Dutch Course Eindhoven A1 Homework Answers Group

  • Public Group
  • 2 days, 6 hours ago
  • 105

    Posts

  • 184

    Members

  • Boek. Pagina 81👍
    Opdracht 6 Maak 5-10 zinnen
    Gebruik nummers: 1,2,3…
    Post your answer below:

    116 Comments
    • 1. Hij koopt de dure auto.
      2. Ik kook een lekker eten.
      3. Zij schrijft een lang verhaal.
      4. Wij bouwen een groot huis.
      5. Zij drinken de rode wijn.
      6. Zij draagt een mooie jas.
      7. Hij wint de moeilijke wedstrijd.
      8. Jullie lezen een smal boek.
      9. Jij kijkt de interessante film.
      10. Wij drinken het koude water.

    • 1. Ik rijd een snelle auto.
      2. Hij maakt de zoete taart.
      3. Pieter heeft de bruine tas.
      4. Jij duwt de zware tafel.
      5. Zij wassen de vieze kleding.
      6. Ik wil een groot huis.
      7. Zij heeft blauw haar.

    • 1. Anna draagt een rode jas.
      2. Jij draagt schone schoenen.
      3. Wij dragen een lange broek.
      4. Zij zien oude paarden.
      5. Ik heb pittige broodjes.
      6. Ik eet het zoete toetje.
      7. Wij hebben dikke winterjassen.

    • 1. Ik maak een mooie papieren bloem
      2. Ik knuffel de schattige kat
      3. Je kookt lekkere pannenkoeken
      4. Zij bezoekt een rustig dorp
      5. We wonen in kleine appartementen
      6. Zij wandelt in een drukke straat
      7. Zij kijken naar een kleurrijk schilderij
      8. We zien een vreemde alien

    • 1. Ik zie de mooie tafel.
      2. Jij opent het grote raam.
      3. Hij sluit de blauwe deur.
      4. Wij kopen de nieuwe lamp.
      5. Jullie maken het oude huis.
      6. Hij pakt de kleine tas.

    • 1. Ik pak de gele jas.
      2. Je rijdt de snelle fiets.
      3. Hij eet een lekkere maaltijd.
      4. Zij zwemt in een diepe zee.
      5. Wij dragen zware dozen.
      6. Jullie spreken een moeilijke taal.
      7. Zij liggen op een zachte bank.

    • 1. Ik koop een nieuwe auto.
      2. Zij heeft oude kinderen.
      3. Jij drinkt het koude water.
      4. Jullie schoonmaken het grote huis.
      5. Zij spijt haar korte haar.
      6. Wij bakenen de lekkere taart.
      7. Jij leest een klein boek.
      8. Hij bezoekt zijn lieve vriendin.

    • 1. Ik heb een langzame fiets.
      2. Jij gebruikt een mooie jurk.
      3. Jullie zwemmen snelle naar oma.
      4. Wij eten een grote kip.
      5.hij kent de lange jongen.
      6. Zij hebben de verkeerde kaart.
      7. Zij helpt de oude man.
      8. Jij kookt grote aardappels
      9. Ik zie een bruin hert.

    • 1. Ik eet een heerlijke pasta.
      2. Ik doe mijn moeilijke huiswerk.
      3. Hij werkt lange uren.
      4. Zij houdt van schone huizen.
      5. De hond rent naar de snelle fiets.
      6. Haar moeder borstelt haar lange haar.
      7. Ze leren in korte tijd rekenen.
      8. Ik kijk die spannende film.

    • 1. Ik zie een kleine auto.
      2. Wij lezen een interessant boek.
      3. Ik begrijp de laatste les.
      4. Hij kookt het schone water.
      5. Zij wast vieze kleren.
      6. Hij droogt een natte jas.
      7. Jullie ruiken een lekkere geur.
      8. Wij schrijven een grote brief.

    • 1. Hij heeft een grijze kat
      2. Ik vind een oude sleutel
      3. Jij draagt een mooi shirt
      4. U leest een nieuw boek
      5. Zij maakt een lekkere pasta
      6. Jullie kopen sprankelend water
      7. Wij bezoeken het interessante museum
      8. Zij spelen de grappige game

    • 1. Ik heb een snelle auto.
      2. Jij kookt een lekkere maaltijd.
      3. U eet de oude kaas.
      4. Hij rijdt de grote trein.
      5. Zij heeft een mooi huis.
      6. Wij hebben lekker weer.
      7. Jullie dragen witte jassen.
      8. Zij lezen een dik boek.
      9. Ik ben een leuke man.
      10. Jij ziet het mooie huis.

    • 1. Ik eet een warme maaltijd.
      2. Jij verkoopt een groot huis.
      3. Hij kijkt een mooie film.
      4. Zij ziet een oude man.
      5. Wij bezoeken een klein museum.

    • 1) Jullie hebben een klein huis.
      2) Je hebt een blauwe fiets.
      3) Jij schrijft een lange brief.
      4) Ik verkoop de blauwe schoenen.
      5) Je maakt een kopje koffie.
      6) Zij speelt een leuk spel.
      7) Zij maakt een korte afspraak.

    • 1. Ik heb een rode auto.
      2. Jullie spelen mooie tennis
      3. Jij bent een slimme jongen.
      4. Zij maakt een smakelijke lasagne.
      5. Ik heb een kaal hoofd.

