-
Boek. Pagina 84

Opdracht 2 Maak 5-10 zinnen
Gebruik nummers: 1,2,3…
Post your answer below:114 Comments-
1. Een glazen koffietafel staat tussen de bank en een witte ladekast.
2. De bloemenvaas staat op de koffietafel.
3. De bank staat tegen de witte muur.
4. Twee grote kussens liggen op de bank.
5. Het bureau staat naast een kleine ladekast.
6. De klok staat op het bureau
7. Boeken zitten in de witte ladekast.
8. De Monstera plant staat op de witte ladekast -
1. Mijn tas ligt onder de stoel.
2. De bank staat tegen de groene muur.
3. De doos staat op de kleine koffietafel.
4. Het tapijt light op de houten vloer.
5. De mooie bloemen zijn in de glazen vaas.
6. De grote schilderij hangt boven de bank.
7. De houten boekenkast staat tussen de keuken en de woonkamer.
8. De spiegel hangt naast de blauwe…Read More -
1. De lampen staan in de hoek van de woonkamer.
2. De lampen staan tussen de bank en de muur.
3. Het schilderij hangt aan de muur.
4. Het schilderij hangt boven de bank.
5. De tv hangt aan de muur.
6. De bloemen zitten in de pot.
7. De pot staat op de salontafel.
8. De salontafel staat in de woonkamer.
9. Het tapijt ligt op de grond.…Read More -
1. Een bureau staat in de hoek.
2. Een lamp staat op het bureau.
3. Een vaas staat op de tafel.
4. Bloemen zitten in de vaas.
5. Gordijnen hangen voor het raam.
6. Planten staan op de vensterbank.
7. Een schilderij hangt aan de muur boven de tafel.
8. Een boekenkast staat tegen de muur.
9. De boeken liggen in de boekenkast.
10. De kussens liggen…Read More -
1. Een tv hangt aan een muur.
2. Een bank staat tegen een muur.
3. Een vaas staat op een tafel.
4. Bloemen zitten in de vaas.
5. Kussens liggen op de bank.
6. Een doos staat in een boekenkast.
7. Bekers staan op een plank.
8. Een plaid ligt op de bank.
9. Een doos ligt op een plank.
10. Stoelen staan aan de tafel. -
1. De televisie staat op de boekenkast.
2. De bank staat tegen de muur.
3. De lamp hangt boven de tafel.
4. Het gordijn hangt voor het raam.
5. De meubels zitten in de woonkamer.
6. Ik zit niet in de woonkamer.
7. Het schilderij hangt boven de bank.
8. De houtkachel staat tussen de deur en de televisie.
9. De televisie staat achter de tafel en op…Read More -
1. Een tapijt ligt op een vloer.
2. Het tapijt ligt tussen een bank en boekenkast
3. Het boekenkast staat tegen een muur en naast eeb doer
4. De deur zit in de muur en staat voor een tafel.
5. Een pot staat op de tafel.
6. Een plant staat in de pot.
7. Ansichtkaarten hangen aan de mur.
8. Een lamp hangt boven de tafel.
9. Ik lig op de bank. -
1. De klok hangt aan de muur.
2. De salontafel staat op de grond.
3. Boeken liggen in de boekenkast.
4. De plant staat tussen een kast en een tafel.
5, De tas ligt op de stoel.
