-
Boek. Pagina 81

Opdracht 6 Maak 5-10 zinnen
Gebruik nummers: 1,2,3…
Post your answer below:116 Comments-
1. Wij kopen een grote boom.
2. Hij luistert naar een grappige man.
3. U kijkt naar een lieve vrouw.
4. Jullie lopen naar een snelle auto.
5. Ik sta op een lange stoel.
6. Zij verkoopt een mooie bloem.
7. Je maakt een mooi landschap.
8. U heeft een zwarte broek.
9. Jullie zingen een mooi lied.
10. Hij schrijft een belangrijk boek. -
1. Hij verhuurt een groene auto.
2. Ik heb een zwaar boek.
3. Hij heeft een grote rugzak.
4. Zij maakt een verse pasta.
5. Ik koop een grote boom.
6. Jullie hebben een moderne TV.
7. Zij koopt een nieuwe kast.
8. Wij gaan met een snelle trein.
9. Ik zie een blauwe zee.
10. Hij repareert een kapotte fiets. -
1. Ik rijd in een grote auto.
2. Jij leest een smal boek.
3. Zij maakt een lekker eten.
4. Hij eet een rode krab.
5. Jullie spreken een oude taal.
6. Wij hebben een lange opdracht.
7. Zij wonen in een drukke straat.
8. Wij hebben een groot probleem.
9. U hebt een leuke auto.
10. Zij koopt een dure tas. -
1. Ik pak een klein boek.
2. Zij is een mooi meisje.
3. Wij hebben een zwarte auto.
4. Jullie lezen een belangrijk onderwerp.
5. Wij eten een lekkere pasta.
6. Hij ziet een groot raam.
7. Hij is een knappe man.
8. Wij hebben een zacht kussentje .
9. Zij is een sterk meisje.
10. Jullie drinken een hete koffie. -
1, Ik verkoop een zwarte auto.
