Dutch Course Eindhoven A1 Homework Answers Group

  • Public Group
  • 2 days, 2 hours ago
  • 105

    Posts

  • 184

    Members

  • Boek. Pagina 84👍
    Opdracht 2 Maak 5-10 zinnen
    Gebruik nummers: 1,2,3…
    Post your answer below:

    114 Comments
    • 1. De blauwe bank staat tegen de muur.
      2. Het kleurijke tapijt ligt op de grond
      3. De tafel staat bij het raam
      4. De schoenenrek staat naast de deur.
      5. De foto’s hangen boven de bank.
      6. De boekenkast staat naast de lamp.
      7. De salontafel staat voor de bank.

    • 1. De tv staat op de televisietafel.
      2. De bank staat in de woonkamer.
      3. De bloemenvaas staat op tafel
      4. Het gordijn hangt aan de muur.
      5. Het schoenenrek staan ​​naast de deur.

    • 1. De tafel staat naast de bank.
      2. Een plantje zit op de tafel.
      3. Het schilderij hangt aan de muur.
      4. De TV staat naast de PlayStation.
      5. De kast staat voor de bank.

    • 1. De bank staat tegen de muur.
      2. De bank staat onder het raam.
      3. De stoel staat naast de TV.
      4. Het tapijt ligt onder de bank, de stoel, de TV en de tafel.
      5. De tafel staat tussen de TV en de bank.
      6. De plantenpot staat bij de bank.

    • 1. Een glazen koffietafel staat tussen de bank en een witte ladekast.
      2. De bloemenvaas staat op de koffietafel.
      3. De bank staat tegen de witte muur.
      4. Twee grote kussens liggen op de bank.
      5. Het bureau staat naast een kleine ladekast.
      6. De klok staat op het bureau
      7. Boeken zitten in de witte ladekast.
      8. De Monstera plant staat op de witte ladekast

    • 1. Mijn tas ligt onder de stoel.
      2. De bank staat tegen de groene muur.
      3. De doos staat op de kleine koffietafel.
      4. Het tapijt light op de houten vloer.
      5. De mooie bloemen zijn in de glazen vaas.
      6. De grote schilderij hangt boven de bank.
      7. De houten boekenkast staat tussen de keuken en de woonkamer.
      8. De spiegel hangt naast de blauwe…Read More

    • 1. De plant staat op de kast.
      2. De poster hangt tussen de ramen.
      3. Het ronde koffietafeltje staat voor de bank.
      4. De plank hangt achter het bureau.
      5. De lamp staat naast de tv.

    • 1. De boekenplank staat achter de bank.
      2. De stoel staat op de grond.
      3. De lamp staat tussen de duur en de boekenplank.
      4. De bloemen staan ​​onder de foto’s.
      5. De kussens liggen naast elkaar.

    • 1. Het boek ligt op de tafel
      2. De pennen liggen op de tafel
      3. De gele lamp hangt ann het plafond
      4. De telefoon ligt op de tafel.
      5. De klok hangt ann de muur
      6. De stoel staat in de hoek van de woonkamer.
      7. De bloemen staan ​​voor de ramen

    • 1-De plant staat op de tafel.
      2- De tafel staat tussen de stoel en de bank.
      3- Een boek staat in de kast.
      4- De stofzuiger ligt achter de deur.
      5- De kussen ligt op de stoel.

    • 1. Het vierkante salontafeltje staat tussen de televisie en de muur
      2. De lamp staat bij de bank
      3. De bank staat tegen de muur
      4. Het schilderij hangt aan de muur
      5. De boekenkast staat bij de stoel
      6. Het tapijt ligt op de grond
      7. De laptop ligt op de tafel

    • 1. De lamp staat bij de bank.
      2. Het kussen ligt op de bank.
      3. De bank staat achter de salontafel.
      4. De tv-afstandsbediening ligt op de salontafel.
      5. De salontafel staat voor de tv.
      6. De stoel staat naast de salontafel.
      7. De tv staat op de grond.
      8. De tafel staat bij de stoel.

    • 1. De hoekbank staat in de woonkamer.
      2. De kussens staan op de hoekbank.
      3. De tafel staat tegen de muur.
      4. De stoel staat achter de tafel.
      5. Het bord staat op de tafel.

    • 1. De kussens liggen op de bank.
      2. De televisie staat op de kast.
      3. De televisie staat tussen de luidsprekers.
      4. De klok staat op de open haard.
      5. De spiegels hangen aan de muur.

    • 1. De bank staat tegen de muur.
      2. De tafel staat naast de bank.
      3. De stoelen staan achter de tafel.
      4. De kussens staan op de bank.
      5. De rechthoekige salontafel staat voor de bank
      6. Het tapijt staat onder de rechthoekige salontafel.
      7. De tv hangt aan de deur.