    • 1. Wij kopen een grote boom.
      2. Hij luistert naar een grappige man.
      3. U kijkt naar een lieve vrouw.
      4. Jullie lopen naar een snelle auto.
      5. Ik sta op een lange stoel.
      6. Zij verkoopt een mooie bloem.
      7. Je maakt een mooi landschap.
      8. U heeft een zwarte broek.
      9. Jullie zingen een mooi lied.
      10. Hij schrijft een belangrijk boek.

    • 1. Ik leer een moeilijke taal.
      2. Ik lees een goed boek.
      3. Ik rijd in een snelle auto.
      4. Ik zie gele bloemen.
      5. Zij heeft een bruine tas.
      6. Zij heeft lange nagels.
      7. Hij woont in een smalle straat.
      8. Hij heeft een lieve vrouw.
      9. Wij hebben een oude buurman.
      10. Hij drinkt het koude water.

    • 1. Hij verhuurt een groene auto.
      2. Ik heb een zwaar boek.
      3. Hij heeft een grote rugzak.
      4. Zij maakt een verse pasta.
      5. Ik koop een grote boom.
      6. Jullie hebben een moderne TV.
      7. Zij koopt een nieuwe kast.
      8. Wij gaan met een snelle trein.
      9. Ik zie een blauwe zee.
      10. Hij repareert een kapotte fiets.

    • 1. Ik ben een kleine man.
      2. Hij heeft een klein huis.
      3. Wij kopen een klein gebouw.
      4. Zij verkocht de grote auto.
      5. Zij hebben de mooie tuin.

    • 1. Ik rijd in een grote auto.
      2. Jij leest een smal boek.
      3. Zij maakt een lekker eten.
      4. Hij eet een rode krab.
      5. Jullie spreken een oude taal.
      6. Wij hebben een lange opdracht.
      7. Zij wonen in een drukke straat.
      8. Wij hebben een groot probleem.
      9. U hebt een leuke auto.
      10. Zij koopt een dure tas.

    • 1. Ik luister naar mooie muziek.
      2. Hij heeft een grote tafel.
      3. Jullie kopen dure computers.
      4. Ik verkoop een kleine spiegel.
      5. Wij maken een goedkope maaltijd.
      6. Zij heeft deze nieuwe auto.


    • 1. Ik pak een klein boek.
      2. Zij is een mooi meisje.
      3. Wij hebben een zwarte auto.
      4. Jullie lezen een belangrijk onderwerp.
      5. Wij eten een lekkere pasta.
      6. Hij ziet een groot raam.
      7. Hij is een knappe man.
      8. Wij hebben een zacht kussentje .
      9. Zij is een sterk meisje.
      10. Jullie drinken een hete koffie.

    • 1, Ik verkoop een zwarte auto.
      2. Zij heeft een groot huis.
      3. Zij luisteren naar het verdrietige lied.
      4. Wij hebben een mooie tuin.
      5. Zij bakt de leuke taart.
      6. Ik werk in een klein kantoor.
      7. Wij eten de lekkere soep.
      8. Hij koopt een interessant cadeau.
      9. Zij reist naar verre landen.
      10 Jullie hebben gele bloemen.

    • 1. Wij kopen een witte auto.
      2. Ik lees een interessant boek.
      3. Jij eet een makkelijke maaltijd.
      4. Zij hijsen de sterke fiets.
      5. Hij heeft een drukke dag.
      6. Jullie lopen naar het grote park.
      7. Jij komt uit een mooi land.
      8. Wij spelen met blije kinderen.

    • 1. Ik werk bij een groot kantoor.
      2. Zij speelt met de kleine voetbal.
      3. Jullie maken een zoet koekje.
      4. Jij eet verschillende keukens.
      5. Hij heeft een zachte bank.

    • 1. Ik heb een rode fiets
      2. Hij eet een rot brood
      3. Die vrouw kookt een warme soep
      4. Jullie helpen het tevreden kind
      5. Jij leest een interessant boek
      6. Hij koopt een zure appel
      7. Jullie maken een hete maaltijd
      8. Ik drink een zwarte koffie
      9. Wij luisteren naar een gek liedje
      10. Hij verkoopt een groot raam

    • 1. Hij wil een rode fiets.
      2. Jij draagt een blauwe jas.
      3. Hij zoekt een grote auto.
      4. Ik koop een groene plant.
      5. Jullie nemen een lange pauze.
      6. Zij eten een verse pizza.
      7. Zij neemt een koude douche.
      8. Jij hebt een nieuwe telefoon.
      9. Wij kopen een mooie tafel.
      10. Zij gebruiken een snelle computer.

    • 1. Hij draagt ​​een zwarte jas
      2. Hij houdt een zware koffer vast
      3. Hij loopt naar een smalle straat
      4. Zij heeft een kleine boekje en een kleurlijke pen
      5. Zij hebben een blauwe car, en een witte helikopter
      6. We hebben een lange tafel een kleine borden
      7. Zij draagt een roze jurk

    • 1. Ik drink een warm kopje koffie.
      2. Hij heeft een sterke tafel.
      3. Zij heeft een mooi huis.
      4. Jullie hebben de lelijke auto’s.
      5. Jij hebt een snelle auto.
      6. Ik schrijf een lang boek.
      7. Hij loopt een lange weg.
      8. Zij leest een kort boek.
      9. Peter eet een zacht brood.
      10. Hij ziet een snelle olifant.