6. De lamp hangt aan het plafond.
7. De kussens liggen op de bank.
8. Het raam is in de muur.
9. De gordijnen zijn aan de ramen.
10. De bank is tegen de muur. -
1. De televisie staat op de Tv-standaard
2. Een boek ligt naast de televisie
3. Een plant staat op de salontafel
4. Een pen en een plakbriefjes ligt bij de plant
5. Een tafel staat voor de keuken
6. Een elektrische rijstkoker staat op de tafel
7. De kruiden zitten in de planken
8. De groente zitten in de koelkast
9. Een lamp staat naast de…Read More -
1. Een tafel staat tussen de stoelen.
2. Een raampje zit in de deur
3. Een plant staat op de stoel.
4. De computer staat op de tafel.
5. De bank staat tegen de muur.
6. De lamp hangt aan het plafond.
7. Het boek ligt op de tafel.
8. De voetbal ligt op de grond.
9. De television staat naast de stoel.
10. Het schilderij hangt aan de muur. -
1. De jurk ligt in de tas.
2. De boeken staan in de boekkast.
3. De lamp hangt aan de muur.
4. De sportschool zit in het centrum.
5. De klok is tussen de deur en de boekkast.
6. De pen ligt op de tafel.
7. De tafel is tegen de muur.
8. De mug vliegt boven de bank.
9. Het kind zit op de bank.
10. De stoel is achter de bank.
11. De tafel is voor de…Read More -
1. De blauwe bank staat tegen de muur.
2. De meubels staan in de kamer.
3. De tafel staat bij het raam
4. De schoenenstaat naast de deur.
5. De foto’s hangen boven de bank.
6. De boekenkast staat naast de lamp.
7. De salontafel staat voor de bank.
8. De ramen staat in de deur
9. De kussens liggen op de bank -
1. De fauteuil staat voor de boekenkast.
2. Het kleine tafeltje staat naast de boekenkast.
3. De vaas staat op het tafeltje.
4. Het schilderij hangt boven de bank.
5. De piano staat in de hoek.
6. Het wandtapijt hangt boven de piano.
7. De tijdschriften liggen op de tafel.
8. De tv staat tegen de bank.
9. De lamp hangt aan het plafond en boven de…Read More -
1. De tafel staat tegen de muur.
2. De lamp hangt boven de tafel.
3. Ons tapijt ligt onder de tafel.
4. De kussens liggen op de bank.
5. De planten staan op de grond in de hoek van de woonkamer.
6. De boekenkast staat tegen de muur; tussen de tafel en het raam.
7. De meubels staan in de woonkamer.
8. De meubels staan tegen het raam.
9. De boeken…Read More -
1. De pen ligt op de tafel.
2. Het boek ligt op het bed.
3. De stoel staat in de kamer.
4. De lamp hangt aan het plafond.
5. De tas ligt op de stoel.
6. De kat zit op de bank.
7. De schoenen staan bij de deur.
8. De bril ligt op het bureau.
9. Het bord staat op de tafel.
10. De kinderen zitten op de vloer. -
1. Mijn mat ligt onder de tafel.
2. De tv staat tussen de plank en tafel.
3. Ik heb een schilderij aan de muur.
4. De plank hangt tegen de muur.
5.Het kussen ligt op de bank.
6. De jas hangt aan de kapstok.
7. Het kussen ligt op de bank.
8. De bloemen staan op de tafel.
9. De plant staat naast de televisie.
10. De lamp hangt boven de tafel. -
1. De stoel staat voor het raam.
2. De plant staat naast de bank.
3. Het boek ligt op de stoel.
4. De klok hangt boven de deur.
5. De kast staat in de hoek.
6. Het schilderij hangt boven de tafel.
7. De schoenen liggen onder het bed.
8. De spiegel staat tegen de muur.
9. De lamp hangt aan het plafond, boven het bed.
10. De hond slaapt op het tapijt. -
1. De tafel staat tegen de muur.
2. De televisie staat op de tafel.
3. De boeken staan op de boekenkast
4. De boekenkast staat tegen de muur in de hoek van de woonkamer
5. De bank staat tegen de muur.
6. De schilderijen hangen aan de muur.
7. Het tapijt ligt onder de bank.
8. De stoel staat achter de tafel.
9. De bloempot staat op een korte…Read More -
1. De pen ligt op de tafel.
2. Het bord ligt in de kast.
3. De fles staat op het aanrecht
4. De tas hangt aan de muur.
5. De bril ligt naast de pen.
6. De paraplu staat tussen de kast en de tafel.
7. De opbergkast staat buiten de deur.
8. De kat ligt onder de tafel.
9. De fiets staat achter het huis.
10. De hond ligt bij de bank. -
1. De bank staat naast de lamp.
2. Het boek ligt op een tafel.
3. Die plant staat bij het raam.
4. Dat schilderij hangt aan de muur.
5. Een kussen ligt op de bank.
6. De televisie staat tegen een kast.
7. Het kleed ligt onder de tafel.
8. Die stoel staat voor het bureau.
9. Een vaas staat op de vensterbank.
10. Dat tapijt ligt tussen de sofa en de…Read More -
1. De pen ligt op de tafel.
2. Het boek ligt op het bed.
3. De stoel staat in de kamer.
4. De lamp hangt aan het plafond.
5. De tas ligt op de stoel.
6. De kat zit op de bank.
7. De schoenen staan bij de deur.
8. De bril ligt op het bureau.
9. Het bord staat op de tafel.
10. De kinderen zitten op de vloer. -
1.De vaas staat op de tafel
2.De kerstboom staat naast de bank
3. De gordijnen hangen voor het raam.
4. De klok hangt aan de muur.
5. De plant staat achter de bank
7. De kerstverlichting hangt aan het raam.
8. De tv hangt aan de muur
9. De lamp hangt boven de eettafel
10. De kast staat tegen de muur -
1. De salontafel staat in de hoek van de woonkamer.
2. Het koffiezetapparaat staat op de salontafel.
3. Het boek ligt naast het koffiezetapparaat.
4. De koffie zit in het bekertje.
5. De bank staat tussen de tafel en de trap.
6. De lampen hangen aan het plafond.
7. De kussens liggen op de bank.
8. De televisie hangt aan de muur.
9. De planten…Read More -
1. Het schilderij hangt aan de muur.
2. De lamp hangt aan de muur.
3. Het tapijt ligt op de vloer.
4. Het fotolijstje staat op de wijnkoelkast.
5. De pennenbak staat op de tafel.
6. Het water zit in het glas.
7. De computer staat op het bureau.
8. Het raam staat tussen de schilderijen.
9. Het bed staat tegen de muur.
10. De telefoon ligt voor het…Read More -
1- De tv staat tegen de muur.