2. Zij heeft een groot huis.
3. Zij luisteren naar het verdrietige lied.
4. Wij hebben een mooie tuin.
5. Zij bakt de leuke taart.
6. Ik werk in een klein kantoor.
7. Wij eten de lekkere soep.
8. Hij koopt een interessant cadeau.
9. Zij reist naar verre landen.
10 Jullie hebben gele bloemen. -
1. Ik heb een rode fiets
2. Hij eet een rot brood
3. Die vrouw kookt een warme soep
4. Jullie helpen het tevreden kind
5. Jij leest een interessant boek
6. Hij koopt een zure appel
7. Jullie maken een hete maaltijd
8. Ik drink een zwarte koffie
9. Wij luisteren naar een gek liedje
10. Hij verkoopt een groot raam -
1. Hij wil een rode fiets.
2. Jij draagt een blauwe jas.
3. Hij zoekt een grote auto.
4. Ik koop een groene plant.
5. Jullie nemen een lange pauze.
6. Zij eten een verse pizza.
7. Zij neemt een koude douche.
8. Jij hebt een nieuwe telefoon.
9. Wij kopen een mooie tafel.
10. Zij gebruiken een snelle computer. -
1. Ik drink een warm kopje koffie.
2. Hij heeft een sterke tafel.
3. Zij heeft een mooi huis.
4. Jullie hebben de lelijke auto’s.
5. Jij hebt een snelle auto.
6. Ik schrijf een lang boek.
7. Hij loopt een lange weg.
8. Zij leest een kort boek.
9. Peter eet een zacht brood.
10. Hij ziet een snelle olifant. -
1. Ik draag een zware tas.
2. Jij draagt een dure broek.
3. Hij heeft een lang haar.
4. Zij leegt de grijze fles
5. Wij sturen een groot pakket.
6. Jullie eten de heerlijke stroopwafels
7. Zij drogen de natte kleren
8. Ik weggooien de viese schoenen.
9. Hij kocht een kostbare diamant.
10. Zij innemen de zwangere vrouw. -
1. Ik rijd een snelle motorfiets.
2. Ik heb een nieuwe telefoon.
3. Hij heeft een leuk huis.
4. Zij heeft een blauwe tas.
5. Hij drinkt de warme melk.
6. Wij kapot de dure vaas.
7. Ze laden de rode vrachtwagen.
8. Hij neemt het mooi boek.
9. Zij luisteren naar het belangrijk nieuws.
10. Ik help de povere jongen. -
1. Ik draag een mooie jurk.
2. Wij zien het kleine meisje.
3. Zij spelen met dit grote kind.
4. Zij gaan naar dit hoge gebouw.
5. Wij hebben een snelle auto.
6. Jullie hebben een langzame fiets.
7. Zij hoort die luidruchtige vogel?
8. Ik drink dit heet water.
9. De jongen eet deze rode appel.
10.De vrouw wandelt met die mooie hond. -
1. Jij stuurt een lange e-mail.
2. Ik bak een lekkere taart.
3. Wij lezen een interessant boek.
4. Jullie maken het moeilijke huiswerk.
5. Zij kijkt de grappige film
6. Zij koopt een mooie fiets.
7. Wij drinken een warme koffie.
8. Jij gebruikt een snelle computer.
9. Ik schrijf een kort bericht.
10. Hij opent de oude deur. -
1. Ik heb rode pennen.
2. Je koopt zoet fruit.
3. Hij verkoopt zijn zwarte auto.
4. Zij eet een lekkere appel.
5. Wij drinken een grote glas water.
6. Jullie maken makkelijk huiswerk.
7. Zij wonen in een groot huis.
8. Viktor ziet een mooi meisje.
9. Anna en Peter horen luide stemmen.
10. De man voedt een witte hond. -
1. Ik heb een nieuwe auto.
2. Zij heeft een interessant boek.
3. Hij heeft een dure hoed.
4. Zij hebben een strakke deadline.
5. Jij hebt een vreemde persoonlijkheid.
6. Jij hebt een goed humeur.
7. Zij heeft een mooie jurk.
8. Ik heb een kapotte pen.
9. Jij hebt snelle huisdieren.
10. Zij heeft blauwe ogen. -
1. Hij leest een beetje Nederlands.
2. Ik heb een wit konijn.
3. Jij hebt drie grote huizen.
4. Zij ziet een zwarte vogel.
5. Jullie helpen een grijze vreemdeling.
6. Ik maak een smakelijke taart.
7. Jij eet een oude appel.
8. Antonia loopt een lange race.
9. Ik schrijf een interessant proefschrift.
10. Zij schildert een schoon schild. -