    • 1.Ik drink het koude water.
      2.Jij rijdt deze mooie auto.
      3.Hij leest het oude boek.
      4.Zij draagt een zwarte jurk.
      5.Wij verkopen een nieuw huis.
      6. Jullie lopen over een lange brug.
      7.Zij zien de kleine hond.
      8.Wij eten de hete soep
      9.Je wacht op de gele trein.
      10.Ik koop dure tassen.

    • 1. Ik draag een zware tas.
      2. Jij draagt een dure broek.
      3. Hij heeft een lang haar.
      4. Zij leegt de grijze fles
      5. Wij sturen een groot pakket.
      6. Jullie eten de heerlijke stroopwafels
      7. Zij drogen de natte kleren
      8. Ik weggooien de viese schoenen.
      9. Hij kocht een kostbare diamant.
      10. Zij innemen de zwangere vrouw.

    • 1. Ik rijd een snelle motorfiets.
      2. Ik heb een nieuwe telefoon.
      3. Hij heeft een leuk huis.
      4. Zij heeft een blauwe tas.
      5. Hij drinkt de warme melk.
      6. Wij kapot de dure vaas.
      7. Ze laden de rode vrachtwagen.
      8. Hij neemt het mooi boek.
      9. Zij luisteren naar het belangrijk nieuws.
      10. Ik help de povere jongen.

    • 1. Ik draag een mooie jurk.
      2. Wij zien het kleine meisje.
      3. Zij spelen met dit grote kind.
      4. Zij gaan naar dit hoge gebouw.
      5. Wij hebben een snelle auto.
      6. Jullie hebben een langzame fiets.
      7. Zij hoort die luidruchtige vogel?
      8. Ik drink dit heet water.
      9. De jongen eet deze rode appel.
      10.De vrouw wandelt met die mooie hond.

    • 1. Ik drink een koude koffie.
      2. Hij poetst een rode auto.
      3. Ik zie een witte olifant.
      4. Ik draag een zwarte jas.
      5. Ik schrijf een korte brief.
      6. Ik schilder een grote kamer.

    • 1. Hij rijdt een snelle fiets.
      2. De kinderen speelt op groot speltuin.
      3. Hij zit op een korte stoel.
      4. Zij leest het mooie boek.
      5. De leraar heeft een lange auto.
      6. Ik zweem in een druk zwembad.

    • 1. Jij stuurt een lange e-mail.
      2. Ik bak een lekkere taart.
      3. Wij lezen een interessant boek.
      4. Jullie maken het moeilijke huiswerk.
      5. Zij kijkt de grappige film
      6. Zij koopt een mooie fiets.
      7. Wij drinken een warme koffie.
      8. Jij gebruikt een snelle computer.
      9. Ik schrijf een kort bericht.
      10. Hij opent de oude deur.

    • 1. Ik heb rode pennen.
      2. Je koopt zoet fruit.
      3. Hij verkoopt zijn zwarte auto.
      4. Zij eet een lekkere appel.
      5. Wij drinken een grote glas water.
      6. Jullie maken makkelijk huiswerk.
      7. Zij wonen in een groot huis.
      8. Viktor ziet een mooi meisje.
      9. Anna en Peter horen luide stemmen.
      10. De man voedt een witte hond.

    • 1. Ik heb een nieuwe tafel.
      2. Zij eet een kleine appel.
      3. Hij heeft een bruine auto.
      4. Jij draagt ​​een groene jurk.
      5. Jij hebt een mooie glimlach.
      6. Ik draag een grote hoed.
      7. Zij vertelt een grappige mop.
      8. Wij hebben een dikke deken.

    • 1. Ik heb een nieuwe auto.
      2. Zij heeft een interessant boek.
      3. Hij heeft een dure hoed.
      4. Zij hebben een strakke deadline.
      5. Jij hebt een vreemde persoonlijkheid.
      6. Jij hebt een goed humeur.
      7. Zij heeft een mooie jurk.
      8. Ik heb een kapotte pen.
      9. Jij hebt snelle huisdieren.
      10. Zij heeft blauwe ogen.

    • 1. Hij leest een beetje Nederlands.
      2. Ik heb een wit konijn.
      3. Jij hebt drie grote huizen.
      4. Zij ziet een zwarte vogel.
      5. Jullie helpen een grijze vreemdeling.
      6. Ik maak een smakelijke taart.
      7. Jij eet een oude appel.
      8. Antonia loopt een lange race.
      9. Ik schrijf een interessant proefschrift.
      10. Zij schildert een schoon schild.

    • 1. Hij heft een grote hond.
      2. Wij hebben een nieuwe fiets.
      3. Zij hebben een mooi huis.
      4. Zij koopt een lekkere taart.
      5. Ik drink een warme koffie.
      6. Zij bakt een grote pizza.
      7. Hij spelt de nieuwe gitaar.
      8. Zij leest de oude krant.
      9. Zij koopt een mooie tas.
      10. Hij verkoopt een kleine fiets.

    • 1. Ik eet een grote boterham.
      2. Jij hebt moeilijk huiswerk.
      3. Hij koopt een dure auto.
      4. Zij draagt een zwarte jas.
      5. U kookt een smakelijk ontbijt.
      6. Wij drinken goedkoop bier.
      7. Jullie drinken warme thee.
      8. Zij geven een makkerlijk vak.