2- De tv staat op een tv-meubel en staat tussen planten.
3- Een L-vormige bank staat voor de tv en naast het raam.
4- Een paar kleine planten staan voor het raam.
5- Twee salontafels staan tussen de tv en de bank.
6- Een piano staat tegen de muur.
7- Een tekening staat op de piano.
8- Zes stoelen staan rond de eet…Read More -
1. Het potlood is bij het boek.
2. Het boek ligt op de tafel.
3. De sleutel hangt aan de kapstok.
4. De fiets staat voor het huis.
5. Een pen zit in de zak.
6. De tafel staat tussen een stoel en een bank.
7. Het menu ligt naast het eten.
8. De klok hangt aan de muur.
9. De lamp hangt boven de tafel.
10. Het meubilair staat in het huis. -
1. De jas hangt aan de kapstok.
2. De gum zit in de doos.
3. De klok hangt aan de muur.
4. Het potlood ligt onder de tafel.
5. Er staat een auto in de garage.
6. De boom staat in het park.
7. De computer staat op het bureau.
8. Het shirt hangt in de kast.
9. De bloemen staan in de pot.
10. De pen zit in mijn tas. -
1. Het water zit in de fles.
2. De jas ligt op de vloer.
3. De lampen hangen aan het plafond.
4. Het doekje zit in de jaskzak.
5. De boom staat in de tuin.
6. De fietsen staan achter het huis.
7. De school ligt naast het station.
8. Het hemd hangt in de kast.
9. De boeken liggen op het bureau.
10. Een stoel staat achter de computer.
11. De…Read More -
1. Een schilderij hangt aan een muur.
2. Een tijdschrift ligt op een salontafel.
3. Een kussen ligt op een fauteuil.
4. Een kaars staat op een kast.
5. Een kleed ligt op een laminaatvloer.
6. Een spiegel hangt boven een dressoir.
7. Een afstandsbediening ligt naast een televisie.
8. Een boekenkast staat tegen een wand -
1. Een lamp staat naast de bank.
2. De bord ligt op de tafel.
3. De glas staat op naast de bord.
4. Het vierkante salontafeltje staat voor de bank.
5. De lamp hangt aan de muur.
6. De deurklink zit aan de deur.
7. De boeken zitten in de boekenkast.
8. De fles staat op het keukenaanrecht.
9. De vruchten zitten in de bord.
10. De televisie hangt aan de muur. -
1. De thee zit in het bekertje.
2. De schoenen liggen op de vloer.
3. Het huis staat buiten de stad.
4. De tas hangt aan de kapstok.
5. De pen zit in de pennendoos.
6. De boekenkast staat tegen de muur.
7. Een bloom staat voor het huis.
8. De sleutel zit in de deur.
9. Het boek ligt op de tafel.
10. De stoel staat tussen de bank en de tafel. -
1. De televisie staat op het tv-meubel.
2. De zoutsteenlamp staat bij de tv.
3. De boeken liggen op het plankje.
4. De tafel staat voor de keuken. (De woonkamer en de keuken zijn dezelfde kamer.)
5. De lamp staat tussen de bank en een muur.
6. De kat ligt op het kattenbed.
7. De kookplaat staat onder de afzuigkap. -
1. Het speelgoed ligt tussen de tv en de bank.
2. De lampen staan boven de tafel
3. De ramen zijn achter de bank
4. De lamp hangt aan het plafond
5. De thermostaat hangt aan de muur
6. De stoelen staan naast de tafel
7. Het vierkant staat tussen het raam en de vaas
8. Het spook is niet in de woonkamer.
Hij ligt op de bank. Je kunt hem niet…Read More -
1. De vuilnisbak staat naast de deur.
2. Het boek zit in de tas.
3. Het kussen ligt op de bank.
4. De bloempot staat onder de hanglamp.
5. De lepels liggen achter de borden.
6. Het pakket staat bij de kast.
7. De stoel staat tegen het raam.
8. De foto hangt aan de muur.
9. Het speelgoed ligt langs de muur.
10. De radio staat tussen de deur en het raam. -
1. Het boek ligt onder mijn stoel.
2. Jouw mok staat op het bureau.
3. De lamp hangt boven deze bank.
4. Zijn sleutels liggen in een lade.
5. De pen ligt bij jouw computer.
6. Onze foto hangt aan de muur.
7. De deken ligt op het bed.
8. Haar speelgoed zit tussen de kussens.
9. De klok hangt boven de deur.
10. Het bord ligt op deze plank. -
1. Het bookenkastje staat tegen de muur.
2. De bloemen zitten in de vaas op de tafel
3. De kleding hangt aan de kapstok
4. De lamp staat in de hoek tegen de muur
5. De vloerkleed ligt op de vloer onder de salontafeltje
6. Ik zit tussen mijn katten
7. Mijn favoriete boeken staan op het nachtkastje naast mijn bed
- Load More Posts

5 staat