1. Hij heft een grote hond.
2. Wij hebben een nieuwe fiets.
3. Zij hebben een mooi huis.
4. Zij koopt een lekkere taart.
5. Ik drink een warme koffie.
6. Zij bakt een grote pizza.
7. Hij spelt de nieuwe gitaar.
8. Zij leest de oude krant.
9. Zij koopt een mooie tas.
10. Hij verkoopt een kleine fiets. -
1. Je drinkt rode wijn.
2. Zij kopen verse groente.
3. Hij leest jouw kleine noot.
4. Ik draag een witte jurk.
5. Jullie hebben een smal bed.
6. Ik kook een lekker avondeten.
7. Hij verkoopt een dure auto.
8. Je eet een grote boterham.
9. Zij schrijft een korte brief.
10. Hij ontmoet een mooi meisje. -
1. Ik schrijf een korte brief.
2. Jij ziet een oude vriend.
3. Hij draagt een warme jas.
4. Zij leest een spannende roman.
5. Jullie drinken koude limonade.
6. Jij zoekt een nieuwe baan.
7. Ik vind een kleine sleutel.
8. Zij kopen rode bloemen.
9. Ik hoor een zacht geluid.
10. Hij neemt een grote tas. -
1. Ik zie een mooie tafel.
2. Jij hebt de oude stoel.
3. Hij koopt een groot huis.
4. Wij openen het kleine raam.
5. Ik bewonder mooie tafels.
6. Zij dragen de nieuwe stoelen.
7. Wij bekijken grote huizen.
8. Jullie repareren de kleine ramen.
9. Ik stel een interessante vraag.
10. Hij begrijpt het moeilijke probleem. -
1. Ik heb een kleine bloempot.
2. Hij heeft een lange tuin.
3. Zij heeft een mooie dochter.
4. Jij hebt een dikke deken.
5. Wij bakken een lekkere taart.
6. Hij koopt een oude auto.
7. Ik draag een grote hoed.
8. Nico heeft nieuwe schoenen.
9. Ik heb een blauwe jas.
10. Je drinkt een witte wijn.
11. Het is een kleine aap.
12. Zij kopen verse…Read More -
1. Ik koop een rode jas.
2. Jij leest een spannend boek.
3. Hij eet een verse appel.
4. Wij drinken een koude limonade.
5. Zij dragen een lange jas.
6. Jij maakt een lekker ontbijt.
7. Ik schrijf een leuke brief.
8. Hij ziet een witte kat.
9. Wij hebben een groot huis.
10. Zij kopen een dure laptop. -
1. Hij heft een grote hond.
2. Wij hebben een nieuwe fiets.
3. Zij hebben een mooi huis.
4. Zij koopt een lekkere taart.
5. Ik drink een warme koffie.
6. Zij bakt een grote pizza.
7. Hij spelt de nieuwe gitaar.
8. Zij leest de oude krant.
9. Zij koopt een mooie tas.
10. Hij verkoopt een kleine fiets. -
1. Ik onderzoek een nieuwe wetenschap.
2. Je neemt een moeilijke beslissing.
3. Jij vergeet de slechte gedachten.
4. U verenigt de verschillende zaken.
5. Hij vergelijkt onbekende personen.
6. Zij huilt bittere tranen.
7. We hebben een belangrijke stem.
8. Jullie creëren een gevaarlijk mengsel.
9. Ze raken andere kinderen aan.
10. Ik knip een lang haar. -
1. Ik maak een dringende afspraak.
2. Ik plant een zeldzame boom.
3. Jij draagt een blauw pak.
4. Je stuurt een belangrijke brief.
5. Ze hebben een leuke bruiloft.
6. Ze maakt een smakelijke chocoladetaart.
7. Je hebt echte vrienden.
8. Wij kopen een elektrische auto.
9. Ik huur een prachtig appartement.
10. Je presenteert een goede oplossing.
11.…Read More -
1- Zij wassen vieze handen.
2- Jullie poetsen het oude huis.
3- Zij heeft een aardige collega.
4- Jij doet gekke dingen.
5- Hij ontvangt prachtig nieuws.
6- Wij hebben een afhankelijke zus.
7- Zij hebben eenvoudige opdrachten.
8- Ik kijk naar een geweldig gebouw.
9- Jullie zijn sterke atleten.
10- Zij dragen ouderwetse kleding. -
1- Jij leest een interessant boek.
2- Hij schrijft een lange brief.
3- Zij eet een lekkere appel.
4- Wij kopen een dure jas.
5- Jullie drinken een warme koffie.
6- U maakt een mooie tekening.
7- Hij vindt een oude foto.
8- Zij luistert naar harde muziek.
9- Wij zien een grote hond.