    • 1. Ik lees een interessant boek.
      2. Jij loopt een lange weg.
      3. Hij doet zwaar werk.
      4. Zij tekent een mooie tekening.
      5. Jullie maken lekker eten.
      6.. Jij bezoekt een vreemde stad.
      7. Ik aai een zwarte kat.
      8. Zij dragen gele vesten.
      9 .Ik geloof een mooi verhaal.
      10. Hij koopt een dure auto.

    • 1. Je drinkt rode wijn.
      2. Zij kopen verse groente.
      3. Hij leest jouw kleine noot.
      4. Ik draag een witte jurk.
      5. Jullie hebben een smal bed.
      6. Ik kook een lekker avondeten.
      7. Hij verkoopt een dure auto.
      8. Je eet een grote boterham.
      9. Zij schrijft een korte brief.
      10. Hij ontmoet een mooi meisje.

    • 1. Ik heb een klein appartement.
      2. Hij heeft een oude fiets.
      3. Zij heeft een lieve hond.
      4. Wij hebben veel werk.
      5. Jij hebt een interessante baan.
      6. Zij hebben een grote tuin.
      7. Ik heb een nieuwe laptop.
      8. Jij hebt een mooie jas.
      9. Hij heeft een zware tas.
      10. Zij heeft een leuke vriendin.

    • 1. Ik draag een lichte jas.

      2. Jij hebt een kleine tas.

      3. Hij draagt een zware doos.

      4. Zij heeft een mooie jurk.

      5. Wij dragen een grote zak.

      6. Jullie hebben een oude fiets.

      7. Zij dragen een warme trui.

      8. Ik heb een nieuwe bril.

      9. Jij draagt een rode muts.

      10. Hij heeft een lange sjaal.

    • 1. Ik koop een mooie jas.
      2. Zij rijdt een snelle auto.
      3. Hij werkt lange uren.
      4. Wij koken een lekkere maaltijd.
      5. Hij draagt een warme trui.
      6. Wij hebben nieuwe schoenen.

    • 1. Ik schrijf een korte brief.
      2. Jij ziet een oude vriend.
      3. Hij draagt een warme jas.
      4. Zij leest een spannende roman.
      5. Jullie drinken koude limonade.
      6. Jij zoekt een nieuwe baan.
      7. Ik vind een kleine sleutel.
      8. Zij kopen rode bloemen.
      9. Ik hoor een zacht geluid.
      10. Hij neemt een grote tas.

    • 1. Ik zie een mooie tafel.
      2. Jij hebt de oude stoel.
      3. Hij koopt een groot huis.
      4. Wij openen het kleine raam.
      5. Ik bewonder mooie tafels.
      6. Zij dragen de nieuwe stoelen.
      7. Wij bekijken grote huizen.
      8. Jullie repareren de kleine ramen.
      9. Ik stel een interessante vraag.
      10. Hij begrijpt het moeilijke probleem.

    • 1- Ik draag een mooie broek
      2- Jij hebt een grote fiets
      3- Zij leest een oud boek
      4- Hij drinkt de rode wijn
      5- Jullie hebben een nieuwe huizen

    • 1. Ik heb een kleine bloempot.
      2. Hij heeft een lange tuin.
      3. Zij heeft een mooie dochter.
      4. Jij hebt een dikke deken.
      5. Wij bakken een lekkere taart.
      6. Hij koopt een oude auto.
      7. Ik draag een grote hoed.
      8. Nico heeft nieuwe schoenen.
      9. Ik heb een blauwe jas.
      10. Je drinkt een witte wijn.
      11. Het is een kleine aap.
      12. Zij kopen verse…Read More

    • 1. Ik heb een groot huis.
      2. Jij hebt een zwarte auto .
      3. Hij is een lieve buurman.
      4. Zij is een grappige collega.
      5. Het sap is lekker.
      6. Zij heeft blond haar.
      7. Jij hebt een kleine deur.

    • 1. Ik koop een rode jas.
      2. Jij leest een spannend boek.
      3. Hij eet een verse appel.
      4. Wij drinken een koude limonade.
      5. Zij dragen een lange jas.
      6. Jij maakt een lekker ontbijt.
      7. Ik schrijf een leuke brief.
      8. Hij ziet een witte kat.
      9. Wij hebben een groot huis.
      10. Zij kopen een dure laptop.

    • 1. Ik eet een rode appel.
      2. Jij zingt een goed liedje.
      3. Zij kijken een enge film.
      4. Ik rijd in een oude auto.
      5. Ik draag een grote jas.
      6. Jij leest een kort boek.
      7. Zij decoreren een mooie woonkamer.

    • 1. Ik lees een interessant boek.
      2. Jij koopt een dure jas.
      3. U schrijft een mooie brief.
      4. Hij drinkt een warme koffie.
      5. Zij eet een lekkere appel.
      6. Het is een kleine auto.
      7. Wij schilderen een kleurrijk schilderij.
      8. Jullie vinden een oud horloge.
      9. Zij dragen een zware tas.

    • 1. Hij leest een interessant boek.
      2. Zij koopt een mooie jurk.
      3.Wij eten een grote pizza.
      4.Jij hebt een nieuwe telefoon.
      5.Ik zie een klein huis.

    • 1. Hij heft een grote hond.
      2. Wij hebben een nieuwe fiets.
      3. Zij hebben een mooi huis.
      4. Zij koopt een lekkere taart.
      5. Ik drink een warme koffie.
      6. Zij bakt een grote pizza.
      7. Hij spelt de nieuwe gitaar.
      8. Zij leest de oude krant.
      9. Zij koopt een mooie tas.
      10. Hij verkoopt een kleine fiets.