    • 1. De lampen staan ​​in de hoek van de woonkamer.
      2. De lampen staan ​​tussen de bank en de muur.
      3. Het schilderij hangt aan de muur.
      4. Het schilderij hangt boven de bank.
      5. De tv hangt aan de muur.
      6. De bloemen zitten in de pot.
      7. De pot staat op de salontafel.
      8. De salontafel staat in de woonkamer.
      9. Het tapijt ligt op de grond.…Read More

    • 1. Een bureau staat in de hoek.
      2. Een lamp staat op het bureau.
      3. Een vaas staat op de tafel.
      4. Bloemen zitten in de vaas.
      5. Gordijnen hangen voor het raam.
      6. Planten staan op de vensterbank.
      7. Een schilderij hangt aan de muur boven de tafel.
      8. Een boekenkast staat tegen de muur.
      9. De boeken liggen in de boekenkast.
      10. De kussens liggen…Read More

    • 1. Een tv hangt aan een muur.
      2. Een bank staat tegen een muur.
      3. Een vaas staat op een tafel.
      4. Bloemen zitten in de vaas.
      5. Kussens liggen op de bank.
      6. Een doos staat in een boekenkast.
      7. Bekers staan op een plank.
      8. Een plaid ligt op de bank.
      9. Een doos ligt op een plank.
      10. Stoelen staan aan de tafel.

    • 1. De televisie staat op de boekenkast.
      2. De bank staat tegen de muur.
      3. De lamp hangt boven de tafel.
      4. Het gordijn hangt voor het raam.
      5. De meubels zitten in de woonkamer.
      6. Ik zit niet in de woonkamer.
      7. Het schilderij hangt boven de bank.
      8. De houtkachel staat tussen de deur en de televisie.
      9. De televisie staat achter de tafel en op…Read More

    • 1. De schoenen staat onder de tafel.
      2. De hond ligt onder de bank.
      3. De jas hangt aan de kapstok.
      4. De televisie staat tegen de muur.
      5. De spiegel hangt boven de tafel.
      6. Het boek ligt bij de krant.
      7. De trui ligt op de stoel.

    • 1. Een telefoon staat op een tafel.
      2. Een schilderij hangt aan de muur.
      3. Een lamp staat op een tafel.
      4. Een tv hangt aan de muur.
      5. Een Starbucks-koffie staat op het bureau.

    • 1. Een tafel staat tussen een bank en een televisie.
      2. De planten staan bij een raam.
      3. De boekenkast staat naast de bank.
      4. Een laptop staat op de tafel.
      5. De lampen hangen aan de muur.
      6. Een tapijt ligt op de vloer.

    • 1. Een tapijt ligt op een vloer.
      2. Het tapijt ligt tussen een bank en boekenkast
      3. Het boekenkast staat tegen een muur en naast eeb doer
      4. De deur zit in de muur en staat voor een tafel.
      5. Een pot staat op de tafel.
      6. Een plant staat in de pot.
      7. Ansichtkaarten hangen aan de mur.
      8. Een lamp hangt boven de tafel.
      9. Ik lig op de bank.

    • 1. Een tafel staat tegen een muur
      2. Een lamp staat op een tafel
      3. Een plant hangt boven een tafel
      4. Een boekenkast staat tussen een bank en een tafel
      5. Een lamp staat op een boekenkast

    • 1. Een plant staat bij het raam.
      2. Drie lampen hangen aan het plafond.
      3. De boeken staan bij de boekenkast.
      4. De televisie staat op de boekenkast.
      5. De bank staat tegen de muur.
      6. De koffietafel staat bij de bank.

    • 1. De klok hangt aan de muur.
      2. De salontafel staat op de grond.
      3. Boeken liggen in de boekenkast.
      4. De plant staat tussen een kast en een tafel.
      5, De tas ligt op de stoel.
      6. De lamp hangt aan het plafond.
      7. De kussens liggen op de bank.
      8. Het raam is in de muur.
      9. De gordijnen zijn aan de ramen.
      10. De bank is tegen de muur.

    • 1. De televisie staat op de Tv-standaard
      2. Een boek ligt naast de televisie
      3. Een plant staat op de salontafel
      4. Een pen en een plakbriefjes ligt bij de plant
      5. Een tafel staat voor de keuken
      6. Een elektrische rijstkoker staat op de tafel
      7. De kruiden zitten in de planken
      8. De groente zitten in de koelkast
      9. Een lamp staat naast de…Read More

    • 1. Een tafel staat tussen de stoelen.
      2. Een raampje zit in de deur
      3. Een plant staat op de stoel.
      4. De computer staat op de tafel.
      5. De bank staat tegen de muur.
      6. De lamp hangt aan het plafond.
      7. Het boek ligt op de tafel.
      8. De voetbal ligt op de grond.
      9. De television staat naast de stoel.
      10. Het schilderij hangt aan de muur.

