtkastjes.
      4. De make-uptafel staat tegen de muur.
      5. De spiegel staat boven de make-uptafel.
      6. De hemden liggen in de kledingkast.

    • 1. De lamp hangt aan het plafond.
      2. De kast staat naast het bed.
      3. Het bed ligt tussen twee nachtkastjes.
      4. De kleding hangt in de kast.
      5. De kussens liggen op het bed.

    • 1.Het bureau staat bij het raam en naast de kast.
      2.De gordijnen hangen voor het raam.
      3.Het tapijt ligt tussen het bed en het bureau.
      4.De boeken liggen op het nachtkastje.
      5.De jas hangt aan de deur.
      6.De tas staat onder het bureau.

    • 1. Een kussen ligt op een bed.
      2. Een wekker staat op een nachtkastje.
      3. Een laptop staat op een bureau.
      4. Een poster hangt aan een deur.
      5. Een broek ligt op een stoel.
      6. Een gordijn hangt voor een raam.
      7. Een spiegel staat tegen een muur.
      8. Een oplader ligt in een stopcontact.

    • 1. Mijn bed staat tegen de kasten en het raam.
      2. Twee nachtkastjes staan naast het bed.
      3. De kussens liggen op het bed.
      4. Het bureau staat tegen de muur.
      5. De lamp hangt aan de muur.
      6. De computer staat op het bureau.
      7. De tassen liggen in de kast.
      8. De stoel staat voor het bed.
      9. De kleding zit in de kast.
      10. Het vloerkleed ligt onder…Read More

    • 1. Het bed staat op de grond.
      2. Het bed staat tussen de deur en het raam.
      3. De gordijnen hangen voor het raam.
      4. De kast staat naast de muur.
      5. De lamp hangt boven het bed.
      6. De boeken liggen op het nachtkastje.
      7. De kussens liggen op het bed.

    • 1. Het bad staat op de grond.
      2. Het bad staat tussen de kledingkast en het raam.
      3. De kledingkast staat aan de muur.
      4. De televisie hangt aan de muur, voor het bed.
      5. De horloges liggen op het tafel naast het bed.

    • 1. Het Kussens liggen op de bed .
      2. De lamp staat tegen de muur.
      3. De mat ligt op de vloer .
      4. De kleren zit in de kast .
      5. Het raam is naast de duer .
      6. Het matras ligt op het bed .
      7. De handdoek hangt in de kapstok.

    • 1. De kast staat tegen de muur.
      2. De bed staat aan de muur.
      3. De lamp staat boven de bed.
      4. De kleidingen zijn in de kast.
      5. De tafel staat naast de duer.
      6. De spiegel staat aan de muur.

    • 1. Het bed staat tussen de nachtkastjes.
      2. De lamp staat op het nachtkastje.
      3. De kledingkast staat tegen de muur.
      4. Het kussen staat op het bed.
      5. De deken staat op het bed.
      6. De lamp hangt aan de muur.

    • 1. Een salontafeltje staat naast een bed.
      2. Een kussen ligt op het bed.
      3. Het bed staat bij een kledingkast en een boekenkast.
      4. Boeken liggen in de boekenkast.
      5. Een spiegel hangt aan de muur. En de spiegel is naast de kledingkast.
      6. Kleding en accessoires liggen in de kledingkast.

    • 1. Het bed staat tussen de nachtkastjes.

      2. De lamp hangt aan het plafond.

      3. De lampen staan op de nachtkastjes.

      4. De spiegel hangt aan de muur.

      5. De kussens liggen op het bed.

      6. Het bed staat op de vloer.

      7. De kleding zit in de kledingkast.

      8. De kledingkast staat tegen de muur.

      9. Het tapijt ligt op de vloer.

      10. De klok ligt naast de lamp.

    • 1-De tafel staat tegen de muur
      2-De televisie staat op de tafel
      3-De boekenkast staat tegen de muur
      4-De bordspellen staan in de boekenkast
      5-Ik sta achter de pc
      6-De lamp hangt aan het plafond

    • 1. De lampen hangen aan het plafond.
      2. De radiator staat tegen de muur.
      3. De kussens liggen op het bed.
      4. De lades staan tussen het bed en de kast.
      5. De kledingkast staat in de hoek.
      6. De spiegel hangt aan de muur.