    • 1- Ik rijd in een blauwe auto.
      2- Hij speelt in de grote tuin.
      3- Zij wonen in een klein huis.
      4- Wij snijden de lange boom.
      5- Zij gaan naar een goede school.
      6- Ze vliegt met een snel vliegtuig.
      7- Jullie hebben grappige boeken.

    • 1. Jij rijdt op een snelle fiets.
      2. Ik heb koude koffie.
      3. We hebben een leuk huis.
      4. Zij schrijft een interessant boek.
      5. Hij kijkt een nieuwe film.
      6. Ze eten een warme maaltijd.
      7. Jullie dragen schone kleding.

    • 1. Ik zie een grote tas
      2. Hij koopt een zwart pak
      3. Zij kiest een mooie schoen
      4.Ik reken een wiskundige som
      5.Hij stopt de gekke man.
      6.Zij dankt de beroemde acteur
      7.Wij claimen een goed pensioen
      8.Zij bakt een lekkere taart
      9.Hij snijdt een grote appel
      10.Hij duwt een snelle bal.

    • 1. Ik onderzoek een nieuwe wetenschap.
      2. Je neemt een moeilijke beslissing.
      3. Jij vergeet de slechte gedachten.
      4. U verenigt de verschillende zaken.
      5. Hij vergelijkt onbekende personen.
      6. Zij huilt bittere tranen.
      7. We hebben een belangrijke stem.
      8. Jullie creëren een gevaarlijk mengsel.
      9. Ze raken andere kinderen aan.
      10. Ik knip een lang haar.

    • 1. Ik maak een dringende afspraak.
      2. Ik plant een zeldzame boom.
      3. Jij draagt een blauw pak.
      4. Je stuurt een belangrijke brief.
      5. Ze hebben een leuke bruiloft.
      6. Ze maakt een smakelijke chocoladetaart.
      7. Je hebt echte vrienden.
      8. Wij kopen een elektrische auto.
      9. Ik huur een prachtig appartement.
      10. Je presenteert een goede oplossing.
      11.…Read More

    • 1- Zij wassen vieze handen.
      2- Jullie poetsen het oude huis.
      3- Zij heeft een aardige collega.
      4- Jij doet gekke dingen.
      5- Hij ontvangt prachtig nieuws.
      6- Wij hebben een afhankelijke zus.
      7- Zij hebben eenvoudige opdrachten.
      8- Ik kijk naar een geweldig gebouw.
      9- Jullie zijn sterke atleten.
      10- Zij dragen ouderwetse kleding.

    • 1. Ik koop een groot huis
      2. Hij rijdt een snelle auto.
      3. Zij draagt een duur pak
      4. Wij hebben een dikke kat
      5. Zij verkopen het oude appartement
      6. Ik kijk naar een leuke film
      7. Hij is een vroege vogel

    • 1- Jij leest een interessant boek.
      2- Hij schrijft een lange brief.
      3- Zij eet een lekkere appel.
      4- Wij kopen een dure jas.
      5- Jullie drinken een warme koffie.
      6- U maakt een mooie tekening.
      7- Hij vindt een oude foto.
      8- Zij luistert naar harde muziek.
      9- Wij zien een grote hond.
      10- Jij gebruikt een nieuw potlood.

    • 1. Ik neem een prettige douche.
      2. Jij stelt een moeilijke vraag.
      3. Je voert het kleine konijn.
      4. U eist een duidelijke uitleg.
      5. Ze helpt de dakloze man.
      6. Zij bezoekt een arm gezin.
      7. Hij krijgt het dure cadeau.
      8. We vieren het belangrijke festival.
      9. Jullie maken een groot project.

    • 1. Ik speel een interessant spel.
      2. Dit is mijn favoriete eten.
      3. Zij heeft een mooie tas.
      4. Zij rekenen de moeilijke oefening.
      5. Jullie bezoeken de oude stad.
      6. Zij kennen de bekende zanger.
      7. Zij staat in de koude kamer.
      8. Wij krijgen het dure cadeau.

    • 1. Ik schilder een mooi schilderij.
      2. Hij koopt het grote huis.
      3. Zij kijken een vreselijke film.
      4. U draagt de mooie jurk.
      5. Zij eten lekker eten.
      6. Je neemt het hoge geld.
      7. Jullie wassen de vieze handen.
      8. Wij hebben een smalle hond.

    • 1. Wij hebben een mooi huis.
      2. Ik zie de kleine man.
      3. Zij koopt de bruine jas.
      4. Je maakt het lekkere koekje.
      5. Hij heeft makkelijk huiswerk.
      6. Zij zwemt in koud water.
      7. Jullie bezorgen een grote tuin.
      8. Ik help een oude vrouw.
      9. Wij geven de snelle fietsen.
      10. Je spreekt met het kleine meisje.

    • 1. Ik heb een zwarte hond.
      2. Het is een bijzonder kat.
      3. Het is een grappig paard.
      4. Ik rijd een rode auto.
      5. Hij is een mooie jongen.
      6. Ik heb een gelukkig jongen.
      7. Jij hebt een snelle fiets.
      9. Het is een lang haar.
      10. Ik heb een snelle auto.