    • 1. Een plant staat op de vensterbank.
      2. Het kussen ligt op de stoel.
      3. Een doos ligt onder de tafel.
      4. De televisie staat tegen de muur.
      5. De boeken liggen op de salontafel.

    • 1-Een boek ligt op de stoel
      2-Een fiets staat voor het huis
      3- Een telefoon ligt op de tafel
      4- De hond zit in de tuin
      5- Een handdoek hangt naast de wasbak
      6- Een spiegel hangt voor het raam
      7- Een jas hangt achter de stoel

    • 1. De jurk ligt in de tas.
      2. De boeken staan in de boekkast.
      3. De lamp hangt aan de muur.
      4. De sportschool zit in het centrum.
      5. De klok is tussen de deur en de boekkast.
      6. De pen ligt op de tafel.
      7. De tafel is tegen de muur.
      8. De mug vliegt boven de bank.
      9. Het kind zit op de bank.
      10. De stoel is achter de bank.
      11. De tafel is voor de…Read More

    • 1) Het kussen ligt op de bank.
      2) De lamp staat naast de boekenkast.
      3) De stoel staat op het tapijt.
      4) Het brandhout is binnen de haard.
      5) De foto’s hangt boven de tafel.
      6) De sjaal ligt op de bank.

    • 1. Een boek ligt op een tafel.
      2. Een pen ligt op het boek.
      3. De stoel staat tegen de muur.
      4. Het boek staat in de kast.
      5. De kleren zitten in de tas.
      6. De spiegel hangt aan de muur.
      7. Het fruit staat op de eettafel.

    • 1. Het horloge zit op de tafel.
      2. De kat ligt onder de bank.
      3. Spiderman hangt aan de muur.
      4. De muur staat tussen oost en west.
      5. Het kind slaapt in de slaapkamer.

    • 1. De computer ligt op de tafel.
      2. De koffie zit in de cup.
      3. Het boek ligt op de grond.
      4. De stoel staat tussen de tafel en de muur
      5. De kast staat bij de muur.
      6. De plant staat naast het raam.
      7. De bank staat in de tuin.
      8. De hond zit op de stoel.

    • 1. De blauwe bank staat tegen de muur.
      2. De meubels staan in de kamer.
      3. De tafel staat bij het raam
      4. De schoenenstaat naast de deur.
      5. De foto’s hangen boven de bank.
      6. De boekenkast staat naast de lamp.
      7. De salontafel staat voor de bank.
      8. De ramen staat in de deur
      9. De kussens liggen op de bank

    • 1. De fruitschaal staat op tafel.
      2. De open haard bevindt zich tussen de tafel en het bureau.
      3. Het bed staat naast de bank.
      4. De stoel staat achter de tafel.
      5. De melk staat in de koelkast.
      6. De fotolijst hangt aan de muur.

    • 1. De foto ligt op de tafel.
      2. Die pen ligt achter het bureau.
      3. De telefoon staat in thuis.
      4. De jas hangt in de kast.
      5. De kussens liggen op de bank.
      6. De Playstation staat naast de tv.

    • 1. De monitor staat op (de) tafel.
      2. Het schaap ligt in een kamer.
      3. Een kussen ligt op het bed.
      4. De gitaar staat in een gitaarstandaard.
      5. De manden hangen aan de muur.
      6. De jongen zit in de kamer.
      7. Het ontbijt zit in de koelkast.
      8. De bank staat in de hoek.

    • 1. Het bureau staat naast de ramen.
      2. De stoelen staan onder de tafel.
      3. De bank staat op de mat.
      4. De bloemen staan in de vaas.
      5. De boeken staan in de kast.
      6. De koffietafel staat tussen de kast en de bank.

    • 1. De bank staat tegen de muur.
      2. De tafel staat voor de bank.
      3. De bloemen staan op de tafel.
      4. De boeken staan in de kast.
      5. De telefoon ligt op de tafel.
      6. De klok hangt aan de muur.
      7. De gordijnen staan naast het raam.

    • 1. Mijn boeken liggen op de tafel.
      2. De tafel staat tegen de muur.
      3. De waterkoker staat op het aanrecht.
      4. Mijn bed staat tegen de muur.
      5. Mijn computerkast staat naast mijn bureau.