    • 1. Mijn bed staat tegen de kasten en het raam.
      2. Twee nachtkastjes staan naast het bed.
      3. De kussens liggen op het bed.
      4. Het bureau staat tegen de muur.
      5. De lamp hangt aan de muur.
      6. De computer staat op het bureau.
      7. De tassen liggen in de kast.
      8. De stoel staat voor het bed.
      9. De kleding zit in de kast.
      10. Het vloerkleed ligt onder…Read More

    • 1. Het bed staat voor de kledingkast.
      2. De kledingkast staat naast de deur.
      3. Het bed staat tegen de muur.
      4. Het bed staat tussen de kledingkast en de stoel.
      5. Het raam zit achter de stoel.

    • 1. De kledingkast staat voor de muur.
      2. De nachtlampjes staan op de commode.
      3. De kussen liggen op het bed.
      4. De lamp hangt aan het plafond.
      5. De nachtkast staat naast het bed, voor de muur.

    • 1- De kledingkast staat tegen de muur.
      2- Het kussen staat op het bed.
      3- De lamp hangt aan de muur.
      4- Het bed staat tussen de nachtkastjes.
      5- De deken staat op het bed.
      6- De lamp staat op het nachtkastje.

    • 1. Het bed staat tegen de muur en naast het raam
      2. De slaapkamer ligt naast het dakterras.
      3. De lamp ligt tegen het bed en de muur
      4. De lamp zit op het nachtkastje
      5. Het boek over Griekse mythologie ligt bij de lamp
      6. De lakens liggen onder het bed

    • 1. Een bed staat tegen de muur.
      2. Een tafel staat naast het bed.
      3. Mijn laptop ligt op de tafel.
      4. Een lamp hangt boven de tafel.
      5. Een kast staat naast de deur.
      6. Een tapijt ligt op de grond.

    • 1. Het bed staat tegen de muren.
      2. De computer staat op het bureau.
      3. De kledingkast staat tegen de muur, tussen een deur en een raam.
      4. Het raam staat boven een stoel.
      5. Het nachtkastje staat naast het bed.

    • 1.Mijn bed staat naast het raam.
      2.Het tapijt ligt op de grond.
      3.Het kussen ligt op het bed.
      4.De spiegel hangt aan de muur.
      5.De posters hangen aan de muur.
      6.De lamp hangt aan het plafond.

    • 1. Het bed staat tegen de muur.
      2. De grote lamp hangt aan het plafond.
      3. Een kleine salontafel staat tussen de televisie en de stoel.
      4. Het bruine tapijt ligt onder de salontafel.
      5. De televisie staat op het tv-meubel.
      6. De afstandsbediening ligt in het tv-meubel.
      7. De lamp hangt boven de salontafel.
      8. De weegschaal staat bij de deur.
      9.…Read More

    • 1. Het bed staat tussen de twee nachtkastjes.
      2. De kast staat bij de bed.
      3. De kleiding is in de kast.
      4. Het boek ligt op de het nachtkastje.
      5. De vloerlamp staan tegen de muur.
      6. De lamp hangt boven het bed.

    • 1. Het tapijt ligt onder de bank.
      2. Een kat ligt op de bank.
      3. Een fles water staat op het nachtkastje.
      4. Een kledingkast staat naast het bed.
      5. Een lamp staat naast de kledingkast.
      6. Het kattenmandje staat naast het raam.

    • 1. Het bed staat tegen de muur.
      2. De foto’s hangen aan de muur.
      3. Het nachtkastje staat naast het bed.
      4. Een kaars ligt op het nachtkastje.
      5. De boekenplank staat tegen de muur.
      6. De bloem staat in de hoek van de slaapkamer.

    • 1. Het bed staat in de slaapkamer
      2. Het nachtkastje staat tussen het bed en de muur
      3. De lamp staat op het nachtkastje
      4. Het kussen ligt op het bed
      5. De kaptafel staat tegen de muur
      6. De spiegel staat op de kaptafel
      7. Het gordijn hangt voor het raam
      8. Het raam zit naast het bed

    • 1. Een kussen ligt op het bed.
      2. De ladekast staat naast het bed.
      3. De kleren liggen in de kast.
      4. De organizer ligt onder het bed.
      5. De nachtcreme ligt op de ladekast.

    • 1. De nachtkastje staat naast het bed.
      2. De lamp staat op de nachtkastje.
      3. De plant staat tussen het bed en de lamp.
      4. Het bed staat op de vloer.
      5. De prullenbak staat tegen de muur.
      6. De klok hangt aan de muur.