    • 1. Ze zingt een langzaam liedje
      2. Ze wonen in een mooie stad.
      3. Hij wast de kleine fiets.
      4. We kopen het grote huis.
      5. Ze heeft een rond gezicht.
      6. Hij gaat naar het dichtstbijzijnde ziekenhuis. ct
      7. Je hebt een prachtig lichaam.
      8. Ze geven een groot feest.

    • 1. Ik heb een klein huis.
      2. Je hebt een groot hart.
      3. Hij ziet de rode auto.
      4. Jullie brengen een heerlijke lunch.
      5. Wij kopen een dure telefoon.

    • 1. Ik zie een grote hond.
      2. Je draagt ​​zijn mooie overhemden.
      3. Je leest het belangrijke menu.
      4. Ze voeren een serieus gesprek.
      5. Ze bezoekt een eng huis.
      6. De leraar ontmoet deze domme leerlingen.
      7. We schrijven met een blauwe pen.
      8. Ze kookt een heerlijke maaltijd.
      9. Ik eet het walgelijke eten.
      10.De mannen schaatsen op het koude ijs.

    • 1. Ik zoek de nieuwe winkel.
      2. Jij opent het zware pakket.
      3. Hij leest de korte tekst.
      4. Wij huren het kleine appartement.
      5. Jullie gebruiken de moderne laptop.
      6. Zij maken het moeilijke programma.
      7. U beantwoordt de belangrijke vraag.
      8. Ik kies het blauwe overhemd.

    • 1.Jij draagt een mooie hoed.

      2.Hij leest een spannend boek.

      3.Zij eet een grote appel.

      4.Wij schrijven een lange brief.

      5.Jullie drinken een koud glas water.

      6.U koopt een nieuwe jas.

      7.Hij ziet een mooie vogel.

      8.Zij vindt een oud horloge.

    • 1. Ik draag een witte jurk.
      2. Wij rijden een grijze auto.
      3. Hij heeft een groot huis.
      4. Jullie bezoeken een mooie tuin.
      5. Zij reist naar een verre stad.
      6. Je kookt een heerlijke maaltijd.
      7. Wij maken een grote sneeuwman.

    • 1. Ik koop een nieuwe telefoon.
      2. Ik lees een interessant boek.
      3. Jij eet een warme maaltijd.
      4. Het kind eet een zoete appel.
      5. De kat ziet een kleine vogel.
      6. De chef kookt een warme soep.
      7. Hij kijkt naar een spannende film.
      8. Zij vindt een oude sleutel.
      9. Jullie maken een mooie tekening.
      10. Wij vinden een nieuw huis.

    • 1. Ik draag een blauw hemd.
      2. Hij draagt een zware koffer.
      3. Ze zoeken een nieuw huis.
      4. Jij hebt mooie ogen.
      5. Jullie maken domme keuzes.
      6. De chauffeur maakt een dodelijke fout.
      7. Ze werken aan een belangrijk onderwerp.
      8. Zij wil een sterke man.
      9. Morteza maakt een lange reis.
      10. De leraar geeft een lang huiswerk.

    • 1. Ik koop een blauwe jas.
      2. Hij leest het dikke boek.
      3. Ze heeft een grote jas.
      4. Hij draagt een grote bank.
      5. Je rijdt een zware fiets.
      6. Jullie wonen in een mooi huis.
      7. Ik zoek een slimme collega.

    • 1. Hij heeft een grote auto.
      2. Wij wonen in een klein huis.
      3. Zij heeft een mooie jurk.
      4. Jullie hebben snelle fietsen.
      5. Zij koopt een dure tas.
      6. De hond heeft een korte staart.
      7. De olifant heeft grote oren.
      8. De supermarkt heeft lekkere aardbeien.

    • 1-Ik heb een snelle hond
      2-Ik woon in een lange straat
      3-Ik kop de rode pen
      4-Mijn vader kookt een leuke vis
      5-Dit huis heeft mooie raamen
      6-De spion wandelt donkere straaten
      7-De winkel verkoopt de rode tafels

    • 1. Je duwt de vervelende jongen.
      2. Hij verdrinkt een dikke eend.
      3. De chef kookte een kalme kikker.
      4. Wij zeggen een grote leugen.
      5. U stelt een domme vraag.

    • 1. Hij heeft een groot huis.
      2. Wij kopen de dure schoenen.
      3. Ik maak een heerlijke pasta.
      4. Bernard verkoopt het verse fruit.
      5. Jullie hebben een jong kind.
      6. Ik ontmoet een nieuwe collega.
      7. Zij hebben de snelle fietsen.
      8. U ziet het hoge gebouw.
      9. IK heb een sterke vriend.
      10. Zij zijn de rijke ouders.

    • 1. Ik speel een interessant spel.
      2. Dit is mijn favoriete eten.
      3. Zij heeft een mooie tas.
      4. Zij rekenen de moeilijke oefening.
      5. Jullie bezoeken de oude stad.
      6. Zij kennen de bekende zanger.
      7. Zij staat in de koude kamer.
      8. Wij krijgen het dure cadeau.

    • 1. Hij koopt een nieuwe auto.
      2. Wij eten een lekkere maaltijd.
      3. Ik zie een grote boom.
      4. Jij drinkt een warme koffie.
      5. Hij draagt een blauw overhemd.
      6. Zij zoekt een kleine sleutel.
      7. Wij huren een groot huis.