    • 1. De fauteuil staat voor de boekenkast.
      2. Het kleine tafeltje staat naast de boekenkast.
      3. De vaas staat op het tafeltje.
      4. Het schilderij hangt boven de bank.
      5. De piano staat in de hoek.
      6. Het wandtapijt hangt boven de piano.
      7. De tijdschriften liggen op de tafel.
      8. De tv staat tegen de bank.
      9. De lamp hangt aan het plafond en boven de…Read More

    • 1. De tafel staat tegen de muur.
      2. De lamp hangt boven de tafel.
      3. Ons tapijt ligt onder de tafel.
      4. De kussens liggen op de bank.
      5. De planten staan op de grond in de hoek van de woonkamer.
      6. De boekenkast staat tegen de muur; tussen de tafel en het raam.
      7. De meubels staan in de woonkamer.
      8. De meubels staan tegen het raam.
      9. De boeken…Read More

    • 1. De pen ligt op de tafel.
      2. Het boek ligt op het bed.
      3. De stoel staat in de kamer.
      4. De lamp hangt aan het plafond.
      5. De tas ligt op de stoel.
      6. De kat zit op de bank.
      7. De schoenen staan bij de deur.
      8. De bril ligt op het bureau.
      9. Het bord staat op de tafel.
      10. De kinderen zitten op de vloer.

    • 1- Twee chinchilla’s zitten op de bank
      2- De tas staat op de stoel
      3- De laptop staat op de tafel
      4- De lamp hangt van het plafond
      5- De TV hangt op de muur

    • 1. Mijn mat ligt onder de tafel.
      2. De tv staat tussen de plank en tafel.
      3. Ik heb een schilderij aan de muur.
      4. De plank hangt tegen de muur.
      5.Het kussen ligt op de bank.
      6. De jas hangt aan de kapstok.
      7. Het kussen ligt op de bank.
      8. De bloemen staan op de tafel.
      9. De plant staat naast de televisie.
      10. De lamp hangt boven de tafel.

    • 1. De bank staat tegen de muur.
      2. De tafel staat voor de bank.
      3. Het tapijt ligt onder de tafel.
      4. De lamp hangt boven de tafel.
      5. De televisie staat tegen de andere muur.
      6. Het schilderij hangt boven de bank.
      7. De stoel staat naast de kast.

    • 1. De stoel staat voor het raam.
      2. De plant staat naast de bank.
      3. Het boek ligt op de stoel.
      4. De klok hangt boven de deur.
      5. De kast staat in de hoek.
      6. Het schilderij hangt boven de tafel.
      7. De schoenen liggen onder het bed.
      8. De spiegel staat tegen de muur.
      9. De lamp hangt aan het plafond, boven het bed.
      10. De hond slaapt op het tapijt.

    • 1. De tafel staat voor de bank.
      2. De bank staat achter de tafel.
      3. De boekenkast staat tegen de muur.
      4. De kussens liggen op de bank.
      5.De bloemen staan op de tafel.

    • 1. De tafel staat tegen de muur.
      2. De televisie staat op de tafel.
      3. De boeken staan op de boekenkast
      4. De boekenkast staat tegen de muur in de hoek van de woonkamer
      5. De bank staat tegen de muur.
      6. De schilderijen hangen aan de muur.
      7. Het tapijt ligt onder de bank.
      8. De stoel staat achter de tafel.
      9. De bloempot staat op een korte…Read More

    • 1. De pen ligt op de tafel.
      2. Het bord ligt in de kast.
      3. De fles staat op het aanrecht
      4. De tas hangt aan de muur.
      5. De bril ligt naast de pen.
      6. De paraplu staat tussen de kast en de tafel.
      7. De opbergkast staat buiten de deur.
      8. De kat ligt onder de tafel.
      9. De fiets staat achter het huis.
      10. De hond ligt bij de bank.

    • 1. De bank staat naast de lamp.
      2. Het boek ligt op een tafel.
      3. Die plant staat bij het raam.
      4. Dat schilderij hangt aan de muur.
      5. Een kussen ligt op de bank.
      6. De televisie staat tegen een kast.
      7. Het kleed ligt onder de tafel.
      8. Die stoel staat voor het bureau.
      9. Een vaas staat op de vensterbank.
      10. Dat tapijt ligt tussen de sofa en de…Read More

    • 1. Een kussen ligt op de bank.
      2. Het tapijt ligt onder een tafel.
      3. Een lamp staat naast de televisie.
      4. Het tv-meubel staat tegen de muur.
      5. Een stoel staat bij de router.

    • 1. De bloemen staan onder de schilderijen.
      2. De kussens liggen op de bank.
      3. De mokken staan ​​op het vierkante salontafeltje.
      4. De stoel staat naast de bank.
      5. De lamp staat achter de bank.