10- Jij gebruikt een nieuw potlood. -
1. Wij hebben een mooi huis.
2. Ik zie de kleine man.
3. Zij koopt de bruine jas.
4. Je maakt het lekkere koekje.
5. Hij heeft makkelijk huiswerk.
6. Zij zwemt in koud water.
7. Jullie bezorgen een grote tuin.
8. Ik help een oude vrouw.
9. Wij geven de snelle fietsen.
10. Je spreekt met het kleine meisje. -
1. Ik zie een grote hond.
2. Je draagt zijn mooie overhemden.
3. Je leest het belangrijke menu.
4. Ze voeren een serieus gesprek.
5. Ze bezoekt een eng huis.
6. De leraar ontmoet deze domme leerlingen.
7. We schrijven met een blauwe pen.
8. Ze kookt een heerlijke maaltijd.
9. Ik eet het walgelijke eten.
10.De mannen schaatsen op het koude ijs. -
1. Ik koop een nieuwe telefoon.
2. Ik lees een interessant boek.
3. Jij eet een warme maaltijd.
4. Het kind eet een zoete appel.
5. De kat ziet een kleine vogel.
6. De chef kookt een warme soep.
7. Hij kijkt naar een spannende film.
8. Zij vindt een oude sleutel.
9. Jullie maken een mooie tekening.
10. Wij vinden een nieuw huis. -
1. Ik draag een blauw hemd.
2. Hij draagt een zware koffer.
3. Ze zoeken een nieuw huis.
4. Jij hebt mooie ogen.
5. Jullie maken domme keuzes.
6. De chauffeur maakt een dodelijke fout.
7. Ze werken aan een belangrijk onderwerp.
8. Zij wil een sterke man.
9. Morteza maakt een lange reis.
10. De leraar geeft een lang huiswerk. -
1. Hij heeft een groot huis.
2. Wij kopen de dure schoenen.
3. Ik maak een heerlijke pasta.
4. Bernard verkoopt het verse fruit.
5. Jullie hebben een jong kind.
6. Ik ontmoet een nieuwe collega.
7. Zij hebben de snelle fietsen.
8. U ziet het hoge gebouw.
9. IK heb een sterke vriend.
10. Zij zijn de rijke ouders. -
1. Zij verkopen verse groenten.
2. Ik koop een goedkope telefoon.
3. Zij draagt het zwarte T-shirt.
4. Wij bezoeken een oude kerk.
5. Hij eet de zoete appel.
6. Jullie huren een klein appartement.
7. Hij leest het interessante boek.
8. Wij eten een warme maaltijd.
9. Zij luisteren naar de rustige muziek.
10. Hij gebruikt een moderne computer. -
1. Je hebt een rood bord.
2. Jullie maken een groot meubel.
3. Ik kook het pittige gerecht.
4. U schrijft een lang verhaal.
5. Zij draagt een mooie blouse.
6. Hij schildert het grote huis.
7. Hij heeft een briljant idee.
8. Wij kopen verrukkelijke boterhammen.
9. Ik grijp het kleine glas.
10. Je leest de kleurrijke krant. -
1. Ik koop een nieuwe fiets.
2. Jij draagt een mooie jas.
3. Hij schrijft een lange brief.
4. Zij eet een rode appel.
5. Wij bezoeken het oude kasteel.
6. Jullie bekijken die interessante film.
7. Zij schilderen een witte muur.
8. U leest uw belangrijke e-mail.
9. Ik open het kleine raam.
10. Jij kiest een goedkope stoel. -
1. Ik lees een interessant boek.
2. Zij draagt een mooie jurk.
3. Hij heeft een grote hond.
4. Wij kopen een goedkoop cadeau.
5. Jij schrijft een lange e-mail.
6. Zij vindt een oude foto.
7. Hij gebruikt een nieuwe computer.
8. Wij bezoeken een leuke stad.
9. Ik eet een groene appel.
10. Jullie kiezen een goed restaurant. -
1. Ik maak pittige pasta
2. Hij woont in een mooie stad.
3. Ze leert een moeilijke taal.
4. We rijden in een snelle auto.
5. Ze koopt een dure broek.
6. Hij doet dringend werk.
7. Hij heeft de blauwe pen gebroken
8. Ik loop in een smalle straat.
9. Ze kijken naar een mooie schilderij.
10. Ik heb een gele tas. -
1. Zij verkopen deze mooie schoenen.
2. Ik draag die moderne kleding.
3. Jij steelt deze simpele vragen.
4. Wij hebben die late dienst.
5. U krijgt deze slechte cijfers.
6. Wij doen deze gekke dingen.
7. Jullie kennen deze gevaarlijke wegen.
8. Hij heeft dit gewone beroep
9. Wij nemen die warme douche.
10. Wij hebben dit slechte nieuws. -
1. Jij maakt de lelijke foto’s.
2. Zij zingt een prachtig lied.
3. Ze openen een populair restaurant.
4. Zij draagt de paarse halsband.
5. Zij heeft glanzend haar.
6. Zij heeft een korte staart.
7. U brengt deze witte doos.
8. Wij ontvangen deze vervelende email.
9. Jij vergeet de blauwe envelop.
10. Zij luisteren naar harde muziek. -
Oefening 18
1. (willen) Saidja wil bij ons blijven slapen.
2. (mogen) Mag zij dat van haar ouders?
3. (zullen) Zij zegt: ‘Ik zal het vragen.’
4. (willen) Zij wil graag bij ons komen logeren.
5. (mogen) Het mag van haar ouders.
6. (komen) Zij komt vanavond om zes uur.Oefening 19
1. Kun je nog even op mij wachten?
2. Ik moet mijn tas nog inp…Read More -
1. Hij koopt de dure auto.
2. Zij leest een interessant boek.
3. Zij bezoekt een mooie straat.
4. Jij maakt de vieze kamer schoon.
5. Hij draagt een groene jas.
6. Wij hebben een kleine tuin.
7. Jij ontvangt deze belangrijke brief.
8. Ze verkopen die oude stoelen.
9. Zij kookt een heerlijke maaltijd.
10. Wij kijken naar de grappige film. -
1. Ik eet een mooi eten.
2. Je drinkt de rode wijn.
3. Hij kookt het warme eten.
4. Zij luistert naar de rustige muziek.
5. Jullie kijken naar de interessante series.
6. Wij rijden op de lange weg.
7. U speelt met een jong meisje.
8. Ik loop op een rustig strand.
9. Je hebt een smal gezicht.
10. Ze heeft blond haar.
- Load More Posts

1. Hij koopt de dure auto.
2. Ik kook een lekker eten.
3. Zij schrijft een lang verhaal.
4. Wij bouwen een groot huis.
5. Zij drinken de rode wijn.
6. Zij draagt een mooie jas.
7. Hij wint de moeilijke wedstrijd.
8. Jullie lezen een smal boek.
9. Jij kijkt de interessante film.
10. Wij drinken het koude water.