    • 1.Kerstman pakt grote cadeaus.
      2.De buurman begrijpt het moeilijke beleid.
      3.Ik luister naar lekkere muziek.
      4.Hij vertelt het saaie verhaal.
      5.Wij kiezen de dure bank.
      6.Jullie drinken zoete koffie.
      7.Ik blijf in de mooie woonkamer.

    • 1- Dit huis heeft mooie raamen
      2- De winkel verkoopt de rode tafels
      3- Ik heb een snelle hond
      4- De spion wandelt donkere straaten
      5- Ik woon in een lange straat
      6- Mijn vader kookt een leuke vis
      7- Ik kop de rode pen

    • 1, Ik lees een groot boek
      2. Jij leest mijn grote boek
      3. Hij kookt de groene groente
      4. Zij heeft een oranje broek
      5. Wij gaan naar het lange museum
      6. Jullie kopen dit dure huis
      7. Zij maken die kleine kamer schoon
      8. U gaat naar uw belangrijke afspraak

    • 1. Zij verkopen verse groenten.
      2. Ik koop een goedkope telefoon.
      3. Zij draagt het zwarte T-shirt.
      4. Wij bezoeken een oude kerk.
      5. Hij eet de zoete appel.
      6. Jullie huren een klein appartement.
      7. Hij leest het interessante boek.
      8. Wij eten een warme maaltijd.
      9. Zij luisteren naar de rustige muziek.
      10. Hij gebruikt een moderne computer.

    • 1. Ik zie het kleine kind.
      2. Ze kijkt naar de enge film.
      3. We horen een goed idee.
      4. Jullie hebben beroemde ouders.
      5. Jij eet de lekkere kip.
      6. Hij koopt een nieuwe fiets.

    • 1. Je hebt een rood bord.
      2. Jullie maken een groot meubel.
      3. Ik kook het pittige gerecht.
      4. U schrijft een lang verhaal.
      5. Zij draagt een mooie blouse.
      6. Hij schildert het grote huis.
      7. Hij heeft een briljant idee.
      8. Wij kopen verrukkelijke boterhammen.
      9. Ik grijp het kleine glas.
      10. Je leest de kleurrijke krant.

    • 1. Hij draagt een nieuw pak.
      2. Ik heb een rode auto.
      3. Wij hebben lieve kinderen.
      4. Ik heb donker haar.
      5. Zij voert de grote olifant.
      6. Wij verkopen het kleine huis.
      7. Hij gebruikt de nieuwe laptop.
      8. Zij eten een lekkere taart.
      9. Ik heb een aardige man.
      10. Ik draag de prachtige jurk.

    • 1. Ik heb een nieuwsgierig dier.
      2. Zij kookt een zoete taart.
      3. Jullie lezen een nieuw boek.
      4. Het is een moeilijke opdracht.
      5. Wij kijken een interessante film.
      6. Jij hebt een gezellig huis.

    • 1.Ik bestuur een zwarte auto.
      2.Het meisje leest een dik boek.
      3.Het huis heeft een rood dak.
      4.De man luistert naar een triest lied.
      5.De hond eet een groot bot.
      6.Zij slapen in een groot bed.

    • 1. Ik rijd een zwarte auto
      2. Ik heb een klein huis.
      3. Zij heeft blauwe ogen.
      4. Hij eet een rode appel.
      5. Wij zien een grote hond.
      6. Ik drink koud water.
      7. Zij kopen een nieuw huis.

    • 1. Ik draag een schoon overhemd
      2. Jij loopt op het kleine pad
      3. Hij geeft een rood boek
      4. Ik geloof jouw vrolijke verhaal
      5. Zij koken lekkere eten
      6. Hij heeft een wrede broer
      8. Ik slaap op het zachte kussen
      9. Jullie nemen een warme douche
      10. Ik heb droge handen

    • 1. Ik koop een nieuwe fiets.
      2. Jij draagt een mooie jas.
      3. Hij schrijft een lange brief.
      4. Zij eet een rode appel.
      5. Wij bezoeken het oude kasteel.
      6. Jullie bekijken die interessante film.
      7. Zij schilderen een witte muur.
      8. U leest uw belangrijke e-mail.
      9. Ik open het kleine raam.
      10. Jij kiest een goedkope stoel.

    • 1. Ik lees een interessant boek.
      2. Zij draagt een mooie jurk.
      3. Hij heeft een grote hond.
      4. Wij kopen een goedkoop cadeau.
      5. Jij schrijft een lange e-mail.
      6. Zij vindt een oude foto.
      7. Hij gebruikt een nieuwe computer.
      8. Wij bezoeken een leuke stad.
      9. Ik eet een groene appel.
      10. Jullie kiezen een goed restaurant.

    • 1. Ik zie een groot huis.
      2.Je hebt een snelle auto.
      3. Hij eet een warme soep.
      4. Zij leest een interessant boek.
      5. Wij zien een mooie bloem.
      6.Ze drinken een koude koffie.
      7.Ik wil een nieuwe auto.

    • 1. Ik maak pittige pasta
      2. Hij woont in een mooie stad.
      3. Ze leert een moeilijke taal.
      4. We rijden in een snelle auto.
      5. Ze koopt een dure broek.
      6. Hij doet dringend werk.
      7. Hij heeft de blauwe pen gebroken
      8. Ik loop in een smalle straat.
      9. Ze kijken naar een mooie schilderij.
      10. Ik heb een gele tas.