    • 1. De pen ligt op de tafel.
      2. Het boek ligt op het bed.
      3. De stoel staat in de kamer.
      4. De lamp hangt aan het plafond.
      5. De tas ligt op de stoel.
      6. De kat zit op de bank.
      7. De schoenen staan bij de deur.
      8. De bril ligt op het bureau.
      9. Het bord staat op de tafel.
      10. De kinderen zitten op de vloer.

    • 1.De kat zit op de stoel.
      2.Het kind speelt in de tuin.
      3.De hond slaapt naast het bed.
      4.Het meisje leest bij de lamp.
      5.De man werkt in het kantoor.
      6.Het boek ligt op de tafel.
      7.De vogel rust boven het huis

    • 1.De vaas staat op de tafel
      2.De kerstboom staat naast de bank
      3. De gordijnen hangen voor het raam.
      4. De klok hangt aan de muur.
      5. De plant staat achter de bank
      7. De kerstverlichting hangt aan het raam.
      8. De tv hangt aan de muur
      9. De lamp hangt boven de eettafel
      10. De kast staat tegen de muur

    • 1. De salontafel staat in de hoek van de woonkamer.
      2. Het koffiezetapparaat staat op de salontafel.
      3. Het boek ligt naast het koffiezetapparaat.
      4. De koffie zit in het bekertje.
      5. De bank staat tussen de tafel en de trap.
      6. De lampen hangen aan het plafond.
      7. De kussens liggen op de bank.
      8. De televisie hangt aan de muur.
      9. De planten…Read More

    • 1- Het potlood ligt op tafel.
      2- Het koffiezetapparaat staat in de kast.
      3- De kaart hangt aan de muur.
      4- De telefoon zit in de tas.
      5- Het boek staat in de boekenkast.

    • 1- Een vaas staat op de tafel.
      2- Een kerstboom staat naast de televisie.
      3- Een deken ligt op de bank.
      4- De tas ligt onder de tafel.
      5- De lamp hangt aan het plafond.
      6- Bloemen staan in de vaas.
      7- Een plant staat op de vloer.
      8- De lamp staat achter de stoel.

    • 1. Het schilderij hangt aan de muur.
      2. De lamp hangt aan de muur.
      3. Het tapijt ligt op de vloer.
      4. Het fotolijstje staat op de wijnkoelkast.
      5. De pennenbak staat op de tafel.
      6. Het water zit in het glas.
      7. De computer staat op het bureau.
      8. Het raam staat tussen de schilderijen.
      9. Het bed staat tegen de muur.
      10. De telefoon ligt voor het…Read More

    • 1. De tafel staat voor de bank.
      2. De bank staat achter de tafel.
      3. De boekenkast staat tegen de muur.
      4. De ramen staat in de deur.
      5. De kussens liggen op de bank.
      6. De bloemen staan op de tafel.
      7. De meubels staan in de kamer.

    • 1. Een lamp staat op de vloer.
      2. Een kaars staat op de tafel.
      3. De kaars staat tussen de bloemenvaas en de fruitmand.
      4. Een appel ligt in de fruitmand.
      5. De bloemen staan in de bloemenvaas.
      6. Een lamp hangt aan het plafond.

    • 1- De tv staat tegen de muur.
      2- De tv staat op een tv-meubel en staat tussen planten.
      3- Een L-vormige bank staat voor de tv en naast het raam.
      4- Een paar kleine planten staan voor het raam.
      5- Twee salontafels staan ​​tussen de tv en de bank.
      6- Een piano staat tegen de muur.
      7- Een tekening staat op de piano.
      8- Zes stoelen staan rond de eet…Read More

    • 1- De kast staat tegen de muur.
      2- Het kussen ligt op de bank.
      3- Het boek ligt op de tafel.
      4- Bloemen staan in een vaas.
      5- De lamp hangt boven de tafel.

    • 1. Het potlood is bij het boek.
      2. Het boek ligt op de tafel.
      3. De sleutel hangt aan de kapstok.
      4. De fiets staat voor het huis.
      5. Een pen zit in de zak.
      6. De tafel staat tussen een stoel en een bank.
      7. Het menu ligt naast het eten.
      8. De klok hangt aan de muur.
      9. De lamp hangt boven de tafel.
      10. Het meubilair staat in het huis.

    • 1. De jas hangt aan de kapstok.
      2. De gum zit in de doos.
      3. De klok hangt aan de muur.
      4. Het potlood ligt onder de tafel.
      5. Er staat een auto in de garage.
      6. De boom staat in het park.
      7. De computer staat op het bureau.
      8. Het shirt hangt in de kast.
      9. De bloemen staan ​​in de pot.
      10. De pen zit in mijn tas.