    • 1. Een bed staat in de slaapkamer.
      2. De make-uptafel staat naast het bed.
      3. Een ronde stoel staat bij de make-uptafel.
      4. Een lamp hangt aan het plafond.
      5. De slaapkamer is rustig en gezellig.

    • 1. Het bed staat tegen de muur.
      2. De nachtkastjes staan naast het bed.
      3. De kast staat tegenover het bed.
      4. De ramen zijn tegenover de deur.
      5. De lamp hangt aan het plafond.

    • 1. De boekenkast staat tegen de muur.
      2. Het matras ligt op het bed.
      3. De donsdeken ligt voor het kussen.
      4. Het bed staat tussen twee nachtkastjes.
      5. De weekplanner hangt aan de deur.
      6. De spiegel zit aan de kastdeur.
      7. De haarkam zit in de pot.
      8. De pantoffels liggen op de mat en onder de bank.
      9. Er zit water in de waterfles.
      10. Het…Read More

    • 1. Mijn bed staat in een hoek, tegen twee muren.
      2. Een groot schilderij van mijn man hangt aan de muur, boven het bed.
      3. Een hoofdeinde met opbergruimte staat tussen het bed en een muur.
      4. Één hanglamp hangt aan het plafond, boven het bed.
      5. Een nachtkastje staat bij het bed, tussen het bed en een muur.
      6. Een tafellamp staat op het n…Read More

    • 1. Mijn bed staat tegen de muur tussen de twee naastkastjes
      2. Twee kledingkasten staan naast de twee naastkastjes tegen de muur
      3. Een klein stoel staat naast mijn bed voor mijn hond
      4. De gordijnen hangen aan het plafond voor het raam
      5. Een ladekast staat voor mijn bed
      6. Veel parfums en kleine dozen voor mijn accessoires staan op de ladekast

    • 1. Een bed staat in de hoek.
      2. Een kussen ligt op het bed.
      3. Een poster hangt aan de muur.
      4. Een wekker staat op het nachtkastje.
      5. Een plant staat voor het raam.

    • 1. Vier kussen liggen op mijn bed.
      2. Een lampje staat op het vierkante tafeltje.
      3. Mijn kledingkast staat tegen de muur.
      4. Mijn deken ligt op het bed.
      5. Mijn witte kledingrek staat naast de kledingkast.

    • 1. De kledingkasten staan tegen de muur.
      2. Het kattenbed ligt op een stoel bij het raam.
      3. Een ventilator staat naast de televisie op de kast.
      4. De spiegel hangt aan de muur naast de deur.
      5. De foto´s hangen aan de muur boven het bed.

    • 1. Het bureau staat tegen de muur.
      2. De lamp staat op het bureau.
      3. De stoel staat naast de deur.
      4. Het bed staat tegen de muur.
      5. De kast staat tussen de deur en het bed.
      6. De koffer staat achter de deur.

    • 1. De dromenvanger hangt aan de muur.
      2. De ventilator staat naast het bed.
      3. De tafel staat langs het bed.
      4. De kast staat tegenover het bed.
      5. Het raam zit in de muur.

    • 1. De laptop ligt op het bed.
      2. De lamp hangt boven het bureau.
      3. Het raam staat naast de deur.
      4. De spiegel hangt in de kledingkast
      5. De kat ligt onder het bed.

    • 1. Het bed staat in de hoek van de kamer.
      2. Het bureau staat tussen de lamp en het bed.
      3. De kledingkast staat tegen de muur.
      4. Het bureau staat voor het raam.
      5. Het tapijt ligt naast de kledingkast.

    • 1.Het bed staat tegen de muur.
      2.De lamp staat op het nachtkastje.
      3.De stoel staat bij het raam.
      4.Het raam staat voor het bed.
      5.De tas ligt onder het bed.
      6.De schoenen staan naast de kast.
      7.De jas hangt aan de deur.
      8.De kast staat tegen de muur.
      9.De spiegel hangt aan de muur.
      10.Het boek ligt op het bed.

    • 1. Het bed staat naast de deur.
      2. De kast staat tegen de muur.
      3. De stoel staat onder de lamp.
      4. Het raam zit in de muur.
      5. De televisie hangt aan de muur.
      6. Niemand ligt in het bed.
      7. De tas ligt op de stoel.

    • 1 Een kledingrek staat tegen de muur bij de raam
      2 Het bed staat voor de kledingrek, tegen de muur
      3 De zwarte lamp hand aan de plafond
      4 Een grote kledingkast staat voor de deur, bij het bed
      5 Achter de bed staan twee nachtkastjes.

  • Load More Posts