    • 1. Ik zie de zwarte kat.
      2. Jij wast de vieze handen.
      3. U koopt een oude fiets.
      4. Hij hoort de luide vogel.
      5. Zij repareert een kapotte klok.
      6. Wij maken de kleine tafel schoon.
      7. Jullie openen een groot raam.
      8. Zij kammen hun lange haar.
      9. Zij geven een jong paard voer.

    • 1. Hij heeft een groot huis.
      2. Wij hebben een fantastische vakantie.
      3. Zij heeft een slechte ervaring.
      4. Ik heb een coole ring.
      5. U bent een lieve man.

    • 1. Ik draag een mooie jurk
      2.Zij geeft een prachtige bloem
      3. Hij laat een kleine hond uit
      4. Ik schrijf een kort verhaal
      5. Jullie eten een rode pruim

    • 1. Zij koopt een rode appel
      2. Hij zoekt een nieuwe fiets.
      3. De man heeft een grote hond.
      4. Het kind leest een dik boek.
      5. Zij heeft een kleine kat.

    • 1. Ik verkoop een mooie tas
      2. Jullie dragen vieze schoenen
      3. Wij luisteren naar rustige muziek
      4. Hij krijgt een zware doos
      5. U leest het nieuw boek van Hilal
      6. Mijn man spelt een snelle videogame

    • 1. Ik koop een duur boek.
      2. Jij hebt een kleine auto.
      3. Hij leest het mooie boek.
      4. Wij zien het grote huis.
      5. Zij kopen de oude fiets.

    • 1. Zij verkopen deze mooie schoenen.
      2. Ik draag die moderne kleding.
      3. Jij steelt deze simpele vragen.
      4. Wij hebben die late dienst.
      5. U krijgt deze slechte cijfers.
      6. Wij doen deze gekke dingen.
      7. Jullie kennen deze gevaarlijke wegen.
      8. Hij heeft dit gewone beroep
      9. Wij nemen die warme douche.
      10. Wij hebben dit slechte nieuws.

    • 1. Jij maakt de lelijke foto’s.
      2. Zij zingt een prachtig lied.
      3. Ze openen een populair restaurant.
      4. Zij draagt ​​de paarse halsband.
      5. Zij heeft glanzend haar.
      6. Zij heeft een korte staart.
      7. U brengt deze witte doos.
      8. Wij ontvangen deze vervelende email.
      9. Jij vergeet de blauwe envelop.
      10. Zij luisteren naar harde muziek.

    • 1. Ik heb een groot huis.
      2. Je draagt mooie schoenen.
      3. Jullie bakken zoete koekjes.
      4. Wij willen koud water.
      5. Hij bouwt een stabiele structuur.

    • 1. Ik draag een zware tas.
      2. Ik koop een nieuwe auto.
      3. Ik lees een interessant boek.
      4. Ik zie een grote tafel.
      5. Ik heb een mooie fiets.
      6. Ik draag een warme jas.
      7. Ik koop een dure telefoon.
      8. Ik zie een klein huis.
      9. Ik heb een oude stoel.
      10. Ik lees een leuk verhaal.

    • 1. Ik draag een gele jurk.
      2.Zij rijdt op een mooie fiets.
      3. Jij drinkt het warme water.
      4. We dragen de lange pakken.
      5. Jullie zoeken de rode huizen.

    • Oefening 18
      1. (willen) Saidja wil bij ons blijven slapen.
      2. (mogen) Mag zij dat van haar ouders?
      3. (zullen) Zij zegt: ‘Ik zal het vragen.’
      4. (willen) Zij wil graag bij ons komen logeren.
      5. (mogen) Het mag van haar ouders.
      6. (komen) Zij komt vanavond om zes uur.

      Oefening 19
      1. Kun je nog even op mij wachten?
      2. Ik moet mijn tas nog inp…Read More

    • 1. Ik koop de snelle auto.
      2. Je ziet het kleine kind.
      3. Hij leest een dik boek.
      4. Zij zoekt de vermiste sleutel.
      5. We eten een warme maaltijd.
      6. Jullie huren het grote huis.
      7. Zij drinken de hete koffie.
      8. Ik draag een roze trui.
      9. Je hoort een hard geluid.
      10. Hij schildert de oude muur.

    • 1. Hij koopt de dure auto.
      2. Zij leest een interessant boek.
      3. Zij bezoekt een mooie straat.
      4. Jij maakt de vieze kamer schoon.
      5. Hij draagt een groene jas.
      6. Wij hebben een kleine tuin.
      7. Jij ontvangt deze belangrijke brief.
      8. Ze verkopen die oude stoelen.
      9. Zij kookt een heerlijke maaltijd.
      10. Wij kijken naar de grappige film.

    • 1 Ik ren een lange marathon
      2 Je ergert de dikke politieagent
      3 Jij bestuurt het oude schip
      4 U controleert de oppervlakkige bevolking
      5 Hij vervangt de oude wielen van de auto
      6 Zij maait het groene gras
      7 Wij vullen de kleurrijke ballonnen
      8 Jullie eten de zoeten koeken

    • 1. Ik eet een mooi eten.
      2. Je drinkt de rode wijn.
      3. Hij kookt het warme eten.
      4. Zij luistert naar de rustige muziek.
      5. Jullie kijken naar de interessante series.
      6. Wij rijden op de lange weg.
      7. U speelt met een jong meisje.
      8. Ik loop op een rustig strand.
      9. Je hebt een smal gezicht.
      10. Ze heeft blond haar.

  • Load More Posts