    • 1. Het water zit in de fles.
      2. De jas ligt op de vloer.
      3. De lampen hangen aan het plafond.
      4. Het doekje zit in de jaskzak.
      5. De boom staat in de tuin.
      6. De fietsen staan achter het huis.
      7. De school ligt naast het station.
      8. Het hemd hangt in de kast.
      9. De boeken liggen op het bureau.
      10. Een stoel staat achter de computer.
      11. De…Read More

    • 1. De tafel staat op de grond.
      2. De tas ligt onder de tafel.
      3. Het boek staat in de kast.
      4. De stoel staat bij de eettafel.
      5. Het koekje ligt op het bord.
      6. De tafel staat onder de lamp.

    • 1. De bloemen staan in de vaas en op het salontafeltje.
      2. De koffie zit in het bekertje.
      3. De deken ligt op de bank.
      4. De kleine vaas staat op de boekenkast.
      5. Het tapijt ligt op de grond.

    • 1.De fiets staat voor het huis.
      2.De hond ligt naast de bank.
      3.Het schilderij hangt boven de tafel.
      4.De sleutels liggen op het bureau.
      5.De appel ligt in de schaal.
      6.De lamp staat achter de stoel.

    • 1. Het boek staat op de tafel.
      2. De koffie zit in het bekertje.
      3. De knuffel ligt op de bank.
      4. De klok hangt aan de muur.
      5. De plant staat tussen de deur en de boekenkast.

    • 1. Een schilderij hangt aan een muur.
      2. Een tijdschrift ligt op een salontafel.
      3. Een kussen ligt op een fauteuil.
      4. Een kaars staat op een kast.
      5. Een kleed ligt op een laminaatvloer.
      6. Een spiegel hangt boven een dressoir.
      7. Een afstandsbediening ligt naast een televisie.
      8. Een boekenkast staat tegen een wand

    • 1. De taart ligt in de koelkast.
      2. Het voetbal ligt in de kast.
      3. De sleutels zitten in mijn broekzak.
      4. Je trui ligt op de tafel.
      5. Het hemd hangt in de kast.
      6. De gordijnen hangen voor het raam
      7. De boom hangt bij het huis.

    • 1. De bank sta of de vloer.
      2. De bloemen staan naast het raam.
      3. De gordijnen hangen voor het raam.
      4. De bureau sta op de vloer.
      5. De lamp hangt boven de bureau.
      6. De boeken liggen op de tafel.

    • 1. De fiets staat voor de treinstation.
      2. De wijne staat in de koelkast.
      3. De tas ligt op de tafel.
      4. De cat zit in de tuin.
      5. De jas hangt in de kledingkast.

    • 1. De gitaaren staan tegen de muur.
      2. De coach staat voor de muur.
      3. De lamp staat boven de coach.
      4. De kast staat naast de televisie.
      5. De stoelen staan achter de tafel.
      6. De leslamp staat op de tafel.
      7. De Playstation staat naast de televisie.

    • 1. Een lamp staat naast de bank.
      2. De bord ligt op de tafel.
      3. De glas staat op naast de bord.
      4. Het vierkante salontafeltje staat voor de bank.
      5. De lamp hangt aan de muur.
      6. De deurklink zit aan de deur.
      7. De boeken zitten in de boekenkast.
      8. De fles staat op het keukenaanrecht.
      9. De vruchten zitten in de bord.
      10. De televisie hangt aan de muur.

    • 1. De kopjes zitten op de tafel.
      2. Een kledingkast staat tegen de muur.
      3. Een spiegel hangt aan de kapstok.
      4. Boeken staan in de boekenkast.
      5. Het hondje zit op de bank.
      6. Mijn schoenen zijn onder de stoel.
      7. Het salontafeltje staat naast het bed.

    • 1. De thee zit in het bekertje.
      2. De schoenen liggen op de vloer.
      3. Het huis staat buiten de stad.
      4. De tas hangt aan de kapstok.
      5. De pen zit in de pennendoos.
      6. De boekenkast staat tegen de muur.
      7. Een bloom staat voor het huis.
      8. De sleutel zit in de deur.
      9. Het boek ligt op de tafel.
      10. De stoel staat tussen de bank en de tafel.

    • 1-De bank staat op de grond
      2-De spiegel staat tegen de muur
      3-De spiegel staat boven de haard
      4-De kopje staat op het salontafeltje
      5-De bank staat tussen de stoel en de deur
      6-De boekenkast staat achter de bank
      7-De kopje staan op de koffiebord

    • 1. Het boek ligt op de tafel.
      2. Het water staat in de koelkast.
      3. De magnetron staat onder het fornuis.
      4. De bal ligt op de grond.
      5. Het raam staat tussen de woonkamer en de tuin.
      6. De auto staat achter de winkel.
      7. Het gebouw staat langs het kanaal.
      8. De meubels staan in het huis.

    • 1. Het boek staat op de tafel.
      2. De koffie zit in het bekertje.
      3. De knuffel ligt op de bank.
      4. De klok hangt aan de muur.
      5. De plant staat tussen de deur en de boekenkast.

    • 1.Het ronde salontafeltje staat voor de bank.
      2. Het schilderij hangt boven de bank.
      3. De bloemen staan op de tafel.
      4. De bank staat naast de deur.
      5. De kussens liggen op de bank.

    • 1. De stoel staan achter de tafel.
      2. De boeken staan in de boekenkast.
      3. De koffie staan op de tafel.
      4. De schilderijen hangen aan de muur.
      5. De pennen liggen tussen de computer en het toestenbord.
      6. De lamp hangt ann de muur.

    • 1- De auto staat achter de winkel.
      2- Het raam staat tussen de woonkamer en de tuin.
      3- Het boek ligt op de tafel.
      4- De meubels staan in het huis.
      5- Het gebouw staat langs het kanaal.
      6- De bal ligt op de grond.
      7- De magnetron staat onder het fornuis.
      8- Het water staat in de koelkast.

    • 1. De televisie staat voor de bank.
      2. Het bureau staat achter de bank
      3. De bank staat naast de boekenkast
      4. De 3D-printer staat naast het bureau
      5. De kledingkast staat achter de televisie en voor het bed
      6. De computer staat op het bureau

    • 1. Een lamp hangt aan het plafond.
      2. Een tafel staat op de grond.
      3. Een laptop ligt op de tafel.
      4. Een salontafel staat naast de tafel.
      5. Een kop staat in de boekenkast.
      6. De boekenkast staat tegen de muur.
      7. Een bank staat bij de boekenkast.
      8. Kussens liggen op de bank.

    • 1. De televisie staat op het tv-meubel.
      2. De zoutsteenlamp staat bij de tv.
      3. De boeken liggen op het plankje.
      4. De tafel staat voor de keuken. (De woonkamer en de keuken zijn dezelfde kamer.)
      5. De lamp staat tussen de bank en een muur.
      6. De kat ligt op het kattenbed.
      7. De kookplaat staat onder de afzuigkap.

    • 1. Het bed staat naast het raam.
      2. De foto’s hangen aan de muur.
      3.De kussens liggen op het bed.
      4.Het tapijt ligt op de grond.
      5.Het raam is achter de bank.
      6.De computer staat op het bureau.

    • 1. Het speelgoed ligt tussen de tv en de bank.
      2. De lampen staan boven de tafel
      3. De ramen zijn achter de bank
      4. De lamp hangt aan het plafond
      5. De thermostaat hangt aan de muur
      6. De stoelen staan naast de tafel
      7. Het vierkant staat tussen het raam en de vaas
      8. Het spook is niet in de woonkamer.
      Hij ligt op de bank. Je kunt hem niet…Read More

    • 1. De salontafel staat voor de bank.
      2. De plant staat naast de bank.
      3. De televisie staat tegenover de bank.
      4. De televisie staat op het tv-meubel.
      5. De lamp hangt boven de salontafel.
      6. De lamp hangt aan de muur.
      7. De bank is tussen het raam en de plant

    • 1. De schilderijen hangen boven de bloemen.
      2. De deken ligt op de bank.
      3. De klok hangt achter de deur.
      4. De lamp staat tussen de deur en de kast.
      5. ​De koffie staat op de tafel.
      6. De spiegel staat op de schouw.
      7. De vaas met bloemen staat voor de spiegel.
      8. De deur staat achter de bank.

    • 1. De lamp staat naast de bank.
      2. De bloemen staan op de tafel.
      3. Een speeltje ligt achter de stoel.
      4. De lamp hangt aan het plafond.
      5. Een kopje thee staat voor jou.
      6. Het salontafeltje staat naast het bed.
      7. De schoenen liggen onder het bed.

    • 1. Een tv staan op de tafel
      2. De salontafel staat tussen de bank en de tv
      3. De plant hangt aan de muur
      4. Een lamp hangt aan het plafond
      5. Een tas ligt achter de salontafel
      6. De radiator staat naast de bank
      7. De stoelen staan naast de tafel

    • 1. Een spiegel staat aan de muur.
      2. Een pan zit op de keuken aanrecht.
      3. De schoenenstandaard zit naast de deur.
      4. De laptop zit in een tas.
      5. Een stoel staat tussen de deur en de tafel.

    • 1. De plant staat op de stoel.
      2. De tafel staat onder de lamp.
      3. Het tapijt ligt onder de tafel.
      4. De stoel staat naast de tafel.
      5. De pot staat voor het raam.
      6. De spiegel hangt boven het kastje.

    • 1. Een L-bank staat in de woonkamer.
      2. De televisie staat tegenover de bank.
      3. De kasten staan achter de bank.
      4. De eettafel staat tussen de woonkamer en de keuken.
      5. Een muur is groen en de andere muren zijn cremekleurig.

    • 1. De tafel en de bank staan in de kamer.
      2. De stoelen staan bij de tafel.
      3. De spiegel hangt aan de muur.
      4. De televisie staat tegenover de bank.
      5. De bloemen staan in de hoek op de vloer.

    • 1. De vuilnisbak staat naast de deur.
      2. Het boek zit in de tas.
      3. Het kussen ligt op de bank.
      4. De bloempot staat onder de hanglamp.
      5. De lepels liggen achter de borden.
      6. Het pakket staat bij de kast.
      7. De stoel staat tegen het raam.
      8. De foto hangt aan de muur.
      9. Het speelgoed ligt langs de muur.
      10. De radio staat tussen de deur en het raam.

    • 1. Het boek ligt onder mijn stoel.
      2. Jouw mok staat op het bureau.
      3. De lamp hangt boven deze bank.
      4. Zijn sleutels liggen in een lade.
      5. De pen ligt bij jouw computer.
      6. Onze foto hangt aan de muur.
      7. De deken ligt op het bed.
      8. Haar speelgoed zit tussen de kussens.
      9. De klok hangt boven de deur.
      10. Het bord ligt op deze plank.

    • 1. Het bookenkastje staat tegen de muur.
      2. De bloemen zitten in de vaas op de tafel
      3. De kleding hangt aan de kapstok
      4. De lamp staat in de hoek tegen de muur
      5. De vloerkleed ligt op de vloer onder de salontafeltje
      6. Ik zit tussen mijn katten
      7. Mijn favoriete boeken staan op het nachtkastje naast mijn bed

    • 1. Een boek ligt op de bank.
      2. Een kat zit op de stoel.
      3. Een auto stopt voor het huis.
      4. Een jas hangt aan de kapstok.
      5. Een man loopt in het park.

    • 1. De boekenkast staat achter de bank en tegen de muur.
      2. De plant staat in de hoek en naast de televisie.
      3. Het ronde salontafeltje staat tussen de bank en de TV.
      4. Het gordijn hangt aan het raam.
      5. De vloerbedekking ligt op de grond.

    • 1. Twee plantjes staan voor het raam.
      2. Twee lamptjes hangen aan het plafond.
      3. De stoelen staan bij de tafel.
      4. De emmer staat naast de kast.
      5. Een knuffelkip hangt aan de deurklink.
      6. De dozen liggen op de vloer.

    • 1. De bank stat tussen het raam en de tafel.
      2. De bank staat tegen de muur.
      3. De televisie staat voor de bank.
      4. De boekenkast staat naast de deur.
      5. Het tapijt ligt op de grond.
      6. De lamp staat bij de bank.
      7. De salontafel staat tussen de bank en de televisie.

    • 1. Het boek ligt op een tafel.
      2. De kat zit onder een stoel.
      3. De bal ligt naast een kast.
      4. De televisie staat achter de tafel.
      5. De tas hangt aan de muur.

    • 1. De auto staat naast het huis.
      2. Het raam staat achter het gordijn.
      3. De bloemen liggen op de tafel.
      4. De deur staat tussen het schilderij en de stoel.
      5. De Klok hangt boven de bank.

    • 1. De bank staat voor de televisie.
      2. De televisie hangt aan de muur.
      3. De tafel staat tussen de ramen en de bank.
      4. De stoelen staan rond de tafel.
      5. Het schilderij hangt aan de muur.

    • 1. De kat ligt onder de tafel.
      2. De fiets staat tegen de muur.
      3. De tas ligt achter de stoel.
      4. De klok hangt aan de muur.
      5. De auto staat voor het huis.
      6. De stoel staat naast de tafel.
      7. De schoenen liggen onder het bed.
      8 .De jas hangt achter de deur.
      9. De bank staat naast het raam.

    • 1. Het boek ligt op de tafel.
      2. De tas ligt op de bank.
      3. De lamp hangt boven de bank.
      4. De pinpas is in de portemonnee.
      5. Het meisje staat naast de deur.
      6. De stoel staat tussen de bank en de deur.

    • 1 De borden staan in de kast.
      2 De kussen zit op het stoel.
      3 De salontafel staat tussen de stoel en de bank.
      4 Bloem zit in de vaas
      5 Alles meubel staan binnen.

  • Load More Posts